Lichtheid van bestaan 


Heel lang geleden,

Toen elfjes bestonden, en een heks in een huisje van koek

En de wolven, die geitjes verslonden, mochten niet bij je oma op bezoek

Lang geleden,
Er zaten rovers in de struiken, en de prinsen waren allemaal heel knap

En de kater, droeg zijn pas gelakte laarzen, en een muiltje liet je achter op de trap

                         *

Heel lang geleden,

Werd je was gedaan door vogels en dan vlogen ze een strikje in je haar.

En de muizen, die zongen veel te schel, maar waren vriendjes stonden altijd voor je klaar.

Lang geleden,

Kon je niet slapen door de geest van een meisje in de hoek

Maar na een kusje van je moeder, ontsnapte je gewoon weer aan haar vloek **

                        *

Aan mijn linkerhand ontvouwt zich een Engels landschap van alle kleuren groen; lichtbruine koeien grazen gemoedelijk in de wind die langs mijn huid strijkt en langs hun gladde vel waarvan ik in gedachten de haartjes voel, tegen de draad in aaiend, korte en stugge haren, al strelend dwarrelen de vliegen die rond hun koppen zoemen weg. Achter het gras ligt een strook bos als in een sprookje met een kasteel, verborgen achter bomen, struiken en dorens.
                       *

Op het lege fietspad zig-zag ik tussen rood-wit geblokte paaltjes door. Ik zie een huis boven op een duintop, licht door de zon-gebleekt hout, de ramen kijken uit op het landschap van mijn jeugd. Ik fiets langs een camping in de duinpan, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                         *

Na vijftien keer het bericht ‘Alle medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft’ krijg ik het revalidatie-centrum aan de lijn.

‘Goedemiddag, u spreekt met Annelie Jonquiere, dochter van Ad Jonquiere. Mijn vader is gisteren teruggekomen vanuit het ziekenhuis. Hij heeft een abonnement op de krant. Tot nog toe ontving hij twee van de zes kranten. Vandaag kreeg hij er ook geen. Kunt u nagaan waar de krant gebleven is?’ Zo rustig en beleefd mogelijk stel ik mijn vraag. Ik merkte de afgelopen weken dat rust alleen je kan redden. En dan nog. Een aantal medewerkers van dit zorgcentrum schiet direct bij iedere vraag in de verdediging.

                         *

‘De kranten zijn weg, die zijn al naar boven.’

‘Toch kreeg mijn vader hem niet.’ 

                         *

Ik hoor de beverige stem van mijn vader die insprak op mijn voicemail. ‘Met mij, je vader. Ik werd pas om half tien geholpen. De krant kreeg ik niet en de t.v. doet het niet meer. De batterijen zijn opeens verdwenen uit de afstandsbediening. Wanneer kwam je ook al weer? Vanavond? Nou meis, dit was het. Je vader.’

                         *

Welke naam zei u?’, vraagt de dame van de receptie. 

Ik spel mijn vaders naam.

‘Nee, die naam staat er niet bij.’

Ik bewaar mijn kalmte.

‘Eh, o ja, wacht even, nu zie ik het. Ja, de krant heeft hij gekregen.’

‘Hij kreeg de krant niet vandaag, daarom bel ik u’, zeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat moet wel gebeurd zijn. Ik heb de kranten naar boven gestuurd.’

Ik geef het op.

                         *

‘Dan heb ik nog een vraag.’ Ik hoor een zucht twintig kilometer verderop.

Ik bewaar de rust.

‘De televisie van mijn vader doet het niet meer. De batterijen zijn uit de afstandsbediening gehaald. Kan iemand misschien voor nieuwe batterijen zorgen?’

                         *

Ik denk aan mijn vader. Vanaf vijf uur vanochtend lag hij wakker. Om half tien werd hij uit bed geholpen. Vierenhalf uur staren naar het plafond. 

                         *

‘Nee, dat doen wij niet’, antwoordt de dame van de receptie. ‘Daar moeten bewoners zelf voor zorgen.’ 

‘Voordat hij naar het ziekenhuis ging deed de afstandsbediening het nog’, probeer ik. ‘Hoe kan dat?’

‘Daar ga ik niet over’, antwoordt de dame bits, ‘Maar ik weet wel: voor batterijen zorgen wij niet. Dat moet u zelf doen’

‘De krant en televisie zijn de enige afleiding die hij heeft. Ik vind het erg dat hij nu weer de hele dag geen van beide heeft.’ Twintig kilometer verderop hoor ik niets meer. Het gesprek loopt ten einde. Er is niets wat ik kan doen. Ik moet er heen om iemand aan te spreken. Wie? Ik weet het niet. Het zomerregime zorgt ervoor dat de bezetting minimaal is. 

‘Ik zie hier niemand’, zoals mijn vader vertelt. En dat is zo. 

                        *

Ik fiets, zig-zaggend achterop het zitje naar het strand. Ik staar met mijn kinderogen omhoog. De ogen van mijn vader. Ik zie blauw en wit, langs mijn oren ruist de wind. We gaan de camping in de duinpan voorbij, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn vaders been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                       *

Heel lang geleden,

Was niets wat het leek, de bonen in de moestuin waren geld

En je gehaktbal, was een planeet, waar je heen vloog en verliefd werd op een held

Niemand ging dood dat bestond toen niet echt

Alleen als je oud was of lelijk of slecht

Dan werd je door pijlen uit bogen doorzeefd

Toen er nog lang en gelukkig werd geleefd

(…)

** Muziek en tekst: Christine de Boer (Yentl en de Boer)

 

De geitenhoeder

‘Ik ben een begrip in de straat.’ Mijn vader kijkt glazig naar de man tegenover hem. De spierwitte snor van mijn vaders kamergenoot in het ziekenhuis krult op bij zijn boude uitspraak.

‘Je ken wel zeggen dat ik een begrip in de búúrt ben. Iedereen kent mij. Ze missen me. “Waar is Piet?”, vragen ze.’

                         *

Mijn vader belandde onverwacht in het ziekenhuis; een longontsteking en vocht achter de longen veroorzaakte benauwdheid. Zo hevig dat de arts in het revalidatiecentrum besloot hem op te laten nemen. Met de ambulance reed mijn vader van het revalidatiecentrum naar het ziekenhuis, op een brancard die gedragen werd ‘door twee beren van kerels’, aldus mijn vader.

                         *

Nu, na een dag, lijken de antibiotica aan te slaan en heeft mijn vader in een andere kamer op een andere afdeling dan de dag ervoor een kamergenoot. Hij is overgebracht naar de afdeling Geriatrie. Het kostte mij twintig minuten om door een doolhof van klapdeuren, liften, gangen en kamers mijn vader te vinden. Als ik eindelijk kamer 1.06 vind en deze binnenloop zitten mijn vader en zijn kamergenoot tegenover elkaar. Een klein tafeltje staat tussen hen in. Op tafel staan twee hard-plastic bekers, half gevuld met water. De groene is van mijn vader. 

                         *

‘Je zit alweer op!?’, vraag ik verrast. En ik denk aan een dag geleden. 

Ja’, antwoordt mijn vader. 

‘Hoe gaat het?’, vraag ik.

‘Waar blijft Corrie eigenlijk?’, vraagt Piet opeens. Mijn vader en ik kijken naar Piet. Ook mijn dochter die op de rand van mijn vaders ziekenhuisbed zit – haar benen bungelend boven het zeil – kijkt hem aan.

                         *

‘Corrie? Is dat uw vrouw?’, vraag ik.

‘Ja, waar blijft ze?’

‘Het bezoekuur begint pas om drie uur. Mijn vader lag gisteravond nog ergens waar doorlopend bezoek was. Daarom ben ik nu hier. Uw vrouw komt vast wat later.’

‘Corrie laat zich niet leiden door bezoekuren’, beweert Piet. ‘Zij komt wanneer zij dat wil. Dat infuus mocht er ook allang uit. Om twee uur zeiden ze.’ Hij plukt aan het verband rond de infuusnaald op zijn hand.

‘Het is pas twaalf uur’, zeg ik en ik draai mij weer om naar mijn vader.

                        *

‘Heb je goed geslapen?’, vraag ik mijn vader.

‘Ja’, antwoordt hij.

‘Ik deed geen oog dicht vannacht’, begint Piet weer. ‘Wat een herrie was het op de gang! Vond u ook niet?’ Piet kijkt verwachtingsvol naar mijn vader.

‘Ik heb niets gehoord’, antwoordt mijn vader recalcitrant, ‘helemaal niets.’

                         *

Piet kijkt een beetje beteuterd, hij frummelt aan zijn infuus. Mijn dochter en ik, we proberen ons weer te richten op mijn vader, haar opa.

‘Wat heb je gegeten, opa?’, vraagt mijn kind. 

Mijn vader kijkt naar haar op. 

‘Ik had bietjes gekozen’, zegt Piet. ‘Maar het was niet te eten. Het eten is hier sowieso slecht.’

                        *

Piet is niet te stuiten. Hij start een verhaal over zijn vrouw Corrie en een geitenhoeder die teveel naar haar keek. ‘Ja, en dat pik ik niet, dus ik naar die vent toe…’

                           *

Het is pas twaalf uur. Mijn vader zit nog zeker drie lange uren tegenover Piet. De kamer is op twee bedden en het zitje na leeg. Hij heeft geen krant, geen tijdschrift, geen t.v. 

                          *

‘Pa, zal ik een krant voor je halen?, vraag ik, ‘Dan heb je wat te lezen.’ Mijn vader aarzelt.

‘Nee hoor, dat hoeft niet’, zegt hij na een korte stilte.

‘Opa, ik haal voor jou een krant’, zegt mijn dochter gedecideerd. ‘Beneden is een winkel.’ Ze wipt van het bed af. 

‘Ja, een krant’, zegt Piet, ‘Thuis heb ik ook de krant.’ 

                            *

‘Pa, vanmiddag komen Raymond en Max. Zij nemen de spullen mee die je nodig hebt. Ik ga nu weg. Julia komt zo nog even terug met de krant.’

Mijn vader knikt. ‘Bedankt voor je komst’, zegt hij.

‘Ja, ja’, antwoord ik, ‘Morgen ben ik er weer.’

‘Toch begrijp ik niet waar ze blijft’, mompelt Piet aan de overkant. ‘Ze zijn er altijd, mijn vrouw én dochter.’

                            *

Aan het einde van de middag keren mijn man en zoon terug uit het ziekenhuis.

‘Hoe ging het?’, vraag ik.

‘Ja goed’, antwoordt mijn man, ‘Maar wat is dat voor een man daar bij je vader op de kamer…Die man, trouwens die hele familie draaide zich voortdurend om en bemoeide zich met onze gesprekken.’
‘Ach, ja’, antwoord ik. 

                        *

Corrie was uiteindelijk dus toch gekomen. 

                          ***

Grapje


Boven de ingang van het verpleeghuis hangt in ronde, rode letters de naam, Molenburg. In het raam rechts boven de letters staan twee orchideeën. Het is het raam van mijn vader. Als ik goed kijk zie ik dat de tere, witte blaadjes er allemaal afgevallen zijn. 

                     *

Op dit tijdstip – het is vroeg in de middag – hoef ik geen code met een # in te drukken om binnen te komen. Nee, ik loop gewoon de wijkende schuifdeuren door, de gang in met de geur van net uitgedeeld eten en een vleugje kappersparfum van de kleine kapsalon naast de ingang. 

                     *

In de salon hangen drie droogkappen schuin omhoog aan de muur als satellieten wachtend op hun lancering naar de ruimte. Ik sluit even mijn ogen: het zijn de kappen waaronder mijn moeder 50 jaar geleden de Libelle zat te lezen met in haar blonde haar de dikke, ruwe krullers strak vastgezet met een plastic pin. Vlak daarna – als alles droog, uitgehaald en doorgekamd was – was mijn moeder een mevrouw.

                       *

Ik groet netjes de persoon achter de receptie en loop door naar de lift. Ik moet naar de eerste etage. Liever neem ik de trap maar ik heb geen idee waar deze zich bevindt. Uit het Grand Café klinkt samenzang van bibberige stemmen met een montere gitaar. 

                       *

Als ik kamer 102 binnenloop zie ik mijn vader zitten in de rolstoel voor het hoge bed. Het gordijn waarmee de kamer in tweeën gedeeld wordt is halfdicht. 

                         *

‘Ha pa, daar ben ik weer!’, zeg ik. 

Hij is blij. Ik zie het aan zijn ogen. 

‘Hoe gaat het?’, vraag ik.

‘Goed hoor’, zegt mijn vader. 

‘Het is prachtig weer, zullen we even naar buiten gaan?’, vraag ik. Mijn vader kwam vier weken niet buiten. Zijn huid is slap en grauw. 

‘Ja, leuk’, zegt hij. ‘Moet ik geen jas aan?’ 

‘Nee, dat hoeft niet, het is heerlijk buiten.’

                         *

In de gang komen we verzorgster Ingrid tegen. Ingrid rent de hele dag van kamer naar kamer. Zij ‘doet dit werk al haar hele leven.’ Ingrid is stoer en zij maakt graag grapjes. De tweede dag dat mijn vader opgenomen was in dit huis – vijf dagen na zijn heupoperatie – moest hij uit de rolstoel in bed worden geholpen. Ik ging maar even plassen. Bij terugkomst zei Ingrid dat mijn vader nog niet de Vierdaagse ging lopen. Ik zag mijn vader liggen in bed. De schouders omhoog getrokken, zijn gezicht nietig en klein in het kussen.

                          *

‘Hij is al 94 jaar’, zei ik, ‘En vijf dagen geleden geopereerd. Ik vind het een wonder dat hij nu al zit en zo lang uit bed kan.’ Ingrid vertelde dat naast mijn vader een vrouw van 101 verbleef. ‘En zij gaat al weer naar huis volgende week.’ Mijn vader verschrompelde in zijn hoge bed. Ik zei niets. 

                         *

‘Ik neem mijn vader mee naar buiten’, zeg ik als ik Ingrid op de gang tegenkom. Zij steekt haar duim omhoog.
Zodra we buiten zijn zegt mijn vader: ‘Heerlijk, de zon zo op mijn gezicht.’

En ja, het is heerlijk, de zon schijnt, er waait een zacht windje. Ik manoeuvreer de rolstoel de stoep op. 

‘Zullen we naar het park lopen?’, vraag ik.

Mijn vader vindt het best. ‘Als het niet te zwaar is voor jou’, antwoordt hij. Het is niet te zwaar. We lopen door een onbekende wijk, het zomergroen, opgefleurd door de regen van de afgelopen weken, doet pijn aan de ogen. De lucht is blauw met spierwitte wolken, het is de lucht van Hollandse meesters. Ik adem diep in. 

                         *

Achterin het park is een uitspanning. Ik stel voor wat te drinken.

‘Als je tijd hebt hoor’, zegt mijn vader.

Ik heb tijd. We zitten aan een tafel en ik hoop dat mijn vader zich weer een mens voelt. Een mens in de zon op een terras. 

                         *

‘Heerlijk’, zegt mijn vader, ‘Zo de zon op mijn gezicht.’

En ja, het is heerlijk. Wolken als wattenbollen jagen achter elkaar aan in de blauwe hemel. Het terras kijkt uit op een plas. Boten liggen aangemeerd aan de steiger. We zitten in een schilderij van Ruisdael, Weissenbruch. We drinken thee. De wangen van mijn vader kleuren langzaam rood.

                         *

‘Heb je het niet te warm?’, vraag ik.

‘Nee, het is heerlijk zo’, antwoordt mijn vader. En hij sluit zijn ogen.
Als we terugkomen in het verpleeghuis loop ik met de rolstoel naar het Grand Café. ‘Kijk, hier kunnen we ook eens wat gaan drinken’, zeg ik. Mijn vader staart naar binnen. Een man met gitaar tokkelt liedjes, Hollandse liedjes. Een vrolijke dame enthousiasmeert het groepje bewoners dat aan de tafeltjes zit. ‘Alle duifjes op de dam…’, zingt de vrolijke dame. Een paar bibberstemmen zingen mee. 

                         *

Als we terugkomen op de kamer zit ik nog even tegenover hem. ‘Het was heerlijk’, zegt mijn vader, ‘Heerlijk zo de zon op je gezicht.’

                         *

Ingrid rent naar binnen. Zij reddert wat met mijn vaders kamergenoot en snelt weer weg. Geen tijd voor een grapje. We staren haar beiden woordeloos na.

                      ***

Vakantie (3)


Ruimtevaarder
‘Meester Frank, ik kom waarschijnlijk morgen niet naar school

En ook overmorgen zal wat moeilijk zijn

En evenmin de week die komt, ja zelfs de maand die volgt

De kans dat ik nog ooit verschijn is eigenlijk klein

‘t Is niet omdat, meester Frank, u mij zo vaak straft

En mij één keer zelfs domkop heeft genoemd

Nee, ‘t is alleen iets hier vanbinnen, ‘t heeft geen zin dat ik ontken

Meester Frank, ik voel… dat ik een ruimtevaarder ben…’ **

Op dit Spaanse eiland mag de regen geen naam hebben. De regen die valt komt als een verdwaald streepje nat neer op de rug van mijn hand. Op dit eiland ter hoogte van Afrika schijnt gewoonlijk de zon onbarmhartig alles aan gort. 

                       *

Zand, steen en een palmboom met puntige, rechtopstaande bladeren als de opgekamde haren van een punker zijn hier natuur. En de zee, de zee is hier van azuur, blauw, groen met hier en daar een verraderlijke rots als een inktvlek in een aquarel van alle kleuren blauw.

                       *

Als de kranten uitgelezen zijn, de bikini aangetrokken is, het ontbijt gegeten, dwarrelen gedachten en beslommeringen omhoog vanuit een onduidelijke diepte als de luchtbelletjes in het bubbelbad waar we hier de beschikking over hebben. 

                         *

Niemand vraagt waar ik aan denk en dat is fijn. Als mensen dat vragen is het niet zozeer om het antwoord te horen dan wel om te bevestigen dat ze er zijn, ik ben er ook nog, ik, ik. Nu kan ik vrijuit de gedachten binnen laten komen en gaan, niemand die het hoort, het interessant vindt, er iets van weet noch wat van wil weten.

                         *

Naast mij op het strand staat een jongetje. Hij wacht. Zijn vader is kite-surfer. De gebruinde man draagt een zwarte cowboy-hoed. Langs de zijkanten van de hoed hangen twee leren veters, losjes geknoopt onder zijn kin. Zijn kite, een zwart-rode, liet hij zojuist leeglopen. Ik wist niet dat er lucht in zo’n vlieger geblazen werd. Maar het is zo. Pffffjjjieeeeooo, klinkt het, en dan ligt de eens zo opbollende, levende kite als een dode, leeggelopen ballon op het zand. 

                         *

De man gespt zijn opgerolde kite in een soort rugzak om zijn middel. Alles zit strak ingestopt, ook zijn spieren zitten vast onder strak vel als gehaktsliertjes onder het strakgespannen plastic vloei uit de Dino-supermarkt.

                          *

En ooit, ver weg, was ik dat jongetje. Ik wist ook niet waar naar toe, waarom en hoezo. Maar dat gaf niks. Ik sjokte achter mijn vader en moeder aan zoals dit jongetje doet. Schriel en bruin. En misschien ook wel liever ruimtevaarder. De aarde zien vanuit de ruimte als een langzaam ronddraaiende, blauwe ballon. Ver weg van alles.

                        *

‘Oh en voor ik het vergeet, Linda van slagerij Van Gool

Komt waarschijnlijk ook niet meer naar school.’ 

** Uit: Lof der waanzin van Kommil Foo (Raf en Mich Walschaerts)
                        ***

Zaza


‘Lig je lekker Zaza?’, riep hij.

Zaza lag in een lucifersdoosje met watten. ‘Prima!’, riep hij met z’n hele kleine kakkerlakkenstem.

Uit Pluk van de Petteflet, A.M.G. Schmidt (1911-1995)



In het vakantiehuis zijn kakkerlakken. ‘s Avonds komen ze tevoorschijn. Ik zie er opeens een lopen op de stenen vloer van de slaapkamer. Bij het stukslaan van het gruwelijke insect door mijn dappere man sla ik mijn beide handen om mijn oren. In gedachten hoor ik het kraken van het zwarte schildje. In verband met de eitjes die het vrouwtje met zich meedraagt mag je ze niet doodslaan. Maar wat moeten we? Het is 23.13 uur, de eigenaar van het huis slaapt, wij moeten slapen en met een kakkerlak naast het bed lukt dat niet. 

                        *

‘Daar zit er nog een’, zegt mijn man en met zijn slipper slaat hij ook die dood. 

                         *

We slapen in het bed-met-klamboe, de ventilator staat aan, ze kunnen niet tegen tocht, kakkerlakken. Dat lazen we op internet, om 23.32 uur. Vandaar de ventilator, gericht op de plek waar de beestjes vandaan kwamen. Morgen bellen we de eigenaar van het huis. Ik ben benieuwd wat hij doet, het is vast een hardnekkig probleem. En vannacht kunnen we niet plassen. Misschien morgenochtend weer, als het licht achter het gordijn schijnt, de haan kraait, de honden blaffen.

                         *

‘s Ochtends om 8.35 uur belt mijn man Laurent, de eigenaar van het huis. ‘Hello Laurent, with Raymond from number six’, hoor ik en ik lach. Ons huisje, dat gewoon in een woonwijk staat van het ietwat vervallen plaatsje El Roque, heeft als huisnummer zes. En omdat er al diverse mankementen waren – een weigerachtige oven, t.v. en vaatwasser-, belden we al vaker met Laurent. Hij zal zijn buik wel vol hebben van ‘number six.’

                        *

Laurent zegt toe dat hij om 12.00 uur komt, maar hij staat om 9.00 uur al voor de deur. Gewapend met spuitbussen en een paar tubes met een spits tuutje komt hij binnen op de voet gevolgd door zijn maatje die al een keer eerder het zwembad reinigde. Laurent is het evenbeeld van Kevin uit de Netflix-serie ‘Bloodline’: een surfboy op leeftijd met een wilde, blonde haardos, zonnebril met gekleurde glazen, bermuda, losjes hangend shirt en teenslippers. Het zwembad-maatje lijkt op Derk Sauer, de Russisch-Nederlandse media-ondernemer. Ik grinnik om de bizarre combinatie.

                           *

Kevin en Derk lopen speurend in en om het huis; zij spuiten gif in kieren en gaten: ‘zee will zurely dai wieth diez’, aldus de Franse Laurent die Engels spreekt. Een omgekeerde versie van ‘Allo, allo’. 

‘And if zee don’t, you call me ageen’, zegt Laurent. 

                         *

Verder is het hier rustig, de zon schijnt, de wind waait en op het strandje dat we laatst ontdekten staan ligstoelen die maar € 3,- kosten. 

‘In Europe you don’t find a place like this with chairs for € 3,-‘, aldus de lieve strandjongen van wie we de dag daarop mogen komen betalen vanwege een tekort aan cash geld. ‘You bring the money to me tomorrow’, zegt hij en hij lacht zijn stralende lach. Ook dat vind je nergens meer op de Europese stranden. Vertrouwen en vriendelijkheid.

                           *

‘s Avonds stijgt de spanning in ons huis. Kakkerlakken houden van warmte en avond. Het is warm in huis -‘Niet de deuren openzetten dan lopen ze zo naar binnen!’, aldus een panisch kind,- en donker is het ook. Buiten pikkedonker, binnen mag maar een lichtje aan want ‘Muggen komen op licht af, geen licht aandoen!’. Tastend in het duister zoeken we onze bedden op. Ik val al bijna in slaap als ik paniek hoor. ‘Pap-pap-pap!’ en dat steeds harder en dwingender. Pap zoekt zijn weg door de klamboe die provisorisch bijeengehouden wordt met een wasknijper. Ik hoor gegil, een deur die dichtslaat.

                         *

Ik slaap voorzover dat lukt in een bed met een krappe klamboe in een slaapkamer met dichte ramen en deuren. De volgende dag hoor ik het verhaal van de dichtslaande deur: ‘We deden de deur even open – heel even maar – het was zo warm…er kwamen gelijk twee kakkerlakken op onze slaapkamer af. We sloegen gauw de deur dicht, maar de hele nacht hoorde ik geritsel van zo’ n beest.’ Mijn dochter kijkt mij aan. Haar blauwe ogen staan op afgrijzen. ‘En mam, vanochtend keken we en er zat er een tussen de deur klem. Dat hoorden we natuurlijk vannacht.’

‘Ach, wat zielig’, zeg ik.

‘Zielig!, antwoordt mijn kind, haar ogen sproeien vuur. 

‘Mam, niks zielig, ze zijn zo smerig die beesten.’ En direct daarop:

‘Pap, pap, je moet even kijken hoor, misschien zijn er nu eitjes achtergebleven in de deuropening en die moeten ook weg.’ Pap sjokt naar de slaapkamer, naar de onzichtbare eitjes van de niet-zielige, dode kakkerlak.

                           *

En ik denk aan Zaza, de kakkerlak. Dat waren nog eens tijden. Geen associaties met griezelige insecten waar onzichtbare eitjes uit vallen, geen bij-gedachten aan een voetballer met een maffe tatoeage op de buik die penalty’s neemt als een vogel die zijn pootjes een voor een hoog optilt alsof hij op eieren loopt.

                             *

Wat at hij ook alweer het liefst, Zaza?

                           ***

Hond


Als kleurrijke snoepjes hangen de vliegers van kite-surfers in de lucht. Bruinverbrande mannen en een enkele vrouw staan schuin op puntige plankjes, ze laten streepjes wit achter in het water als CO2-lijnen van vliegtuigen in de lucht. 

                          *

Een straffe wind waait over het eiland. Haren waaien voortdurend op en dat is wat je proeft, zilte sliertjes op je lippen als uiteengerafelde zoute dropveters. 

                         *

Flarden van gedachten, woorden en zinnen schuiven in mijn hoofd als letters van scrabble op houten houdertjes, voortdurend wisselende combinaties totdat het goede woord, de goede zin verschijnt. 

                         *

Ik zag een hondje met aan zijn halsband een groene waslijn. Een smal dier met een bruine rug. Ruwig haar en ogen die van de een naar de ander kijken. Hij snuffelt rond in de ruimte die de lijn hem toestaat. 
Zijn baasje – een vrouw, meisje nog – vraagt of ik het hondje wil hebben. De man van het lunchtentje lacht zijn tanden bloot: ‘It will cost you three crêpes en three coffee.’ De man heeft een stem als de zanger van The Elephant Song, zwaar en donker.

                           *

‘You have a beautiful voice’, zei ik de dag ervoor tegen hem. We aten een broodje daar, in het restaurantje aan de weg met in iedere hoek van het terras een stamgast. De man schrok en begreep het niet. ‘Your voice, it’s beautiful.’ Ik hoopte dat hij het snapte. En ja, ‘If the music goes to the right, my voice goes to the left. I can’t sing.’ Ik lachte. 

                         *

Op het strand wappert overal wat: een handdoek, de geschulpte randen van een parasol, een bikini-touwtje. Verderop ligt een eiland, ooit ontstaan uit gloeiend steen dat vanuit de aardholte naar boven stulpte als een puist op een gladde huid. In de kalme zee ligt het land, onbeweeglijk als een lang, geschubd dier. 

                           *

De hond kijkt naar mij. Zijn ogen flitsen niet meer weg van de een naar de ander. 

‘I found her, she needs vaccination, then you can take her’, vertelt het baasje, een meisje nog. Zij heeft lang, blond haar dat wappert in de wind. In haar hand ligt losjes het uiteinde van de groene waslijn.

                          *

Ik neem hem niet mee. De hond snuffelt rond in de ruimte die de lijn hem toestaat. Zijn stugge haren waaien schuin op in de wind. ‘Hij is een zij’, denk ik. En ik hoop dat ze verdampt in mijn gedachten als strepen in de zee, lijnen in de lucht.

                           

                         ***

Vakantie (2)


Muskiete-jag

Jou vabond, wag, ik sal jou krij,

Van jou sal net ‘n bloedkol blij

Hier op mij kamermure.

Deur jouw vervloekte gonserij,

Deur jouw gebijt en plagerij

Kon ik nie slaap vir ure.


Mag ik mij voorstel, eer ons skei,

Eer jij die doodslag van mij krij –

Mij naam is van der Merwe.

Muskiet, wees maar nie treurig nie,

Wees ook nie so kieskeurig nie.

Jij moet tog ééndag sterwe.

 

Verwekker van malaria,

Sing maar jou laaste aria –

Nog één minuut vir grasie.

Al soebat jij nou nòg so lang,

Al sê jij ook: ik is nie bang,

Nooit sien jij weer jou nasie…


Hoe sedig sit hij, O, die kreng!

Sij kinders kan maar kranse breng,

Nóu gaan die vabond sterwe…

Pardoef! Dis mis! Daar gaan hij weer!

Maar dòòd sal hij, sowaar, ik sweer

Mij naam is van der Merwe!

A.D. Keet (1888-1972)

Vannacht werd ik wakker in mijn bed-met-klamboe als een rups in een cocon van witte tule. Wij deden hier lacherig over: een klamboe in Spanje, nergens voor nodig. Totdat we ‘s nachts wakker werden van muggen, zo zoemend om ons slaperige hoofd dat ons oor trillend wakker werd en onze arm uitschoot naar het geluid van de Spaanse mug.

                            *

Nu slaap ik onder de klamboe, moeizaam gedrapeerd om het bed, ingestopt onder de matrasranden maar in de loop van de nacht losgewoeld door onrustige draaiingen en beenbewegingen. Vannacht werd ik weer wakker van een zoemende mug. Ik dacht in halfslaap na en maakte mijzelf wijs dat de mug zich buiten de klamboe bevond. Na nogmaals hinderlijk gezoem pakte ik mijn iPhone en ik scheen met de lantaarnfunctie in de witte tule. Geen mug te zien. 

                           *

Ik slaap in en droom. Iets over vroeger, flarden moeder, school, leraar. Terugkerende thema’s. Als ik wakker word is het licht. Ik kijk in de tule, omhoog, de cocon in. En daar, links van mijn hoofd zit de mother ** bastard van vannacht. In de klamboe. Met mijn boek in de hand richt ik mij op. Ik lees een dikke thriller. De mug ruikt onraad en vliegt omhoog. Maar de klamboe is een doeltreffende muggenvanger, de mug kan niet ontsnappen uit deze sluitende tule-waas. Ik pak de stof beet en sla met de achterkant van het boek de mug dood. Hij ploft neer op het kussen. Vol overgave ligt hij en ik sla nogmaals. Met de platte mug achter op het boek loop ik de kamer in. Met een keukenpapiertje veeg ik de mug van de kaft.

                          *

‘Kijk, mijn bloed’, zeg ik tegen mijn man. En ik houd het witte papier met rode veegjes omhoog.

‘Getver’, zegt hij.

                           *

Ik kijk naar buiten. We lieten onze groen-sappige tuin achter voor dor en droog vulkaanlandschap. Het huis en de tuin staan onder de hoede van onze zoon.

‘Je hoeft maar aan drie dingen te denken deze week’, zeg ik tegen mijn kind bij vertrek en dat is ‘TOP’. 

‘TOP?’, vraagt hij ongeïnteresseerd.

‘Ja, TOP: Tuin, Opa, Poezen. Dat zijn de prioriteiten van de komende week.’

                          *

De tuin met geraniums die net gaan bloeien, teer-roze bloemetjes en soms hardroze komen uit het groene blad omhoog. 

‘Haal je de uitgebloeide bloemen eruit?’, vraag ik de achttienjarige.

‘Ja’, bromt hij ongeïnteresseerd. 

En de hortensia die op springen staat. Binnen een paar dagen bloeien de Annabelles vol en wit als stralende lantaarnbollen aan een rustieke dorpsweg. De roos die zielig en kaal omhoogklimt maar opeens een paar knoppen heeft die ik nauwlettend in de gaten houd en de rozen die ik afknip net na het hoogtepunt van de bloei. Dan zet ik ze in een klein, donker-rood vaasje op de buffetkast, hopend dat aan de afgeknipte takken weer een nieuwe knop verschijnt.

                           *

Opa. Mijn vader. Hij brak zijn heup en revalideert. Aan hem moet ik niet denken. 

‘Ik ga iedere dag naar opa toe, mam’, zegt mijn zoon. En dat is lief. 

‘Ik schrijf mails aan hem, kan jij die dan voorlezen?’, vraag ik.

‘Ja’, antwoordt het kind, ‘Tuurlijk.’ 

                            *

En de poezen: zij zijn op dieet. De dierenarts vond 8,7 kilo te veel voor onze Siberische boskat. 

‘U wilt toch niet dat ze diabetes krijgen?’, vroeg de assistente poeslief. 

‘Nee’, beaamde ik. 

En dus gaan ze op dieet. Beiden want poes Saar is ook te zwaar. 

‘Geef je precies 55 gram aan Saar en 65 aan Moos?’, vraag ik en ik wijs mijn zoon op de twee plastic bakjes waarop de maximale hoeveelheid voer af te lezen is. Het speciale dieetvoer dat de assistente mij aanbeval. 

‘Ja’, antwoordt mijn kind.

                              *

Buiten, over de rooiige lavabergen, hangt een wit wolkendek. Donkergrijze wolken jagen langs het wit. ‘Dit weer hebben we hier nog nooit gehad’, zeg ik tegen mijn man.

‘Nee’, antwoordt hij. 

                            *

Maar het is vakantie. En als ik niet denk aan thuis, de zon opeens achter de wolken vandaan komt en ik hardloop, het vakantiehuis uit, de rechte weg af richting het strand waar de wilde zee zich om de rotsen kringelt en water woest opspat, dan is het vakantie. 

                         *

TOP. Tuin. Opa. Poezen. Het gaat vast goed.
                         ***