Schoenenkast


 Wat een vader doet

(…)

Elke keer als jij verdwaalt,
elke keer dat je valt,
verdwaalt/valt een vader
tienduizend keer harder,
totdat het overal in hem schroeit

Totdat jij 

groot,

groter,

allergrootst,

voorgoed

boven zijn hoofd groeit

Benny Lindelauf

Uit: Er zit een feest in mij, Querido’s poëziespektakel 5, 2012


Op een mooie winteravond fietste ik naar de stad. Muts op, warme jas, handschoenen aan. Bergjes bladeren versierden de zijkanten van het pad, de straatlantaarns deden de blaadjes oplichten als een hoop bijeengewaaide sterren. Er stond geen zuchtje wind.
                       *

En langs het huis van mijn vader, bij de rotonde tegenover de kerk fietste ik. Mijn hoofd draaide naar links en ik zag een zwart gat. Het raam. Aan weerszijden hingen witte gordijnen, door mij half gesloten alsof mijn vader er nog was. Zijn grijze haren door het raam, blauw opflikkerend door de televisie die zo vaak aanstond. ‘We doen de gordijnen gezellig half dicht, pa, dan heb je een beetje privacy’ en zo langsfietsend – de geraniums liggen in gesloten vuilniszakken, de orchideeën branden in het vuur – kriebelde mijn neus. 

                        *

Ik hoefde de dag erop niet langs, geen haring, geen appeltje, geen Senseo koffie met ‘Ik laat het lekker nog een keer doorlopen anders is hij te sterk.’ Ik hoefde niet te vertellen over mijn werk, de fusie ‘Is dat nou nog niet klaar?’, mijn dochter, mijn zoon. Niets meer over eten bij oude vrienden, een uitje, de veteranen. Over en sluiten.

                         *

En daar, op dat pad bij de rotonde langs de kerk kriebelde het. Na weken van rondrennen en regelen bevroor zout op mijn wang. 

                         *

Daarbij gooide ik een leven weg: een leven van werken, vakanties, brieven, oorkondes, agenda’s, plaquettes. Ik zocht foto’s uit, Amerika, véél Amerika, Korea, Mexico, Taiwan. Foto’s van mensen die ik niet ken, bloemententoonstellingen. Mijn vader maakte foto’s van interieurs, kamers waarin hij sliep, een vakantiehuisje op Long Island, mijn vader onder een solar shower, een zak heet water opgewarmd door de zon, daar in het huisje op Long Island met zijn broer – die ook dood is.

                         *

We ontvingen een kaart van mijn Amerikaanse tante: in hoekige letters vertelt ze over mijn vader en zijn broer. Dat ze kattenkwaad uithaalden met zijn tweeën, ‘despite they were already old men’.

                          *

Ik vind een plaquette en nog één met in het Koreaans een opschrift. Eronder staat in het Engels een dankwoord voor Mr. A.S. Jonquiere voor zijn werk in Korea. 

                            *

Ik zie een foto van zijn vriendin Liz die zo gek was op mijn vader: achterop de foto van hen tweeën staat geschreven in vrouwenletters: ‘Toen ik zo blij was dat ik je kende.’ 

                           *

Ik gooi zijn leven in een vuilniszak. 

                       *

Kleine boekjes en envelopjes met foto’s: Italië, Rusland, Frankrijk, Cyprus, de Cariben, mijn God waar was mijn vader niet? China, Spanje, ik scan feestelijke optochten, marktjes, straten en gebouwen. 

                            *

Ik gooi een leven weg.

                        *

Mijn broer en ik verkopen en schenken meubels aan kringloopwinkels: boekenkasten, een bankje, zijn luie stoel, het televisie-tafeltje. Oude fototoestellen, lenzen, gereedschap, tien dozen vol. Er komt een man voor mijn vaders seniorenbed: ‘Het bed is voor mijn vrouw. Ze heeft te horen gekregen dat ze kanker heeft. Het bed komt in de kamer te staan.’ De potige man loopt om het bed heen, tilt het matras op. ‘Ik denk niet dat mijn vrouw blij wordt van het bed.’ En ik denk ook niet dat ze er blij van wordt. Ik wens de man sterkte toe met zijn vrouw en ik zie hem weglopen, de gang door. Een grote, geslagen man.

                        *

Een andere man neemt het schoenenkastje mee. ‘Misschien bel ik nog voor de tafel en stoelen. Ik wacht op een nieuw huis. Volgende week weet ik meer.’ En ik loop mee naar beneden met de plankjes van het schoenenkastje – ik zie de schoenen van mijn vader erop staan, en ik leg de planken in een Renault Kangoo vol rotzooi. ‘Tot ziens!’

                            *

De vloer die ik samen met mijn vader kocht – ‘Vind je dit een mooie kleur?’ ‘Ja, prachtig pa, daar past alles op!’, moet eruit. Ik trek aan een hoekje en het marmoleum laat los. 

                          *

Als ik wegga sluit ik de gordijnen. Die moeten ook weg. Maar nu sluiten ze het zwarte gat af, een paar dagen nog.

                           *

Ik gooi een leven weg. Nog even en we zijn klaar. 

                            *

Het laatste dat ik in mijn doos stop – de doos die ik meeneem, is een witte envelop. Er staat op geschreven: ‘Ansichten van alle bezienswaardigheden in Parijs van de fietstocht met drie vrienden, 1949.’ Ik stop de envelop in mijn doos, sluit deze, vouw de kartonnen flappen dicht, eerst de korte zijde, dan de lange, kort, lang. Dicht.

                         ***

Advertisements

Gaatje


Laat ons stappen over de lijken van ons prinsiepen

 En verder gaan in de wijde, diepe

 Gaard der dagen;

 Laat ons nooit achterwaarts kijken:

 De blanke lijken

 Van voorbije dagen beklagen.

 Paul van Ostaijen (1896-1928)

Wat valt er te zeggen over het weer? Zaterdag begon de winter met hagelstenen die als witte knikkers de straten van de stad instuiterden. Net toen ik mijn paraplu -zo’n ingevouwen kleine die ik als een elegante dame met uitwaaierende rok plaatste in de te grote paraplustandaard – tikten de hagels tegen de glazen pui van de kledingwinkel die ik één herfst geleden in de ban gedaan had na de aankoop van een peperdure trui waarin zomaar een gaatje was gevallen.

                       *

‘U heeft geen riem gedragen?’, informeerde de vrouw van de winkel achterdochtig toen ik haar destijds belde over dat gaatje.

‘Nee en al zou ik een riem gedragen hebben dan nog zit het gaatje in de trui hoger dan de riem. Het is een fout in het breisel’, opperde ik.

‘Nee, dat kan niet’, antwoordde de vrouw ferm. ‘Dat is nog nooit voorgekomen, een fout in het breisel.’ En ik dacht: ‘Nooit, nooit, zeg nooit nooit.’ Mijn ergernis nam toe. ‘Vandaag kan ik langskomen met de trui, vandaag heb ik tijd.’ Maar de dame in de winkel had dat niet. ‘Stuurt u maar een foto, dan kijk ik ernaar en krijgt u volgende week een reactie.’

                          *

Ik staarde naar de trui met het gaatje. Een perfect gaatje, langgerekt, iets groter dan een knoopsgat, boven navelhoogte. Het truitje was zacht als de vacht van onze poes, een weelde voor de vingertoppen. Ik maakte drie foto’s. Van de trui. Van de trui met gaatje en van het gaatje zelf. Ik stuurde de foto’s toe aan de drukke dame, ging aan het werk en dacht er niet meer aan.

                         *

Totdat ik werd gebeld. Het was een onbekend nummer en nieuwsgierig nam ik op. Ik liep de kantoorruimte uit naar de gang. 

‘U spreekt met – onbekende naam – van – winkel met glazen pui-. Ik bel vanwege uw foto van de trui.’ De winkel van de trui! Ik ging zitten in het zachte, gele zitje op de gang vlakbij mijn werkplek. ‘Het kon wel even’, dacht ik, ‘Er was nieuws over de trui!’

‘Ik kan op de foto’s die u stuurde niet goed zien wat er met de trui gebeurd is. Ik moet eigenlijk de trui zien. Kunt u zelf langskomen ?’ vroeg de man van de winkel. 

 ‘Ik ben aan het werk, het afgelopen weekend wilde ik langskomen maar toen moest ik juist foto’s sturen.’ 

‘Tja, het is lastig te zien. En eigenlijk hebben we dat nog nooit meegemaakt. Zo’n gaatje in deze trui. Draagt u misschien een jas met rits?’

                         *
Ik werd kwaad. Niet langskomen, wel langskomen, riem, jas met rits…ik kreeg er genoeg van. ‘Nee, ik draag geen jas met rits’, antwoordde ik. ‘Ik koop regelmatig kleding bij jullie. Dit was een dure trui. Ik was er erg blij mee. Nog nooit ben ik ontevreden geweest over jullie kleding. Maar het kan toch niet dat er na twee maanden zomaar een gaatje in een trui valt waarvan ik de schuld krijg? Het breisel is op deze plek waarschijnlijk zwak.’

‘Ik geef u niet de schuld’, antwoordde de man. ‘Maar wat verwacht u van ons?’

‘Ik verwacht een nieuwe trui of tenminste mijn geld terug’, antwoordde ik. Maar dat bleek lastig. Hij moest het truitje zien en zomaar een nieuwe of geld terug daar begonnen ze niet aan. ‘U moet weten, wij krijgen de trui ook niet vergoed door de leverancier’, beargumenteerde de man. Ik kreeg er genoeg van. ‘U belt mij tijdens het werk. Ik heb hier nu geen tijd voor. Ik hoor wel via de mail wat de oplossing is.’ En ik wilde het gesprek beëindigen. Maar dat ging de man te ver. ‘Nu bent u boos. Wat kan ik doen om uw boosheid weg te nemen?’ 

                          *

‘Niks’, dacht ik, ‘Niks wil ik van jullie.’ Maar ik gaf een ander antwoord: ‘De toezegging dat ik de trui vergoed krijg. Ik vind het onbegrijpelijk dat u zich zo opstelt. Ik heb dit nog niet eerder meegemaakt.’

                         *

De man zuchtte: ‘Als u hier komt met de trui kan ik u een tegoedbon geven.’ En zo geschiedde. Een bon bij de gratie Gods. De bon gaf ik direct door aan mijn kind. Nooit zou ik daar meer wat kopen. 

                         *

En nu stond ik in de zaak van de trui met het gat. Hagel sloeg tegen de ramen, een witte winterlaag vormde zich op de klinkers voor de winkel.

                         *

‘Bent u naar iets op zoek?’, vroeg het meisje in de winkel. En ja, dat was ik. Bij het afrekenen moest ik mijn klantgegevens opgeven. Even dacht ik ‘Ik sta vast genoteerd als Lastige Klant Van De Trui Met Het Gaatje.’ Maar dat was niet zo. Of het meisje kon goed stoïcijns kijken. ‘Veel plezier met uw aankoop!’, zei ze hartelijk. ‘Dank je wel’, zei ik en ik wipte de deur uit met mijn paraplu die vrolijk uitwaaierde als het rokje van een meisje in de wind.

                         *

Wat valt er te zeggen over het weer vandaag? Het waait en regent. De poezen liggen illegaal op bed. Omdat ze nat zijn liggen ze op een snel-neergelegd handdoekje. Ze spinnen. Ik moet eruit. Het is koud. Mijn handen boven het dekbed zijn lam en kil van lezen en schrijven. Wat zal ik vandaag aandoen? Spijtig denk ik aan mijn trui met het onbegrijpelijke gaatje én mijn onvermogen te volharden in die belangrijke boycot van nog maar één herfst geleden. 

                          ***

Mikado

Meteen had ik moeten opschrijven hoe het was, hoe het is. Maar de dagen vielen over elkaar heen als mikadostokjes op een gladde tafel: niet van elkaar te peuteren zonder de lichtste beweging. Dus liet ik ze maar liggen, de over elkaar getuimelde houtjes. 

                        *

Uit alle hoeken en gaten dwarrelden kaarten, berichten, telefoontjes, zoveel liefde en hartelijkheid als een mens maar kan verdragen. Was ik zelf ook zo attent en meelevend? Ik nam me voor dat altijd te zijn, vanaf nu, meteen, direct. 

                         *

De dood van mijn vader ritste de jas van mijn jeugd in één ruk open. De zelfgebreide trui van mijn moeder zat onder die jas: een precies-gebreide trui, witte figuurtjes erin verweven als dartele vlinders in een onbedorven lichtblauwe lucht. Maar onder de trui zweette ik in mijn witte hemdje met kanten bandjes: de trui kriebelde, was te warm, de dwingende liefde drong door tot in de vezels van dat hemdje, mijn huid, zo via de bloedbaan het hart in.

                       *

Met het afscheid van mijn vader zei ik ook haar gedag, dat wat ik nooit had kunnen doen. Via mijn oude vader – zijn hijgen deed mijn adem stokken – zei ik gedag, dag, dag, dag, mama. 

                       *

Ik was elke keer áf: bij het optillen van de dagen als stokjes bewoog toch elke keer er weer één. Dan wachtte ik. Ik keek het draaiboek van de plechtigheid na, sorteerde de foto’s, zwart-wit van weleer, kleur van vroeger en nu. Mijn kind zei: ‘Ik ken opa alleen met grijs haar, hier heeft hij zwarte haren’. En verbaasd keek ik opnieuw naar de foto’s, naar het zwarte, gladde haar, op zijn plaats gehouden met vet. Een jonge, slanke man met hoop en verwachting in zijn ogen. Bruine ogen achter ronde brillenglazen. Verlegen ogen, fluwelig bruin als die van een paard in de wei, onbedorven, zoekend naar contact.

                          *

De lichte jaren, gelardeerd met de klanken van bandrecorder en pick-up, beverige 8-millimeter-filmpjes van jong en jeugd, kinderstemmen en plezier. Daarna de donkere jaren in het grote huis met al die kamers waar ‘s nachts in mijn dromen zwarte vleermuizen rondspookten die overdag opeens verdwenen waren. Ik keek dan uit het raam, over de bomen naar het spoor. Je kon altijd weg met de trein, reizen naar iets vers, iets warms, iets van vroeger of later.

                          *

Tussen de klanken door van zachte vioolmuziek op de lichte zondagen rook ik de geuren uit de rantangs van mijn tantes en oma. De kruidige geuren kriebelden mijn neus in, beweeglijke kinderen krioelden door elkaar in de nauwe gangen van het Haagse huis van een van de vele tantes.

                       *

Niks geen zuilengalerij met de koel-marmeren vloer waarop de schommelstoel lichtjes bewoog nadat mijn oma deze had verlaten om in de pannen te roeren en te ruiken, te snoepen van al het lekkers dat de kok klaarmaakte. Ik zie haar loom schuifelen door het huis, de statige Soendanese met de mooie, bruine ogen als van een paard in de desa op zoek naar contact.

                         *

Mijn opa in zijn witte kostuum komt aanlopen en twee jongetjes op blote voeten rennen op hem af. Hij tilt ze een voor een op en drukt de smalle lichamen tegen zijn koele pak. Daaronder zit de hitte van de dag, de tropenzon, het harde werken op het land. Mijn oma schenkt uit een kan koele limonade en plaatst de bekers op het rotan tafeltje met de ronde glasplaat. De beelden in sepia vertellen hun verhaal van vrijheid, blote voeten, kruidige geuren, groen in alle kleuren en warmte zo veilig en vertrouwd als de holte van je moeders arm.                    

                          *

De week van de mikado-stokjes is voorbij, warme sepia-tijden, de zacht-oranje kleuren van de jaren zestig en later de koele bergen en die lichtblauwe trui met witte figuurtjes als dartele vlinders in een onbedorven lichtblauwe lucht. Het laatste stokje ligt op tafel. Ik ben aan de beurt, pak het op en ik tel ze. Ik heb gewonnen.

                       ***

Dagdag


Dag haring met uitjes en zuur

Om mee te nemen 

Dag orchidee voor het raam

In de zon

Dag Apple en Sonos en oude pick up

Dag dia’s, oude foto’s, stukke lamp

In de hal, dag

Rollator met tassen eraan en een 

Krant in de mand

Nooit gebruikt was niet nodig

Dag home-trainer met de

Stugge pedalen

‘Ik fiets elke dag’

Ja ja

Dag geranium op het balkon

Met je rode kopje tussen de spijlen door

Dag gemakkelijke stoel, televisie en

Vensterbank met rode potten erop

Dag paella in de pan

Voor wel drie dagen

‘Bedankt voor je komst’

‘Ja ja

Ik vond het gezellig pa’ 

Dag zitten in de zon

Op het balkon

‘Heerlijk die zon’

Dag ‘Wil je wat drinken?’

Dag Buitenhof, dag proefabonnement 

Op de krant

Dag rolstoel, benauwdheid en 

Kamergenoten

Dag koude hand in de mijne

Dag dag

Rust zacht.