Axioma


En toen was de kogel door de kerk. De woorden liggen in ons midden te gloeien als hete, van de barbecue gevallen kooltjes. Ik raap ze niet op. Mijn vader ook niet. Dus doet de psychologe het. ‘Mijn advies is dat u niet naar huis kan’, herhaalt zij. Nu hangen negen woorden als langzaam opstijgende, gekleurde ballonnetjes boven de grenen tafel waaraan wij zitten, mijn vader, de psychologe en ik. Na veel woorden over testen waarop mijn vader zo zijn best had gedaan, zijn onbetwiste intelligentie, gaten in het geheugen en hiaten in de ‘verdeelde aandacht’ die van invloed zijn op het plannen en organiseren is het duidelijk. Mijn vader gaat niet naar huis. Nooit meer.

                         *

De dag ervoor had mijn vader een stokoude vriendin aan de telefoon: ‘O nee, ik ga binnenkort hier weg’, hoorde ik hem met veel aplomb zeggen. Het weerwoord van de vriendin kon ik niet horen. ‘Ja, het lopen gaat prima’, vertelde mijn vader aan de stokoude vriendin die daarop háár verhaal vertelde over haar knie die binnenkort vervangen ging worden door een speciale specialist want op haar leeftijd…’ Haar verhaal kabbelde door, ik kon het niet horen maar ik begreep dat er niet snel een einde aan kwam. Ik zat naast mijn vader en ik keek hem aan, mijn vader die alles wat hij net gedaan had vergat, al wekenlang nauwelijks omhoog kon komen uit zijn rolstoel en bekaf was van een bezoekje aan de w.c., vijf meter verderop.

                         *

‘Wat voelt u nu?’, hoor ik de psychologe vragen, ‘Bent u verdrietig, boos?’ Ze kijkt mijn vader aan. Met haar vriendelijke, zachte stem bracht zij de harde boodschap. Het profiel van mijn vader steekt af tegen de witte muur van het kleine kamertje waarin wij zitten. Ik zie vanaf de zijkant zijn oog, een bruine driehoek met een rood randje van het wrijven dat hij telkens doet. Wordt zijn oog nat? Mijn vader brengt zijn rechterhand naar zijn hoofd alsof hij hoofdpijn heeft. Dit doet hij de afgelopen weken steeds vaker. Mijn vader vecht tegen…, ja, ik zie het, tegen verdriet. En ik denk ‘Als hij gaat huilen moet ik ook.’ Mijn neus prikt. Maar wij huilen niet. Wij blijven zitten, aan tafel, met de aardige psychologe.

                         *

‘Wat vindt u ervan?’, vraagt ze mijn vader. 

‘Ik vind het theorie, een axioma’, antwoordt mijn vader.

Ik vraag mij af wat een axioma is en mijn neus prikt al wat minder. Daar is hij weer, de vechtersbaas die ‘binnenkort naar huis gaat en uitstekend loopt’ met zijn twee – met ijzer bepinde – heupen.

‘U vindt het theorie?’, herhaalt de psychologe.

‘Ja, dat is gewoon theorie, de praktijk zal uitwijzen of het gaat of niet.’ Mijn vader herwint zijn stelligheid.

‘U bedoelt thuis wonen?’, vraagt de psychologe.

‘Ja’, zegt mijn vader.

                          *

‘Maar pa’, zeg ik. ‘Als het advies luidt om niet naar huis te gaan omdat het niet veilig is hoe is dat dan voor ons? Ik kan niet de hele dag bij je zijn en Bart ook niet. Wat gebeurt er als je direct hulp nodig hebt? Ik doe er een half uur over om bij je te komen. En ik kan niet altijd zomaar weg.’ Ik gebruik nog meer woorden. Ik weet niet meer welke. Mijn vader kijkt mij aan met zijn ene roodomrande oog en het andere bruin – donkerbruin – en zijn gezicht wordt zacht als was. God, wat gaat hij op mijn oma lijken. ‘Nee, dan is het goed’, zegt hij zachtjes.

                        *

‘Wat vindt u goed?’, vraagt de psychologe.

‘Dat ik niet naar huis ga.’

Mijn ogen vullen zich met tranen. Zijn ergste nachtmerrie wordt bewaarheid: niet meer naar huis, oud, vergeetachtig en hulpbehoevend worden. 

‘Zij is al gaan kijken’, zegt mijn vader. Hij kijkt van mij naar de psychologe. 

Zij kijkt naar mij.

‘Ja, ik ben al naar de Heemhaven geweest. Ik wilde kijken of dat misschien iets voor hem is. In ieder geval heeft hij daar een eigen ruimte. Met een keukentje en een badkamer. Hij kan daar t.v. kijken, computeren en beneden kan hij met anderen zijn. Er is een grote tuin.’ Ik som alle heerlijkheden van het zorgcentrum in de buurt op. Mijn vader zegt niets.

                        *

‘Ik begrijp dat dit een zware boodschap is’, eindigt de psychologe het gesprek. ‘U kunt het het beste even laten bezinken.’ En dat doen we. Ik rol mijn vader naar het terras van het revalidatie-centrum met de oranje, groene en blauwe stoelen van hard en koud plastic. ‘Wil je wat drinken?’, vraag ik en dat wil hij. We drinken samen voorzichtig de bloedhete thee aan een kale, plastic tafel. De zon blijft maar schijnen.

                         *

We praten niet. We kijken naar de kastanjeboom waar bolsters aan groeien: groene stekelvarkens. Over een tijdje vallen daar fluweelzachte kastanjes uit die ik vroeger zocht in het bos met mijn huppelende kinderen naast mij, achter mij, voor mij. Twee plastic zakken vol met kastanjes. Van een paar maakten we een spinnenweb en wat wiebelende poppetjes. Daarna teerden de kastanjes weg in de zak tot ze rimpelig en droog werden. Ik zie de arm van mijn vader op de leuning van zijn rolstoel: rimpelig en droog. 

                          *

Thuis zoek ik op: ‘Een axioma (of postulaat) is in de wiskunde en logica sinds Euclides en Aristoteles een niet bewezen, maar als grondslag aanvaarde bewering. Een axioma dient zelf als grondslag voor het bewijs van andere stellingen. Een axioma maakt deel uit van een deductief systeem. In de wiskundige logica heet een deductief systeem een theorie.’

                          *

Right.
                        ***

De gids


Het is zomer. Columnisten die ertoe doen zijn op vakantie. Wim Boevink, Gerbrand Bakker, ze zijn er niet. Het is zomer en als ik mijn Ipad rechtop zet in het handige hoesje met opzetstuk krijg ik op het scherm te zien dat er 95% kans op neerslag is binnen vijftien minuten. Het klopt. 

                           *

Deze troosteloze dag biedt weinig keuzes. Op de fiets naar mijn vader wordt met de auto naar mijn vader. Daarna ligt een eindeloze middag – ga ik een boek lezen of voor de televisie hangen waarop de laatste stuiptrekkingen van de Spelen te zien zijn – voor me.

                          *

Olympische Spelen die verwachtingen over hoogvliegers niet inlosten maar onverwachte nieuwkomers brachten. Slechte en goede verliezers. Dafne die ‘kut’ zei en haar spikes weggooide en Churandy Martina die zijn stralende lach toonde met die glimmende, gouden tand in eindeloos vertrouwen, vrolijkheid en geloof in Zijn Heer. De Heer van optimisme, naïviteit en zorg om de medemens. ‘Ik hoop niet dat ik alle mensen die om drie uur vannacht voor mij de wekker zetten teleurgesteld heb.’ 

                          *

Ik ga maar naar mijn vader. Het is half elf. Als ik opschiet ben ik er voordat hij gaat eten. Dat is om twaalf uur, half een. Op de weg naar het verzorgingshuis sla ik af bij zijn flat. Ik haal beneden in de hal zijn post uit de brievenbus en aarzel: ga ik naar boven? Dat huis, de ruimte waarin alles staat, ruikt en voelt als mijn vader. Zijn stoel, de tafel met daarop de Telegraaf van 22 juni 2016 die hij niet opensloeg. Een vaas met water op het aanrecht waarin het laagje afwasmiddel is opgelost en dat nu troebel is geworden van het lange staan. De televisie waar ik de stekker uit trok, de vensterbank die steeds stoffiger wordt, mijn kinderen die mij toelachen vanuit zilveren lijstjes en mijn schoolfoto van de eerste klas op de middelbare school. Een verlegen lachend meisje met lange, ongekamde haren. 

                        *

De bakken op het balkon die mijn vader moeizaam vulde met aarde, plantjes erin plantte, ze water gaf. De bakken staan als gehavende soldaten in het gelid: alleen de geraniums bloeien, de rest haalde ik weg. Verpieterd en broos als beschuitjes verloor ik onderweg naar de prullenbak droge bloemetjes en dorre blaadjes. Ik veegde ze bij elkaar met een stoffer en blik dat ik uiteindelijk vond achter een trap in de rommelkast.

                           *

Ik klim met lichte tegenzin de trappen op naar boven. Als ik de flat binnenkom ruikt het naar oude man. Ik vul de gieter die in het kantoortje staat met water en loop naar het balkon. Drie geraniums bloeien uitbundiger dan ik verwacht. Ik moet ze water geven. Ik draai de sleutel van de balkondeur om in het slot, trek de hendels van de dievenklauwen naar beneden. Ik geef de plantjes water en pluk de uitgebloeide bloemetjes eruit, een illusie in stand houdend.

                          *

Als ik de gang inloop van het verzorgingshuis komt mijn vader mij tegemoet. Hij beweegt zijn voeten heen en weer terwijl hij met zijn handen de wielen van zijn rolstoel ronddraait. Het doet me  denken aan mijn zoon die zich als baby op zijn billen voortbewoog, zijn mollige beentjes duwden hem vooruit, zijn armpjes wiebelden mee, ooit, lang geleden.

                            *

‘He, ben je er al?’, vraagt mijn vader verrast. ‘Ik dacht, het regent zo, je zal wel niet komen.’

‘Natuurlijk kom ik’, zeg ik, ‘Ik heb toch een auto?’

In de kamer van mijn vader staat de televisie van zijn kamergenoot aan. Duitse schlagers tetteren door de ruimte.

‘Waar is je buurman?’, vraag ik terwijl ik discreet achter het gordijn tuur waar de kamergenoot altijd zit.

‘Tja, dat weet ik niet, misschien is hij beneden bij zijn vrouw.’

‘Of hij is even naar de w.c.’, opper ik en ik denk aan de dag ervoor toen ik de buurman trof op de w.c. terwijl ik mijn vader zocht. Ik krijg het beeld maar niet weg. Mijn vader bleek zich op het winderige balkonnetje verderop te bevinden om ‘even lekker in de zon te zitten.’ 

                          *

Terwijl de schlagers door de kamer schallen kijkt mijn vader de post door. ‘Ik heb maar even gekeken in je brievenbus; de nieuwe t.v. gids zit erbij. Dat is wel handig, toch?’ Mijn vader zegt niets. Hij bekijkt zijn post nauwkeurig. Eerst maakt hij de envelopjes open, rissend met de helft van een schaar, het papier haalt hij eruit met zijn dikke vingers. 

‘Zal ik het plastic van de gids erafhalen ?’, vraag ik.

Mijn vader zegt niets. Ik haal het plastic van de t.v. gids eraf. Ik kijk naar buiten. Regen slaat tegen de ruiten van dit huis. Het is zomer.

                           *

‘O, leuk’, zegt mijn vader, ‘De Ikea gids!’ Hij pakt de gids. Hij bladert en bekijkt alles wat hij nooit meer zal kopen. ‘Leuk’, zegt mijn vader nogmaals. Ik zeg niets.

                          ***

Avondmaal

Verborgen in rimpels en dekens,

haar vest achterstevoren, een sjaal

hoog om de oren, de haren wild,

lepelt ze traag het kinderontbijt.

                      *

Dokter komt langs, fysio masseert,

personeel verzorgt, tv staat aan,

telefoon, wasmachines draaien,

vloeren worden zingend gedweild.

                           *

Vroeger had ze zich afgekeerd,

kritiek geuit, gevraagd of het niet

wat minder kon. Nu zit ze stil,

geniet van brinta met slagroom.

‘Ontbijt’ van Peter Swanborn uit ‘Tot ook ik verwaai’

                          *

‘Zal ik een ontbijtkoekje voor u smeren? Lekker met boter?’ 
De tafelgenote van mijn vader kijkt mij vragend aan. Haar blauwe ogen zijn lieve knikkers, doorzichtig en bollig met gesprongen adertjes als rode riviertjes kronkelend in glas.

‘Nee, dank u wel’, zeg ik, ‘Ik eet zo thuis.’

‘Dat zou ik ook wel willen’, bromt de dame die naast mij zit; zij is gezet, jonger dan de anderen en onder haar wijde jurk vallen de lagen vet naar beneden. Zij hangt in haar rolstoel. Onverschillig smeert zij met grote halen twee beschuiten met dik boter en smeerkaas. Twee lagen, wit en roomwit als een verse laag sneeuw op de oude. Zij hapt snel de beschuiten weg. Na een krentenbrood, twee bruine boterhammen en een glas thee rolt zij voortvarend haar stoel uit de gemeenschappelijke ruimte. ‘Mijn dochter zal er al zijn’, mompelt ze en weg is ze.

                         *

‘Mijn dochter komt ook zo’, zegt de vrouw met de knikkerogen zachtjes. Naast mij eet de meest fragiele dame van het nu opeens vierkoppige gezelschap lepel voor lepel haar warme pap. ‘Mevrouw van Beuningen, u gaat de verkeerde kant uit!’, krijgt zij elke dag te horen. Onzeker wankelt mevrouw van Beuningen met haar rollator door de gang van de eerste verdieping. Zij kiest altijd de verkeerde richting, de verkeerde ruimte.

                        *

‘Nee, hier is het nog niet!’, wijst mijn vader, die vorstelijk in zijn rolstoel achter haar aanrijdt, haar terecht. Mevrouw van Beuningen liep bijna andermans kamer binnen.

‘Dat doet ze elke dag’, zegt mijn vader met Iichte minachting. ‘Ze weet de weg niet meer.’

                        *

Mevrouw van Beuningen is een dame die je het liefste in een doosje wil doen. Als je naar haar kijkt lacht ze de lach van lieve, oude mensen. Haar grote ogen vragen om koestering, liefde, ze zijn als babyogen die zich naar je toetrekken of je wil of niet. Ze zegt niet veel, mevrouw van Beuningen. Ze eet en lacht. Als ik haar rollator wat opzij schuif om mijn vaders brede rolstoel er langs te laten schuift zij hem verder weg om nog meer ruimte te maken. Als ik even later tegen mijn vader zeg dat ik haar wil meenemen, thuis wil neerzetten en naar haar ga kijken, de hele dag, als ik haar uit het doosje gehaald heb, kijkt hij mij aan als een man die zich afvraagt of ik wel zijn kind ben, zijn dochter. Hij lacht flauwtjes.

                        *

‘Heb je nog fysiotherapie gehad?’, vraag ik mijn vader. Converseren aan deze tafel is niet gemakkelijk. Mijn vader is verdiept in zijn boterhammen. Een met kaas, een met jam. ‘Hij neemt altijd kaas’, zegt zijn buurvrouw met de knikker-ogen en zij kijkt naar mij. ‘Hij eet er altijd goed van, hoor!’ En ook zij buigt zich over haar brood. Er zit nog niets op. 

                        *

‘Wilt u dit beleg op uw brood?’, vraagt de nieuwe kamergenoot van mijn vader terwijl hij een pakje gebraden gehakt omhoog houdt; de vijfentachtigjarige is thuis gevallen van de kruk waarop hij ging staan omdat hij wilde kijken of zijn klok op die plek tegen de wand goed zou staan. Hij brak bij zijn val een paar ribben. Mijn vaders kamergenoot is een vriendelijke babbelaar. Zijn vrouw woont beneden in dit verzorgingshuis in het Molenhofje. De lieflijke naam herbergt de demente ouderen die achter slot en grendel zitten. Dagelijks loop ik voorbij de deur waarop in kapitalen staat ‘NIET OPENMAKEN VOOR BEWONERS VAN HET MOLENHOFJE!’ Soms kijken een paar oude ogen je aan, achter dat glas met zwarte draadjes. Maar IK MAAK DE DEUR NIET OPEN.

                        *

‘Ja, ik ben aan het denken’, zegt de knikkerogen-vrouw. ‘Wat zal ik eens nemen?’ Mijn vader houdt het plastic pakje met kaasplakjes omhoog. Maar dat wil ze niet.

‘Wilt u misschien de vruchtenhagel?’, vraag ik en ik houd het pak omhoog. De vorige keer dat ik er was nam zij vruchtenhagel. 

‘Ja, dat vind ik lekker!’, straalt de vrouw. Ik geef het pak aan mijn vader, hij geeft het door aan zijn buurvrouw.

                         *

Mijn vader is uitgegeten. Hij maakt geen aanstalten naar zijn kamer te gaan, nipt rustig aan zijn mok met thee. Ik wacht. De conversatie stokt.

‘Smaakte het goed?’, vraag ik mijn buurvrouw die haar pap op heeft. Zij heeft benen als stokjes. Ik zie onder de tafel dat zij vaalgele sokjes draagt onder een wijde driekwart broek. Plompe, zwarte schoenen hangen ietsje boven de vloer: ze is klein en fragiel, zo fragiel dat – als je blaast – ze wegwaait als een pluisje in de wind. 

                           *

De dame lacht vriendelijk naar mij maar ze geeft geen antwoord. Ik denk weer aan dat doosje waar ik haar in doe, voorzichtig uit haal, neerzet en dan naar haar ga kijken.

                         *

Mijn vader komt opeens in beweging. Hij rolt zijn stoel naar achteren, manoeuvreert langs de fragiele dame die hoffelijk haar rollator weer veel te ver wegschuift. 

‘Ik kan er wel langs’, zegt mijn vader. 

Ik sta op. ‘Fijne avond allemaal!’, zeg ik. Drie paar oude ogen kijken mij aan. 
‘Dank u’, zeggen ze, ‘U ook.’

                          *

Ik pak de duwstangen van mijn vaders rolstoel en ik zeg dat hij zijn voeten goed omhoog moet houden. Langzaam rijd ik hem de lange gang door. Ik parkeer mijn vader in de rolstoel bij zijn driehoekige tafeltje. Op het tafeltje liggen zijn pillen, een glas water, een stapel kranten.

                          *

‘Het zijn lange dagen’, zegt hij, ‘Het is hier vreselijk saai.’

Ik vraag of ik de televisie voor hem aan moet zetten. 

‘Ja, doe maar’, antwoordt hij. Ik zet de televisie aan.

‘Morgen kom ik na het sporten, maar ik moet ook naar Julia’s huis. Misschien kom ik ‘s middags, als dat niet lukt ben ik er ‘s avonds.

‘Kom maar ‘s middags’, zegt mijn vader.

‘Waarom?’, vraag ik verbaasd.

‘Dan ben je er vanaf’,  antwoordt mijn vader.

                         ***

Zonnetje


In de gang kom ik Willem tegen, de kamergenoot van mijn vader. Hij schuifelt met beide voeten langzaam zijn rolstoel vooruit. Zijn ogen kijken langs mij heen.

‘Ha Willem!’, zeg ik, ‘Weet jij waar mijn vader is?’

Willem schrikt. Hij knippert met zijn ogen, wil spreken, maar de woorden blijven hangen achter zijn lippen. De letters liggen op het puntje van zijn tong, zijn vertrokken gezicht verraadt de inspanning om te zeggen ‘H-h-h-hij i-i-isss op d-d-de w.c.’ De laatste letter sist, het is eruit. 

                         *

‘Dank je wel, dan loop ik weer terug’, antwoord ik en ik loop de gang door, langs de brede deuren, met televisies waar niet naar wordt gekeken, luid aan gezet als onverschillig geluid-behang. Als ik kamer 102 inloop rolt mijn vader met zijn stoel de badkamer uit. 

                           *

‘Wat ben ik blij dat je er bent’, zegt hij. De hartgrondigheid van deze woorden treft mij, nooit sprak mijn vader op deze toon deze woorden. 

‘Het is hier zo stil de hele dag’, zegt mijn vader, ‘Er is niemand.’ En dat is zo. Er is Willem met zijn puzzels, er is verzorging die op-en-neer rent maar ook uren verdwijnt, de bedden en bewoners haastig opgemaakt achterlatend. 

‘Vanochtend ben ik zelf mijn bed maar uitgegaan’, vertelt mijn vader. ‘Het duurt zo lang voor er iemand komt.’

                           *

‘Lukt dat dan?’, vraag ik. ‘Ja, dat lukt’ en hij legt uit hoe hij het bed verlaagt, zijn benen over de rand slaat, de stoel pakt, staat, zich laat zakken. 

‘Gelukkig kan je dat nu’, zeg ik, die niets beters weet te zeggen.

‘Ja, anderen liggen maar te wachten’, vertelt mijn vader triestig. Zijn ogen staan mat. Zijn huid is in plaats van bruin, grijs en grauw. Baardstoppels komen lukraak op als witte sprietjes uit grauwe bollengrond. Mijn altijd verzorgde vader – ik voel zijn frisgeschoren wang tegen mijn kinderwang en ik ruik het vleugje aftershave – zo ging hij naar het werk, iedere dag, zeven uur, glad en fris. 

                           *

En ineens komt het inzicht dat ik afscheid neem van een tijdperk, kind van ouders, kind van een vader te zijn, een wang fris en glad tegen de jouwe. Het onwrikbare van gegevens, zeven uur weg, zes uur thuis, je leven met spelen, school, knikkeren op de harde aarde naast het plein ‘Ik twee bonkies tegen jouw mooitje?’ – begerige ogen gericht op het kleurrijke glas met kringels en diepten als het onbegrijpelijke heelal waarover je las in het boek uit de bibliotheek. 

                          *

‘s Avonds at je thuis, aan de keukentafel, je moeder maakte een overschotel. Papa waste af en dan naar bed. ‘Je kriebelt’, zei je huiverend als hij je welterusten zei met weer die wang, stoppelig nu, tegen de jouwe. En dan expres even heen-en-weer zodat je rilde van dat raspen op jouw wang en daarna slapen met het zand van Klaas Vaak in je ogen.

                           *

‘Zullen we een stukje lopen buiten?’, vraag ik mijn vader. ‘Het is heerlijk weer al waait het wel een beetje.’ Dat wil mijn vader. Samen is het een beetje wurmen met een fleece-vest en daar gaan we.

‘Is het niet te zwaar?’, informeert mijn vader. Het is niet te zwaar.

Eenmaal buiten, lopend naar het park, verdwijnen de stilte, het geluidsbehang en de haastig opgemaakte bedden. Ze maken plaats voor groen, leven en spartelende kinderen in de plas die grenst aan het park.

‘Heerlijk, dat zonnetje’, zegt mijn vader.

                         *

En stap voor stap neem ik afscheid van de tijd en vind ik het zonnetje ook heerlijk.

                          ***

De voorstelling

‘Over tien dagen mag ik naar huis.’ Dat zegt mijn vader. Hij draait bij het uitspreken van deze woorden zijn hoofd een beetje weg, hij kijkt mij niet aan.

‘O ja?, vraag ik, ‘Hoe weet je dat?’

‘Gewoon, dat weet ik’, antwoordt mijn vader.

De treurigheid grijpt mij vast als een spook in een zwarte nacht. 

                         *

‘Het moet wel veilig zijn, pa’, zeg ik,’ Ze zijn hier best streng. Je moet zelf in en uit bed kunnen…’

‘Dat kan ik’, zegt mijn vader ferm.

‘Lopen in huis, naar het toilet gaan, wassen, aankleden…’, vervolg ik.

‘Zometeen kan ik dat’, antwoordt mijn vader

Verdriet kruipt in mij als een leger mieren in een omgevallen jampot.

                          *

Door de kier naast het half dichtgetrokken gordijn tussen de twee kamers in zie ik de kamergenoot van mijn vader, Willem. Willem legt de hele dag puzzels met één arm. De andere arm heeft hij gebroken. Laatst vroeg Willem mij zijn boterham te smeren. Ik zat aan tafel in de gemeenschappelijke ruimte. Naast mij zat mijn vader. Twee lieve dames en Willem zaten tegenover mij. Verzorging was in geen velden of wegen te bekennen.

                       *

‘Natuurlijk kan ik een boterham smeren!’, zei ik opgewekt. ‘Wat wil je erop?’

Willem wees naar de boter. ‘Smeerkaas’, zei hij. 

‘Hij wil boter en smeerkaas’, legde de lieve dame tegenover mij uit.

‘Wit of bruin?’, vroeg ik.

Willem wees naar de zak met witte boterhammen. Ik pakte er één uit. De boterham hing slap naar beneden als een marionet waarvan de touwtjes plotseling gevierd worden. Boter, smeerkaas en ik sneed de boterham doormidden. ‘Zes stukken’, zei Willem. Ik sneed de boterham in zes stukken. Het mes was bot. Mijn vader naast mij at zijn twee boterhammen: één met kaas, één met jam. 

                         *

‘Je hebt een rustige kamergenoot’, zeg ik tegen mijn vader. Willem puzzelt maar door. Jammer is dat Willems televisie wel erg hard aan staat. 

‘Ja’, zegt mijn vader.

Opeens vliegt de grote deur – waar rolstoelen gemakkelijk doorheen passen – open. Er vliegt hier nooit een deur open. Mijn vader en ik kijken beiden verrast op. Een vrolijke vrouw komt binnen met in haar kielzog vier gehandicapte ouderen. Achter het rijtje sluit een rustige vrouw de deur. 

                        *

‘Ha, Willem!, knipoogt de vrolijke vrouw, ‘ Daar zijn we weer! We komen je halen voor een bakkie koffie.’

‘Hoe vin je mijn jas?’, vraagt een vrouw uit het rijtje. Ze brengt haar gezicht dicht bij dat van mij. Haar gezicht is wit en verkreukeld. Haar dikke lippen zijn vochtig. Smalle oogjes kijken mij wantrouwend aan.

‘Prachtig!’, zeg ik.

Ze doet een stap naar achter, haar bovenlijf helt achterover zodat we de jas goed kunnen zien.

‘Prachtig!’, zeg ik.

                       *

De groep neemt Willem mee. De televisie is uitgezet. De puzzel die bijna af is ligt er een beetje verloren bij. 
‘Zo, het is nu lekker stil, pa!’, zeg ik en we praten. Over de Olympische Spelen die bijna beginnen, over de krant die mijn vader nu gewoon krijgt, over het warme middageten, de kinderen, het werk.

                          *

Na krap een uur komt Willem terug, gevolgd door het rijtje medebewoners en de twee begeleidsters. Weer komt de vrouw uit het rijtje dicht bij mij staan.

‘Hoe heet jij?’ De woorden komen in staccato uit haar mond. Een spuugje hangt aan haar onderlip.

‘Annelie’, antwoord ik.

‘Annelies!?’

‘Nee, Annelie’

De vrouw wordt kwaad. De begeleidster trekt haar mee.

‘Zeg Willem maar gedag!’, roept de vrolijke vrouw, ‘Geef hem maar een high five!’

Een voor een strompelen Willems medebewoners naar hem toe voor een high five met Willems goede hand. Een bewoner vergist zich en geeft een high five aan de vrolijke vrouw. ‘Nee, Willem moet je hebben!’, schatert de vrolijke vrouw, en de gebochelde man schuifelt naar Willem toe voor een high five.

                         *

De vrolijke vrouw sluit met een zwaai het gordijn tussen de kamers in.

‘De voorstelling is afgelopen!’, roept ze. Ik moet lachen. Willems televisie staat weer aan.

                        *

Een kwartier na het intermezzo met het bezoek voor Willem ga ik ook weg. 

‘Je gaat zo het journaal kijken?’, vraag ik mijn vader.

‘Hoe laat is het?’ Mijn vader manoeuvreert zijn rolstoel richting de klok.

‘Bijna acht uur al’, constateert hij.

‘Morgenmiddag kom ik weer’, beloof ik. Mijn vader kijkt op.

‘Ik verheug mij altijd op je komst’, zegt hij.

De treurigheid grijpt mij vast als een spook in een zwarte nacht. Verdriet kruipt in mij als een leger mieren in een omgevallen jampot.

                           *

‘Ik vind het ook altijd leuk je te zien’, zeg ik en ik sluit voorzichtig de deur waar de rolstoelen zo gemakkelijk doorheen passen.

                         ***