Lichtheid van bestaan 


Heel lang geleden,

Toen elfjes bestonden, en een heks in een huisje van koek

En de wolven, die geitjes verslonden, mochten niet bij je oma op bezoek

Lang geleden,
Er zaten rovers in de struiken, en de prinsen waren allemaal heel knap

En de kater, droeg zijn pas gelakte laarzen, en een muiltje liet je achter op de trap

                         *

Heel lang geleden,

Werd je was gedaan door vogels en dan vlogen ze een strikje in je haar.

En de muizen, die zongen veel te schel, maar waren vriendjes stonden altijd voor je klaar.

Lang geleden,

Kon je niet slapen door de geest van een meisje in de hoek

Maar na een kusje van je moeder, ontsnapte je gewoon weer aan haar vloek **

                        *

Aan mijn linkerhand ontvouwt zich een Engels landschap van alle kleuren groen; lichtbruine koeien grazen gemoedelijk in de wind die langs mijn huid strijkt en langs hun gladde vel waarvan ik in gedachten de haartjes voel, tegen de draad in aaiend, korte en stugge haren, al strelend dwarrelen de vliegen die rond hun koppen zoemen weg. Achter het gras ligt een strook bos als in een sprookje met een kasteel, verborgen achter bomen, struiken en dorens.
                       *

Op het lege fietspad zig-zag ik tussen rood-wit geblokte paaltjes door. Ik zie een huis boven op een duintop, licht door de zon-gebleekt hout, de ramen kijken uit op het landschap van mijn jeugd. Ik fiets langs een camping in de duinpan, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                         *

Na vijftien keer het bericht ‘Alle medewerkers zijn in gesprek. Een ogenblik geduld alstublieft’ krijg ik het revalidatie-centrum aan de lijn.

‘Goedemiddag, u spreekt met Annelie Jonquiere, dochter van Ad Jonquiere. Mijn vader is gisteren teruggekomen vanuit het ziekenhuis. Hij heeft een abonnement op de krant. Tot nog toe ontving hij twee van de zes kranten. Vandaag kreeg hij er ook geen. Kunt u nagaan waar de krant gebleven is?’ Zo rustig en beleefd mogelijk stel ik mijn vraag. Ik merkte de afgelopen weken dat rust alleen je kan redden. En dan nog. Een aantal medewerkers van dit zorgcentrum schiet direct bij iedere vraag in de verdediging.

                         *

‘De kranten zijn weg, die zijn al naar boven.’

‘Toch kreeg mijn vader hem niet.’ 

                         *

Ik hoor de beverige stem van mijn vader die insprak op mijn voicemail. ‘Met mij, je vader. Ik werd pas om half tien geholpen. De krant kreeg ik niet en de t.v. doet het niet meer. De batterijen zijn opeens verdwenen uit de afstandsbediening. Wanneer kwam je ook al weer? Vanavond? Nou meis, dit was het. Je vader.’

                         *

Welke naam zei u?’, vraagt de dame van de receptie. 

Ik spel mijn vaders naam.

‘Nee, die naam staat er niet bij.’

Ik bewaar mijn kalmte.

‘Eh, o ja, wacht even, nu zie ik het. Ja, de krant heeft hij gekregen.’

‘Hij kreeg de krant niet vandaag, daarom bel ik u’, zeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat moet wel gebeurd zijn. Ik heb de kranten naar boven gestuurd.’

Ik geef het op.

                         *

‘Dan heb ik nog een vraag.’ Ik hoor een zucht twintig kilometer verderop.

Ik bewaar de rust.

‘De televisie van mijn vader doet het niet meer. De batterijen zijn uit de afstandsbediening gehaald. Kan iemand misschien voor nieuwe batterijen zorgen?’

                         *

Ik denk aan mijn vader. Vanaf vijf uur vanochtend lag hij wakker. Om half tien werd hij uit bed geholpen. Vierenhalf uur staren naar het plafond. 

                         *

‘Nee, dat doen wij niet’, antwoordt de dame van de receptie. ‘Daar moeten bewoners zelf voor zorgen.’ 

‘Voordat hij naar het ziekenhuis ging deed de afstandsbediening het nog’, probeer ik. ‘Hoe kan dat?’

‘Daar ga ik niet over’, antwoordt de dame bits, ‘Maar ik weet wel: voor batterijen zorgen wij niet. Dat moet u zelf doen’

‘De krant en televisie zijn de enige afleiding die hij heeft. Ik vind het erg dat hij nu weer de hele dag geen van beide heeft.’ Twintig kilometer verderop hoor ik niets meer. Het gesprek loopt ten einde. Er is niets wat ik kan doen. Ik moet er heen om iemand aan te spreken. Wie? Ik weet het niet. Het zomerregime zorgt ervoor dat de bezetting minimaal is. 

‘Ik zie hier niemand’, zoals mijn vader vertelt. En dat is zo. 

                        *

Ik fiets, zig-zaggend achterop het zitje naar het strand. Ik staar met mijn kinderogen omhoog. De ogen van mijn vader. Ik zie blauw en wit, langs mijn oren ruist de wind. We gaan de camping in de duinpan voorbij, bloedheet in de zon, de daken van de caravans zinderen. Droge duinen met begroeiing die tussen je vingers verpulvert, mocht je het aanraken. Een brandnetel strijkt langs mijn vaders been, ik voel niets. Ik fiets. Ik fiets naar het licht. 

                       *

Heel lang geleden,

Was niets wat het leek, de bonen in de moestuin waren geld

En je gehaktbal, was een planeet, waar je heen vloog en verliefd werd op een held

Niemand ging dood dat bestond toen niet echt

Alleen als je oud was of lelijk of slecht

Dan werd je door pijlen uit bogen doorzeefd

Toen er nog lang en gelukkig werd geleefd

(…)

** Muziek en tekst: Christine de Boer (Yentl en de Boer)

 

Advertisements

2 thoughts on “Lichtheid van bestaan 

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s