De voorstelling

‘Over tien dagen mag ik naar huis.’ Dat zegt mijn vader. Hij draait bij het uitspreken van deze woorden zijn hoofd een beetje weg, hij kijkt mij niet aan.

‘O ja?, vraag ik, ‘Hoe weet je dat?’

‘Gewoon, dat weet ik’, antwoordt mijn vader.

De treurigheid grijpt mij vast als een spook in een zwarte nacht. 

                         *

‘Het moet wel veilig zijn, pa’, zeg ik,’ Ze zijn hier best streng. Je moet zelf in en uit bed kunnen…’

‘Dat kan ik’, zegt mijn vader ferm.

‘Lopen in huis, naar het toilet gaan, wassen, aankleden…’, vervolg ik.

‘Zometeen kan ik dat’, antwoordt mijn vader

Verdriet kruipt in mij als een leger mieren in een omgevallen jampot.

                          *

Door de kier naast het half dichtgetrokken gordijn tussen de twee kamers in zie ik de kamergenoot van mijn vader, Willem. Willem legt de hele dag puzzels met één arm. De andere arm heeft hij gebroken. Laatst vroeg Willem mij zijn boterham te smeren. Ik zat aan tafel in de gemeenschappelijke ruimte. Naast mij zat mijn vader. Twee lieve dames en Willem zaten tegenover mij. Verzorging was in geen velden of wegen te bekennen.

                       *

‘Natuurlijk kan ik een boterham smeren!’, zei ik opgewekt. ‘Wat wil je erop?’

Willem wees naar de boter. ‘Smeerkaas’, zei hij. 

‘Hij wil boter en smeerkaas’, legde de lieve dame tegenover mij uit.

‘Wit of bruin?’, vroeg ik.

Willem wees naar de zak met witte boterhammen. Ik pakte er één uit. De boterham hing slap naar beneden als een marionet waarvan de touwtjes plotseling gevierd worden. Boter, smeerkaas en ik sneed de boterham doormidden. ‘Zes stukken’, zei Willem. Ik sneed de boterham in zes stukken. Het mes was bot. Mijn vader naast mij at zijn twee boterhammen: één met kaas, één met jam. 

                         *

‘Je hebt een rustige kamergenoot’, zeg ik tegen mijn vader. Willem puzzelt maar door. Jammer is dat Willems televisie wel erg hard aan staat. 

‘Ja’, zegt mijn vader.

Opeens vliegt de grote deur – waar rolstoelen gemakkelijk doorheen passen – open. Er vliegt hier nooit een deur open. Mijn vader en ik kijken beiden verrast op. Een vrolijke vrouw komt binnen met in haar kielzog vier gehandicapte ouderen. Achter het rijtje sluit een rustige vrouw de deur. 

                        *

‘Ha, Willem!, knipoogt de vrolijke vrouw, ‘ Daar zijn we weer! We komen je halen voor een bakkie koffie.’

‘Hoe vin je mijn jas?’, vraagt een vrouw uit het rijtje. Ze brengt haar gezicht dicht bij dat van mij. Haar gezicht is wit en verkreukeld. Haar dikke lippen zijn vochtig. Smalle oogjes kijken mij wantrouwend aan.

‘Prachtig!’, zeg ik.

Ze doet een stap naar achter, haar bovenlijf helt achterover zodat we de jas goed kunnen zien.

‘Prachtig!’, zeg ik.

                       *

De groep neemt Willem mee. De televisie is uitgezet. De puzzel die bijna af is ligt er een beetje verloren bij. 
‘Zo, het is nu lekker stil, pa!’, zeg ik en we praten. Over de Olympische Spelen die bijna beginnen, over de krant die mijn vader nu gewoon krijgt, over het warme middageten, de kinderen, het werk.

                          *

Na krap een uur komt Willem terug, gevolgd door het rijtje medebewoners en de twee begeleidsters. Weer komt de vrouw uit het rijtje dicht bij mij staan.

‘Hoe heet jij?’ De woorden komen in staccato uit haar mond. Een spuugje hangt aan haar onderlip.

‘Annelie’, antwoord ik.

‘Annelies!?’

‘Nee, Annelie’

De vrouw wordt kwaad. De begeleidster trekt haar mee.

‘Zeg Willem maar gedag!’, roept de vrolijke vrouw, ‘Geef hem maar een high five!’

Een voor een strompelen Willems medebewoners naar hem toe voor een high five met Willems goede hand. Een bewoner vergist zich en geeft een high five aan de vrolijke vrouw. ‘Nee, Willem moet je hebben!’, schatert de vrolijke vrouw, en de gebochelde man schuifelt naar Willem toe voor een high five.

                         *

De vrolijke vrouw sluit met een zwaai het gordijn tussen de kamers in.

‘De voorstelling is afgelopen!’, roept ze. Ik moet lachen. Willems televisie staat weer aan.

                        *

Een kwartier na het intermezzo met het bezoek voor Willem ga ik ook weg. 

‘Je gaat zo het journaal kijken?’, vraag ik mijn vader.

‘Hoe laat is het?’ Mijn vader manoeuvreert zijn rolstoel richting de klok.

‘Bijna acht uur al’, constateert hij.

‘Morgenmiddag kom ik weer’, beloof ik. Mijn vader kijkt op.

‘Ik verheug mij altijd op je komst’, zegt hij.

De treurigheid grijpt mij vast als een spook in een zwarte nacht. Verdriet kruipt in mij als een leger mieren in een omgevallen jampot.

                           *

‘Ik vind het ook altijd leuk je te zien’, zeg ik en ik sluit voorzichtig de deur waar de rolstoelen zo gemakkelijk doorheen passen.

                         ***

  

  
                        

                           

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s