Grapje


Boven de ingang van het verpleeghuis hangt in ronde, rode letters de naam, Molenburg. In het raam rechts boven de letters staan twee orchideeën. Het is het raam van mijn vader. Als ik goed kijk zie ik dat de tere, witte blaadjes er allemaal afgevallen zijn. 

                     *

Op dit tijdstip – het is vroeg in de middag – hoef ik geen code met een # in te drukken om binnen te komen. Nee, ik loop gewoon de wijkende schuifdeuren door, de gang in met de geur van net uitgedeeld eten en een vleugje kappersparfum van de kleine kapsalon naast de ingang. 

                     *

In de salon hangen drie droogkappen schuin omhoog aan de muur als satellieten wachtend op hun lancering naar de ruimte. Ik sluit even mijn ogen: het zijn de kappen waaronder mijn moeder 50 jaar geleden de Libelle zat te lezen met in haar blonde haar de dikke, ruwe krullers strak vastgezet met een plastic pin. Vlak daarna – als alles droog, uitgehaald en doorgekamd was – was mijn moeder een mevrouw.

                       *

Ik groet netjes de persoon achter de receptie en loop door naar de lift. Ik moet naar de eerste etage. Liever neem ik de trap maar ik heb geen idee waar deze zich bevindt. Uit het Grand Café klinkt samenzang van bibberige stemmen met een montere gitaar. 

                       *

Als ik kamer 102 binnenloop zie ik mijn vader zitten in de rolstoel voor het hoge bed. Het gordijn waarmee de kamer in tweeën gedeeld wordt is halfdicht. 

                         *

‘Ha pa, daar ben ik weer!’, zeg ik. 

Hij is blij. Ik zie het aan zijn ogen. 

‘Hoe gaat het?’, vraag ik.

‘Goed hoor’, zegt mijn vader. 

‘Het is prachtig weer, zullen we even naar buiten gaan?’, vraag ik. Mijn vader kwam vier weken niet buiten. Zijn huid is slap en grauw. 

‘Ja, leuk’, zegt hij. ‘Moet ik geen jas aan?’ 

‘Nee, dat hoeft niet, het is heerlijk buiten.’

                         *

In de gang komen we verzorgster Ingrid tegen. Ingrid rent de hele dag van kamer naar kamer. Zij ‘doet dit werk al haar hele leven.’ Ingrid is stoer en zij maakt graag grapjes. De tweede dag dat mijn vader opgenomen was in dit huis – vijf dagen na zijn heupoperatie – moest hij uit de rolstoel in bed worden geholpen. Ik ging maar even plassen. Bij terugkomst zei Ingrid dat mijn vader nog niet de Vierdaagse ging lopen. Ik zag mijn vader liggen in bed. De schouders omhoog getrokken, zijn gezicht nietig en klein in het kussen.

                          *

‘Hij is al 94 jaar’, zei ik, ‘En vijf dagen geleden geopereerd. Ik vind het een wonder dat hij nu al zit en zo lang uit bed kan.’ Ingrid vertelde dat naast mijn vader een vrouw van 101 verbleef. ‘En zij gaat al weer naar huis volgende week.’ Mijn vader verschrompelde in zijn hoge bed. Ik zei niets. 

                         *

‘Ik neem mijn vader mee naar buiten’, zeg ik als ik Ingrid op de gang tegenkom. Zij steekt haar duim omhoog.
Zodra we buiten zijn zegt mijn vader: ‘Heerlijk, de zon zo op mijn gezicht.’

En ja, het is heerlijk, de zon schijnt, er waait een zacht windje. Ik manoeuvreer de rolstoel de stoep op. 

‘Zullen we naar het park lopen?’, vraag ik.

Mijn vader vindt het best. ‘Als het niet te zwaar is voor jou’, antwoordt hij. Het is niet te zwaar. We lopen door een onbekende wijk, het zomergroen, opgefleurd door de regen van de afgelopen weken, doet pijn aan de ogen. De lucht is blauw met spierwitte wolken, het is de lucht van Hollandse meesters. Ik adem diep in. 

                         *

Achterin het park is een uitspanning. Ik stel voor wat te drinken.

‘Als je tijd hebt hoor’, zegt mijn vader.

Ik heb tijd. We zitten aan een tafel en ik hoop dat mijn vader zich weer een mens voelt. Een mens in de zon op een terras. 

                         *

‘Heerlijk’, zegt mijn vader, ‘Zo de zon op mijn gezicht.’

En ja, het is heerlijk. Wolken als wattenbollen jagen achter elkaar aan in de blauwe hemel. Het terras kijkt uit op een plas. Boten liggen aangemeerd aan de steiger. We zitten in een schilderij van Ruisdael, Weissenbruch. We drinken thee. De wangen van mijn vader kleuren langzaam rood.

                         *

‘Heb je het niet te warm?’, vraag ik.

‘Nee, het is heerlijk zo’, antwoordt mijn vader. En hij sluit zijn ogen.
Als we terugkomen in het verpleeghuis loop ik met de rolstoel naar het Grand Café. ‘Kijk, hier kunnen we ook eens wat gaan drinken’, zeg ik. Mijn vader staart naar binnen. Een man met gitaar tokkelt liedjes, Hollandse liedjes. Een vrolijke dame enthousiasmeert het groepje bewoners dat aan de tafeltjes zit. ‘Alle duifjes op de dam…’, zingt de vrolijke dame. Een paar bibberstemmen zingen mee. 

                         *

Als we terugkomen op de kamer zit ik nog even tegenover hem. ‘Het was heerlijk’, zegt mijn vader, ‘Heerlijk zo de zon op je gezicht.’

                         *

Ingrid rent naar binnen. Zij reddert wat met mijn vaders kamergenoot en snelt weer weg. Geen tijd voor een grapje. We staren haar beiden woordeloos na.

                      ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s