Zinnen zeven 


Soms lees je een woord, een zin, een alinea die je treft als een pijl recht in het hart. Voor mij was dat deze zaterdag de zin van acteur Porgy Franssen in een interview in Trouw.

                             *

Porgy citeert de Maastrichtse toneelleraar Rene Lobo die tegen de jonge student-acteur Porgy zei: ‘Het gaat erom dat je geen zin zegt zonder hem door je ziel te zeven.’ 

                             *

Ik lees de zin een paar keer over, als een mantra echoot de uitspraak na in mijn hoofd. Ik ben geen acteur die zinnen zegt. Ik schrijf zinnen op tot ze een kort verhaal vormen. Gelden de woorden van de toneelleraar ook voor schrijvers? Moeten wij, ik – nietige blogger – ook niet zinnen zeven door onze ziel voor ze op te schrijven?

                            *

Laatst las ik het boek ‘De geest geven’ van Hilary Mantel. Hilary is een gevierd en gevestigd schrijfster. Ze won prestigieuze prijzen als de Man Booker Prize, schreef historische romans over Robespierre en Thomas Cromwell. Haar laatste boek gaat over haarzelf, haar moeilijke leven met een mysterieuze maar slopende ziekte die bestreden wordt met allerlei niet effectieve en soms zelfs destructieve middelen.

                              *

In ‘De geest geven’ sleept Hilary Mantel de lezer mee in haar leven, haar taal, ironie en gevoel voor detail. Haar zinnen zijn gezeefd door de ziel.  

                               *

Porgy Franssen neemt ons in het interview ook mee in zijn leven. Niet alle zinnen in het interview zijn door de zeef van de ziel gevallen. Maar deze: ‘Ik ben 59, je moet ook eens loskomen van de moeder die zo bepalend was. Als ik in Eindhoven was en haar daar niet bezocht voelde ik mij schuldig.’ Als zacht meel door de keukenzeef vallen de woorden in de bak van een te verwerken geschiedenis.

                              *

Mijn moeder is allang dood. Ik hoef haar niet meer te bezoeken of mij schuldig te voelen als ik in de buurt ben maar toch niet ga. Ik ben 53, ik fiets met losse handen als een overmoedig kind op weg van school naar huis, ik ben niet bang om te vallen. Niet meer.

                           *

En ik zeef mijn zinnen door de ziel.

                        ***

Nooit meer djoes

In de vensterbank staat zijn bord. Kruimels verraden een lunch van krentenbrood en geroosterde boterham. Zijn koffiemok is halfvol. Dat zie ik later als ik zijn bord en mok naar de keuken breng. 

                            *

Mijn vader zit in zijn gemakkelijk stoel en kijkt naar Buitenhof. Hij steekt, voor ik op de bank ga zitten, uitnodigend zijn rechterarm naar mij uit. Dus kus ik hem op zijn zachte wang. 

                            *

Een Amerikaanse vrouw informeert ons over de Amerikaanse presidents-verkiezingen.

‘Interessant hoor’, zegt mijn vader die gebiologeerd naar het scherm kijkt.

De Nederlandse presentatrice heeft een mooi jasje aan. Leer met een stoffen bies. Een wit t-shirt eronder. Ze spreekt uitstekend Engels. 

                             *

Na Buitenhof klikt mijn vader op de afstandsbediening en er verschijnt een overzicht van een stuk of zes zenders. 

‘Er wordt getennist op Wimbledon’, zegt hij.

‘O, zo vroeg al? Ik dacht dat Wimbledon in juli, augustus was’, antwoord ik. En ik denk aan mijn uitstapje naar Londen. Ik was zestien en verbleef in een Pakistaans gastgezin. Iedereen vertrok na de toast met gebakken eieren en een mok tea overdag naar het werk. Ik bleef achter in het Engelse rijtjeshuis en ik keek uren naar Wimbledon. Het was hartje zomer 1979. 

                            *

‘Je moet dat krantenbericht eens pakken’, zegt mijn vader. Hij wijst naar een uitgeknipt bericht op de salontafel. Tussen oude kranten, een lege, opengeslagen agenda, pennen en het schoteltje met vijf bruinige appelpartjes -‘Die zijn voor jou!’ – ligt een krantenknipsel. Ik pak het van de tafel en begin te lezen. 

‘Oudere vrouw rijdt met auto het water in.’

‘Dat is de auto van de vrouw van het echtpaar waar ik soms eet’, vertelt mijn vader. Op de foto is een rood autootje half de vijver in gereden. Groen kroos drijft als een misplaatste krans om het voertuig heen. 

‘Ze kon er gelukkig uitkomen’, vertelt mijn vader, ‘Maar ze is helemaal overstuur.’

                           *

Mijn vader heeft nog een paar stokoude vrienden en kennissen in de buurt. Dit echtpaar nodigt hem regelmatig uit om te komen eten. Laatst gleed hij bij hen uit over een stukje parket tussen twee tapijten in – ‘Spekglad zeg!’ Deze lieve mensen bellen hem vanaf de dag van de val iedere dag op. 

‘Ze zijn zich rot geschrokken. Ze kregen mij niet overeind. Een buurvrouw heeft mij geholpen met opstaan.’

En nu is de dame van het lieve echtpaar in de vijver voor haar deur gereden.

‘Ik snap het niet’, vertelt mijn vader wel drie keer achter elkaar. ‘Ze stond op de oprit. Daar staat ze anders nooit. En ze reed zo het water in.’
‘Misschien moet ze maar niet meer rijden’, opper ik. 

‘Ze hebben ook een Mercedes’, vertelt mijn vader, ‘Ze vroegen of ik daar eens mee wil rijden. Maar dat doe ik niet hoor. Zo’n grote wagen, zometeen gebeurt er wat.’

‘Nee, doe dat maar niet’, beaam ik en ik denk aan zijn 94-jarige rijkunst.

                           *

Intussen begint de tenniswedstrijd op Roland Garros. 

‘O, het is Roland Garros’, zegt mijn vader.

Een Nederlandse tennisser neemt het op tegen een Amerikaan. De Amerikaanse jongen is een arrogante blaaskaak met een keiharde service. De keurige Nederlander heeft het moeilijk met dit service-kanon. 

‘Ze zeggen nooit meer djoes’, constateert mijn vader.

Ik hou het bijna drie sets vol.

                           *

‘Ik ga maar weer eens, pa’, zeg ik.

Hij kijkt op, komt uit zijn stoel omhoog en loopt moeizaam met me mee.

‘Ik vind het altijd zo leuk als jullie komen’, zegt hij.

‘Ik zie je dinsdag!’, zwaai ik.

                            *

Ik trek de deur dicht. Buiten motregent het bijna. 

                          ***

Onverdraaglijk 


De afgelopen dagen waren te vol om te denken aan letters, woorden en zinnen, laat staan aan een verhaal. Maar nu is het stil. Het huis slaapt. Buiten hangen de eerste sliertjes geel aan de gouden regen.

                            *

Ooit is onze gouden regen gesnoeid ondanks dat in alle boekjes staat: Snoei Nooit Een Gouden Regen. De gouden regen schrok, trok zijn takken en blaadjes als een bedreigde slak in, maar komt langzamerhand op volle sterkte terug. 

De tere sliertjes met gele knopjes ontroeren. Zoals de jonge sla van Rutger Kopland.
                             *

Alles kan ik verdragen,

het verdorren van bonen,

stervende bloemen, het hoekje

aardappelen kan ik met droge ogen

zien rooien, daar ben ik

werkelijk hard in.


Maar jonge sla in september,

net geplant, slap nog,

in vochtige bedjes, nee.

                             *

Rutger Kopland schreef het gedicht Jonge Sla ter herinnering aan een overleden jeugdvriend. Jonge sla als metafoor voor een onvoltooid leven.
                           *

Ruim vijf jaar geleden stierf de dertienjarige Ige, zoon van vrienden. Op het moment dat ik deze zinnen schrijf hoor ik mijn zoon boven wakker worden. Achttienjarige stappen bonken van de slaapkamer naar de badkamer. En terug. Door het plafond heen zie ik een volwassen lijf schuin op het grote bed vallen, het tweepersoons bed dat de hele kamer vult. 

                            *

Destijds nam ik afscheid van Ige in zijn jongenskamer in het ouderlijk huis. Een jongenslijf op een jongensbed. Niet het bed maar de aanwezigheid van het kind, de persoonlijkheid van deze jongen vulde de hele kamer, het huis, de straat, de stad, het land, de wereld.

                             *

Dit jaar zou Ige negentien jaar geworden zijn. Op 20 mei. Precies in de bloeitijd van de gouden regen. Laatst sprak ik over Ige met mijn dochter. 

‘Hij zou nu vast gaan studeren’, zei ze. 

Ja, vast.

                              *

En ik denk aan de dromen die wij, jonge moeders, destijds hadden over onze jongens. Dromen die niet uitkomen of half of de droom overtreffen.

Mijn zoon zei: ‘Eigenlijk mag je blij zijn dat je kinderen gezond zijn. Er kan zoveel fout gaan.’ 

Ja, er kan veel fout gaan. Zoals vijf jaar geleden. 

En terwijl ik deze letters, dit woord, deze zin schrijf dwarrelen de uitgebloeide kersenbloesems van de buren als dorre tranen op ons terras.

                            ***

Vader en zoon


Dit keer kom ik aanfietsen van de andere kant en ik kijk omhoog naar mijn vaders balkon. Ik zie de bloembakken die hij in etappes vulde – ‘ik kan niet meer zo lang bukken’ – en de plantjes die als kleurige gevangenen achter de tralies van het balkonhek staan. Twee bloeiende orchideeën staan voor het raam. 

                          *

Ik rijd langs mijn vaders keukenraam. Als ik naar boven kijk zie ik zijn bewegende hoofd in de zilverkleurige omlijsting. Een levend schilderij, ‘Grijze man achter glas’. Nu smeert hij zijn boterham en zet hij koffie. Hij weet dat ik kom. 

                          *

De twee wekelijkse haringen stinken in mijn tas. Een van de twee gaat zo op de boterham die hij zorgvuldig besmeert met margarine of halvarine. In ieder geval is het boter uit een kuipje. ‘Zalf’, zoals wij thuis dit soort boter noemden.

                           *

En ja, als ik binnenkom is de boterham besmeerd met zalf, staat de koffie koud te worden op het aanrecht en kleuren de geschilde appelpartjes langzaam bruin.

                             *

‘Hier zijn de haringen!’ en ik haal het smalle pakje met vis uit mijn tas. 

‘Dank je’, zegt mijn vader.

‘Goed je weer te zien’, zegt hij, ‘Dat is alweer lang geleden.’

‘Een week, pa’, antwoord ik, ‘Een week geleden was ik hier.’

Maar hij hoort het niet. Geconcentreerd snijdt hij de haring en het brood in gelijke blokjes. De uitjes verdeelt hij over de vis, het zuur wordt plakje voor plakje op het bord gevleid.

                              *

Ik draag alles naar binnen. Mijn vader volgt, moeizaam lopend, dit keer met zijn stok. Als we zitten vraagt hij hoe het was in Parijs. Daar was ik een paar dagen. 

‘Het was erg leuk’, vertel ik, ‘We hebben heel veel gezien.’

Gretig eet mijn vader zijn brood met haring. 

‘Wat voor een foto stuurde je eigenlijk?’, vraagt hij. Ik mailde een foto van mij en mijn dochter uit Parijs. Allebei staan we op het dakterras van warenhuis Lafayette. Met op de achtergrond de Opera en de Eiffeltoren.

                           *

Ik vertel mijn vader dat het een foto is vanaf het dak van Lafayette. Ik laat hem de foto op mijn telefoon zien.
‘Als je voorzichtig veegt over het scherm kan je alle foto’s zien’, zeg ik.

Hij veegt zo hard over het scherm dat het beeld verandert en er opeens honderd miniatuur-foto’s te zien zijn.

‘Wat gebeurt er nu?’, vraagt mijn vader.

‘Je drukt te hard op het schermpje’, zeg ik en ik haal de foto weer tevoorschijn die hij aan het bekijken was.

Een voor een bekijkt hij de foto’s.

‘Het zijn er 140 pa, scroll maar lekker door!’ Maar dat doet hij niet. Hij bekijkt de foto’s zorgvuldig.

                             *

We praten over Parijs, reizen, verre landen. 

‘Ik spaar voor een reis naar Zuid-Afrika’. 

‘Daar ben ik niet geweest’, zegt mijn vader, die bijna overal geweest is, spijtig. We springen over naar een ander onderwerp. 

‘Ik heb gisteren drie uur in de keuken gestaan’, vertelt mijn vader. ‘Ik heb paella gemaakt, er liggen nu zes doosjes paella in de vriezer.’ 

‘Lekker hoor!’, antwoord ik. 
Verder is er niks gebeurd. 

                             *

En ik vertel over het prachtige museum in het Bois de Boulogne. Tijdens het vertellen wordt zijn linkeroog kleiner. Hij wrijft erin. Ik vertel over de onverwachte Rembrandts in het Louvre. En weer zie ik zijn oog klein worden. Wordt hij moe? Onder zijn bruine huid schemert een witte waas.

                              *

Als ik wegga staat hij heel langzaam op uit zijn stoel. Hij blijft even staan om zijn stijve ledematen te laten wennen aan de verticale stand. 

                              *

Ik open de voordeur terwijl mijn vader naar de keuken loopt.

‘Moet ik deze brieven nog posten?’

‘O ja, graag! Ik ben trouwens bezig om alles op papier te zetten voor als ik er niet meer ben.’

Mijn hand rust op de deurkruk.

‘Heb je plannen, pa?’, vraag ik. 

Hij lacht een dof lachje en strompelt de keuken in.

‘Je weet nooit’, zegt hij, ‘Fijn dat je er was. Ik vind het altijd leuk om je te zien.’

                              *

Ik fiets terug naar huis. De lucht is grijs, het is warm, benauwd. Ik zie de vermoeide ogen van mijn vader, zijn moeizame tred. Ik kijk omhoog naar de gevangen plantjes en de orchideeën, als tropische wachters voor het raam.
Halverwege fietst aan de overkant van de weg een man mij tegemoet. De man zwaait en lacht. Even staat de tijd stil. De man is mijn zoon. Ik zwaai terug. 

                        ***

Pardon 

Het is warm op het Place des Vosges. Het plein van fijngemalen kiezels licht op als een vanille-ijsje in de zon. Zachte lijnen van licht schijnen door de platanen en trekken brede strepen op het grind. 

                            *

Deze Hemelvaartsdag brengt ook in Frankrijk mooi weer met zich mee. Stelletjes, groepen jongeren en ouders met kinderen bivakkeren op het grasveld midden op het plein. In de vijver spelen kinderen met hoog opgetrokken broekspijpen, de randen van jurkjes worden nat.

                             *

Wij zitten op een bankje in de schaduw van de bomen. Voor ons loopt een tweejarig jongetje. Een compact lijfje, zijn rode haar steekt af tegen zijn witte gezicht. Hij schopt het grind voor zich uit dat opstuift voor zijn voeten. Hij pakt een handje van het spul en gooit het in de lucht. Het fijne stof komt tegen ons aan. Mijn dochter trekt haar benen op en zegt: ‘Gatver’. 

                            *

Achter het jongetje lopen zijn vader en zusje. De vader heeft van dat brosse haar, roodblond. Zachte ogen kijken door een rond brilletje. Hij grijpt in.

‘Dis pardon’, zegt hij tegen het kind, terwijl hij ons verontschuldigend aankijkt. Het kind kijkt op. ‘Dis pardon’, herhaalt de man, dwingender nu. Het kind kijkt naar de grond en naar zijn hand waar zojuist dat mooie, stoffige gruis uit viel. 

‘Non’, zegt het jongetje ferm.

Wij moeten lachen. Maar we kijken het jongetje aan, de vader netjes bijstaand in de opvoeding.

                           *

Het kind kijkt op naar zijn vader. Zijn zusje kijkt vol spanning toe. Een smal lachje op haar gezicht. Zou haar broertje luisteren? 

De zoon ziet dat het zijn vader ernst is. Hij komt er niet mee weg. We kijken elkaar aan, de stilte wordt groter en groter.

                             *

‘Pardon’, horen wij heel zacht maar hoorbaar in het vacuüm tussen ons en het jongetje. Het kind kijkt naar de grond en heel even, onder zijn oogharen door, naar ons.

‘Tres bien’, zegt de vader opgelucht en wij lachen hen hartelijk toe. Het zusje lacht ook. Ze huppelt verder. Even later zien we het jongetje, geholpen door zijn vader, lopen op de ijzeren boogjes die het gras afscheiden van het grind. Zijn witte beentjes geven licht in de middagzon. 

                             *

Als we teruglopen naar het hotel constateert mijn kind met enige verbazing: ‘Franse kinderen worden nog gewoon opgevoed. In Nederland zegt nooit iemand tegen zijn kind dat het sorry moet zeggen. Ik heb zo vaak zand over mij heen gegooid gekregen op het strand. Nooit zei iemand er wat van.’

                          *

We lopen langs een speelpleintje. Kinderen spelen onder het oog van hun ouders op de verouderde klimrekken. 

‘Je hoort ze ook niet gillen en schreeuwen’, zegt mijn dochter. ‘Ze spelen gewoon.’

                            *

Franse kinderen spelen. Ze hebben plezier. Ze blijven tijdens het eten zitten op hun stoelen in het restaurant bij de botanische tuin. Ze tekenen op een placemat en kijken om zich heen. Ze eten hun eten op alsof het lekker is. Hun ouders converseren en eten zelf ook. Ze hebben aandacht voor hun kinderen – ze voeren hen hapjes en spreken tegen ze – maar ze hebben ook oog voor elkaar. 

                           *

Het is wonderlijk maar fijn. Waar we thuis kinder-restaurants vermijden vinden we het hier geen probleem dat er kinderen zijn. Ze gillen niet, schreeuwen niet, ze rennen niet rond, maar ze tekenen en eten en zitten. En dit geldt voor alle Franse kinderen: zwart, lichtbruin, donkerbruin en wit. We zagen zelfs twee flirtende baby’s, – een witte prinses Charlotte en een half-Afrikaanse schoonheid – op een zonnig terras in Quartier Latin.

                            *

Place des Vosges. Jardin des Plantes. Overal lieve kinderen. Sommigen bieden na enig aarzelen zelfs excuses aan voor wat omhooggegooid gruis.

                             *

Ik denk aan een programma waar ik laatst in zapte, over opvoeden in Nederland. Een echtpaar vertelt over hun puberzoon die verveeld op de achtergrond hangt, zijn benen half op de grond, zijn lijf op de bank.

‘Wat voor een straf geven jullie dan, als hij de regels overtreedt?’, is de vraag van de interviewer.

De ouders kijken elkaar aan. Je ziet dat ze het niet weten. Hun prinsje ligt op de achtergrond te chillen. 

‘Tja,’ zegt de vader. ‘Laatst heb ik zijn auto verkocht. Hij kan nu dus niet meer rijden en moet alles op de scooter doen.’

De moeder kijkt verlegen naar haar man, dan naar de camera. 

‘Maar meestal straffen we niet. Liever niet’, zegt ze.

                             *

Gauw deed ik de televisie uit. 

Het geheim van opvoeden werd daar ontsluierd, op het Place des Vosges. Omhooggegooid gruis, ‘Dis pardon’ en daarna over ijzeren boogjes lopen met jouw hand in de stevige hand van je vader. C’est ca. 

                           ***

De etage 

Zaterdag liep ik in de stad. Het was zonnig maar koud. Mensen zaten optimistisch met hun jassen aan op de terrassen net te doen of het voorjaar was. 

                           *

Donderdag meldde onze dochter dat zij een etage mocht bezichtigen in Haarlem op de Riviervischmarkt. De gekte op de koop- en huurmarkt waart in Amsterdam lustig in het rond. Zij gaf de zoektocht naar een Amsterdamse etage op. Een huur van meer dan € 1500,- voor 50 vierkante meter is voor twee studenten te hoog gegrepen. Dus laten ze hun oog vallen op Haarlem, mijn dochter en haar vriend. 

                             *

‘OMG, we zijn de eersten!’ appt ze donderdagochtend opgetogen, ‘We gaan meteen kijken!’ Ik krijg een linkje toegestuurd met daarop piepkleine foto’s van een zolderetage met veel balken. Maar ook zie ik uitzicht op de Grote of Sint Bavo-kerk, het licht dat door een schuifraam valt, een aparte slaapkamer en een badkamer met douche en toilet. 

‘€ 825,- maar!’ 

‘Succes!’, app ik terug en ik ga aan het werk.

                             *

Gedurende de dag word ik op de hoogte gehouden. Ze zijn de eerste kijkers en moeten aantonen dat ze de huur kunnen betalen ‘Gelukkig telt de studiefinanciering ook mee!’ Even lijkt er nog een kink in de kabel te komen als een tweede kijker ook mee mag doen met de race om De Etage. ‘Maar dat is toch niet eerlijk? Ik heb de makelaar een mail gestuurd waarin ik hem aangeef dat hij ons de toezegging deed dat hij ons ging voordragen als we alles vandaag inleverden. Hij mailde terug dat ik gelijk heb. Nu zijn we gelukkig nog steeds de eersten!’

                             *

Mijn dochter en haar vriend zeggen de huur van hun Amsterdamse kamers op ‘We zijn er toch in juli en augustus niet, dat scheelt twee maanden huur, dat is € 2400,-!’ Beiden betalen € 600,- per maand voor hun kamer, een astronomisch bedrag. In een volgend leven word ik huisjesmelker. 

                             *

Op vrijdagochtend word ik gebeld:

‘Mam, kunnen jullie garant staan en het formulier invullen dat ik je toestuurde?’ 

Ik zeg dat wij dat doen en bekijk het formulier: het gaat om een ‘Akte van borgtocht’. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Ik mail mijn man en vraag of hij de akte uitdraait. Ik mail hem foto’s toe van onze paspoorten en kopieën van onze salarisstroken. Mijn man mailt terug: ‘Doe ik, maar wat een onzin dat wij ons hele doopceel moeten lichten voor die kamer!’ Ja, dat is zo, maar koortsachtig werken we toch mee aan het verkrijgen van De Etage, ‘Ze zijn eindelijk eens de eersten !’, mail ik terug.

                             *

Tussen de middag vullen we de ‘Akte van borgtocht’ in, mijn man fietst terug naar het werk en stuurt alle formulieren, foto’s en stroken toe aan ons kind. ‘Ik heb alles, mam, nu moeten we afwachten!’

                             *

Zaterdag lopen wij in de stad, mijn man en ik. We kijken op de Riviervischmarkt naar boven: en ja, als je goed kijkt zie je bovenop het oude pand een zolderetage. Met een schuin dakraam. De klokken van de kerk tingelen er op los.

                             *

‘Het lijkt precies op onze etage in de Smedestraat’, zeg ik en we denken beiden terug aan de etage waar wij ooit samenwoonden, een straatje verderop. Ik tel terug. Meer dan 30 jaar geleden klommen wij drie trappen op en duwden we een luik open. De trap en het luik waar mijn lieve schoonmoeder altijd van zei: ‘Wat is de trap toch smal en dat luik …onhandig hoor..!’ Ik denk aan de feestjes, de kou in de winter, de hitte in de zomer. Wij trokken ons daar niks van aan. In de winter zetten we de verwarming hoger, ‘s zomers fietsten we naar het strand.

                             *

Op Facebook zie ik een filmpje. Barbara Streisand luistert naar de uitvoering van ‘The way we were’, prachtig gezongen door een beeldschone Beyoncé. Ik pink een traantje weg. 

                              *

Vandaag horen we of het is gelukt met de etage. 
                             ***