Koker


Wanneer de tienduizend dingen gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn

Ts’ên Shên 岑參 (715-770)


Op de zolderkamer staan dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Op de strijkplank ligt een stapeltje schone was. Daarbovenop liggen twee deksels van schoenendozen ter ontmoediging van poes Saar die graag op schone, ongestreken was ligt. 

                           *

De kamer met het moeilijke want schuine wandje – verfraaid met liefdevol behang van vogels en bloemen en kleur – is een rommelkamer geworden. Ooit sliep onze dochter hier. Ze kan er nog wel slapen. Er staat een bed met daarop het dekbed met het dekbedovertrek-van-duizenden-bloemetjes. Maar ook zij beseft dat de jaren van weleer niet terugkeren. Zij slaapt er niet meer.

                            *

Naast het bed staat de koker met de as van mijn vader. De as verhuisde van het kantoortje naar de kamer met dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Ik denk dat de as zich thuis voelt in de oude kamer van de kleindochter. De rommel spreekt de as aan. Bij hem thuis was het ook rommelig. Een strijkplank in de zijkamer, een gammel bureau, dozen, een wasrek, ja, ik weet het zeker: die zolderkamer is een prima plek.

                             *

Er komt een dag dat de koker met as vertrekt. Op een mooie dag in juni maakt de as een korte reis in een fietstas. De fietster fietst voorzichtig – denkend aan de koker in haar tas – naar het strand, de zee. In de vroege ochtend verzamelen negen mensen zich met slaap-ogen aan de vloedlijn. Iemands broek en schoenen zullen nat worden. 

                            *

Als ik naar beneden loop van de zolderkamer, de trap af denk ik aan de maanden die zijn verstreken. De maanden zonder mijn vader. Maanden waarin ik niets kon vertellen, niets kon doen.

                            *

‘Maar volgend jaar/als jij in duizenden grijze stukjes/meegevoerd door stromingen/door het water bent opgenomen/opgelost als suikerkristallen in thee/dan zijn de dozen opgeruimd/de strijkplank ingeklapt/het wasrek verplaatst/Je herkent die kamer/dan niet meer terug/pa’

                          ***

Advertisements

Broos


Langzaam wordt de arm weer van mij. Vier weken lang behoorde mijn arm toe aan de brace. Een ingewikkelde mitella van klittenband die ik kreeg van de verpleegkundige in het kelderziekenhuis van het bergdorp Les Deux Alpes. Ze vouwde de constructie – want dat was het – uit met achteloze gebaren van jarenlange ervaring. Ik keek benauwd toe. Zou ik kunnen onthouden hoe dat ding nu precies in elkaar zat? Ik nam me voor de brace voorlopig niet af te doen. Dan liep ik het minste risico te verdwalen in dat woud van klittenband.

                          *

De brace was vier weken lang mijn toegang tot de onveilige buitenwereld. Alle ogen trokken naar de blauwe constructie en men begreep dat daaronder iets niet klopte. Onwillekeurig hield men afstand en dat was fijn. De gekwetste schouder was intussen aan het werk: bloeduitstortingen die fijne draadjes trokken van bloedvaten, cellen die zich vermenigvuldigden, botdeeltjes die zich langzamerhand aan elkaar vasthechtten als de twee delen van het gebroken beeldje dat jarenlang – zorgvuldig door mijn vader gelijmd – op het dressoir stond van mijn ouders. Als je er vlakbij stond en goed keek zag je het: dat dunne breuklijntje, je pakte het kameeltje – want dat was het – niet meer op, zometeen viel het in twee stukken uiteen.

                          *

Het werden vier weken met zeeën van tijd voor, ja voor wat eigenlijk? Lezen bleek – nu er zoveel lege uren waren – minder aantrekkelijk dan lezen in krappe uurtjes tussen werken, eten, sporten en slapen door. Je kan ook niet de hele dag t.v. kijken, het ultieme symbool van nietsnutten en luiaards. 

                         *

Ik maakte iedere dag een ommetje en zag alle uithoeken van mijn slaperige dorp. Alleen mensen met honden maken ommetjes ontdekte ik. Ik zigzagde van de bibliotheek naar het weiland met schapen, van het bos met de grootste speeltuin van Nederland naar het stille landgoed van de inrichting voor verstandelijk gehandicapten. Ik zag niemand.

                      *

Vandaag maakte ik mijn eerste ommetje zonder brace. 

‘Zou je dat wel doen?’, vroeg mijn man, ‘Niemand ziet dat je wat aan je schouder hebt.’

Maar ik deed het. Het voelde bloot maar vrij. Als een gewoon mens liep ik door de stille straten, het verlaten stukje bos. Toen ik langs de tennisbaan liep riep een jongetje wat naar mij. Ik stond stil. ‘Mevrouw, kunt u mijn bal over het hek gooien?’, vroeg hij. Ik keek naar de bal. Het was een fluorescerende gele tennisbal. Hij lag in het gras. Ik keek naar het hek. Dat was minstens vijf meter hoog.

‘Ik heb mijn schouder gebroken, ik zou de bal wel willen teruggooien maar dat lukt mij niet’, zei ik. Het jongetje keek naar mij. Ik zag dat hij gewoon een mevrouw zag met twee armen. Ik liep door. Een beetje verslagen. 

                       *

Thuis lag de brace werkeloos op mijn bed als een stuk huid zonder lijf. ‘Yezz, but zis is zie best peenkiller’, aldus de Franse arts met walrus-snor toen ik vroeg of ik pijnstillers van hem kreeg. Hij wees naar de brace die snel en deskundig om mijn lijf werd aangebracht. Het was zo. Ik bewaar hem nog maar even, de brace.

                     ***