Gaatje


Laat ons stappen over de lijken van ons prinsiepen

 En verder gaan in de wijde, diepe

 Gaard der dagen;

 Laat ons nooit achterwaarts kijken:

 De blanke lijken

 Van voorbije dagen beklagen.

 Paul van Ostaijen (1896-1928)

Wat valt er te zeggen over het weer? Zaterdag begon de winter met hagelstenen die als witte knikkers de straten van de stad instuiterden. Net toen ik mijn paraplu -zo’n ingevouwen kleine die ik als een elegante dame met uitwaaierende rok plaatste in de te grote paraplustandaard – tikten de hagels tegen de glazen pui van de kledingwinkel die ik één herfst geleden in de ban gedaan had na de aankoop van een peperdure trui waarin zomaar een gaatje was gevallen.

                       *

‘U heeft geen riem gedragen?’, informeerde de vrouw van de winkel achterdochtig toen ik haar destijds belde over dat gaatje.

‘Nee en al zou ik een riem gedragen hebben dan nog zit het gaatje in de trui hoger dan de riem. Het is een fout in het breisel’, opperde ik.

‘Nee, dat kan niet’, antwoordde de vrouw ferm. ‘Dat is nog nooit voorgekomen, een fout in het breisel.’ En ik dacht: ‘Nooit, nooit, zeg nooit nooit.’ Mijn ergernis nam toe. ‘Vandaag kan ik langskomen met de trui, vandaag heb ik tijd.’ Maar de dame in de winkel had dat niet. ‘Stuurt u maar een foto, dan kijk ik ernaar en krijgt u volgende week een reactie.’

                          *

Ik staarde naar de trui met het gaatje. Een perfect gaatje, langgerekt, iets groter dan een knoopsgat, boven navelhoogte. Het truitje was zacht als de vacht van onze poes, een weelde voor de vingertoppen. Ik maakte drie foto’s. Van de trui. Van de trui met gaatje en van het gaatje zelf. Ik stuurde de foto’s toe aan de drukke dame, ging aan het werk en dacht er niet meer aan.

                         *

Totdat ik werd gebeld. Het was een onbekend nummer en nieuwsgierig nam ik op. Ik liep de kantoorruimte uit naar de gang. 

‘U spreekt met – onbekende naam – van – winkel met glazen pui-. Ik bel vanwege uw foto van de trui.’ De winkel van de trui! Ik ging zitten in het zachte, gele zitje op de gang vlakbij mijn werkplek. ‘Het kon wel even’, dacht ik, ‘Er was nieuws over de trui!’

‘Ik kan op de foto’s die u stuurde niet goed zien wat er met de trui gebeurd is. Ik moet eigenlijk de trui zien. Kunt u zelf langskomen ?’ vroeg de man van de winkel. 

 ‘Ik ben aan het werk, het afgelopen weekend wilde ik langskomen maar toen moest ik juist foto’s sturen.’ 

‘Tja, het is lastig te zien. En eigenlijk hebben we dat nog nooit meegemaakt. Zo’n gaatje in deze trui. Draagt u misschien een jas met rits?’

                         *
Ik werd kwaad. Niet langskomen, wel langskomen, riem, jas met rits…ik kreeg er genoeg van. ‘Nee, ik draag geen jas met rits’, antwoordde ik. ‘Ik koop regelmatig kleding bij jullie. Dit was een dure trui. Ik was er erg blij mee. Nog nooit ben ik ontevreden geweest over jullie kleding. Maar het kan toch niet dat er na twee maanden zomaar een gaatje in een trui valt waarvan ik de schuld krijg? Het breisel is op deze plek waarschijnlijk zwak.’

‘Ik geef u niet de schuld’, antwoordde de man. ‘Maar wat verwacht u van ons?’

‘Ik verwacht een nieuwe trui of tenminste mijn geld terug’, antwoordde ik. Maar dat bleek lastig. Hij moest het truitje zien en zomaar een nieuwe of geld terug daar begonnen ze niet aan. ‘U moet weten, wij krijgen de trui ook niet vergoed door de leverancier’, beargumenteerde de man. Ik kreeg er genoeg van. ‘U belt mij tijdens het werk. Ik heb hier nu geen tijd voor. Ik hoor wel via de mail wat de oplossing is.’ En ik wilde het gesprek beëindigen. Maar dat ging de man te ver. ‘Nu bent u boos. Wat kan ik doen om uw boosheid weg te nemen?’ 

                          *

‘Niks’, dacht ik, ‘Niks wil ik van jullie.’ Maar ik gaf een ander antwoord: ‘De toezegging dat ik de trui vergoed krijg. Ik vind het onbegrijpelijk dat u zich zo opstelt. Ik heb dit nog niet eerder meegemaakt.’

                         *

De man zuchtte: ‘Als u hier komt met de trui kan ik u een tegoedbon geven.’ En zo geschiedde. Een bon bij de gratie Gods. De bon gaf ik direct door aan mijn kind. Nooit zou ik daar meer wat kopen. 

                         *

En nu stond ik in de zaak van de trui met het gat. Hagel sloeg tegen de ramen, een witte winterlaag vormde zich op de klinkers voor de winkel.

                         *

‘Bent u naar iets op zoek?’, vroeg het meisje in de winkel. En ja, dat was ik. Bij het afrekenen moest ik mijn klantgegevens opgeven. Even dacht ik ‘Ik sta vast genoteerd als Lastige Klant Van De Trui Met Het Gaatje.’ Maar dat was niet zo. Of het meisje kon goed stoïcijns kijken. ‘Veel plezier met uw aankoop!’, zei ze hartelijk. ‘Dank je wel’, zei ik en ik wipte de deur uit met mijn paraplu die vrolijk uitwaaierde als het rokje van een meisje in de wind.

                         *

Wat valt er te zeggen over het weer vandaag? Het waait en regent. De poezen liggen illegaal op bed. Omdat ze nat zijn liggen ze op een snel-neergelegd handdoekje. Ze spinnen. Ik moet eruit. Het is koud. Mijn handen boven het dekbed zijn lam en kil van lezen en schrijven. Wat zal ik vandaag aandoen? Spijtig denk ik aan mijn trui met het onbegrijpelijke gaatje én mijn onvermogen te volharden in die belangrijke boycot van nog maar één herfst geleden. 

                          ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s