Voltooid leven


Ik spreek niet met mijn vader over het voltooide leven waar de kranten vol mee staan en het journaal mee opende. De ideeën van de liberalen over het verruimen van de euthanasie-wet bepaalden deze week het nieuws. Stoppen met leven zodra het voltooid is.
                          *

Ik zag op het journaal een dame van 91 jaar met haar hondje. Zij vertelde dat zij klaar was met haar leven. ‘Ik vind het niks meer.’ Haar kinderen zijn het er niet mee eens dat hun moeder het leven als voltooid beschouwt. ‘Maar zij gaan weer door met hun leven nadat ze hier geweest zijn’, zei de dame, ‘Zij werken, verzorgen de kinderen…’ Ik keek naar het hondje. Hij vleide zijn kop liefdevol tegen het linkerbeen van zijn vrouwtje aan. 

                       *

En opeens weet ik het niet meer. Ik weet wel dat de dame met haar voltooide leven en verongelijkte toon mij tegenstaat. Wat nou voltooid als je zelfstandig door je huis kan lopen, in de serre kan zitten, koffie kan zetten, de krant kan lezen, je kinderen van je houden en je hond zich liefdevol tegen je aan vleit?

                        *

Wanneer is het leven voltooid? 

                        *

Ik loop de gang in van het verzorgingshuis en ik tref mijn vader niet aan in zijn kamer. De plastic tas met gewassen kleding zet ik op zijn bed dat keurig opgemaakt is. De NCRV-gids op het tafeltje ligt open bij een kruiswoordraadsel. Beverige letters in hokjes.

                          *

Als ik de gang inloop kom ik Judith tegen, de jonge regelaar en verzorgster van de revalidatie-afdeling. ‘Je vader zit daar!’, zegt ze vrolijk en ze wijst naar het middenstuk waar de ovale tafel staat en de kast met grote-letter boeken. 

                          *

Mijn vader zit aan de ovale tafel in zijn rolstoel. Naast hem zoemt een zuurstofapparaat. In zijn neus zitten twee plastic klemmetjes. 

Het is koffietijd. Een doos met allerhande koekjes staat uitnodigend open op tafel. ‘He, hallo!’, zeg ik en ik buig me voorover om hem een kus te geven. Hij roept hard ‘Au!’, lacht en kijkt om zich heen. ‘Wat ben je koud!’, roept hij. Ik beaam dat het koud is maar zeg direct dat het wel lekker weer is: ‘Het zonnetje schijnt’, meld ik terwijl ik ondertussen mijn jas uittrek. 

                         *

Ik zit nog niet op mijn stoel of de dame naast mij vraagt of ik koffie wil. ‘Lekker!’, antwoord ik. Tegenover mij zit een man die mij vriendelijk toeknikt. Ik zag hem al eens mijn vader gedag zeggen, beneden in het restaurant. Hij sloeg mijn vader daarbij zachtjes op zijn schouder. 

                           *

Ik kijk mijn vader aan. ‘Je ziet er goed uit!’, zeg ik. Na twee weken van hollende achteruitgang heeft mijn vader weer wat kleur in zijn gezicht, de holle en afwezige blik is uit zijn ogen verdwenen. Zijn huid is glad en strak. Zijn ogen staan helder. 

                            *

‘Wil je melk en suiker?’ Ik concentreer me weer even op mijn koffie. Mijn vader reikt mij de suiker aan, de dame rechts van mij de melk. ‘Ik zal mij even voorstellen’, zeg ik, ik sta op en ik geef de beide tafelgenoten van mijn vader een hand. 

                             *

De conversatie stokt. Ik vraag aan de tafelgenoten of ze hier allang wonen. Ze wonen hier allang. De schouderkloppende man zegt zacht: ‘Ik ben pas zeventig. Ik ben hier gebleven nadat mijn vrouw was overleden.’ De dame naast mij zegt lachend dat ze nog heel erg jong is en blijft want ‘Ik heet mevrouw de Jong!’ Zij lacht hard, wij lachen mee. De twee bejaarden-oude-stijl wonen in een twee-kamer appartement tegenover de revalidatie-kamers. ‘Het is een heel ruime kamer en we hebben een keukentje’, vertelt de vrouw. De man tegenover mij knikt instemmend. Als ik vraag of ze zelf koken zeggen beiden dat ze altijd beneden in het restaurant eten. ‘Lekker makkelijk.’

                           *

Ik kijk naar mijn vader. Tot drie maanden geleden kookte hij iedere dag zelf. Vol trots tilde hij wekelijks de deksels van de pannetjes op en liet mij zijn  zelfgemaakte paella zien. ‘Daar doe ik drie dagen mee!’ En ik bewonderde de paella, gruwend van de gedachte aan drie-dagen-oude garnalen.

                            *

Toen hij gevallen was op die zomerse maandagmiddag waren de voorbereidingen voor het avond-eten in volle gang. ‘Nemen jullie het eten mee naar huis?’ vroeg mijn vader, liggend op de grond met zijn been in een rare kronkel en zijn hoofd licht voorover geknakt tegen de keukenplint aan. De ijskastdeur stond half open. ‘Ik viel toen ik er iets uit pakte’, verklaarde hij met een van pijn vertrokken gezicht. 

Nu geniet hij van het eten in het verzorgingshuis. ‘Het is hier allemaal even lekker!’ Klokslag twaalf en vijf uur rolt hij naar de maaltijden toe. Bezoek of geen bezoek. 

                           *

‘Morgen komt Trix’, zeg ik tegen mijn vader. Trix is een stokoude kennis van mijn vader die net aan haar knie geopereerd is. Zij woont in Gelderland. ‘Zij regelde met kennissen vervoer naar jou toe. Ze komt om twee uur.’ De inmiddels 92-jarige Trix hengelt al meer dan vijftien jaar achter mijn vader aan. Maar hij geeft geen sjoege. Nu komt ze helemaal uit het oosten des lands op bezoek. ‘Ik wil hem zo graag nog eens zien!’, zei ze tegen mij door de telefoon. ‘Vind je het leuk dat Trix komt?’, vraag ik vilein. 

‘Nee’, zegt mijn vader.

                                *

Na de koffie rol ik mijn vader naar zijn kamer. ‘We moeten nog je levensverhaal opschrijven pa’, zeg ik. De clientbegeleider vroeg mij vorige week om het levensverhaal van mijn vader. ‘Dat leest de verzorging, ze hebben dan wat aanknopingspunten bij de verzorging van de cliënten, vooral als het geheugen wat minder wordt.’ Ik vind het een sympathiek idee. Ik stel de vragen die op het stencil van de clientbegeleider staan en schrijf terwijl mijn vader vertelt. Als het tijd is om te gaan zijn we beland bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. ‘En toen vond je je ouders in Indie, toch?’ is mijn laatste vraag.

                              *

Mijn vader knikt instemmend. ‘Volgende keer gaan we verder’, beloof ik en ik trek mijn jas aan.

‘Tot zondag!’, zeg ik en ik kus hem op zijn wang. 

                            *

Ik zwaai naar de 94-jarige. De grijze zuurstof-machine zoemt maar door als een bijenkast vol nijvere bijtjes. Zuurstof vloeit als nectar zijn neus in via het plastic slangetje. ‘Dahag!’, roep ik nog een keer. Hij zwaait. Zijn kruiswoordraadsel ligt open voor hem op tafel.

                            *

Wanneer is het leven voltooid? 

Ik moet het hem toch eens vragen.

                          ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s