Inclusief


Omdat het tijd werd voor een uitje boekte ik een hotel in het onderste stukje Nederland, linksonder, bijna in België. Daar, in het verre Zeeuws-Vlaanderen lag een hotel in een oud vestingstadje. Het eten was inclusief en dat had een teken moeten zijn.

                      *

Vroeger gingen wij naar Zeeuws- Vlaanderen met onze peuter en kleuter. De rit was net ver genoeg om onze zoon drie uur lang te horen huilen ondanks het feit dat zijn vader telkens het woedend-weggegooide speentje terugstopte in zijn mondje vol traan, snot en slijm.

                      *

Aangekomen in een dijkhuisje in Cadzand of slecht schoongemaakt arbeiders-huisje in het dorpje Retranchement vierden wij onze verregende vakanties. Wij zochten in weer en wind haaientandjes op het strand, zweetten in de zo dikwijls bezochte vlindertuin dat de vlinders ons herkenden en sjokten met vele Belgische stelletjes door het stadje Sluis met haar drogisterijen. 

                        *

‘Kijk, daar heb je de kleine zeemeermin’, wees onze dochter. Haar vingertje prikte naar de beeltenis van een pikante, roodharige dame op een gevel met een etalage waarin de seksspeeltjes hoog opgestapeld lagen. Dikke, Vlaamse mannen lieten steels hun oogje op de etalage vallen, hun arm stevig om de schouder van hun pronte vrouwen. 

                        *

We bewaarden mooie herinneringen aan Zeeland: bakkerij Leurgans, de vette klei natgeregend en omgeploegd als dikke hopen stront naast kaarsrechte wegen met knotwilgen aan weerszijden. Een land zo gestructureerd en symmetrisch dat zelfs ik de weg altijd kon vinden. 

                        *

We arriveerden in het hotel terwijl een schraal zonnetje de meeste zon-uren van Nederland probeerde waar te maken. Een stugge Zeeuw bij de receptie meldde ons dat we pas vanaf 15.00 uur konden inchecken. ‘Kunnen we onze koffertjes hier wel neerzetten?’, vroegen wij netjes. Dat kon. En wij reden verder, of eigenlijk, terug naar voorbijgaande jaren en herinneringen in zand, klei en zee.

                        *

Wij stuurden naar de huilende peuter- en kleuter-van-destijds fotootjes: van de speelgoedwinkel waar we de regenachtige dagen mee goedmaakten: ‘Zoek maar wat moois uit.’ Van Knokke met haar hoge appartementen en de Vlaamse chic met kleine hondjes aan dure riempjes. Van de prijzige kledingwinkel waar we toch gewoon kleren kochten. 

                         *

En daarna keerden we terug naar het hotel. We kregen een bandje om. De muziek stond hard. Het ging over de Zeeuwse kust. De barman gooide bij ieder glas all-inclusive-wijn de fles even op die hij dan speels overpakte in zijn andere hand. Een andere ober kwam de lege koffiekopjes halen zoevend op een zelfrijdend skate-board. Iedere avond hoorden wij de dame in het restaurant achter de plakkerige bar met gratis glazen bier en wijn vertellen dat ze uit Iran kwam. En tegen 22.30 uur zong iedereen mee met de muziek. Hard.

                        *

Morgen gaan we weer naar huis.    

                        ***

Advertisements

De voltooiing 


Ik zoek het woord

Onmachtig is onze taal,

haar toon plotseling – armzalig.

Met alle kracht van mijn gedachten,

zoek ik dat ene woord –

maar kan het niet vinden.

Het lukt me niet.

Wislawa Szymborska (1923-2012)

De zon scheen, de hemel lichtte blauwig op. Wolkenflarden als langgerekte rookslierten versierden het blauw. En het was warm, 11 graden. Niet zo koud en somber als de dag waarop we afscheid namen van mijn vader. Toen keken we fronsend naar boven: zou het gaan regenen? Het ging niet regenen. 

                         *

Op deze warme februari-dag haal ik de as mijn vader op. In de auto luister ik naar Franse chansons, gezongen door Wende Snijders, op haar manier, – poëtisch en rauw, zacht en hard. Het is – geloof ik – dat wat ik voel.

                        *

Mijn vader, fietsend met zijn vrienden naar Parijs. Enkele herinneringen, rauw als wondjes met geel-witte randjes om de korst. Even pulken en het ettert. Zachter de laatste jaren en boterzacht de laatste dagen met zijn handen open op zijn schoot en zijn lijf, ineengedoken in de stoel tussen het bed en het tafeltje met die onsamenhangende brij van spullen: een week-agenda, de t.v.-gids, een puzzelboekje, scheerspiegel, een doos met watten, plastic handschoentjes. Alsof zijn leven al in losse brokjes uiteen gevallen was. 

                        *

Hard was de kist waar ik mijn hand op legde de laatste keer, die avond waarop vrienden en kennissen kwamen om afscheid te nemen. In de ruimte die vol liep en rook naar natte jas.  

                        *

Ik draai de auto het crematorium-terrein op. Het is druk. Groepjes mensen lopen richting de afscheidsruimte. Een man in een zwarte jas regelt de bezoekerstroom. Het is alsof het Keukenhof-seizoen al weer begonnen is. Ik doe mijn raampje open. ‘Ik kom de as van mijn vader halen’ zeg ik en met een armzwaai word ik doorgelaten.

                          *

In mijn ooghoek zie ik de menigte bij de afscheidsruimte groeien. Ik ben nieuwsgierig maar ik kom de as van mijn vader halen. Bij de balie van het huisje met het rode dak meld ik mij. 

‘Het is druk’, zeg ik. De receptionist kijkt naar buiten en zegt: ‘We hebben een afscheid van een jong meisje, erg triest. We verwachten wel 700 bezoekers.’ Hij leidt mij een schemerige ruimte binnen. Ik neem plaats aan een ronde tafel. 

‘Wilt u wat drinken?’, vraagt hij en dat wil ik. Ik krijg thee met een koekje. ‘Mijn collega komt zo bij u’, zegt hij en hij sluit zachtjes de deur. 

                         *

Ik drink mijn thee, doop het spritsje erin. Zacht-zoete kruimels smelten op mijn tong. Een dame komt binnen en geeft mij een hand. 

‘Had mijn collega verteld dat de as van uw vader daar staat?’ Ik volg haar blik en ik zie een koker op een halfrond tafeltje staan. Een bibberig waxinelichtje staat ernaast. ‘Nee, dat had hij niet gezegd’, antwoord ik. De dame gaat zitten en ik zet mijn handtekening op een aantal papieren. 

‘Ik zal u nu de koker laten zien’, zegt ze. ‘Hier ziet u het plaatje met het nummer, dat correspondeert met het nummer op deze brief.’ Ik staar naar het nummer, de koker, het flikkerende lichtje werpt bevende schaduwen op de muur. 

                         *

‘Ik plak de koker dicht’, gaat de vrouw verder, ‘Wilt u de as zien?’

‘Ja’, zeg ik.

Voorzichtig trekt ze de deksel draaiend omhoog. Ik ga staan.

‘Het is gewoon grijs’, zegt ze. En ik zie fijn, grijs as als het zwart-witte-poederdrop van vroeger dat je van je natte vinger likte. 

‘Het weegt al met al 2 à 3 kilogram’, zegt de dame. ‘Ik zeg altijd: ‘Men keert weer terug naar zijn geboortegewicht’. 

                         *

‘Mijn vader had nog zijn horloge om, mag ik vragen of dat er ook in zit?’, vraag ik.

‘Ja, natuurlijk mag u dat vragen, ehh, het klinkt gek maar het metaal dat achterblijft filteren we en halen we eruit.’ 

‘O’, zeg ik. 

‘Wordt iedereen eigenlijk direct na het afscheid gecremeerd?’, vraag ik. 

‘Ja, in de regel wel’, vertelt de dame, ‘U kunt ervan uitgaan dat – als u met uw gasten in de koffiekamer bent voor de condoleance – het lichaam gecremeerd wordt.’

‘O’, zeg ik.

                         *

Als ik met de koker in een langwerpige tas naar buiten loop komen twee volkswagenbusjes aangereden met hartjes en ‘Love’ erop gespoten in zachte hippie-kleurtjes. Daarachter rijdt een sliert lage, open autootjes die ik ken van het surf-eiland Fuerteventura. Daar sjezen de autootjes over de zand-en lavavlakten. Toeristen zitten erin, met sjaals om hun mond vanwege opstuivend stof en zand.

                         *

De busjes en autootjes staan stil voor de grote menigte. Ik zie meisjes met bloemen in hun armen.

                        *

Thuisgekomen zet ik de tas met as op de grond naast de tafel. ‘Het lijkt wel een fles wijn’, zegt mijn man. Als ik vertel over de menigte mensen, het jonge meisje en de hippie-busjes zegt hij: ‘Ik las laatst een advertentie over een jong meisje dat overleed.’ 

                         *

Ik zoek de advertentie op en ik vind een kleurrijk bericht over de dood van een meisje. Ze werd vijftien jaar. Er is een condoleance-pagina op Facebook aangemaakt. Ik zie een plaatje van een meisje met een surfplank op haar hoofd. ‘Gone surfing’.

                         *

Ik kijk naar de tas met de koker die op een fles wijn lijkt. En ik denk aan de ouders van het meisje die zo in de koffiekamer staan. 

                        ***