Vakantie (3)


Ruimtevaarder
‘Meester Frank, ik kom waarschijnlijk morgen niet naar school

En ook overmorgen zal wat moeilijk zijn

En evenmin de week die komt, ja zelfs de maand die volgt

De kans dat ik nog ooit verschijn is eigenlijk klein

‘t Is niet omdat, meester Frank, u mij zo vaak straft

En mij één keer zelfs domkop heeft genoemd

Nee, ‘t is alleen iets hier vanbinnen, ‘t heeft geen zin dat ik ontken

Meester Frank, ik voel… dat ik een ruimtevaarder ben…’ **

Op dit Spaanse eiland mag de regen geen naam hebben. De regen die valt komt als een verdwaald streepje nat neer op de rug van mijn hand. Op dit eiland ter hoogte van Afrika schijnt gewoonlijk de zon onbarmhartig alles aan gort. 

                       *

Zand, steen en een palmboom met puntige, rechtopstaande bladeren als de opgekamde haren van een punker zijn hier natuur. En de zee, de zee is hier van azuur, blauw, groen met hier en daar een verraderlijke rots als een inktvlek in een aquarel van alle kleuren blauw.

                       *

Als de kranten uitgelezen zijn, de bikini aangetrokken is, het ontbijt gegeten, dwarrelen gedachten en beslommeringen omhoog vanuit een onduidelijke diepte als de luchtbelletjes in het bubbelbad waar we hier de beschikking over hebben. 

                         *

Niemand vraagt waar ik aan denk en dat is fijn. Als mensen dat vragen is het niet zozeer om het antwoord te horen dan wel om te bevestigen dat ze er zijn, ik ben er ook nog, ik, ik. Nu kan ik vrijuit de gedachten binnen laten komen en gaan, niemand die het hoort, het interessant vindt, er iets van weet noch wat van wil weten.

                         *

Naast mij op het strand staat een jongetje. Hij wacht. Zijn vader is kite-surfer. De gebruinde man draagt een zwarte cowboy-hoed. Langs de zijkanten van de hoed hangen twee leren veters, losjes geknoopt onder zijn kin. Zijn kite, een zwart-rode, liet hij zojuist leeglopen. Ik wist niet dat er lucht in zo’n vlieger geblazen werd. Maar het is zo. Pffffjjjieeeeooo, klinkt het, en dan ligt de eens zo opbollende, levende kite als een dode, leeggelopen ballon op het zand. 

                         *

De man gespt zijn opgerolde kite in een soort rugzak om zijn middel. Alles zit strak ingestopt, ook zijn spieren zitten vast onder strak vel als gehaktsliertjes onder het strakgespannen plastic vloei uit de Dino-supermarkt.

                          *

En ooit, ver weg, was ik dat jongetje. Ik wist ook niet waar naar toe, waarom en hoezo. Maar dat gaf niks. Ik sjokte achter mijn vader en moeder aan zoals dit jongetje doet. Schriel en bruin. En misschien ook wel liever ruimtevaarder. De aarde zien vanuit de ruimte als een langzaam ronddraaiende, blauwe ballon. Ver weg van alles.

                        *

‘Oh en voor ik het vergeet, Linda van slagerij Van Gool

Komt waarschijnlijk ook niet meer naar school.’ 

** Uit: Lof der waanzin van Kommil Foo (Raf en Mich Walschaerts)
                        ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s