Referentienummer 


Mijn broer stuurde mij een machtigingsformulier toe. Hiermee kan ik de as van mijn vader ophalen. Op het formulier staat: ‘Relatie van de overledene’ met daarachter op het stippellijntje in het handschrift van mijn broer ‘Dochter’. Ik tik het telefoonnummer onderaan het formulier in op mijn telefoon.

                       *

‘Met begraafplaats en crematorium Westerveld, goedemorgen, met Monique’

‘Goedemorgen, u spreekt met Annelie Jonquiere. Ik wil graag een afspraak maken om de as van mijn vader op te halen.’

‘Wanneer had u in gedachten?’, vraagt Monique vriendelijk. Op de achtergrond hoor ik mensen praten, telefoons gaan over. Het is een bedrijf.

‘Ik zou dinsdag kunnen langskomen of vrijdagmiddag’, antwoord ik.

‘Dat is kort dag’, zegt Monique. ‘U moet weten, wij hebben een strakke planning. Wat is het referentienummer?’

‘Referentienummer?’, vraag ik, ‘O, u bedoelt…, eh, ja, ik heb mijn telefoon nu in de hand en ik kan niet tegelijk het formulier opzoeken. Als u even wacht kijk ik even.’ Monique wil wel even wachten. 

                         *

Ik priegel op mijn telefoon naar de mail van mijn broer met dat machtigingsformulier. Nummer? Waar staat een nummer?

Ik tik het groene balkje op mijn beeldscherm aan en keer hiermee terug naar het gesprek.
‘D207845’, zeg ik. ‘Dat is het referentienummer.’

Monique tikt het nummer in. Ik hoor vinnige tikken op een toetsenbord.

‘Dat is de heer P.J. Arnoldi’, zegt Monique.

‘Nee, hè, dat klopt niet’, zeg ik. En ik denk intussen allerlei slechtigheid.

‘Wanneer is uw vader gecremeerd?’ informeert Monique.

‘Eh…’ 

                       *

Ik keer terug naar de avond van 4 november. Ik loop in de verlaten gang van de revalidatie-afdeling, ik hoor mijn vaders diepe ademhalen. Het laken zit strak om zijn borst. Ik pak zijn hand eronder, nog warm en droog. Wanneer was de crematie? Ik denk, tel de dagen en zeg: ’11 november was de crematie.’

Monique tikt maar ze komt er niet uit.

                       *

‘Heeft u nog even?’, vraag ik.

Als een kind dat voor de tweede keer een verkeerd antwoord gaf op een niet al te moeilijke som keer ik terug naar het formulier.
‘D207854’, zeg ik. ‘Dat is het juiste referentienummer. Ik draaide per ongeluk…’

‘Dat is de heer A.S. Jonquiere’, constateert Monique.

‘Ja’, antwoord ik opgelucht. ‘Dat is hem.’
‘Ik heb nog een gaatje op dinsdagmiddag 14.30 uur’, zegt Monique.

‘Ja, dat kan’, antwoord ik. En ik denk aan alle dinsdagen, 14.30 uur. Dan was ik al weer thuis nadat ik hem bezocht had met twee verse haringen. Dan hadden we wat gepraat, koffie gedronken en was ik teruggefietst naar huis. Dan zette ik een kop thee, pakte ik mijn laptop en werkte ik nog wat mails weg. Dan wipte de poes op tafel en aaide ik haar met mijn linkerhand.

                    *

‘U had het over een machtigingsformulier? Maar dat ontvingen wij nog niet.’

‘Ja, dat heb ik. Moet ik dat aan u toesturen?’ Dat moet.
Het gesprek loopt ten einde. 

Dinsdag haal ik dat wat over is van mijn vader op. Om 14.30 uur. Nadat ik het machtigingsformulier verstuur. Uiteraard. Met het referentienummer.
‘U kunt zich melden bij het huisje met de rode dakpannen, direct bij de ingang’, vertelt Monique. En dat klinkt bijna leuk. Een huisje als in een sprookje van Hans en Grietje. 

                          *

Als ik even later in mijn agenda kijk zie ik dat mijn vader niet op 11 maar op 10 november werd gecremeerd. Als nummer D207854. Maar dat ga ik niet onthouden.

                     ***

Advertisements

Een goed gesprek


‘Mis jij opa?’ Mijn zoon en ik zitten in de auto. We rijden ergens naar toe. Weerloos zit ik daar, mijn handen geklemd om het stuur. Ik tuur door de koude voorruit naar verre verten. Huizen links en rechts schieten aan ons voorbij, een park, bomen, kaal als lege kapstokken na een feestje.
                     *

Eerder al vonden belangrijke gesprekken in de auto plaats. Voor ons uitkijkend – rijdend door een eindeloos polderlandschap – bespraken mijn man en ik ons huwelijk ‘We zouden eens kunnen gaan trouwen?’ en een paar jaar later op de terugweg van Frankrijk naar Nederland bedachten we de naam van ons oudste kind ‘Ja, dat klinkt goed, Julia, naar de lieve, Russische tolken in Suzdal en de zus van Sebastian in Brideshead Revisited.’ We proefden de klank, prevelden de naam in alle talen en het klopte.

                        *

Het was mijn dochter die op de achterbank van de auto vertelde dat er ‘slechte rekengroepjes’ in de klas waren ‘en een slecht taalgroepje, maar daar zit ik niet in’ en dat was de druppel die ons deed besluiten de kinderen naar een school te laten gaan waar ze sommen op het plein huppelden, verfden, viltten en geen leerlingen diskwalificeerden. 

                        *

En nu de vraag of ik mijn vader mis. Ja, ik beken, ik mis hem en de vraag van mijn kind werpt mij terug op de dinsdagen met koffie en appelpartjes, de zondagen met Buitenhof en geroosterde boterham met zorgvuldig uitgesmeerde halvarine en plakjes kaas. Verhalen over oude kennissen, sport en werk. Onderwerpen van gesprek die er niet waren, over vroeger, oude koeien, die we met rust lieten. Liever praten over reizen, de politiek, de kinderen. 

                      *

En rijdend van dorp naar dorp schiet mijn hoofd vol door de vraag of ik hem mis, mijn vader. Ik zie de tere orchidee in de vensterbank van zijn kamer in het verzorgingshuis, het zware lijf, stil in het hoge bed. Het laken strak om zijn borst, zijn handen. En ik bedenk mij hoe mooi het is dat mijn zoon deze vraag stelt. Niet bang voor verdriet, geen angst voor emotie. Ik kan nog wat van hem leren.

                        *

‘Ja, ik mis opa’, zeg ik.

                       ***

Sneeuw

Op de dag voordat de sneeuw valt fietsen mijn man en ik naar de stad. De kou die ik guur noem maar mijn man koud dringt door tot mijn huid. Ik draag een fijne maar te dunne broek. 

                         *

We brengen eerst wat boeken terug naar de bibliotheek. ‘Ga je mee naar binnen?’, vraag ik aan de man die wel leest maar geen boeken uit de bibliotheek leent. ‘Ja’, zegt hij, ‘ik moet even opwarmen.’ In het oude schoolgebouw waarin de dorpsbibliotheek is gevestigd is het warm. Moeders met dik-aangeklede kinderen staan boeken af te stempelen al is de stempel vervangen door een modern systeem met een glad vlak waar je de boeken op schuift. Daarna hoop je dat de titel op een scherm verschijnt. Als alle titels met een vinkje op het scherm staan druk je op een groene button waar einde op staat. Het geeft soms wat gedoe maar meestal werkt het en nu is er nog maar één bibliothecaresse nodig. 

                          *

Ik heb met boeken wat mijn moeder had met lapjes-van-de-markt en wat anderen hebben met tassen, schoenen of postzegels. Boeken dwingen mij tot kijken, kopen, verzamelen. Met een schuin oog kijk ik naar de plank waarop de boeken staan die teruggebracht zijn door de moeders met kinderen. Misschien zit er iets bij. Ik spreek mijzelf intussen streng toe want naast mijn bed liggen twee stapeltjes boeken die ik nog moet lezen. Twee bibliotheek-boeken en zes gekochte dan wel gekregen boeken. Mijn man die mij inmiddels kent staat bij de deur van de bibliotheek naar de gang. Zijn lichaam staat op weggaan. Dus we gaan. 

                         *

Het vervolg van de tocht naar de stad doet onze gezichten verstrakken. De vingerkootjes in het bont van de leren handschoenen voelen langzamerhand dood aan. Ik trek ze voorzichtig in de handschoen terug naar de warme holte van mijn hand zonder de macht over het fietsstuur te verliezen. Twee verstrakte vijftigers op de fiets op de dag voordat de sneeuw valt.

                         *

Het doel van de tocht is een film waar ik heen wil. Ik zag dat de film deze week voor het laatst draait in de stad. Het liefste bezoek ik met iemand films en nu strikte ik mijn man die ik ‘s ochtends op zijn werk een berichtje stuurde met de vraag of hij meewilde. En omdat hij niet altijd nee kan zeggen wilde hij mee. 

                         *

In de bioscoop die Filmschuur heet maar een architectonisch hoogstandje is tussen de oude huizen in het rosse randje van de binnenstad wemelt het van de vijftigers. De film is uitverkocht. En ondanks dat wij op rij 2 zitten, de film twee uur en zestien minuten duurt, de zaal vol zit en het buiten koud is verdwijnen ongemakken, verglijdt de tijd en nemen de beelden ons mee naar een onwerkelijke locatie (Boekarest), een carrière-dochter (die met haar gekwetste teennagel stoïcijns op hoge hakken loopt) en een ontregelende vader (met fopgebit). 

                     *

En laat u niet ontmoedigen door bovenstaande gegevens, dat deden wij ook niet. In een wereld vol geweld en gevaar is deze film er één van liefde, herinnering, troost en hoop. Gewoon gaan: Toni Erdmann. 

                         *

En…het gíng sneeuwen. 

                       ***