Vader en zoon


Dit keer kom ik aanfietsen van de andere kant en ik kijk omhoog naar mijn vaders balkon. Ik zie de bloembakken die hij in etappes vulde – ‘ik kan niet meer zo lang bukken’ – en de plantjes die als kleurige gevangenen achter de tralies van het balkonhek staan. Twee bloeiende orchideeën staan voor het raam. 

                          *

Ik rijd langs mijn vaders keukenraam. Als ik naar boven kijk zie ik zijn bewegende hoofd in de zilverkleurige omlijsting. Een levend schilderij, ‘Grijze man achter glas’. Nu smeert hij zijn boterham en zet hij koffie. Hij weet dat ik kom. 

                          *

De twee wekelijkse haringen stinken in mijn tas. Een van de twee gaat zo op de boterham die hij zorgvuldig besmeert met margarine of halvarine. In ieder geval is het boter uit een kuipje. ‘Zalf’, zoals wij thuis dit soort boter noemden.

                           *

En ja, als ik binnenkom is de boterham besmeerd met zalf, staat de koffie koud te worden op het aanrecht en kleuren de geschilde appelpartjes langzaam bruin.

                             *

‘Hier zijn de haringen!’ en ik haal het smalle pakje met vis uit mijn tas. 

‘Dank je’, zegt mijn vader.

‘Goed je weer te zien’, zegt hij, ‘Dat is alweer lang geleden.’

‘Een week, pa’, antwoord ik, ‘Een week geleden was ik hier.’

Maar hij hoort het niet. Geconcentreerd snijdt hij de haring en het brood in gelijke blokjes. De uitjes verdeelt hij over de vis, het zuur wordt plakje voor plakje op het bord gevleid.

                              *

Ik draag alles naar binnen. Mijn vader volgt, moeizaam lopend, dit keer met zijn stok. Als we zitten vraagt hij hoe het was in Parijs. Daar was ik een paar dagen. 

‘Het was erg leuk’, vertel ik, ‘We hebben heel veel gezien.’

Gretig eet mijn vader zijn brood met haring. 

‘Wat voor een foto stuurde je eigenlijk?’, vraagt hij. Ik mailde een foto van mij en mijn dochter uit Parijs. Allebei staan we op het dakterras van warenhuis Lafayette. Met op de achtergrond de Opera en de Eiffeltoren.

                           *

Ik vertel mijn vader dat het een foto is vanaf het dak van Lafayette. Ik laat hem de foto op mijn telefoon zien.
‘Als je voorzichtig veegt over het scherm kan je alle foto’s zien’, zeg ik.

Hij veegt zo hard over het scherm dat het beeld verandert en er opeens honderd miniatuur-foto’s te zien zijn.

‘Wat gebeurt er nu?’, vraagt mijn vader.

‘Je drukt te hard op het schermpje’, zeg ik en ik haal de foto weer tevoorschijn die hij aan het bekijken was.

Een voor een bekijkt hij de foto’s.

‘Het zijn er 140 pa, scroll maar lekker door!’ Maar dat doet hij niet. Hij bekijkt de foto’s zorgvuldig.

                             *

We praten over Parijs, reizen, verre landen. 

‘Ik spaar voor een reis naar Zuid-Afrika’. 

‘Daar ben ik niet geweest’, zegt mijn vader, die bijna overal geweest is, spijtig. We springen over naar een ander onderwerp. 

‘Ik heb gisteren drie uur in de keuken gestaan’, vertelt mijn vader. ‘Ik heb paella gemaakt, er liggen nu zes doosjes paella in de vriezer.’ 

‘Lekker hoor!’, antwoord ik. 
Verder is er niks gebeurd. 

                             *

En ik vertel over het prachtige museum in het Bois de Boulogne. Tijdens het vertellen wordt zijn linkeroog kleiner. Hij wrijft erin. Ik vertel over de onverwachte Rembrandts in het Louvre. En weer zie ik zijn oog klein worden. Wordt hij moe? Onder zijn bruine huid schemert een witte waas.

                              *

Als ik wegga staat hij heel langzaam op uit zijn stoel. Hij blijft even staan om zijn stijve ledematen te laten wennen aan de verticale stand. 

                              *

Ik open de voordeur terwijl mijn vader naar de keuken loopt.

‘Moet ik deze brieven nog posten?’

‘O ja, graag! Ik ben trouwens bezig om alles op papier te zetten voor als ik er niet meer ben.’

Mijn hand rust op de deurkruk.

‘Heb je plannen, pa?’, vraag ik. 

Hij lacht een dof lachje en strompelt de keuken in.

‘Je weet nooit’, zegt hij, ‘Fijn dat je er was. Ik vind het altijd leuk om je te zien.’

                              *

Ik fiets terug naar huis. De lucht is grijs, het is warm, benauwd. Ik zie de vermoeide ogen van mijn vader, zijn moeizame tred. Ik kijk omhoog naar de gevangen plantjes en de orchideeën, als tropische wachters voor het raam.
Halverwege fietst aan de overkant van de weg een man mij tegemoet. De man zwaait en lacht. Even staat de tijd stil. De man is mijn zoon. Ik zwaai terug. 

                        ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s