Vakantie (1)

Meditatie op een grapefruit

Om te ontwaken

als alles nog mogelijk is

voordat de onrust van de dag

je heeft gegrepen

naar de keuken te gaan

en een kleine basketbal te schillen

voor ontbijt om de schil te scheuren

als katoenpluis

(…)

Craig Arnold (1967-2009)

Het kraaien van de haan en het blaffen van een hond zijn de geluiden van vrij, vakantie en ver gevlogen zijn boven wolken in blauw, zo blauw als blauw kan zijn.
                         *

Ik sluip door het nieuwe huis – ons vakantiehuis – en ik voel koel marmer. De nieuwe ruimte moet mij nog vullen, betekenis krijgen de komende uren en dagen. Nu is de ruimte kaal, stil en leeg. 

                         *

Ik pak een mok, giet water uit een fles in de waterkoker en ik hang een theezakje in de beker. Het hete water maakt schuim op de oppervlakte van thee als wit-groezelige vlokken op de grens tussen eb en vloed. Ik kies voor het terras waarboven een zeildoek klappert in de eilandwind als het zeil van een wegvarend schip op zee. Ik voel de ramen en wanden en ik kijk op het scherm van mijn iPad. De krant lezen geeft het vertrouwelijke gevoel van thuis, aan de tafel.

                        *

Mijn man geeft even later betekenis aan de ruimte op zijn manier: hij voelt aan de handdoeken over de stoel en vraagt: ‘Is hier geen droogrekje?’ Hij loopt de witte hoek om van het huis, komt terug en meldt dat er achter het huis een droogrekje staat.

                        *

Het is een feit. De vakantie is begonnen. En ik denk aan twee bruine ogen, de ogen van mijn vader. Twee witte orchideeën achter het raam, boven oranje letters: Molenburg. Tien keer vragen ‘Wanneer gaan jullie weg?’, tien keer antwoorden. En nu is het moment daar. 

                             *

Grote, bruine ogen worden nat. ‘Geniet en denk niet aan mij.’

                             *

Twee witte orchideeën, ik zie ze voor mij: als trouwe wachters staan zij daar, in dat centrum van oud, opstaan en weer doorgaan.
De haan kraait niet meer, wel hoor ik een hond blaffen. Ver weg. 
Alles is nog mogelijk.

                        ***

Advertisements

De val


Het regent en regent op de op-een-na langste dag van het jaar. Een voortdurend neerkomen van nat en koud als een gordijn van stippellijntjes water. Ik rijd door plassen die met een woetsjj-geluid mijn auto naar rechts trekken. Ik draai flink bij om niet in de ringvaart te belanden.

                             *

Water en water om mij heen. Het tikken van de regen op het dak als het neerkomen van tranen op blik begeleidt de muziek in de auto.
En dan hoor ik een klein geluid. Een ander geluid, een licht getinkel. 

                         *

Zonder de vaart in te rijden kijk ik met een scheel oog naar het scherm op mijn telefoon. Het is de armband van mijn vader waarop gedrukt is, vier seconden lang. Op een parkeerplek naast het water bel ik de pratende armband. Mijn vader zegt: ‘Ik ben gevallen. Ik lig in de keuken.’

Het hart klopt in mijn keel, de regen komt gestaag neer: dikke druppels maken kringen in het water van de vaart.

‘Ik kom eraan, ik rijd nu terug’ en ik draai om. 

                           *

Het is dit keer geen geval van ophijsen en tegen elkaar zeggen hoeveel geluk mijn vader weer eens had. Dit keer is het menens. 
Natte ambulancebroeders tillen hem op. Zijn ogen zijn dicht. ‘Hiermee raakt hij een uur weg’, meldt de broeder, ‘Het schuiven en tillen zou te pijnlijk zijn. Dit is een heel zware verdoving.’ Het groen-gele jasje doet pijn aan mijn ogen. En ondanks de verdoving hoor ik hem – de brancard moet rechtop staan vanwege de lift – tranen vallen neer. 

                           *

Bij het weggaan uit de flat vergeet ik alles wat ertoe doet. De alarm-armband prop ik in mijn tas. Deze vind ik later. De armband was op zicht. Morgen stuur ik hem terug. Voorlopig hebben we hem niet meer nodig.
Als we ‘s avonds laat het ziekenhuis verlaten – zijn kamer kijkt uit op een volle parkeerplaats – kijken mijn oma’s ogen mij aan.

‘Bedankt dat je er was.’

                          *

Zwevend over waterplassen rijden we naar huis. In de flat is het bloed weg, het kussen dat achter zijn hoofd lag ligt naakt op bed. Het sloop neem ik mee. Misschien gaat het er nog uit, de vlek. 

                           ***

Alarm


Door het raam zie ik ze staan: twee stevige geranium-stengels met roze kopjes. Fier rechtop, ondanks de zomerwind die ze omver probeert te blazen. 

                              *

Daarboven zwaait een uitloper van de druif heen en weer. ‘Die moet ik afknippen’, denk ik terwijl mijn pyjama, ongekamde haren en de playlist ‘Lazy sunday afternoon’ wat anders zeggen. 

                             *

De viooltjes staan er zielig bij. Sommigen met wat tere velletjes paars en oranje. Drie geduldige geraniums wachten op de achterste tuintafel op een grote pot met verse aarde. Ik moet ze omwisselen.

                             *

De huistelefoon doorbreekt mijn gemijmer. Ik ren er naar toe want de huistelefoon staat voor onze twee oude vaders. Het is de mijne. 

                             *

Mijn vader valt met de deur in huis.

‘Met mij. Vanmiddag ga ik naar de veteranen-dag’, zegt hij.

‘Leuk’, antwoord ik. Iets beters kan ik niet verzinnen.                

‘Het is hier in Heemstede’, vervolgt hij, ‘Een luitenant geeft een speech en je kan nieuwe, Hollandse haring happen.’

‘Lekker’, zeg ik. 

‘En als het regent gaan ze naar binnen, in het gemeentehuis.’

                            *

‘Ga je met de auto?’, vraag ik.

‘Ja’, zegt mijn vader, ‘Ik parkeer de auto voor het gemeentehuis.’

‘Er is genoeg plek’, antwoord ik, ietwat wezenloos.

‘Er is ook een invaliden-plek.’

‘Ja’, zeg ik.
Het gesprek stokt.

‘Ga je alleen?’, vraag ik.

‘Nee, een vriend uit Heemstede komt ook’, antwoordt hij. ‘En die armband hoef ik buiten niet om. Er zijn genoeg mensen.’

                         *

Mijn vader kreeg een alarm-armband toegestuurd. Deze bestelde hij via internet. De vorige keer toen ik hem bezocht lag de armband, licht gekruld – alsof hij nog om mijn vaders pols zat – op tafel.

‘He, draag je de armband niet?’, vroeg ik.

‘Nee, nu even niet. Hij is zo groot. Onhandig ding’, mompelde mijn vader. 

‘Als je hem niet draagt dan zou ik hem terugsturen’, zei ik geprikkeld. 

                             *

Ik hoopte dat de armband een blijvertje was. Hij had de armband zelf besteld. En het werkte. We moesten samen lachen toen hij de zwarte bovenkant – ‘Knop? Ik zie geen knop!’ – vier seconden lang indrukte en even later mijn telefoon ging. Ik belde vervolgens de armband terug waarin hij kon praten. We vonden het een wonderbaarlijke uitvinding. We reageerden beiden alsof we uit het stenen tijdperk kwamen. Even waren we van dezelfde generatie, de generatie van carbon-papier en typemachines. Mijn vader had nu een armband om die achter elkaar vijf telefoons kon bellen. Mij – mijn broer – mijn man – mijn zoon – mijn dochter. Allemaal installeerden we de alarm-app.  

                              *

‘Heb je die armband nu om?’, vraag ik aan mijn vader die ik nog steeds aan de telefoon heb.

‘Ja’, zegt hij.

‘En vannacht?’, vraag ik.

‘Nee, hij valt steeds af’, zegt mijn vader. 

‘Hij ligt dan naast je?’, vraag ik.

‘Eh, ja, vlakbij’, mompelt mijn vader.

                            *

‘Ik moet vier keer erop drukken toch?’, vraagt hij.

‘Nee, vier seconden ingedrukt houden’, antwoord ik.

‘O ja’, herhaalt hij, ‘Vier seconden ingedrukt houden. We moeten ook eens ermee oefenen’, vervolgt mijn vader.

‘Maar dat deden we toch al?’, vraag ik verbaasd, ‘Hij doet het!’

‘O ja?’, zegt mijn vader vragend. Hij is het vergeten.

                              *

‘Maar goed, ik ben er vanmiddag niet tussen een en vijf uur’, zegt hij.

‘Nee, wij zijn ook weg’, en ik vertel hem over een uitje van het werk.

‘Dan zijn we er allebei niet’, constateert mijn vader.

‘Nee’, zeg ik, ‘maar veel plezier vanmiddag!’

‘Ja, jij ook’, zegt mijn vader.

                             *

Het klaart op buiten. Het lijkt iets minder hard te waaien. Ik ga me maar eens aankleden.

Ik kijk nog even door de glazen pui naar buiten. Er is opeens een donkerroze geranium-knop bijgekomen. 

                         ***

Liebe ist alles


Dagen gaan voorbij als het snelle omslaan van de bladzijden van het boek dat bijna terug moet naar de bibliotheek. 

Daarbij komt dat het met de zomer niet echt wil vlotten: grauwe wolken schieten voorbij en laten mondjesmaat de zon haar werk doen.

                             *

Uit pure armoe zit ik toch buiten op de bank om een paar verdwaalde zonnestralen te vangen. En ik lees, geflankeerd door twee poezen en begeleid door het gegil en ruzie-achtige spelen van buurkinderen. Rebels zet ik onze nieuwe Marshall – een wonderbaarlijk mooie retro-achtige speaker – op zijn hardst. Het is een apparaat waarop ik allerlei liedjes kan afspelen via mijn telefoon. 

                            *

Opeens ontdek ik dat het muziek-systeem mijn eigen playlist samenstelde. Ik start de lijst. Het is een fijne lijst, maar hoe wonderlijk is het dat ze mijn smaak kennen. Ik, die zo weinig muziek beluister. Toch weet de playlist wat ik leuk vind. Big brother is watching me.

                          *

En de gedachte aan George Orwell laat mij afdwalen naar hoe het zou zijn als de FBI dergelijke playlists zou kunnen samenstellen. Zou datgene wat zich in het hoofd van Omar Mateen afspeelde te zien, nee te horen geweest zijn? Dat hij vrouwen, negers en homo’s haatte? Dat hij – de labiele beveiliger met zijn automatische geweer – 49 mensen ging neermaaien? Dat zijn vader ook niet van homo’s houdt maar wacht tot Allah oordeelt? Wat voor een play-list zou dat zijn? 

                           *

Mijn album ‘Discover weekly’ laat intussen een nummer horen dat ik niet ken: ‘Liebe ist alles’ van Rosenstolz. 

En de woorden die ik hoor, de muziek zijn bijna net zo mooi als de woorden van schrijver/muzikant Lin-Manuel Miranda die eergisteren een Tony Award voor de hip-hop musical ‘Hamilton’ ontving. Hij sprak een prachtige zin uit in een sonnet over de liefde voor zijn vrouw en hij bracht daarbij tegelijk een ode aan de 49 vermoorde mannen en vrouwen van Orlando:

And love is love is love is love is love is love is love is love

Cannot be killed or swept aside

                        ***

Black box


Het is vrijdag en ik werk thuis. Ik sla mijn leen-laptop van het werk open en ik vul alle wachtwoorden in. Ik weet dat het even duurt voordat ik aan de slag kan. Een fascinerend ronddraaiend cirkeltje houdt mij op de hoogte van het gezwoeg rond het inladen van alle programma’s.

                            *

Intussen pingelt mijn telefoon, het is een sms-je. Het berichtje vertelt mij dat ik vandaag een pakketje uit België ontvang. België? Ik bestelde laatst een bikini, zit deze firma in België? Nou ja, het zal wel. De bikini zou worden geleverd tussen 10 en 20 juni. Het is 10 juni en ik verbaas mij over deze zeer snelle service.

                           *

Het zwoegen en zweten van de laptop is klaar. Het blauwe scherm met mail-, Word- en Excel- icoontjes schijnt mij tegemoet als de de zon in de pauwblauwe lucht buiten. Ik ga aan het werk. 

                            *

Om 9.44 uur schuift een knalgele DHL bus voor het raam. Ik wacht op de bel en loop naar de deur. ‘Uw pakketje’, grijnst de gehaaste chauffeur en hij houdt een digitaal handtekeningen-scherm voor mijn neus. ‘Kunt u even tekenen?’ Ik zie zijn lichtbruine vingers, onder een van zijn nagels zit een rouwrand.

                            *

Na het tekenen zegt de chauffeur gehaast gedag en hij hopt zijn auto in. Ik denk aan het kraanwagentje van Pluk, maar dat was rood met een ijzeren kraan achterop. En de chauffeur leek in de verste verte niet op de lieve Pluk. 

                             *

Het pakje zit goed dicht. Met een mes snijd ik de dik beplakte openingen open. Een vierkant doosje komt tevoorschijn. Ik ben benieuwd naar de bikini. Een zwarte met elegante bandjes. Als ik het deksel optil van het luxe doosje zie ik -verborgen in een bedje van zacht schuim – een armband. 

                              *

En opeens schieten mij de woorden van mijn vader te binnen die – net toen ik wegging de vorige keer – iets zei over een armband met een alarm. Als hij zou vallen kon hij een knopje indrukken ‘en dan gaat jouw telefoon af want dat kan je instellen…’ Het verhaal ging mijn ene oor in, het andere uit. 

                              *

Zou hij deze armband per ongeluk naar mij hebben laten versturen? Ik blader in het bijgeleverde boekje en ik lees dat ik op een app kan zien of mijn vader op het knopje drukt. Een keer drukken dan ziet hij de tijd, lang drukken betekent ‘alarm’. Als het een vergissing is herstel je dit door… Ik zucht. Het klinkt ingewikkeld. Ik leg het doosje weg en keer terug naar de laptop. Eerst het werk afmaken.

                            *

Om 12.56 uur gaat de telefoon. Als de huistelefoon gaat is het een van onze vaders. En jawel, het is de mijne.

‘Hallo met mij. Heb jij een pakje ontvangen?’ vraagt mijn vader.

‘Ja, ik kreeg een pakje. Ik maakte het open want ik dacht dat het mijn nieuwe bikini was.’

Mijn vader lacht. 

‘Nee, het is die armband. Jeweetwel, waar ik het laatst over had, die armband met alarm.’

‘Ja, ik zag het’, zeg ik, ‘Maar we zoeken zondag wel even uit hoe het werkt. Goed?’

‘Ja’, zegt mijn vader, ‘Ik moet nu naar je broer en ik ga nog even naar de Spar voor een boodschapje.’ 

Hij klinkt als een drukbezet man. En ik glimlach als ik denk aan alle uren die hij doorbrengt tussen de muren van zijn flat waarin hij zich moeizaam voortbeweegt als de schaduw van de man die hij ooit was.

‘O, prima. We zien elkaar zondag!’, zeg ik.

‘Ja, tot dan!’, antwoordt mijn vader. En ik keer weer terug naar de laptop. Nog een paar uurtjes, dan is het weekend.

                              *

En ‘s middags als ik de laatste zonnestralen van de dag nog even meepik in de tuin op de bank denk ik aan de parallel tussen de aankoop van een elegante bikini – waarbij ik stiekem het bijpassende elegante lijf als een soort bonus in het doosje hoop aan te treffen – en een alarm-armband. 

Ik koop geen verantwoord 50+ badpak, mijn vader wil geen alarm-hanger die zo duidelijk alarm-hanger-voor-oude-mensen is. 

Nee, ik schaf een elegante bikini aan en mijn vader koopt een alarm-voor-oude-mensen waarvan iedereen denkt dat het een horloge is. Ingepakt in een zwart doosje. Helemaal Uit België.
                           ***

Klusje

AFDALING OP KLAARLICHTE DAG 

 Je ziet hoe het gebeurt

het is klaarlichte dag – en het 

gebeurt

voor je ogen zie je hoe het lichaam 

van een man levend afdaalt in de 

aarde.

 

Het is heel licht, het is van dat 

hevige verzadigde zomer-licht 

waarin je weer even ziet: ja dit

dit was het landschap

hemel en aarde verbonden door 

grasgroene bomen.

 

Lichaam, denk ik, als je mijn eigen 

lichaam bent

waar heb je me gevonden

waar breng je me heen

waar laat je me gaan

 

en wat is het in dat hoofd van mij

angst of verlangen, weerzien of 

afscheid

voor aarde, van aarde, naar aarde.

Rutger Kopland  (1934-2012)

Mijn vader komt mij tegemoet met een hamer in zijn hand. ‘Niet dichtdoen! Niet dichtdoen!’ roept hij terwijl hij door de gang strompelt. Hij bedoelt dat ik de voordeur die open staat niet dicht moet doen. Ik loop langs mijn vader en leg de haringen naast de geroosterde boterham in de keuken. Dan loop ik terug, de gang in.

                             *

Mijn vader bukt bij de deuropening. 

‘Kijk, dit zit los’, zegt hij met een gezicht rood van inspanning. Mijn vader wijst mij op een loszittend latje waartegen de deur rust als hij dicht is. 

‘Ik kwam er gisteren niet in!’, zegt hij. ‘Het zit gewoon los. Hoe dat kan weet ik niet.’

                           *

Langzaam komt hij overeind met de hamer in zijn hand. 

‘Kan jij het doen?’, vraagt hij. ‘Ik kan niet zo diep bukken.’

‘Ja, natuurlijk’, antwoord ik en ik pak de hamer. Ik kan mij niet heugen dat ik een hamer in mijn hand had. Drie kleine spijkertjes liggen op de grond. Weer bukt mijn vader. 

‘Daar moeten ze in, je ziet drie gaatjes, zegt hij.

‘Ja, ik zie ze’, antwoord ik. 

                          *

Mijn vaders gezicht hangt boven mij. Met argusogen bekijkt hij mijn eerste tikken met de hamer. Het spijkertje verdwijnt langzaam in de deurlat. Ik denk opeens aan Hamertje Tik. Houten figuurtjes in kleurrijke patronen op een plankje timmeren. Een spijkertje dat precies in een gaatje past. Met rode vierkantjes en blauwe driehoekjes, gele rondjes. Je kon er de leukste poppetjes mee maken. Of een huisje.

                         *

‘Zo, nou kan ik het wel weer’, zegt mijn vader zodra ik de onderste spijker diep in het hout geslagen heb. Hij staat op het punt de hamer uit mijn hand te pakken.

‘Nee joh, ik doe ze alledrie wel.’ Mijn vader volgt precies mijn bewegingen. Ik timmer er lekker op los.

                         *

De onmacht hangt vlak boven mij. De onmacht van niet meer een spijkertje in een stuk hout kunnen slaan. Een onwillig lijf dat stijf en onbuigzaam is. Wel willen, maar niet kunnen.

Als ik klaar ben sluit mijn vader voorzichtig de deur.

‘Ja, zo zit het goed.’ Mijn vader is tevreden. Hij sloft naar de keuken om zijn boterham te smeren.

                         *

‘Ik heb wel acht dagen geen t.v. kunnen kijken’, zegt hij.

‘Acht dagen geen t.v.?’, zeg ik verbaasd. Het enige dat hij echt leuk vindt, naast tijdschriften lezen, is t.v. kijken. De laatste weken staat de t.v. altijd aan als ik kom. Buitenhof, sport, het journaal, onbenullige series, Koffietijd, alles kijkt mijn vader.

                         *

In de t.v. gids staan rondjes om de programma’s die hem interessant lijken: kriskras door alle zenders heen staan beverige kringeltjes. En nu keek hij meer dan een week geen t.v.
‘Ik heb veel gelezen’, zegt mijn vader en hij wijst op de stapel gidsen en tijdschriften die hij las.

‘Ook zat ik veel achter de computer.’ De 94-jarige kocht twee jaar geleden een Apple-computer. ‘Veel ingewikkelder dan een gewone.’ zei hij. Maar nu is hij eraan gewend en leest hij alle mails, ook de spam en reclame-mails worden gespeld.

                          *

‘Ik heb nu een leen-t.v.’, zegt mijn vader, ‘Een waardeloos ding. Ik moest een knopje induwen en dan zou hij het doen. Maar dat was niet zo. Hij deed het niet. Vanochtend kreeg ik eindelijk iemand te pakken. Het bleek dat ik een ander knopje moest indrukken. En nu pas doet ie het weer.’

                           *

Ik luister. Intussen kijken we voor de tweede keer naar het journaal. 

Bij het eerste item dat we suffig nogmaals kijken zegt mijn vader dat we dat al gezien hebben. Daarna zapt hij naar een programma waarin Katja Schuurman iets onduidelijks doet met een breekijzer. Ik denk aan morgen. Dan moet ik solliciteren.

                            *

‘Morgen moet ik solliciteren’, zeg ik.

‘Solliciteren?’, vraagt mijn vader aan wie ik al vaak vertelde over de ambtelijke fusie.

‘Ja, morgen’, zeg ik.

‘Zijn jullie daar nou nog niet klaar mee?’, vraagt mijn vader.

‘Nee en morgen solliciteer ik’, zeg ik.

‘Nou, hier is niets aan’, zegt mijn vader, ‘Nu zet ik de t.v. uit.’

                        *

We kijken beiden voor ons uit. Het is stil zo, zonder Katja Schuurman. Ik denk aan morgen. Het is toch spannender dan ik dacht, zo’n sollicitatie. 

‘Als mijn t.v. niet meer gemaakt kan worden dan heb ik al een nieuwe op het oog’, mijmert mijn vader, ‘Een Samsung.’

                          *

Ik kijk naar buiten. Zomerbomen waaien in de wind als uit de hand gelopen palmen op een eiland, ver, ver weg. 
‘Het wordt mooi weer’, zegt mijn vader.

‘Het is heerlijk buiten’, antwoord ik.

                          ***
 

Lat patat


Vanochtend zat er opeens een zwarte vlek voor mijn oog. Ik fietste, de warmte streek langs mijn gezicht, de lucht was vol van zomer en pluisjes die als plukjes watten voor ons uitstuifden. 

                             *

‘Zullen we een stukje gaan fietsen?’, vroeg mijn man zaterdagochtend. Het was 8.35 uur. Na een diepe, droomloze nacht moest ik even nadenken. Een stukje fietsen. ‘Goed’, zei ik en langzaam stond ik op. 

                             *

We fietsten het dorp uit, langs de kaasboer die vrolijk als altijd iets deed met kratten voor zijn winkel. Buiten het dorp begon de polder. We fietsten achter elkaar. Links en rechts heiige damp boven het groen met koeien, verderop stonden twee stoffige paarden. De ene tilde zijn nek op; slordige manen hingen als het ongekamde haar van een tienermeisje langs zijn hals.

                              *

Ik dacht aan de tijd die voor ons ligt: op zaterdagochtend om 8.55 uur de polder in fietsen. Thuis lag onze zoon nog in bed. Hij kwam thuis toen het licht vanochtend door onze gordijnstreep scheen. Nu sliep hij.

                           *

En toen kwam de tijd van weleer voorbij, daar, in de stille polder: de tijd van warme handjes en mollige lijfjes. ‘s Ochtends samen de Daltons kijken. Huiverend om 8.30 uur langs de lijn van een kaal voetbalveld, de straffe wind door je jas en je voeten veranderend in ijs in de laarzen die nog geen Uggs heetten. 

                             *

Elf smalle jongetjes in groene shirts en zwarte broeken, – te groot en slobberend om witte spillebenen met hier en daar een blauwe plek, een schaaf, een vieze pleister, – die achter een bal aanrennen. Na de wedstrijd nemen ze allemaal een penalty, dat is traditie. Elf jongetjes op een rij. 

                           *

De ballen gaan hoog over, naast of hebben geen kracht genoeg en komen net voor de doellijn tot stilstand. Een enkele gaat erin, dan is er een trots jongetje. Gejuich en geklap is zijn deel. 

                           *

‘Lat patat’, roepen opeens alle groene jongetjes. ‘Lat patat!’ Stijn is aan de beurt en Stijn kan de bal op de lat schieten. De tegenstanders kijken verbaasd toe als de jongetjes juichen, elkaar op de schouders slaan en omrollen van blijdschap. De lat is geraakt en de coach trakteert op patat. Op zaterdagochtend om elf uur.

                           *

We bereikten samen het fort dat stoer en onbeweeglijk achter de geniedijk lag. ‘Ik heb mijn leesbril niet mee’, zei mijn man. Ik nam mijn geslepen zonnebril in de hand – want ik lees zonder bril – en ik las dat het fort onderdeel uit maakt van de verdedigingslinie rond Amsterdam. En toen zag ik het vliegje achter op het glas van mijn bril. Dat was de zwarte vlek.

                            *

Verder fietsten wij tot we weer aankwamen bij ons dorp.

‘Ik haal nog wat fruit en groente’, zei ik. 

‘Ik haal een goede fles wijn’, zei mijn man. De wijn was voor vrienden waarmee we ‘s avonds gingen eten. Broodjes voor het ontbijt hadden we al, we waren langs de bakker gefietst. 

                             *

Om twee uur kwam onze zoon naar beneden. Zijn haar zat in de war. Een lang lijf. Maar ik zag het mollige lijfje van toen. 

‘Heb je niet wat lekkers?’, vroeg hij.

‘Bak jij eens flensjes voor mij!’ Ik wees op de broodjes. Even later zat hij naast mij. 

                            *

‘Ik ga in juli nog een week naar Berlijn’, zei hij. ‘Met Jorick, Sam en Jelger. We huren een huisje in een dorp bij Berlijn. We kunnen naar de stad maar we zitten lekker rustig erbuiten. Ik wil niet een week in de drukte. Zo kunnen we ook eens chillen.’

‘Gaan jullie met de auto?’, vroeg ik.

‘Ja’ en hij keek mij aan.

‘Met mijn auto?’, raadde ik.

‘Ja, als dat mag’, zei hij.

                           *

Het mag. En langzaam rolt de bal het doel in. Gejuich is mijn deel: een klein vonkje in een groenbruin oog. 
Lat patat.

                          ***