Spijt 


‘Je weet het niet, je weet het niet.’ Ik loop achter de oude man aan. Waar is Riet? Meestal doet zij de deur open. Een dame van 85 met een bob-kapsel en zware bril. Klein van stuk. Kwikzilverig. ‘Jouw papa, he? Die mag ik zo graag!’ 

                        *

Nu loop ik achter haar man aan het huis binnen. Een oude-mensen-huis met kleden op de vloer, een vaasje op de tafel en foto’s in de vensterbank. Zware meubels met daartussen potten met planten. Het grote raam biedt uitzicht op het bos. ‘Ik noem het mijn voortuin’, zei hij ooit trots tegen mij. 

                         *

Hij schuifelt naar de zacht-leren bank in de erker en gaat zitten. Ik neem ook plaats op het puntje. 

‘Je weet het niet’, zegt hij nogmaals. En hij drukt mij een lichtgele kaart in mijn hand. Ik zie een bob-kapsel, een zware bril. 

‘Is ze overleden?’, vraag ik tegen beter weten in. En ik denk aan mijn man die een paar weken geleden zei ‘Moet je niet eens langsgaan?’ En mijn antwoord ‘Na onze vakantie ga ik.’

                          *

En nu is Rietje dood. De vriendin van mijn vader die hem altijd uitnodigde voor haar Indische rijsttafel. De wijn die haar man Daan voor mijn vader – die nooit dronk – tevoorschijn haalde uit de wijnkelder. ‘Ik neem altijd wel een glaasje’, vertelde mijn vader die niet durfde te weigeren. ‘Hij heeft er veel verstand van’, voegde hij er altijd bewonderend aan toe.

                       *

Tien maanden geleden schuifelden Rietje en Daan samen over het middenpad van de gedenkruimte naar de kist van mijn vader. Zij, die moeilijk liep – ‘Ik heb een klapvoet, lastig hoor!’ – hield Daan, die bijna niets zag door een voortschrijdende oogziekte – stevig vast. Een gekrompen echtpaar op weg naar weer een verdwenen vriend.

                          *

Ik zit naast Daan die vertelt over de operatie van Rietje en alles wat daarna misging. Haar optimisme ‘Laten we een paar weken naar de zon gaan’, afgewisseld door sombere buien: ‘Ik ga de pijp uit.’ 

                         *

‘Ik heb je nog gebeld maar ik kreeg heel iemand anders aan de lijn’, beweert de bijna blinde. Hij laat mij mijn telefoonnummer zien in het oude klappertje. Het klappertje heeft een stoffen omslag.

‘Dat is mijn nummer’, zeg ik. 

                          *

Maar Daan vertelt verder. Hij praat over Rietje, over zijn interessante werk-leven, over Trump, Indie, wijn. Hij praat en hij praat. Ik denk aan Rietje, ik probeer zijn verhalen te volgen en op de juiste momenten in te hummen. In mijn ooghoek zie ik de lichtgele kaart als een wazige vlek op tafel liggen. Daans verhaal wordt eenmaal onderbroken door zijn zoon die op deze dag het huis schoonmaakt. ‘Ze zorgen goed voor mij’, zegt Daan. 

                         *

Als de zoon na een tijd weer verschijnt stap ik op. Daan legt zijn hand op mijn schouder. Zijn ogen zijn vochtige streepjes. ‘Ze was erg op je gesteld’, zegt hij.

                         *

Buiten schijnt de zon. Daans voortuin – het bos achter de vijver – is nog uitbundig groen. Kroos ligt op het water. Ik fiets langs de vijver waar Rietje vorig jaar met de auto in terecht kwam ‘Geen idee hoe dat nu ging. Ik ben zo geschrokken!’ 

                             *

Ik wist het niet, ik wist het niet.

                            ***

Advertisements

Yellow submarine

                     
So we sailed up to the sun

Till we found the sea of green

En nu schrijf ik over stilte in huis, een ijskast die aanfloept. De poes die zich naast de stoelpoot neervleidt, twee stoelen verderop. Dichtbij, maar toch ver genoeg voor haar afstandelijke poezenhartje. 

                       *

Buiten in de tuin fluit een vogeltje. De planten in de potten hebben nog bloemen maar gele bladeren schemeren tussen de groene. De bladeren van de druif krijgen lichtbruine randjes. Dit jaar heb ik geen druif gezien. Zouden we straf krijgen omdat we nooit wat met hem doen? Niet snoeien, niet plukken, alleen een beetje bijknippen als het de spuigaten uitloopt.

                       *

Boven is het stil. De mannen slapen. Op de tafel stond vanochtend een gele onderzeeboot van Lego. Onze zoon gaf deze aan zijn vader die jarig was. Toen ik naar bed ging was de zoon bezig de stukjes in en aan elkaar te klikken tot een gele onderzeeboot. En nu is hij af. De Yellow Submarine. De vier Beatle-poppetjes staan gebroederlijk op een rijtje voor de boot. Ze staan op een smal rechthoekig plankje. Hun vierkante hoofdjes lijken aandoenlijk veel op de echte. John heeft een sterrenkijker in zijn grijphandje. De kijker kan net niet goed voor zijn ogen gedraaid worden want dan glipt hij uit zijn stijve handje.

                           *

De stilte van dit huis staat in schril contrast met het lawaai van Shanghai, waar wij waren. Een stad die de mens nietig maakt.                    

                         *

‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn’, zei onze zoon. ‘Het was erg stil.’ Onze dochter appt vanuit Shanghai: ‘Superleuk dat jullie er waren!’ Ze voegt twee tevreden zwaaiende poppetjes toe aan het berichtje. Het is fijn om thuis te zijn, het was fijn daar te zijn.

                      *

Een dreigende lucht hangt boven de tuin. Twee kranten vallen op de mat. De ijskast floept aan. Een fietser flitst voorbij.

                        *

De onderzeeboot van Lego staat nu op de kast. De kijker van John is op mij gericht alsof hij zoekt naar een verborgen avontuur in mijn hoofd. The sun, a sea of green. Ik wend mijn hoofd af. Nu even niet. 

                       ***

Little fish

              


Our mission                                       

To be a source of inspiration for guests, through the beauty of our surroundings, the quality of our service, and the sustainability of our business practices *

De lantarens aan de oever van de rivier de Yulong floepen aan. Ook verlichten lampion-achtige lampen het restaurant. Het ruizen van watervalletjes in de rivier begeleiden de tropische avond en vormen samen met het lieflijke geluid van krekels een mierzoet orkestje. Een roze-omrande wolk hangt intussen roerloos tussen twee bergtoppen in. Even later schijnt een maantje als een helwit banaantje in de pikzwarte lucht. 

                        *

Een Chinese serveerster plaatst naast onze tafel aan de rivier een schoteltje met wierook. Dat verdrijft de insecten die onzichtbaar maar ongetwijfeld in groten getale azen op onze onbedekte armen en benen. 

Ze zijn vriendelijk, de jonge meisjes die hier werken. En ze spreken allemaal Engels.

                         *

In de kamer lees ik in de informatie- map waar de vriendelijkheid van de jonge Chinese meisjes vandaan komt. Dit hotel, ooit gestart door een Amerikaanse ontwerper met een paar bedden, een balie en een telefoon groeide uit tot een eco-resort met bamboe-meubels, zonne-panelen, gezonde voeding en inzet van lokale jongeren als hotelmedewerkers die moeten bijdragen aan deze ‘model tourism facility’.

                        *

In het informatieboekje van het hotel – met een bamboe-omslag – staan de visie, missie en kernwaarden van de ‘Mountain retreat family’. De visie luidt: ‘To be consistently recognized as a model tourism facility in China by offering superior value and an authentic experience to guests. Our work results in the prosperity of Yangshuo by creating opportunities for local people, and a deeper appreciation for their culture and history for all who visit us.’ 

                        *

Het lukt ze goed, betekenis geven aan de visie. De locatie, het geweldige plekje aan de rivier waarop bamboe-vlotten met Chinese toeristen onder gekleurde parasolletjes langzaam voorbijdrijven, draagt zeker hieraan bij. Maar de meiden doen ook heel erg hun best. 

                        *

Bij de receptie vraagt een Franse dame of ze haar glas mag meenemen naar de kamer. Het gezicht van het jonge meisje achter de balie – ongetwijfeld pas ingelijfd bij de ‘family’ – staat op ‘nee’. Haar supervisor grijpt snel in: 

‘Yes, of course!’, roept ze vrolijk. Het nieuwe meisje kijkt beteuterd. Nog niet helemaal gewend aan de ‘vision’ en ‘core values’ van de Mountain retreat family. De supervisor heet ‘Little fish’ lees ik in het bamboe-boekje. Geweldig.                

                        *

Dat het ook anders kan bewijst ons volgende hotel dat in de regio met de grootste rijstvelden ter wereld ligt, Ping’an. Alle gezichten hier staan op nors. Niemand spreekt Engels, we gokken hoe laat het onverschillig- neergesmeten ontbijtbuffet begint. Ze zouden wat kunnen opsteken van Little Fish. En ik denk aan de slogan achterop de zwarte t-shirts van de Mountain-retreat-meiden: ‘Be inspired’. 

                         ***

*http://www.yangshuomountainretreat.com/mb/community/our-family.htm

Modern art

Bloodline, Zhang Xiaogang *

De vlucht van Chengdu naar Guilin vertrekt volgens onze reispapieren om 7.35 uur. Om 5.00 uur ‘s ochtends haalt een taxichauffeur ons op. De guard bij de poort van het hotel opent het hek vanuit zijn bed in het wachthok. Het bed past precies tussen de twee wanden van het hok. Ik zie een wit laken bewegen en begeleid door een slaapkreun gaat langzaam de ijzeren poort open. Daarachter staat de chauffeur. Snel neemt hij de koffers van ons over. We kunnen niet met hem praten, hij spreekt alleen Chinees.
                       *

Stil en wit van de verbroken slaap zitten we achterin de taxi. In mijn hand knispert het plastic zakje met het ‘ontbijt’ dat het hotel netjes voor ons klaarzette in de ijskast naast de blikjes cola en flesjes bier. Er zitten wat ingepakte cake-jes in, een flesje water en iets dat lijkt op een mini-eierkoek. 

‘Wat is dit?’, vraagt mijn man. Hij houdt een rolletje voor mijn neus. Ik lees op de verpakking dat het een ‘Swiss roll’ is. 

‘Het is een soort cake-je met room ertussen’, antwoord ik. In twee happen verorbert hij de Swiss roll. Het gekookte ei in het zakje laat hij voor wat het is. Ik heb geen honger en ik staar naar buiten. Op de doorgaans overvolle wegen is het op dit tijdstip rustig. De chauffeur rijdt dan ook flink door. Even denk ik aan Diana en Dodi als we met hoge snelheid door een tunnel racen. Ik voel aan mijn riem. Deze zit goed vast.

                           *

Bij het ultra-moderne vliegveld van Chengdu zet de chauffeur ons af. Hij wimpelt de fooi af en ik zwaai naar hem. Een klein lachje zie ik op zijn gezicht. Het is meer een verschuiving rond zijn rechtermondhoek. Snel rijdt hij weg. 

                           *

Wij sluiten aan bij een rij voor een eerste security-check dit keer al vóór de vertrekhal. Vlak voordat wij aan de beurt zijn komt een groep Chinezen aanlopen die zich niks aantrekt van de nette rij. Brutaalweg schuiven zij hun zware koffers voor onze voeten. Ik duw terug, wrik en wring een vrouw voorbij met een zilverkleurige trolley. ‘Blijf je bij mij in de buurt?’, vraagt mijn man maar ik laat deze voordringerij niet zomaar gebeuren. Ondanks het vroege uur ben ik opeens klaarwakker. Zijn ze gek geworden?

                          *

Alle moeite die ik deed om mijn oude plek in de rij terug te veroveren blijkt niet echt nodig geweest te zijn. Onze vlucht vertrekt pas om 8.20 uur. Wij hebben drie uur de tijd. 

In de wachtruimte van gate 37 is het druk. Tientallen Chinezen wachten op hun vlucht. Twee vluchten naar Harbin zijn vertraagd vanwege ‘slechte weersomstandigheden’. 

                         *

Naast mij zit een jonge Chinees. Hij draagt een zwart-wit geblokt overhemd boven een strakke spijkerbroek. Zijn iPhone oortjes maken overuren want ondanks het vroege tijdstip belt hij voortdurend of wordt hij gebeld. Tussen de gesprekken door rochelt hij hevig. Zijn geblokte hemd ruikt naar knoflook vermengd met zweet. Zodra er een ander plekje vrijkomt pak ik mijn spullen en verhuis ik. 

Achter de balie van gate 37 schreeuwt opeens een employee in staccato-Chinees een bericht. Een deel van de mensen reageert als door de bliksem getroffen en snelt naar gate 37. De vertraagde vlucht naar Harbin vertrekt.
                       *

Ik mijmer wat over de afgelopen dagen. Het doorgronden van de Chinese volksaard lastig. In de regel doen ze alsof ze je niet opmerken. Ook al ben je de enige Westerling in de hutong, men kijkt dwars door je heen. Soms willen ze over-enthousiast met je op de foto. Nou ja, niet met mij (donker haar, donkere huid en bruine ogen). Wel met mijn dochter (blond, witte huid, blauwe ogen). Er vormt zich soms een rij met Chinezen die een selfie met haar willen maken. 

                         *

Engels spreken Chinezen niet of nauwelijks en als ze het spreken versta je het niet. Op iedere hoek van de straat en bij ieder zebrapad – waar niemand voor je stopt – staat een man of vrouw met een fluorescerend hesje. Zij gebaren fietsers ietsje naar achteren, duwen voetgangers naar voren, fluiten schril op hun fluitje zodra het licht groen wordt. Het oude communistische ideaal – iedereen aan het werk, al dan niet zinvol – met op de achtergrond de enorme wolkenkrabbers als symbool van de economische hervormingen, het is een vreemde combinatie. 

                       

                          *

In een prachtig gebouw midden in het centrum van Chengdu is ‘The Museum of Modern Art’ gevestigd. Volgens onze gids mag iedereen op vertoon van het paspoort gratis naar binnen. 

‘Misschien kunnen we daar een kopje koffie drinken’, oppert mijn man, denkend aan de Nederlandse musea met hun restaurants en koffie-bars. We nemen in het met marmer beklede gebouw de glimmende roltrap naar de eerste etage. Helaas is de expositieruimte gesloten. Op de tweede verdieping achteraan is een zaal open. 

                           *

Schilderijen met heroïsche taferelen van gehelmde soldaten in camouflage-kleding en stoer-marcherende troepen in felle kwaststreken hangen aan de muren. Op de derde etage zien we een zaal met waterig-geschilderde bergtafereeltjes. Ernaast hangt een velletje met gekalligrafeerde karakters. Een restaurant of koffie-gelegenheid zien we niet. Gedesillusioneerd lopen we naar buiten. 

‘Een mooi gebouw met weinig inhoud’, zegt mijn man. En we filosoferen over kunst die ontroert, verrast, iets uitdrukt van deze of de toekomstige tijd, soms onwelgevallige gevoelens oproept, provoceert, kritiek uitoefent. Ik heb niet het idee dat dat hier op prijs gesteld wordt’, zeg ik.

                            *

Een klein lichtpuntje vormt een enthousiast bericht van onze dochter die haar eerste colleges volgt in Shanghai.

‘Ik heb een superleuke professor!’, appt ze. ‘Hij studeerde aan Harvard en geeft het vak ”Chinese legal system”. Erg interessant.’ 

Ze vervolgt: ‘Hij praat vanuit een normaal perspectief. ”De culturele revolutie verwoestte alles”, zei hij.’

                          *

Wie weet hangt ooit in dat prachtige, halflege gebouw in Chengdu wél verrassende ‘Modern Art’. Vanuit een nou ja, wat is normaal, perspectief. 

                     *** 

*http://www.pacegallery.com/exhibitions/12571/zhang-xiaogang

Wan Li


Als we de poort van ons hotel uitlopen staat rechts van ons een beige busje. Het is half acht ‘s ochtends. We zijn vroeg want vandaag bezoeken wij de panda-beren in het complex met de veelbelovende naam, Giant Panda Breeding Research Base. Panda’s zijn alleen ‘s ochtends actief. Dan krijgen zij eten en bewegen zij een beetje. Verder slapen zij de hele dag. 
                     *

Mijn man loopt naar de chauffeur en vraagt hem of dit het busje is dat ons vanuit Chengdu-stad naar de panda’s brengt. Een fragiel meisje duwt haar iPhone voor mijn man’s neus en zegt wat. Maar hij luistert niet en blijft zich wenden tot de chauffeur.

                       *

‘Raym’, zeg ik, ‘Volgens mij is zij onze gids.’ Maar het helpt niet. Hij blijft gebaren tegen de man die naast de auto geleund staat. Het gezicht van de man is bruin. Van dat verweerde bruin met rimpels. Duidelijk geen moderne Chinees die het gezicht zoveel mogelijk uit de zon houdt met sjaals, mondkapjes en parasols. Vooral jonge, Chinese vrouwen zijn graag zo wit mogelijk.

                        *

Het meisje houdt aan en duwt haar telefoon nu goed onder de neus van mijn man. Eindelijk kijkt hij. Zij laat onze naam op het schermpje zien. 

‘I am your guide today’, zegt zij vriendelijk. Haar tengere gestalte blaas je zo om. Ze draagt een grote bril en haar lange haar valt over haar smalle schouders. ‘My name is Wan Li’, zegt ze even later in de auto. ‘Wan’ betekent elegant. Li ‘Is just a name my father gave me’, lacht ze. Elegant is ze. Lichtvoetig hupt ze de auto uit en leidt ons naar het mooi aangelegde park waarin de panda’s huizen. 

                          *

Wan Li is trots op het park en de panda’s. Alle dieren die wij als brave toeristen uitgebreid fotograferen fotografeert zij ook. Zij hangt net als wij zo ver mogelijk over het hek om de alsmaar bamboe-etende panda’s goed te zien. Tijdens het lopen legt zij van alles uit over het fokken van panda’s, het verschil tussen dit park en andere parken (‘This one is the most professional’) en helemaal blij wordt ze zodra ze hoort dat wij uit Nederland komen. ‘You got just two panda’s from us!’, en enthousiast vertelt ze dat ze beide panda’s goed kent. Vooral het mannetje. ‘I’ll show him your picture’, grapt mijn man en Wan Li lacht en lacht. 

                      *

Op de terugweg vertelt ze over het strakke schoolsysteem en de druk die op alle kinderen ligt om te slagen voor DE TEST. DE TEST bepaalt alles. Als je de beste bent en dat ben je met ‘A level one score’, aldus Wan Li kan je naar de beste universiteit en betaal je het minste geld. Er zijn kinderen die meerdere jaren achter elkaar proberen de hoogste score te behalen al kost ze dat telkens nog een jaar extra op high-school. Wan Li vertelt dat haar moeder en leraren vonden dat zij level one moest kunnen halen. Maar het werd level two en Wan Li vond het best. ‘I don’t like to study’, lacht ze, ‘I like to work.’

                      *

Bij het afscheid krijgen we een omhelzing van Wan Li en ze geeft ons haar kaartje: ‘You can call me anytime!’, zegt ze. Ik bekijk het visite-kaartje. Er staat een panda-beertje op. 

                       ***

Lotus


‘Vreemd om opeens hier te staan’, zegt mijn man. We wachten op de taxi. Voor ons speelt zich het tafereel af van alle luchthavens. Taxi’s, busjes, koffers, mensen. De warmte drukt op ons als een elektrische deken die de hele nacht op de hoogste stand heeft aangestaan. 
                              *
We zijn in Peking. Beijing. We ontmoeten hier onze dochter die de trein vanuit Shanghai neemt. ‘Ik ben er rond 13.00 uur’, appt ze. We spreken af bij ons hotel dat midden in een volkswijk van Beijing ligt. Hutong zeggen ze hier. De taxi brengt ons er naar toe.
                             *
De auto rijdt langzaam door de nauwe straatjes van de hutong. Een tafereel uit Kuifje en de Blauwe Lotus ontrolt zich voor onze ogen. Chinezen op fietsen, Chinezen met betjah’s en elektrische scooters, we zien springende honden en spelende kinderen. De chauffeur klapt zijn buitenspiegels dicht. Achter de taxi waaiert het tafereel weer uit als zand dat zich door de smalle hals van de zandloper wringt. Chinezen op fietsen, Chinezen met betjah’s en elektrische scooters, we zien springende honden en spelende kinderen.
                          *
Het Shadow Art Hotel bevindt zich midden in het nauwe steegje. Een modern gebouw, architectonisch perfect passend bij de lage bebouwing van de wijk. In de lobby staat een poppentheater waarin platte, fijnbewerkte figuurtjes achter een verlicht scherm met behulp van onzichtbare handen schaduwverhalen vertellen. Het wordt ons direct trots verteld: ‘Every saturday-evening shadow-art-performance. You must see!’ Jaja, knikken wij, verlangend naar een koele kamer, een bed na de lange vlucht en maar drie uurtjes slaap.
                         *
‘Ik loop haar zo tegemoet’, zeg ik tegen mijn man op het bed. ‘Maar van welke kant komt zij?’ Mijn man zegt dat ik ook hier kan wachten. Ik loop naar beneden.

Ik leg mijn hand tegen de zware voordeur van het hotel. De deur is bewerkt met houtsnijwerk. Het reliëf voelt zacht aan. Ik duw, maar de deur wijkt niet. ‘Push the button to open the door’ staat op een bordje en ik push. ‘Hallo!’, hoor ik achter de deur. ‘Hallo!’ En daar staat ze. Haar hand hangt in de lucht. ‘He, daar ben je al’, zeg ik.
                         *
Vier dagen trekken we door Beijing. Een jongen in onze straatje poetst zijn tanden, hij zit gehurkt boven het rooster in de weg en spoelt de tandpasta weg met water uit de lichtblauwe beker in zijn hand. Achter hem zie ik een gang volgepropt met meubels, dekens, pannen. Vochtige donkerte achter grijze muren. Bij het langslopen ruik ik een zurig vlaagje opgedroogde urine.
                            *
Met onze Nederlandse gids Inge fietsen we de volgende dag door de stad. Oud vermengt zich met nieuw. Een glimmend gebouw van Rem Koolhaas valt bijna op de vervallen straatjes met elektriciteitsdraden die als vrolijke straatversiering tussen de huizen hangen. ‘Deze wijk wordt binnenkort afgebroken’, wijst Inge. Een peuter met een van achteren opengewerkt broekje dat luiers bespaart klautert over de drempel van een huisje. Zijn dunne billetjes steken uit als twee kaneelkleurige halve maantjes.
                            *
In het complex van het keizerlijke zomerpaleis even buiten de stad schittert het water van het – door mensenhanden gegraven – meer in het vroege zonlicht. Chinese ouderen schuifelen achter elkaar aan door de overdekte en rijk beschilderde buitengang die een keizer voor zijn moeder liet bouwen. ‘For an excellent view on the lake’, aldus onze Chinese gids Bruce, wiens Engels wij nauwelijks verstaan. Het maakt de excursie vermoeiend. Bruce praat graag en veel.
                             *
Lotus-blad ligt verstild op het water. Sommige bladeren vergelen, de zaden van de uitgebloeide bloemen verspreidden zich al over het park, het paleis, het water.

‘Lotus’, zeg ik tegen mijn dochter die naast mij loopt, ‘Dat zou een mooie naam zijn voor een meisje.’
‘Wel een hoog Vlinder-gehalte’, zegt mijn kind en ik val van mijn Chinees-poëtische wolk af. ‘Ja’, beaam ik spijtig. Maar ik proef toch nog even de naam. Lotus.
                      ***

Gehaktballetje


Een heer met een krulsnor en een vrouw met Reebok-wandelschoenen zitten schuin tegenover mij in de koele wachtruimte van Schiphol. Ik draag dezelfde schoenen als de vrouw. Reebok, zwarte wandelschoenen en zo te zien ook maat 38. De schoenen lijken op gympen, daarom kocht ik ze. Ze zagen er niet al te erg uit. 

                         *

De Reebok-vrouw maakt oogcontact met de heer tegenover haar. Een pluizige kring lichtgrijs haar zweeft als een halo rond zijn voorhoofd en slapen en eindigt van achteren gek genoeg in een paardenstaartje. Een zwart elastiekje houdt het staartje op zijn plaats.
                      *

‘U reist ook met SAWADEE?’, vraagt de vrouw met mijn schoenen aan de man. 

‘Ja’, zegt het paardenstaartje. 

Aan zijn rugtas, die naast mij in een stoel staat, hangt een kaartje waarop staat: SAWADEE. 

‘Je haalt ze er gelijk uit’, glundert de vrouw. Haar man naast haar knikt. Zijn grijze snor beweegt lichtjes mee, de puntjes zijn mooi gekruld. Ik zie zijn dikke duim en wijsvinger ‘s ochtends de snor zorgvuldig krullen. Mijn vingers bewegen met deze gedachte mee; duim tegen wijsvinger, een beetje vet ertussen en draaien maar.

                       *

De Reebok-dame pakt haar telefoon.

‘O God’, zegt mijn man, ‘Ze zal toch niet gelijk een WhatsApp-groep aanmaken?’ Maar dat doet ze. Resoluut tikken haar vingers op de telefoon. Naast haar komt een dame zitten met grijs, kortgeknipt haar. Zij is ook op reis met SAWADEE. Deze dame draagt echte wandelschoenen: hoge beige, met rood-witte veters door koperen lusjes, strak aangetrokken. Haar man zit schuin tegenover haar. Schutterig staat hij op en schudt zijn mede-SAWADEEERS de hand. ‘Leo’, zegt hij.

                        *

‘Hij lijkt op opaatje’, fluister ik in mijn man’s oor, ‘je weet wel, opaatje met de filmcamera.’ Ooit maakten wij een groepsreis door Israël. In de groep zat opaatje. Hij droeg een camera van ontzagwekkend formaat op zijn schouder. Alles en iedereen filmde hij. 

                        *

Onze medereizigers, waarvan velen een Christelijke achtergrond hadden, wisten alles van de bijbel en het bijbelse landschap waar wij doorheen reisden. Een Duitse leraar in onze groep sprak Jezus’ Bergrede uit. We hoorden de woorden en staarden naar de rode heuvels rondom ons. 

                       *

Tijdens de reis bezochten we ook Yad Vashem, het Israëlische Holocaustmuseum. Met betraande ogen verlieten we de herdenkingsruimte waarin we de namen van vermoorde kinderen hoorden. Benjamin Blitz, Jetje Israëls, Aaron Stern. Met op de muren om ons heen foto’s van de kinderen, levensgroot geprojecteerd.

‘Dat viel een beetje tegen, he?’, hoorden we iemand zeggen terwijl wij als hulpeloze drenkelingen, overmand door verdriet, tegen een warm rotsblok hingen.

                        *

Vandaag reizen wij naar China. Met een heleboel Chinezen en een paar Nederlandse baby-boomers die vanaf nu verenigd zijn in de SAWADEE-app-groep.

‘De reisleiding is nog niet bekend’, hoor ik de Reebok-mevrouw spijtig zeggen. Ze had de groep graag compleet gemaakt. Haar steile, bruin-geverfde bob-kapsel valt naar voren als zij licht vooroverbuigt en op haar schermpje tuurt als een ekster naar een zojuist door een  ander leeggeroofd sieradendoosje. 

                   *

Even later zitten we in het vliegtuig. We hebben de stoelen 35 A en B. Ik zit aan het raam. Als we een eindje op weg zijn zie ik opeens een lichtje links van mij in de donkere nacht. Een ander vliegtuig? Nee, het is het lichtje op de vleugel van ons vliegtuig. Ik kijk de donkerte in en ik volg het lichtje. Een lantaarntje in de nacht. Heel even denk ik aan de MH17 en het laatste appje dat we vlak voor vertrek van onze zoon ontvingen: ‘Sms-en of appen jullie mij als je er bent?’

                            *

De Chinese buurman van mijn man op stoel 35 C peutert in zijn neus. Zijn purkje dropt hij naast zich in het gangpad, vlak voordat de opgewekte stewardessen met de maaltijdkar verschijnen. 

‘Doet u mij maar de hutspot met gehaktballetjes’, zeg ik. 

                         ***