De wandeling

Zo nu en dan doen wij wat leuks. Zelf kom ik niet verder dan een goede film of lekker uit eten. Mijn man is origineler. Hij regelde een half jaar geleden een Ciske de Rat-wandeling. En nu is het zover. De wandeling start bij het Centraal Station in Amsterdam en staat onder leiding van gids Daan.
                     *

Als wij om 10.00 uur aan komen lopen staat het groepje wandelaars al klaar op de afgesproken plek voor het station. Twee oudere dames en een echtpaar met hun zoon van een jaar of 11. Daan start monter met de tocht. Wij lopen en lopen en we zien dat Amsterdam wordt belaagd door toeristen met rolkoffers.  

                        *

Ratelend als mijn vroegere rolschaatsen met loden wieltjes stuiteren de koffertjes over de keien: roze, grijze, zwarte, grote en kleine rolkoffers. Een andere plaag zijn de wietwolken die opstijgen uit shops op iedere hoek van de straat. Zoet- weeïge vlagen dringen mijn neusgaten in. Groepjes rondzwervende mannen maken het beeld van onze hoofdstad compleet: getatoeëerde Engelsen, ze lachen, slaan elkaar op de schouders en drinken om 10.30 uur ‘s ochtends potjes bier. ‘s Avonds zal daar nog meer bier, gelal en hoeren-begluren bij komen kijken, denk ik, gok ik zo. Holy moly.

                           *

Intussen volgen wij Daan. Hij wijst ons op Het Kolkje, waar de film uit 1955 begint met Ciske, zittend op de ijzeren reling voor het water. We staan even stil bij de ‘Strijk-en-waschinrichting’ van de lieve tante Jans en het huis in de jaren-vijftig-film van de vreselijke moeder die Ciske vermoordde. En in de Czaar Peter-buurt staat de school van Ciske uit de jaren-tachtig-film. 

                         *

Op de Magere Brug zingt gids Daan een lied uit de film met Danny de Munck. Of uit de musical. Ik staar – met mijn handen diep in de zakken van mijn jas – over het water richting de Stopera. Ik voel me lichtelijk gegeneerd terwijl Daan uit volle borst zingt: ‘Amsterdam, is poep op de stoep, haat in de straat…‘ Een aantal toeristen kijkt verbaasd-geamuseerd naar ons, groepje van zeven, dat de Ciske de Rat-wandeling doet. In mijn jaszak trilt opeens mijn telefoon. ‘Straks even kijken’, denk ik. Na het lied.

                          *

Als het lied gezongen is lopen we verder. De stad ligt intussen in de zon zo mooi te zijn dat het pijn doet aan mijn ogen. Holy moly. 
Ik haal de telefoon uit mijn jaszak en ik lees een bericht dat gaat over Trix, de stokoude vriendin van mijn vader met de onlangs geopereerde knie. Zij kwam twee weken geleden bij mijn vader langs met Indische ontbijtkoek: ‘Heerlijke koek! Neem vooral!’, zei mijn vader twee weken lang tegen mij. De koek – liefdevol door Trix in kleine plakjes gesneden – raakte maar niet op. 

                         *

De 92-jarige Trix werd vorige week opgenomen in een Gelders ziekenhuis met onbegrijpelijke maagklachten. Ik schreef een kaart, nam deze mee naar mijn vader en ik vroeg of hij ook een zinnetje wilde schrijven. ‘Het gaat niet goed met Trix’, vertelde ik. ‘Ze vindt het fantastisch als we haar een kaart sturen.’ Mijn vader tekende letter voor letter een paar beverige woordjes. Toen hij klaar was vroeg ik: ‘Zet je je naam er niet onder?’ 

‘O ja’, zei mijn vader. Hij keek mij aan. 

‘Ad’, zei ik, ‘A…D.’ En mijn vader tekende A…D. Nu stond er, bibberig en nauwelijks leesbaar: ‘Liefs, Ad.’

                         *

We lopen achter Daan aan, richting Artis. En ik lees op mijn telefoon:
Dag Annelie, ik wil je laten weten dat Trix rustig in het stadium van palliatieve sedatie is beland, dus geen contact  meer. Maar vooral dat jullie kaart op tijd kwam, dat ze er zo blij mee was en zeg je vader dat ze van oor tot oor glimlachte bij zijn boodschap. Ze wilde geen verdere behandeling meer. We hebben sterk de indruk dat ze na hun ontmoeting de rust had hiervoor te kiezen.’

                         *

Ooit paste vrijgezelle Trix belangeloos op onze kinderen. Ooit was zij haar grote liefde tegengekomen. Dat gebeurde zo’n twintig jaar geleden en haar grote liefde was mijn vader. Hij wilde wel wat vriendschap. Mondjesmaat gaf hij toe aan Trix’ vragen en uitnodigingen voor uitstapjes. Liefde, nee, dat voelde hij niet voor haar. En nu is alles over en uit. De koek is op. 

                         *

En ik loop en loop over de prachtige grachten, ik zie de pakhuizen, ik ruik Artis en ik denk aan Trix, mijn vader, aan oude mensen en al die dingen die voorbij gaan. 

                          *

Voor het huis in de Czaar Peterstraat waar Ciske woonde in de jaren tachtig-film zingt Daan een laatste lied:

Misschien dat ik ooit het geluk nog vind

Maar hoe, dat is een groot probleem

Had ik maar iemand om van te houden

Twee zachte armen om me heen

Die mij altijd beschermen zouden

Ik voel me zo verdomd alleen

                        *

Vaarwel Trix. Vaarwel.

                      ***

Tonio

Na een slopende opruimdag in het huis van mijn vader zet ik wat foto’s van het dressoir dat mijn ouders ooit kochten – het was een rib uit hun lijf eind jaren ’50 – op Marktplaats. Het bruine, houten dressoir met de glanzende greepjes die zo mooi een rechthoekje vormen als de kastjes en laatjes gesloten zijn. Het dressoir is nog ouder dan ik. 
                         *

Ik zie de foto van mij, jarige Job, trots en blij met mijn buik vooruit en een papieren kroon op het hoofd. ‘Drie jaar!’ staat op de rand van de kroon. Ik draag hetzelfde bloesje als de pop achter mij, Tonio. Mijn moeder kleedde Tonio aan zoals ze mij aankleedde: een rood-wit geblokte bloes met paarlemoeren knoopjes, een kobaltblauwe tuinbroek van ribbeltjes stof. Alle kleertjes gemaakt door de vaardige handen van mijn moeder. Slanke, handige handen. Ik was Tonio, Tonio was mij. 

                         *

Ik sta op de foto voor het donkerbruine dressoir. Achter mij staan mijn cadeautjes: Tonio, een bromtol en…Ik graaf in mijn geheugen: wat stond er nog meer? Maar het enige dat ik zie is mijn gelukkige gezichtje, glimmend van blijdschap. Drie jaar! 

                         *

Het beetje speuren naar een bedrag voor het oude dressoir leverde niets op dus ik doe maar wat. Ik plaats drie foto’s bij de advertentie: ‘Mooi en gaaf dressoir van Pastoe’ en ik wacht af. Binnen een minuut gaat mijn telefoon:

‘Ik zie dat u een dressoir van Pastoe te koop heeft. Ik wil dat graag kopen, u krijgt de vraagprijs van mij.’ Ik wimpel de man – die stevig aandringt – af. Bieden moeten ze. Zo werkt dat toch op Marktplaats? 

‘Ik wacht nog even af’, zeg ik, ‘De advertentie staat er nog geen minuut op.’ De man geeft niet op maar ik heb er genoeg van en ik noteer zijn nummer. ‘U belt mij wel terug?!’, dringt de man aan, ‘Ik wil het dressoir graag van u kopen.’ Ik beloof terug te bellen. 

                         *

Zodra het gesprek is afgelopen belt de volgende en de volgende. Ik word sufgebeld over het dressoir en ik ruik onraad. Heb ik het verkeerd ingeschat? Vraag ik te weinig? Ik speur tussen de telefoontjes door op internet naar dressoirs van Pastoe. Het dressoir is ontworpen door Cees Braakman en behoort tot de Japanse serie. Het zegt mij niets. En weer gaat de telefoon.

‘Waarom zet je dan ook je telefoonnummer op Marktplaats?’ informeert mijn echtgenoot narrig. 

‘Dat doe ik altijd’, antwoord ik. 

‘Heel onverstandig’, mompelt de narrige en hij duikt weg in de voorkamer om muziek te luisteren, dan hoort hij mijn telefoon niet meer. 

                          *

Na een uur haal ik de advertentie weg. Ik word gek van het gebel. En ik ben er inmiddels achter dat het dressoir met de zwart-glanzende greepjes een collector’s item is en tenminste drie keer zoveel waard is als mijn vraagprijs.

                        *

Met in mijn achterhoofd Tonio en de verjaardagskroon bel ik mijn dochter. ‘Jij hebt zeker geen plaats he, voor het dressoir van opa?’ En ik vertel over het dressoir van Pastoe (Japanse serie), de waarde en het gebel. 

‘Mam, nee, dat krijgen we niet hier naar boven,’ zegt ze. ‘En’, vervolgt ze spijtig, ‘Het is ook echt te groot voor deze ruimte.’ En dat is zo. De zolderetage is mooi en licht maar het dressoir is 2.20 meter breed. Nee, dat gaat niet. Ik zucht en kijk naar ons eigen dressoir. Ooit kochten wij dat bij De Kasstoor in Amsterdam, een rib uit ons nog jonge lijf. Maar ik ben gehecht aan dit dressoir. Het dressoir waar de cadeautjes van onze kinderen op stonden, het dressoir waarop het buffet van ons kerstdiner werd uitgestald, waar de glazen, salades en lekkere hapjes op staan bij feesten en partijen. Ons dressoir.

                           *

En ik bel met Visavu dat retro design meubelen verkoopt. ‘Ik heb zeker belangstelling voor het dressoir!’ zegt Judith van Visavu enthousiast en ze biedt een mooi bedrag. Ik weet dat ze meer zal krijgen voor het dressoir nadat ze het alleen maar even wat oppoetst met een beetje teak-olie. Maar het kan me niet schelen.

                           *

Ik verkoop het bruine dressoir met de zwartglanzende greepjes die zo mooi een rechthoekje vormen als de kastjes en laatjes gesloten zijn en hiermee verkoop ik mijn jeugd, mijn van blijdschap glimmende gezichtje, Tonio, de kleertjes die mijn moeder maakte met haar slanke, blanke vingers. Vaarwel Tonio, vaarwel driejarige, vaarwel vroeger. En bijna laat ik een traantje. Bijna. 

                        ***

Voltooid leven


Ik spreek niet met mijn vader over het voltooide leven waar de kranten vol mee staan en het journaal mee opende. De ideeën van de liberalen over het verruimen van de euthanasie-wet bepaalden deze week het nieuws. Stoppen met leven zodra het voltooid is.
                          *

Ik zag op het journaal een dame van 91 jaar met haar hondje. Zij vertelde dat zij klaar was met haar leven. ‘Ik vind het niks meer.’ Haar kinderen zijn het er niet mee eens dat hun moeder het leven als voltooid beschouwt. ‘Maar zij gaan weer door met hun leven nadat ze hier geweest zijn’, zei de dame, ‘Zij werken, verzorgen de kinderen…’ Ik keek naar het hondje. Hij vleide zijn kop liefdevol tegen het linkerbeen van zijn vrouwtje aan. 

                       *

En opeens weet ik het niet meer. Ik weet wel dat de dame met haar voltooide leven en verongelijkte toon mij tegenstaat. Wat nou voltooid als je zelfstandig door je huis kan lopen, in de serre kan zitten, koffie kan zetten, de krant kan lezen, je kinderen van je houden en je hond zich liefdevol tegen je aan vleit?

                        *

Wanneer is het leven voltooid? 

                        *

Ik loop de gang in van het verzorgingshuis en ik tref mijn vader niet aan in zijn kamer. De plastic tas met gewassen kleding zet ik op zijn bed dat keurig opgemaakt is. De NCRV-gids op het tafeltje ligt open bij een kruiswoordraadsel. Beverige letters in hokjes.

                          *

Als ik de gang inloop kom ik Judith tegen, de jonge regelaar en verzorgster van de revalidatie-afdeling. ‘Je vader zit daar!’, zegt ze vrolijk en ze wijst naar het middenstuk waar de ovale tafel staat en de kast met grote-letter boeken. 

                          *

Mijn vader zit aan de ovale tafel in zijn rolstoel. Naast hem zoemt een zuurstofapparaat. In zijn neus zitten twee plastic klemmetjes. 

Het is koffietijd. Een doos met allerhande koekjes staat uitnodigend open op tafel. ‘He, hallo!’, zeg ik en ik buig me voorover om hem een kus te geven. Hij roept hard ‘Au!’, lacht en kijkt om zich heen. ‘Wat ben je koud!’, roept hij. Ik beaam dat het koud is maar zeg direct dat het wel lekker weer is: ‘Het zonnetje schijnt’, meld ik terwijl ik ondertussen mijn jas uittrek. 

                         *

Ik zit nog niet op mijn stoel of de dame naast mij vraagt of ik koffie wil. ‘Lekker!’, antwoord ik. Tegenover mij zit een man die mij vriendelijk toeknikt. Ik zag hem al eens mijn vader gedag zeggen, beneden in het restaurant. Hij sloeg mijn vader daarbij zachtjes op zijn schouder. 

                           *

Ik kijk mijn vader aan. ‘Je ziet er goed uit!’, zeg ik. Na twee weken van hollende achteruitgang heeft mijn vader weer wat kleur in zijn gezicht, de holle en afwezige blik is uit zijn ogen verdwenen. Zijn huid is glad en strak. Zijn ogen staan helder. 

                            *

‘Wil je melk en suiker?’ Ik concentreer me weer even op mijn koffie. Mijn vader reikt mij de suiker aan, de dame rechts van mij de melk. ‘Ik zal mij even voorstellen’, zeg ik, ik sta op en ik geef de beide tafelgenoten van mijn vader een hand. 

                             *

De conversatie stokt. Ik vraag aan de tafelgenoten of ze hier allang wonen. Ze wonen hier allang. De schouderkloppende man zegt zacht: ‘Ik ben pas zeventig. Ik ben hier gebleven nadat mijn vrouw was overleden.’ De dame naast mij zegt lachend dat ze nog heel erg jong is en blijft want ‘Ik heet mevrouw de Jong!’ Zij lacht hard, wij lachen mee. De twee bejaarden-oude-stijl wonen in een twee-kamer appartement tegenover de revalidatie-kamers. ‘Het is een heel ruime kamer en we hebben een keukentje’, vertelt de vrouw. De man tegenover mij knikt instemmend. Als ik vraag of ze zelf koken zeggen beiden dat ze altijd beneden in het restaurant eten. ‘Lekker makkelijk.’

                           *

Ik kijk naar mijn vader. Tot drie maanden geleden kookte hij iedere dag zelf. Vol trots tilde hij wekelijks de deksels van de pannetjes op en liet mij zijn  zelfgemaakte paella zien. ‘Daar doe ik drie dagen mee!’ En ik bewonderde de paella, gruwend van de gedachte aan drie-dagen-oude garnalen.

                            *

Toen hij gevallen was op die zomerse maandagmiddag waren de voorbereidingen voor het avond-eten in volle gang. ‘Nemen jullie het eten mee naar huis?’ vroeg mijn vader, liggend op de grond met zijn been in een rare kronkel en zijn hoofd licht voorover geknakt tegen de keukenplint aan. De ijskastdeur stond half open. ‘Ik viel toen ik er iets uit pakte’, verklaarde hij met een van pijn vertrokken gezicht. 

Nu geniet hij van het eten in het verzorgingshuis. ‘Het is hier allemaal even lekker!’ Klokslag twaalf en vijf uur rolt hij naar de maaltijden toe. Bezoek of geen bezoek. 

                           *

‘Morgen komt Trix’, zeg ik tegen mijn vader. Trix is een stokoude kennis van mijn vader die net aan haar knie geopereerd is. Zij woont in Gelderland. ‘Zij regelde met kennissen vervoer naar jou toe. Ze komt om twee uur.’ De inmiddels 92-jarige Trix hengelt al meer dan vijftien jaar achter mijn vader aan. Maar hij geeft geen sjoege. Nu komt ze helemaal uit het oosten des lands op bezoek. ‘Ik wil hem zo graag nog eens zien!’, zei ze tegen mij door de telefoon. ‘Vind je het leuk dat Trix komt?’, vraag ik vilein. 

‘Nee’, zegt mijn vader.

                                *

Na de koffie rol ik mijn vader naar zijn kamer. ‘We moeten nog je levensverhaal opschrijven pa’, zeg ik. De clientbegeleider vroeg mij vorige week om het levensverhaal van mijn vader. ‘Dat leest de verzorging, ze hebben dan wat aanknopingspunten bij de verzorging van de cliënten, vooral als het geheugen wat minder wordt.’ Ik vind het een sympathiek idee. Ik stel de vragen die op het stencil van de clientbegeleider staan en schrijf terwijl mijn vader vertelt. Als het tijd is om te gaan zijn we beland bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. ‘En toen vond je je ouders in Indie, toch?’ is mijn laatste vraag.

                              *

Mijn vader knikt instemmend. ‘Volgende keer gaan we verder’, beloof ik en ik trek mijn jas aan.

‘Tot zondag!’, zeg ik en ik kus hem op zijn wang. 

                            *

Ik zwaai naar de 94-jarige. De grijze zuurstof-machine zoemt maar door als een bijenkast vol nijvere bijtjes. Zuurstof vloeit als nectar zijn neus in via het plastic slangetje. ‘Dahag!’, roep ik nog een keer. Hij zwaait. Zijn kruiswoordraadsel ligt open voor hem op tafel.

                            *

Wanneer is het leven voltooid? 

Ik moet het hem toch eens vragen.

                          ***

Verdwijnen

HERFST

De bomen roesten in het zieke licht

langs somber in zichzelf gekeerde grachten.

In wilde, stormdoorvlaagde regennachten

vertoont de maan een bleek, behuild gezicht
                          *

boven de lege straten, smalle schachten

waar in een onverbiddelijk gericht

de zomer langzaam voor het najaar zwicht,

terwijl de huizen op het einde wachten.

                         *

Tegen de morgen is de strijd beslecht.

Een vage geur van heimelijk bederven

heeft aan de moede wind zich vastgehecht.

                         *

Tussen een handvol dunne zonnescherven

heeft zich de zomer moeizaam neergelegd

om eenzaam en onopgemerkt te sterven.

                         ***

Hanny Michaelis (1922-2007)

Mijn vader verdwijnt. Zijn rolstoel groeit om hem heen als de hedera om onze schuttingpalen. Mijn vader verdwijnt in skai en staal. 

                        *

Vandaag draagt mijn vader zijn bordeaux-rode fleecetrui. De dieprode kleur past bij zijn getinte huid. Zo nu en dan zit hij in de zon op het balkon van het verzorgingshuis. Als een feniks herrijst mijn vader uit het woud van lukraak neergezette plastic stoelen met natte zittingen. Op het oranje balkontafeltje staat een asbak met peuken van alsmaar rokende verzorgers. Ook de asbak is nat. Peuken drijven als dode larven rond in regenwater.

                          *

‘Heerlijk, de zon’, zegt mijn vader daar op het balkon. En ik zie zijn huid langzaam kleuren. Rode wangen, een lichtbruine teint.

                          *

Toen ik zojuist zijn kamer binnenliep was hij weggedut. Zijn hoofd hangt licht voorover. De televisie staat aan.

                           *

Ik maak een beetje herrie, leg de post op zijn tafeltje, ritsel met de tas. Hij wordt wakker en kijkt op. ‘He, ben jij er?’, zegt hij.

‘Ja, zit je lekker televisie te kijken?’

Beiden weten we dat hij sliep. Maar dat is geen onderwerp van gesprek.

                           *

Na prietpraat en wat stiltes tussendoor heeft mijn vader opeens een verhaal. ‘Er was me een consternatie gisteren’, vertelt hij. ‘Iedereen was maar druk met mij. Ik kreeg zuurstof, mijn bloeddruk werd opgemeten, het was me wat.’ 

‘O ja, wat was er dan?’, vraag ik.

‘O, niks, er was niks’, antwoordt mijn vader.

                           *

Na enig doorzeuren kom ik erachter dat hij benauwd was. ‘Ik merkte er niets van’, zegt mijn vader. ‘Maar wat een consternatie…’ Hij lacht flauwtjes. Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Is het stoerigheid? Heeft hij echt geen last?  

                           *

Ik zit op zijn bed. Achter mij staat de televisie aan. Mijn vader zit voor mij en kijkt langs mij heen naar de beelden op t.v. 

                           *

‘Ik nam je schapenwollen deken mee’, zeg ik. ‘Je had het toch zo koud?’ Ik sta op en peuter de hoes open waar de deken in zit. De nooit-gebruikte deken liet hij zich ooit aansmeren door een gladde verkoper tijdens een senioren-uitje. Als ik de deken uit de hoes haal scheurt de hoes uit bij de rits. ‘Zonde’, zegt mijn vader.

‘Dat ding lag half te vergaan bovenop je kast pa’, zeg ik, ‘Geen wonder dat de hoes stuk gaat.’ Ik vlei de zachte deken op zijn bed. ‘Lekker toch?’, zeg ik en ik kijk hem aan.

‘Ja, hoor, lekker’, zegt hij. 

                            *

Mijn vader verdwijnt. Zijn gezicht verandert van glad en zacht naar dof en ingevallen. Zijn lichaam trekt zich samen als een in elkaar geduwde harmonica. Er komt geen muziek meer uit. Het stemt mij droevig.

                          *

‘Ik heb deze week nog gebeld met de Molenburg’, vertel ik. ‘De trajectbegeleidster gaf aan dat hier nog geen vaste kamer vrij is. In de Heemhaven is de wachttijd voor een kamer nog steeds zes tot negen maanden.’ Mijn vader reageert niet. ‘Het zou zo fijn zijn als we een kamer voor je kunnen inrichten met je eigen spullen.’ Ik praat tegen mijzelf. Ík zou het fijn vinden als hij tussen zijn eigen spullen leefde. Zijn eigen stoel, het tafeltje, de foto’s van zijn kleinkinderen, zijn Apple, het schilderijtje van de dessa. ‘Ik liep vorige week ook langs bij de client-begeleider van de Molenburg. Dinsdag komt hij met jou kennis maken. Misschien kan hij wat betekenen.’ Ík geloof er in. 

                          *

Mijn vader kijkt langs mij heen naar de beelden op t.v. Bijna is hij verdwenen in skai en staal. 

                         ***

Zen 


In de krant lees ik de uitspraak: ‘De wereld zou er beter uitzien als de mensen eens wat vaker de handen in de mouwen zouden houden.’ Ik lees verder. Met in mijn achterhoofd de uitspraak. Ik blader terug. Floor Rieder, jeugdboeken-illustrator, haalt de uitspraak aan. Midas Dekkers sprak hem uit. 

                                 *

Zowel Floor als Midas zijn liefhebbers van poezen. Ik kijk naar rechts. Onder het raam van de schuifpui ligt onze kat Moos. Het is zoals Floor zegt: ‘Een kat (…) heeft geen ambities. Die wil zijn brokjes en af en toe even knuffelen (…) Daar kunnen wij wat van leren.’ Moos voldoet volledig aan deze kwalificatie. Kijk nou, hoe hij ligt: volkomen zen. 

                           *

Ik kijk naar mijzelf: in mijn fleece joggingpak aan de tafel met drie kranten. Deze moet ik doorlezen voordat mijn man terugkeert van bootcamp, mijn zoon naar beneden komt. Ik moet een blog schrijven – minimaal een per week moet toch mogelijk zijn – en vanmiddag bezoek ik mijn vader. 

                             *

Daarna ruim ik mijn vaders flat op. Hij kan niet meer naar huis. Ik gooide gisteren de aangebroken ketjap-fles weg, de olijfolie, de bloemkoolsaus in het pakje, het pak basterdsuiker met de wasknijper. Zijn ijskast staat al maanden open met vaatdoeken op iedere plank zodat de deur niet dichtvalt. Dan gaat de ijskast stinken. Net zoals het doucheputje dat al maanden een rioollucht door het huis verspreidt. Over de stoelleuning van de stoel achter zijn computer in het kantoortje hangt zijn laatste niet-gestreken overhemd met korte mouw. 

                           *

Mijn dochter die haar opa’s kleding uitzoekt vindt een doos met foto’s. ‘Wie zijn dit?’, vraagt ze. 

‘Dat zijn mijn opa en oma – ze gingen naar mijn oom in Amerika met de boot – daar zitten mijn moeder en vader, en kijk, dat ben ik.’ Een klein meisje met sluik, bruin haar kijkt verlegen naar de fotograaf. ‘Zie je dat jurkje? Dat borduurde mijn moeder’, zeg ik. Maar zij vindt al weer een andere foto. Mijn jeugdige vader op ski’s. En ik denk aan de keer dat hij zijn ski bijna verloor toen wij samen in het liftje zaten. De paniek en dat ik schreeuwde naar de man bij de lift: ‘stop, langsam!’ Zodat mijn vader op een schoen en een ski het heuveltje af kon strompelen. 

                          *

Op mijn telefoon verschijnt een bericht van mijn broer: ‘Hi Anne, zal ik als vaste dagen ma, do en za doen? Kunnen we de woensdag als ‘n soort wisseldag houden als jij de di, vr en zondag wilt. Ik hoor het wel. Gr.’ Het gaat over de verdeling van het bezoek aan onze vader. Iedere dag bezoeken we hem, het wordt ons teveel. 

                         *

Ik wil namelijk een appeltaart bakken met de appels die aan onze boom hangen, zelf frites maken, mosselen eten met die lekkere saus van ui, peper, paprika en tomatenstukjes. En ook wil ik het boek uitlezen op mijn tafeltje naast het bed, dat dikke boek van Safran Foer over hemzelf: ‘Hier ben ik.’ 

                          *

En nu is het zondag. Buiten zingen vogels. De zon werpt een gloed over de tuin in herfststand. Er bloeien nog wat planten: de geraniums, de fuchsia’s en er zitten nog wat witte bloemetjes in de plant waarvan ik de naam niet weet. De druif hangt er verschrompeld bij. 

                          *

Intussen krijg ik het mijn hoofd niet uit: de baby uit Idlib in de armen van de reddingswerker. ‘Zij is pas een maand oud.’ Uit zijn ogen stromen tranen. De baby is overdekt met stof. Liefdevol wordt het van haar voorhoofd weggestreken. Ze draagt een geel pakje, de baby.

                         *

Vanochtend bekeek ik mijn agenda. Er is volgende week weer veel te doen.

                         *

Mijn oog valt naar rechts. Moos slaapt. 

                          *

Ik steek mijn handen in de mouwen.

                        ***