De geitenhoeder

‘Ik ben een begrip in de straat.’ Mijn vader kijkt glazig naar de man tegenover hem. De spierwitte snor van mijn vaders kamergenoot in het ziekenhuis krult op bij zijn boude uitspraak.

‘Je ken wel zeggen dat ik een begrip in de búúrt ben. Iedereen kent mij. Ze missen me. “Waar is Piet?”, vragen ze.’

                         *

Mijn vader belandde onverwacht in het ziekenhuis; een longontsteking en vocht achter de longen veroorzaakte benauwdheid. Zo hevig dat de arts in het revalidatiecentrum besloot hem op te laten nemen. Met de ambulance reed mijn vader van het revalidatiecentrum naar het ziekenhuis, op een brancard die gedragen werd ‘door twee beren van kerels’, aldus mijn vader.

                         *

Nu, na een dag, lijken de antibiotica aan te slaan en heeft mijn vader in een andere kamer op een andere afdeling dan de dag ervoor een kamergenoot. Hij is overgebracht naar de afdeling Geriatrie. Het kostte mij twintig minuten om door een doolhof van klapdeuren, liften, gangen en kamers mijn vader te vinden. Als ik eindelijk kamer 1.06 vind en deze binnenloop zitten mijn vader en zijn kamergenoot tegenover elkaar. Een klein tafeltje staat tussen hen in. Op tafel staan twee hard-plastic bekers, half gevuld met water. De groene is van mijn vader. 

                         *

‘Je zit alweer op!?’, vraag ik verrast. En ik denk aan een dag geleden. 

Ja’, antwoordt mijn vader. 

‘Hoe gaat het?’, vraag ik.

‘Waar blijft Corrie eigenlijk?’, vraagt Piet opeens. Mijn vader en ik kijken naar Piet. Ook mijn dochter die op de rand van mijn vaders ziekenhuisbed zit – haar benen bungelend boven het zeil – kijkt hem aan.

                         *

‘Corrie? Is dat uw vrouw?’, vraag ik.

‘Ja, waar blijft ze?’

‘Het bezoekuur begint pas om drie uur. Mijn vader lag gisteravond nog ergens waar doorlopend bezoek was. Daarom ben ik nu hier. Uw vrouw komt vast wat later.’

‘Corrie laat zich niet leiden door bezoekuren’, beweert Piet. ‘Zij komt wanneer zij dat wil. Dat infuus mocht er ook allang uit. Om twee uur zeiden ze.’ Hij plukt aan het verband rond de infuusnaald op zijn hand.

‘Het is pas twaalf uur’, zeg ik en ik draai mij weer om naar mijn vader.

                        *

‘Heb je goed geslapen?’, vraag ik mijn vader.

‘Ja’, antwoordt hij.

‘Ik deed geen oog dicht vannacht’, begint Piet weer. ‘Wat een herrie was het op de gang! Vond u ook niet?’ Piet kijkt verwachtingsvol naar mijn vader.

‘Ik heb niets gehoord’, antwoordt mijn vader recalcitrant, ‘helemaal niets.’

                         *

Piet kijkt een beetje beteuterd, hij frummelt aan zijn infuus. Mijn dochter en ik, we proberen ons weer te richten op mijn vader, haar opa.

‘Wat heb je gegeten, opa?’, vraagt mijn kind. 

Mijn vader kijkt naar haar op. 

‘Ik had bietjes gekozen’, zegt Piet. ‘Maar het was niet te eten. Het eten is hier sowieso slecht.’

                        *

Piet is niet te stuiten. Hij start een verhaal over zijn vrouw Corrie en een geitenhoeder die teveel naar haar keek. ‘Ja, en dat pik ik niet, dus ik naar die vent toe…’

                           *

Het is pas twaalf uur. Mijn vader zit nog zeker drie lange uren tegenover Piet. De kamer is op twee bedden en het zitje na leeg. Hij heeft geen krant, geen tijdschrift, geen t.v. 

                          *

‘Pa, zal ik een krant voor je halen?, vraag ik, ‘Dan heb je wat te lezen.’ Mijn vader aarzelt.

‘Nee hoor, dat hoeft niet’, zegt hij na een korte stilte.

‘Opa, ik haal voor jou een krant’, zegt mijn dochter gedecideerd. ‘Beneden is een winkel.’ Ze wipt van het bed af. 

‘Ja, een krant’, zegt Piet, ‘Thuis heb ik ook de krant.’ 

                            *

‘Pa, vanmiddag komen Raymond en Max. Zij nemen de spullen mee die je nodig hebt. Ik ga nu weg. Julia komt zo nog even terug met de krant.’

Mijn vader knikt. ‘Bedankt voor je komst’, zegt hij.

‘Ja, ja’, antwoord ik, ‘Morgen ben ik er weer.’

‘Toch begrijp ik niet waar ze blijft’, mompelt Piet aan de overkant. ‘Ze zijn er altijd, mijn vrouw én dochter.’

                            *

Aan het einde van de middag keren mijn man en zoon terug uit het ziekenhuis.

‘Hoe ging het?’, vraag ik.

‘Ja goed’, antwoordt mijn man, ‘Maar wat is dat voor een man daar bij je vader op de kamer…Die man, trouwens die hele familie draaide zich voortdurend om en bemoeide zich met onze gesprekken.’
‘Ach, ja’, antwoord ik. 

                        *

Corrie was uiteindelijk dus toch gekomen. 

                          ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s