Avondmaal

Verborgen in rimpels en dekens,

haar vest achterstevoren, een sjaal

hoog om de oren, de haren wild,

lepelt ze traag het kinderontbijt.

                      *

Dokter komt langs, fysio masseert,

personeel verzorgt, tv staat aan,

telefoon, wasmachines draaien,

vloeren worden zingend gedweild.

                           *

Vroeger had ze zich afgekeerd,

kritiek geuit, gevraagd of het niet

wat minder kon. Nu zit ze stil,

geniet van brinta met slagroom.

‘Ontbijt’ van Peter Swanborn uit ‘Tot ook ik verwaai’

                          *

‘Zal ik een ontbijtkoekje voor u smeren? Lekker met boter?’ 
De tafelgenote van mijn vader kijkt mij vragend aan. Haar blauwe ogen zijn lieve knikkers, doorzichtig en bollig met gesprongen adertjes als rode riviertjes kronkelend in glas.

‘Nee, dank u wel’, zeg ik, ‘Ik eet zo thuis.’

‘Dat zou ik ook wel willen’, bromt de dame die naast mij zit; zij is gezet, jonger dan de anderen en onder haar wijde jurk vallen de lagen vet naar beneden. Zij hangt in haar rolstoel. Onverschillig smeert zij met grote halen twee beschuiten met dik boter en smeerkaas. Twee lagen, wit en roomwit als een verse laag sneeuw op de oude. Zij hapt snel de beschuiten weg. Na een krentenbrood, twee bruine boterhammen en een glas thee rolt zij voortvarend haar stoel uit de gemeenschappelijke ruimte. ‘Mijn dochter zal er al zijn’, mompelt ze en weg is ze.

                         *

‘Mijn dochter komt ook zo’, zegt de vrouw met de knikkerogen zachtjes. Naast mij eet de meest fragiele dame van het nu opeens vierkoppige gezelschap lepel voor lepel haar warme pap. ‘Mevrouw van Beuningen, u gaat de verkeerde kant uit!’, krijgt zij elke dag te horen. Onzeker wankelt mevrouw van Beuningen met haar rollator door de gang van de eerste verdieping. Zij kiest altijd de verkeerde richting, de verkeerde ruimte.

                        *

‘Nee, hier is het nog niet!’, wijst mijn vader, die vorstelijk in zijn rolstoel achter haar aanrijdt, haar terecht. Mevrouw van Beuningen liep bijna andermans kamer binnen.

‘Dat doet ze elke dag’, zegt mijn vader met Iichte minachting. ‘Ze weet de weg niet meer.’

                        *

Mevrouw van Beuningen is een dame die je het liefste in een doosje wil doen. Als je naar haar kijkt lacht ze de lach van lieve, oude mensen. Haar grote ogen vragen om koestering, liefde, ze zijn als babyogen die zich naar je toetrekken of je wil of niet. Ze zegt niet veel, mevrouw van Beuningen. Ze eet en lacht. Als ik haar rollator wat opzij schuif om mijn vaders brede rolstoel er langs te laten schuift zij hem verder weg om nog meer ruimte te maken. Als ik even later tegen mijn vader zeg dat ik haar wil meenemen, thuis wil neerzetten en naar haar ga kijken, de hele dag, als ik haar uit het doosje gehaald heb, kijkt hij mij aan als een man die zich afvraagt of ik wel zijn kind ben, zijn dochter. Hij lacht flauwtjes.

                        *

‘Heb je nog fysiotherapie gehad?’, vraag ik mijn vader. Converseren aan deze tafel is niet gemakkelijk. Mijn vader is verdiept in zijn boterhammen. Een met kaas, een met jam. ‘Hij neemt altijd kaas’, zegt zijn buurvrouw met de knikker-ogen en zij kijkt naar mij. ‘Hij eet er altijd goed van, hoor!’ En ook zij buigt zich over haar brood. Er zit nog niets op. 

                        *

‘Wilt u dit beleg op uw brood?’, vraagt de nieuwe kamergenoot van mijn vader terwijl hij een pakje gebraden gehakt omhoog houdt; de vijfentachtigjarige is thuis gevallen van de kruk waarop hij ging staan omdat hij wilde kijken of zijn klok op die plek tegen de wand goed zou staan. Hij brak bij zijn val een paar ribben. Mijn vaders kamergenoot is een vriendelijke babbelaar. Zijn vrouw woont beneden in dit verzorgingshuis in het Molenhofje. De lieflijke naam herbergt de demente ouderen die achter slot en grendel zitten. Dagelijks loop ik voorbij de deur waarop in kapitalen staat ‘NIET OPENMAKEN VOOR BEWONERS VAN HET MOLENHOFJE!’ Soms kijken een paar oude ogen je aan, achter dat glas met zwarte draadjes. Maar IK MAAK DE DEUR NIET OPEN.

                        *

‘Ja, ik ben aan het denken’, zegt de knikkerogen-vrouw. ‘Wat zal ik eens nemen?’ Mijn vader houdt het plastic pakje met kaasplakjes omhoog. Maar dat wil ze niet.

‘Wilt u misschien de vruchtenhagel?’, vraag ik en ik houd het pak omhoog. De vorige keer dat ik er was nam zij vruchtenhagel. 

‘Ja, dat vind ik lekker!’, straalt de vrouw. Ik geef het pak aan mijn vader, hij geeft het door aan zijn buurvrouw.

                         *

Mijn vader is uitgegeten. Hij maakt geen aanstalten naar zijn kamer te gaan, nipt rustig aan zijn mok met thee. Ik wacht. De conversatie stokt.

‘Smaakte het goed?’, vraag ik mijn buurvrouw die haar pap op heeft. Zij heeft benen als stokjes. Ik zie onder de tafel dat zij vaalgele sokjes draagt onder een wijde driekwart broek. Plompe, zwarte schoenen hangen ietsje boven de vloer: ze is klein en fragiel, zo fragiel dat – als je blaast – ze wegwaait als een pluisje in de wind. 

                           *

De dame lacht vriendelijk naar mij maar ze geeft geen antwoord. Ik denk weer aan dat doosje waar ik haar in doe, voorzichtig uit haal, neerzet en dan naar haar ga kijken.

                         *

Mijn vader komt opeens in beweging. Hij rolt zijn stoel naar achteren, manoeuvreert langs de fragiele dame die hoffelijk haar rollator weer veel te ver wegschuift. 

‘Ik kan er wel langs’, zegt mijn vader. 

Ik sta op. ‘Fijne avond allemaal!’, zeg ik. Drie paar oude ogen kijken mij aan. 
‘Dank u’, zeggen ze, ‘U ook.’

                          *

Ik pak de duwstangen van mijn vaders rolstoel en ik zeg dat hij zijn voeten goed omhoog moet houden. Langzaam rijd ik hem de lange gang door. Ik parkeer mijn vader in de rolstoel bij zijn driehoekige tafeltje. Op het tafeltje liggen zijn pillen, een glas water, een stapel kranten.

                          *

‘Het zijn lange dagen’, zegt hij, ‘Het is hier vreselijk saai.’

Ik vraag of ik de televisie voor hem aan moet zetten. 

‘Ja, doe maar’, antwoordt hij. Ik zet de televisie aan.

‘Morgen kom ik na het sporten, maar ik moet ook naar Julia’s huis. Misschien kom ik ‘s middags, als dat niet lukt ben ik er ‘s avonds.

‘Kom maar ‘s middags’, zegt mijn vader.

‘Waarom?’, vraag ik verbaasd.

‘Dan ben je er vanaf’,  antwoordt mijn vader.

                         ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s