Foto

                                                                            
Twee discjockey’s vullen de ruimte met loze praat. Hun stemmen gaan tegen elkaar in als pingpongballen van tafeltennissers die wild om zich heen slaan. Heel soms slaan ze een balletje over het net. 

Op een bordje voor mij staat in keurige letters:

Koffiepauze 10.30-10.45 uur

Lunchpauze 12.30-13.15 uur

Theepauze 15.00-15.15 uur.

                                                         *

Met een schuin oog kijk ik naar buiten door de glazen deur naar mijn auto. Deze staat netjes geparkeerd voor de bus waar ik zojuist inklom. Ik zit braaf op een bankje tegenover het bordje. Vaag hoor ik geluiden die van achter komen, mijn oren spitsen zich, ik hoor een lepeltje dat tikt tegen een kopje en zacht lachen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 13.13 uur. Mijn afspraak is om 13.25 uur. Dat is zo’n rare precieze tijd dat ik ervoor zorgde – geheel tegen mijn gewoonte in (‘Mam, jij bent altijd te laat’) – ruim voor 13.25 uur aanwezig te zijn.

                                                        *

Het erge is dat ik de afspraak die ik eigenlijk had – een paar weken geleden – geheel vergeten was. Het was de eerste maandag na terugkeer van onze reis naar China, dat leek mij handig. Ik was nog vrij en had dan alle tijd. De maandag ging voorbij en een paar dagen later dacht ik opeens aan de afspraak. Schuldbewust wilde ik bellen, uitleggen dat ik het vergeten was door mijn vakantie, maar het bandje verwees mij naar de site. Ja, de site. Dat ontsloeg mij van het maken van excuses. Ik maakte zelf een nieuwe afspraak via de site, vandaag om 13.25 uur op een plek die ik niet kende. Ik dacht dat het Haarlem-Noord was maar het bleek Schalkwijk te zijn. 

                                                       *

‘Het is daar bij dat winkelcentrumpje, vlakbij de Haarlemmerweg’, zei mijn man behulpzaam. Hij tuurde op het schermpje op zijn telefoon en ik verbaasde mij erover dat hij wist hoe dat werkte met het kaartje.

‘Zie je er tegenop?’, vroeg mijn zoon.

‘Ach, fijn is het niet’, antwoordde ik. Ik zei er niet bij dat ik er geen zin in had en er wel tegenop zag. Het doet ook pijn, nou ja, pijn, lekker is het niet. En het confronteert mij met dat waar ik liever niet aan denk. Mijn moeder, mijn schoonmoeder, mijn schoonzus. Ik denk aan de woorden van mijn broer: ‘Een bult zo groot als een tennisbal’ en ik zie de lieve Cootje voor mij in de zachte schemer van de ziekenhuiskamer. Ik ruik de lucht van ziekenhuis, adem het in. ‘Zorg je goed voor mijn zoon?’, vroeg ze. Een dag later was ze dood. 

                                                       *

Het is 13.15 uur. Ik hoor gestommel. Een dame van middelbare leeftijd neemt plaats achter het bureautje waarop het bordje met de pauzetijden staat. 

‘Goedemorgen’, zegt ze, ‘O nee, goedemiddag al.’

‘Goedemiddag’, zeg ik. Ik houd het ingevulde formulier zichtbaar vast en mijn rijbewijs trek ik uit het hoesje van mijn telefoon. Ik overhandig beide bewijsstukken van mijn komst en bestaan aan de dame. Achter haar staat een jong meisje. Ze lacht vriendelijk.

‘Uw huisarts heet dokter Prinsen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja’, zeg ik.

‘Weet u ook hoe de praktijk heet?’

‘Eeeh, nee’ en ik pijnig mijn hersens. Hoe heet de praktijk? 

‘Ik kom er bijna nooit’, zeg ik verontschuldigend.

‘Ik heb het al’, zegt de vrouw. Het meisje stapt naar voren en geeft mij een hand. 

‘U kunt zich hier omkleden, u doet de deur achter u op slot, alle bovenkleding mag uit.’  

                                                          *

Even later sta ik weer in het nauwe gangetje van de bus. ‘U krijgt binnen twee weken de uitslag’, zegt de dame vriendelijk. Met een raar soort opluchting verlaat ik de bus, loop het ijzeren trappetje af, naar mijn auto. 

                                                           *

‘Hoe ging het?’, informeerde mijn zoon ‘s avonds. Hij nam een hap pompoensoep. Zijn lippen kleurden een beetje oranje.

‘Ja, het ging’, zei ik. 

‘Wanneer krijg je de uitslag?’, vroeg mijn man.

‘Over twee weken’, zei ik. 

                                                            *

En dan kan ik het allemaal weer vergeten. Twee hele jaren lang.
                                                          ***

Advertisements

Spijt 


‘Je weet het niet, je weet het niet.’ Ik loop achter de oude man aan. Waar is Riet? Meestal doet zij de deur open. Een dame van 85 met een bob-kapsel en zware bril. Klein van stuk. Kwikzilverig. ‘Jouw papa, he? Die mag ik zo graag!’ 

                        *

Nu loop ik achter haar man aan het huis binnen. Een oude-mensen-huis met kleden op de vloer, een vaasje op de tafel en foto’s in de vensterbank. Zware meubels met daartussen potten met planten. Het grote raam biedt uitzicht op het bos. ‘Ik noem het mijn voortuin’, zei hij ooit trots tegen mij. 

                         *

Hij schuifelt naar de zacht-leren bank in de erker en gaat zitten. Ik neem ook plaats op het puntje. 

‘Je weet het niet’, zegt hij nogmaals. En hij drukt mij een lichtgele kaart in mijn hand. Ik zie een bob-kapsel, een zware bril. 

‘Is ze overleden?’, vraag ik tegen beter weten in. En ik denk aan mijn man die een paar weken geleden zei ‘Moet je niet eens langsgaan?’ En mijn antwoord ‘Na onze vakantie ga ik.’

                          *

En nu is Rietje dood. De vriendin van mijn vader die hem altijd uitnodigde voor haar Indische rijsttafel. De wijn die haar man Daan voor mijn vader – die nooit dronk – tevoorschijn haalde uit de wijnkelder. ‘Ik neem altijd wel een glaasje’, vertelde mijn vader die niet durfde te weigeren. ‘Hij heeft er veel verstand van’, voegde hij er altijd bewonderend aan toe.

                       *

Tien maanden geleden schuifelden Rietje en Daan samen over het middenpad van de gedenkruimte naar de kist van mijn vader. Zij, die moeilijk liep – ‘Ik heb een klapvoet, lastig hoor!’ – hield Daan, die bijna niets zag door een voortschrijdende oogziekte – stevig vast. Een gekrompen echtpaar op weg naar weer een verdwenen vriend.

                          *

Ik zit naast Daan die vertelt over de operatie van Rietje en alles wat daarna misging. Haar optimisme ‘Laten we een paar weken naar de zon gaan’, afgewisseld door sombere buien: ‘Ik ga de pijp uit.’ 

                         *

‘Ik heb je nog gebeld maar ik kreeg heel iemand anders aan de lijn’, beweert de bijna blinde. Hij laat mij mijn telefoonnummer zien in het oude klappertje. Het klappertje heeft een stoffen omslag.

‘Dat is mijn nummer’, zeg ik. 

                          *

Maar Daan vertelt verder. Hij praat over Rietje, over zijn interessante werk-leven, over Trump, Indie, wijn. Hij praat en hij praat. Ik denk aan Rietje, ik probeer zijn verhalen te volgen en op de juiste momenten in te hummen. In mijn ooghoek zie ik de lichtgele kaart als een wazige vlek op tafel liggen. Daans verhaal wordt eenmaal onderbroken door zijn zoon die op deze dag het huis schoonmaakt. ‘Ze zorgen goed voor mij’, zegt Daan. 

                         *

Als de zoon na een tijd weer verschijnt stap ik op. Daan legt zijn hand op mijn schouder. Zijn ogen zijn vochtige streepjes. ‘Ze was erg op je gesteld’, zegt hij.

                         *

Buiten schijnt de zon. Daans voortuin – het bos achter de vijver – is nog uitbundig groen. Kroos ligt op het water. Ik fiets langs de vijver waar Rietje vorig jaar met de auto in terecht kwam ‘Geen idee hoe dat nu ging. Ik ben zo geschrokken!’ 

                             *

Ik wist het niet, ik wist het niet.

                            ***

Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***