Mataglap

  

Vrijdag moest ik naar Den-Haag. En opeens realiseerde ik mij dat Zoetermeer vlakbij Den-Haag ligt. In Zoetermeer staat de barkruk van mijn vader die hij ooit uitleende aan zijn nicht Toetie. ‘Daar kon ze tijdens het koken even op gaan zitten. Maar nu wil ik de kruk terug.’ 
                             *

Nicht Toetie verblijft in een woon-zorgcentrum in Zoetermeer. 

‘Je moet daar allerlei codes intoetsen’, aldus mijn vader, ‘Anders lopen ze weg. De verzorgers vertellen gewoon de code aan je hoor, – ‘2002’ was de code- de bewoners vergeten dit toch meteen.’ 

Hoe vreselijk kan het leven eindigen? Nou, zo dus: achter een code wonen die iedereen weet en jij niet onthoudt.

                             *

Ik vraag aan mijn vader of de kruk bij zijn nicht staat, zoals hij had afgesproken met haar zoon.

‘Ja, de kruk staat daar. Maar ik kon hem niet meenemen, met de stok in mijn ene hand en…’ Ik onderbreek hem en dring aan:

‘Maar heb je de kruk daar zien staan?’

‘Eh, nee, ze heeft een grote kamer, die heb ik wel gezien.’

‘Maar stond jouw kruk daar?’

                             *

Dat weet mijn vader niet. Of niet meer. 

‘Nou, dan bel ik haar zoon wel op. Heb je zijn nummer?’

Mijn vader staat op, loopt naar de andere kamer en rommelt in een stapel papieren op zijn bureautje. 

                             *

‘Ja, hier heb ik het!’ Mijn vader schuifelt de zitkamer in en houdt een papiertje in zijn vrije hand. ‘Het lag op de grond, vandaar dat ik het niet zo snel vond.’ Ik noteer het telefoonnummer van de onbekende achterneef. Dat is vast een van de springerige jongetjes die ik vroeger wel eens tegen ben gekomen op een selamatan van de Indische tak van de familie. 

                             *

Ik bel de achterneef en spreek zijn voicemail in. Ik sms hem en stuur een app. Het is kort dag en ik hoor niks. ‘s Avonds krijg ik eindelijk een appje. ‘Annelie, mijn moeder zit in WZH-Oosterheem in kamer 3.41. De stoel staat in haar kamer links achter de plant.’ 

                             *

Vrijdag reis ik af naar Zoetermeer. Eindeloos dwaal ik rond in blokken nieuwbouw. De navigatie heeft het zoeken opgegeven. De Florence Nightingalelaan eindigt in het niets. Op de navigatie dan. Na twee rondjes om de verkeerde wijk heen en drie keer vragen vind ik het woon-zorgcentrum. Het ligt verstopt tussen een expeditie-ruimte en een winkelcentrum. Alle gebouwen zijn bruin. Nieuw baksteenbruin.

                             *

Er is geen receptie in het woon-zorgcentrum. Ik neem de lift naar de derde verdieping, een gokje gebaseerd op de 3 van kamer 3.41. Ik beland in een gang. Glimmend linoleum blinkt me tegemoet. Ik kijk naar rechts en zie door een raam bewoners in een kring bij elkaar zitten. De deur is dicht. Naast de deur hangt een bordje. ‘Huiskamer 3.0’ lees ik. Een verzorgster ziet mij turen door het glas en komt naar me toe. ‘Ik ben op zoek naar kamer 3.41, naar mevrouw J.’, zeg ik. 

                           *

De aardige dame wijst naar rechts. ‘Dan loopt u deze gang uit en aan het einde gaat u naar links. Daar vindt u net zo’n huiskamer als hier en daar is mevrouw J.’ 

Ik loop de gang uit, sla linksaf en ik stuit op een dichte deur met ernaast een rechthoekje met cijfertoetsen. De code, wat is de code? Ik denk aan het gesprek met mijn vader. 2002, ja, dat is de code. Ik toets de cijfers in en duw de deur open. Deze blijft dicht. Nog een keer toets ik de code in en duw. Niks. Geen beweging. Een drietal schoonmakers achter de deur kijkt mij glazig aan.

                           *

Ik loop weer terug. De aardige dame ziet mij en komt eraan. 

‘De deur is dicht, ik heb een code nodig.’ De dame loop mee, drukt 2002 in en #. 

‘Na 2002 een hekje, dan gaat de deur open.’ 

‘Hartelijk dank!’, zeg ik en ik loop de volgende gang in. Langs de schoonmakers. 

‘Goedemorgen’, zeg ik. ‘Goedemorgen’, zeggen ze in koor terug. Hun ogen prikken in mijn rug. Daar is de volgende huiskamer, identiek aan de vorige. 

                           *

Grove, lichthouten stoelen, een stevige tafel. Bewoners om de tafel. Twee verzorgsters daar omheen. Ik realiseer me opeens dat ik niet weet hoe mijn tante eruit ziet. 

‘Haar kamer ligt naast de huiskamer. Een grote kamer is het!’ Ik hoor de stem van mijn vader, loop een stukje verder en kijk naar het bordje naast de deur: 3.41. Onder het bordje hangt een foto: mevrouw J. Ik zie een dame met een rond gezicht en wit haar. Een bloempotkapsel. Ik loop terug naar de huiskamer en stap naar binnen.

                             *

De verzorgsters kijken mij hartelijk aan. Ik kijk rond en zie mijn tante. Voor haar ligt een bord op tafel met twee witte boterhammen. 

‘Ik kom voor mevrouw J. Ik ben de dochter van Ad Jonquiere.’ Tante Toetie kijkt mij verschrikt aan. 

‘Ad, Addy’, verduidelijk ik. 

‘Ja, die ken ik’, zegt ze aarzelend. 

‘Ik ben zijn dochter, Annelie.’

                            *

‘Wat gezellig, mevrouw J.!’, roept de verzorgster vrolijk. ‘Nu u familie op bezoek krijgt is het misschien leuk dat u even naar uw kamer gaat. Dan eet u zo wel een broodje.’ Tante Toetie heeft net zo’n rond gezicht als mijn vader. Dezelfde kleur huid. Bruin. Grote, bruine ogen. De ogen van mijn oma zie ik. Mijn vaders ogen. 

                             *

‘Nee hoor, dat hoeft niet’, zeg ik gauw. ‘Mijn tante kent mij alleen van toen ik zo klein was.’ En ik houd mijn linkerhand zo’n 1.20 meter boven de glimvloer. Mijn grootte van 45 jaar geleden.

                               *

Opgelucht zegt tante Toetie: ‘Ja, dat weet ik niet meer, zo lang geleden!’ En ze voegt eraan toe: ‘En zeker nu niet meer, nu ik een beetje mataglap ben.’ Ik hoor de zelfspot, de tongval. De Indische dikke letter l.  

‘Ik kom alleen even een kruk van mijn vader ophalen die in uw kamer staat.’ Ik geef tante Toetie een hand en in een klap ben ik terug in de geur van kerrie telor, pisang goreng en nasi rames. De hand is zacht en warm. Het is mijn oma’s hand, de hand van mijn vader.

                             *

‘Ik haal de kruk op uit uw kamer dan kunt u lekker uw broodje eten’, zeg ik. Toetie kijkt naar de twee onbelegde boterhammen op het plastic bord. Ze steken iets uit over de rand.

‘Eet smakelijk allemaal!’, zeg ik en vijf, zes paar oude ogen kijken mij aan. Niemand zegt wat. De verzorgsters zijn weer begonnen met redderen. ‘Dag mevrouw!’, zeggen ze beiden.

                             *

Ik loop naar kamer 3.41. In de hoek staat een plant. Daarachter zie ik de kruk. Bij het raam staat een ziekenhuisbed met een kleurig sprei erop. Op de houten kast zie ik het portret van een oudere man. Dat zal mijn overleden oom zijn. Ik herken hem niet. Snel loop ik weg. De deur uit, de gang in, de code, 2002 #, de lift en ik sta buiten. De zon schijnt in de Florence Nightingalelaan.

                             *

Als ik mijn vader bel en hem vertel dat ik zijn kruk heb opgehaald is hij blij. 

‘Heb je gezien hoe groot haar kamer is?’, vraagt hij.

Ik geef geen antwoord. Ik zie alleen de ogen van mijn oma. En twee witte boterhammen. Met niks.

                         ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s