Axioma


En toen was de kogel door de kerk. De woorden liggen in ons midden te gloeien als hete, van de barbecue gevallen kooltjes. Ik raap ze niet op. Mijn vader ook niet. Dus doet de psychologe het. ‘Mijn advies is dat u niet naar huis kan’, herhaalt zij. Nu hangen negen woorden als langzaam opstijgende, gekleurde ballonnetjes boven de grenen tafel waaraan wij zitten, mijn vader, de psychologe en ik. Na veel woorden over testen waarop mijn vader zo zijn best had gedaan, zijn onbetwiste intelligentie, gaten in het geheugen en hiaten in de ‘verdeelde aandacht’ die van invloed zijn op het plannen en organiseren is het duidelijk. Mijn vader gaat niet naar huis. Nooit meer.

                         *

De dag ervoor had mijn vader een stokoude vriendin aan de telefoon: ‘O nee, ik ga binnenkort hier weg’, hoorde ik hem met veel aplomb zeggen. Het weerwoord van de vriendin kon ik niet horen. ‘Ja, het lopen gaat prima’, vertelde mijn vader aan de stokoude vriendin die daarop háár verhaal vertelde over haar knie die binnenkort vervangen ging worden door een speciale specialist want op haar leeftijd…’ Haar verhaal kabbelde door, ik kon het niet horen maar ik begreep dat er niet snel een einde aan kwam. Ik zat naast mijn vader en ik keek hem aan, mijn vader die alles wat hij net gedaan had vergat, al wekenlang nauwelijks omhoog kon komen uit zijn rolstoel en bekaf was van een bezoekje aan de w.c., vijf meter verderop.

                         *

‘Wat voelt u nu?’, hoor ik de psychologe vragen, ‘Bent u verdrietig, boos?’ Ze kijkt mijn vader aan. Met haar vriendelijke, zachte stem bracht zij de harde boodschap. Het profiel van mijn vader steekt af tegen de witte muur van het kleine kamertje waarin wij zitten. Ik zie vanaf de zijkant zijn oog, een bruine driehoek met een rood randje van het wrijven dat hij telkens doet. Wordt zijn oog nat? Mijn vader brengt zijn rechterhand naar zijn hoofd alsof hij hoofdpijn heeft. Dit doet hij de afgelopen weken steeds vaker. Mijn vader vecht tegen…, ja, ik zie het, tegen verdriet. En ik denk ‘Als hij gaat huilen moet ik ook.’ Mijn neus prikt. Maar wij huilen niet. Wij blijven zitten, aan tafel, met de aardige psychologe.

                         *

‘Wat vindt u ervan?’, vraagt ze mijn vader. 

‘Ik vind het theorie, een axioma’, antwoordt mijn vader.

Ik vraag mij af wat een axioma is en mijn neus prikt al wat minder. Daar is hij weer, de vechtersbaas die ‘binnenkort naar huis gaat en uitstekend loopt’ met zijn twee – met ijzer bepinde – heupen.

‘U vindt het theorie?’, herhaalt de psychologe.

‘Ja, dat is gewoon theorie, de praktijk zal uitwijzen of het gaat of niet.’ Mijn vader herwint zijn stelligheid.

‘U bedoelt thuis wonen?’, vraagt de psychologe.

‘Ja’, zegt mijn vader.

                          *

‘Maar pa’, zeg ik. ‘Als het advies luidt om niet naar huis te gaan omdat het niet veilig is hoe is dat dan voor ons? Ik kan niet de hele dag bij je zijn en Bart ook niet. Wat gebeurt er als je direct hulp nodig hebt? Ik doe er een half uur over om bij je te komen. En ik kan niet altijd zomaar weg.’ Ik gebruik nog meer woorden. Ik weet niet meer welke. Mijn vader kijkt mij aan met zijn ene roodomrande oog en het andere bruin – donkerbruin – en zijn gezicht wordt zacht als was. God, wat gaat hij op mijn oma lijken. ‘Nee, dan is het goed’, zegt hij zachtjes.

                        *

‘Wat vindt u goed?’, vraagt de psychologe.

‘Dat ik niet naar huis ga.’

Mijn ogen vullen zich met tranen. Zijn ergste nachtmerrie wordt bewaarheid: niet meer naar huis, oud, vergeetachtig en hulpbehoevend worden. 

‘Zij is al gaan kijken’, zegt mijn vader. Hij kijkt van mij naar de psychologe. 

Zij kijkt naar mij.

‘Ja, ik ben al naar de Heemhaven geweest. Ik wilde kijken of dat misschien iets voor hem is. In ieder geval heeft hij daar een eigen ruimte. Met een keukentje en een badkamer. Hij kan daar t.v. kijken, computeren en beneden kan hij met anderen zijn. Er is een grote tuin.’ Ik som alle heerlijkheden van het zorgcentrum in de buurt op. Mijn vader zegt niets.

                        *

‘Ik begrijp dat dit een zware boodschap is’, eindigt de psychologe het gesprek. ‘U kunt het het beste even laten bezinken.’ En dat doen we. Ik rol mijn vader naar het terras van het revalidatie-centrum met de oranje, groene en blauwe stoelen van hard en koud plastic. ‘Wil je wat drinken?’, vraag ik en dat wil hij. We drinken samen voorzichtig de bloedhete thee aan een kale, plastic tafel. De zon blijft maar schijnen.

                         *

We praten niet. We kijken naar de kastanjeboom waar bolsters aan groeien: groene stekelvarkens. Over een tijdje vallen daar fluweelzachte kastanjes uit die ik vroeger zocht in het bos met mijn huppelende kinderen naast mij, achter mij, voor mij. Twee plastic zakken vol met kastanjes. Van een paar maakten we een spinnenweb en wat wiebelende poppetjes. Daarna teerden de kastanjes weg in de zak tot ze rimpelig en droog werden. Ik zie de arm van mijn vader op de leuning van zijn rolstoel: rimpelig en droog. 

                          *

Thuis zoek ik op: ‘Een axioma (of postulaat) is in de wiskunde en logica sinds Euclides en Aristoteles een niet bewezen, maar als grondslag aanvaarde bewering. Een axioma dient zelf als grondslag voor het bewijs van andere stellingen. Een axioma maakt deel uit van een deductief systeem. In de wiskundige logica heet een deductief systeem een theorie.’

                          *

Right.
                        ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s