Van de jongens die naar Parijs fietsten 

Het is dinsdag. Vaderdag. Morgen is het woensdag. Koningsdag. Ik ren tussen twee hagelbuien door naar de auto. Bij de visboer is het, in tegenstelling tot andere dinsdagen, druk. Een piepklein meisje – bruine, steile haren met een klein schuifspeldje – lacht naar mij. Op haar dunne beentjes wankelt ze naar me toe. Nog zo’n stralende lach. Ik lach terug.

                             *

Met de visjes in mijn hand stap ik weer in de auto. De hagelstenen zijn overgegaan in grote regendruppels waarvan er een achter mijn brillenglas belandt. Scheel kijkend door de druppel rijd ik naar Heemstede. Het is noodweer. Bij mijn vaders flat is een plek vrij naast de deur, een smalle plek maar het lukt mijn piepende auto – alle waarschuwingssystemen werken prima – tussen een sneue Kia en dito Hyundai in te zetten. Ik wurm me met de visjes uit de auto en ren de hal van de flat in. Ik vergat de sleutel van mijn vaders flat en ik glip het gebouw binnen terwijl een aardige dame naar buiten gaat. 

                            *

Boven, bij mijn vaders deur bel ik aan. ‘Anne, hallo!?’, hoor ik. 

‘Ik sta hier, pa!’, roep ik tegen de deur. ‘Ik ben al boven!’ Even staat mijn hart stil. Wat, als hij gevallen is en op de grond ligt, hulpeloos? Ik heb geen sleutel. Achter de deur klinkt geschuif en de deur gaat open. Mijn vader doet open. 

‘Ik hoor niet of je beneden staat of boven’, zegt hij met een verontschuldigend lachje. Hij was dus mijn naam aan het roepen in de intercom. 

‘Ik kon met iemand meeglippen’, zeg ik, ‘Dus ik stond al hier.’ Hij loopt, nee, schuift langzaam, wijdbeens en zonder stok naar de keuken. Ik leg de haringen op het aanrecht. De boterham ligt klaar. Uit de woonkamer klinkt het geluid van de televisie. Ik hoor de tune van het journaal, het is twaalf uur.

                          *

‘Ik heb al thee gezet’, zegt mijn vader terwijl hij minutieus de haring schoonmaakt en netjes op zijn geroosterde boterham legt. 

‘Ik schenk het zelf wel even in’, zeg ik. Ik pak het glas dat ook klaarstaat, haal het zakje uit de inmiddels zwart-getrokken thee en schenk in. Ik hoop dat het water gekookt heeft. Ooit zag ik mijn vader thee zetten met heet water uit de kraan. ‘Dat kan net zo goed’, beweerde hij, ‘Je proeft niet het verschil.’ Gruwelijk. 

                             *

Met mijn thee en het bordje met de boterham loop ik de kamer in. Ja, het journaal staat aan. Ik ga zitten, mijn vader komt langzaam aanlopen. Hij laat zich in zijn stoel zakken voor het raam en zegt dat het een heerlijke stoel is.

‘Je kan zo lekker je benen uitstrekken’, zegt hij en hij doet het voor. Zijn benen tilt hij een beetje op van de vloer. ‘Ja, het lijkt mij een heerlijke stoel’, zeg ik. 

                            *

We kijken naar het journaal. We zien de boot waarop morgen de koning met zijn gezin wordt vervoerd. 

‘Ze zullen het wel koud krijgen morgen’, zeg ik, ‘Op zo’n open boot.’

‘Ze kleden zich erop’, weet mijn vader. De weerman legt uit dat het pokkenweer wordt morgen. Net als vandaag. Langs de grote ramen van mijn vader waait een regengordijn van rechts naar links. Een fietser fietst moeizaam tegen de regen en wind in, hij heeft een zwarte poncho aan. De bomen met jong groen hellen over als riet in het open veld. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik.

‘Wat zeg je?’, vraagt mijn vader. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik wat harder. ‘Ja, zeg dat wel, het klimaat is in de war.’ Mijn vader schudt zijn hoofd. ‘Het is bijna mei en het is…’ Hij schuift naar voren in zijn stoel. Op de salontafel staat een apparaatje waarop hij de temperatuur afleest. ‘7 graden maar’, verzucht hij. 

                             *

Voor de tweede keer verschijnt op t.v. het item van de boot met de oranje kussens voor de koninklijke familie.

‘He, dat hebben we toch al gezien?’, vraagt mijn vader en hij zet de t.v. uit. 

                             *

‘Ik ga nog een paar dagen met Julia naar Parijs’, vertel ik. ‘Volgende week.’

‘O, leuk, wanneer ga je precies?”

‘5 mei’, zeg ik,’ Ik schrijf het wel even op.’ En in de lege agenda schrijf ik op de donderdag ‘Annelie en Julia naar Parijs.’ Op de zondag schrijf ik ‘Annelie en Julia terug.’

Opeens lichten mijn vaders ogen op. ‘Na de oorlog fietste ik met twee vrienden naar Parijs. Je weet wel was ook mee, eeeh, hij is net overleden…’ Ik kom ook zo gauw niet op de naam van de man die ik als klein kind wel eens zag. Een vrolijke man met een groot gebit. ‘Ted Forster’, zegt mijn vader. Ted overleed een week of drie geleden. Mijn vader ontving een rouwkaart. Op de voorkant stond een plaatje van de zee met een wegzeilend schip. Mijn vader zou naar de crematie gaan. Toen ik de volgende dag kwam zei hij: ‘Ik ben er niet naar toe gegaan. Ik ken er niemand.’ 

                              *

‘Wij fietsten via Nijmegen en Maastricht naar Parijs. Wij dachten dat doen we wel even, maar het was heuvelachtig in België!’… Mijn vader wijst met zijn hand de heuvels en dalen van de Ardennen aan. 

‘Als we naar beneden fietsten ging het hard! We hadden allemaal een petje op en door de harde wind woei mijn petje af. Zo in de hand van Ted die achter mij fietste!’ Mijn vader lacht bij dit beeld dat hij alleen ziet. ‘Hoe kan dat, he, dat je zo’n petje vangt!? Maar het gebeurde echt. 

We sliepen onderweg op het land bij een boer in een tentje dat te klein was. Onze voeten staken zo uit de tent.’ Weer gaan zijn benen naar voren. ‘ ‘s Ochtends werden we wakker doordat de koeien aan onze voeten likten.’ Mijn vader lacht weer.

‘Was dat vlak na de oorlog?’, vraag ik.

‘Ja, vlak na de oorlog. In Parijs logeerden we bij een neef van Ted.’ 

                            *

Als ik wegga zegt mijn vader: ‘ Goh, ik heb weer zo’n haartje voor mijn oog, ik kijk er gewoon scheel van.’

‘Ik knip het wel even bij’, zeg ik. Mijn vader bukt en pakt een schaar uit de la. Ik kijk naar zijn grijze, warrige wenkbrauwen. Ik knip heel voorzichtig een paar haartjes weg.

‘Zo kan je weer goed kijken’, zeg ik.

‘Dank je wel’, zegt hij, ‘En bedankt dat je er was.’ 

‘Tot zondag!’, zeg ik,’ en als er wat is dan hoor ik het, he?!’ 

                            *

Ik ga weg en ik laat de man die ooit naar Parijs fietste alleen. 

                           ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s