Zonnetje


In de gang kom ik Willem tegen, de kamergenoot van mijn vader. Hij schuifelt met beide voeten langzaam zijn rolstoel vooruit. Zijn ogen kijken langs mij heen.

‘Ha Willem!’, zeg ik, ‘Weet jij waar mijn vader is?’

Willem schrikt. Hij knippert met zijn ogen, wil spreken, maar de woorden blijven hangen achter zijn lippen. De letters liggen op het puntje van zijn tong, zijn vertrokken gezicht verraadt de inspanning om te zeggen ‘H-h-h-hij i-i-isss op d-d-de w.c.’ De laatste letter sist, het is eruit. 

                         *

‘Dank je wel, dan loop ik weer terug’, antwoord ik en ik loop de gang door, langs de brede deuren, met televisies waar niet naar wordt gekeken, luid aan gezet als onverschillig geluid-behang. Als ik kamer 102 inloop rolt mijn vader met zijn stoel de badkamer uit. 

                           *

‘Wat ben ik blij dat je er bent’, zegt hij. De hartgrondigheid van deze woorden treft mij, nooit sprak mijn vader op deze toon deze woorden. 

‘Het is hier zo stil de hele dag’, zegt mijn vader, ‘Er is niemand.’ En dat is zo. Er is Willem met zijn puzzels, er is verzorging die op-en-neer rent maar ook uren verdwijnt, de bedden en bewoners haastig opgemaakt achterlatend. 

‘Vanochtend ben ik zelf mijn bed maar uitgegaan’, vertelt mijn vader. ‘Het duurt zo lang voor er iemand komt.’

                           *

‘Lukt dat dan?’, vraag ik. ‘Ja, dat lukt’ en hij legt uit hoe hij het bed verlaagt, zijn benen over de rand slaat, de stoel pakt, staat, zich laat zakken. 

‘Gelukkig kan je dat nu’, zeg ik, die niets beters weet te zeggen.

‘Ja, anderen liggen maar te wachten’, vertelt mijn vader triestig. Zijn ogen staan mat. Zijn huid is in plaats van bruin, grijs en grauw. Baardstoppels komen lukraak op als witte sprietjes uit grauwe bollengrond. Mijn altijd verzorgde vader – ik voel zijn frisgeschoren wang tegen mijn kinderwang en ik ruik het vleugje aftershave – zo ging hij naar het werk, iedere dag, zeven uur, glad en fris. 

                           *

En ineens komt het inzicht dat ik afscheid neem van een tijdperk, kind van ouders, kind van een vader te zijn, een wang fris en glad tegen de jouwe. Het onwrikbare van gegevens, zeven uur weg, zes uur thuis, je leven met spelen, school, knikkeren op de harde aarde naast het plein ‘Ik twee bonkies tegen jouw mooitje?’ – begerige ogen gericht op het kleurrijke glas met kringels en diepten als het onbegrijpelijke heelal waarover je las in het boek uit de bibliotheek. 

                          *

‘s Avonds at je thuis, aan de keukentafel, je moeder maakte een overschotel. Papa waste af en dan naar bed. ‘Je kriebelt’, zei je huiverend als hij je welterusten zei met weer die wang, stoppelig nu, tegen de jouwe. En dan expres even heen-en-weer zodat je rilde van dat raspen op jouw wang en daarna slapen met het zand van Klaas Vaak in je ogen.

                           *

‘Zullen we een stukje lopen buiten?’, vraag ik mijn vader. ‘Het is heerlijk weer al waait het wel een beetje.’ Dat wil mijn vader. Samen is het een beetje wurmen met een fleece-vest en daar gaan we.

‘Is het niet te zwaar?’, informeert mijn vader. Het is niet te zwaar.

Eenmaal buiten, lopend naar het park, verdwijnen de stilte, het geluidsbehang en de haastig opgemaakte bedden. Ze maken plaats voor groen, leven en spartelende kinderen in de plas die grenst aan het park.

‘Heerlijk, dat zonnetje’, zegt mijn vader.

                         *

En stap voor stap neem ik afscheid van de tijd en vind ik het zonnetje ook heerlijk.

                          ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s