Laat los

Op de voorkant van het vorige-week-weekend-katern Tijd van Trouw staat ‘Papa en mama doen het wel’ Laat dat volwassen kind eens los. Het katern ligt open en bloot op tafel.

Mijn man en ik kijken elkaar aan. Hij deed zojuist de was van ons allen. De uithuiswonende dochter woont weer thuis. De zoon is nooit weggeweest. Ik keek een ‘plan van aanpak’ na, nadat ik – eerlijk is eerlijk – dat zelf aan mijn zoon had aangeboden.

‘Het gaat om een fictief plan hoor’, zei hij achteloos tijdens het door zijn vader en mij voorbereide ontbijt. Toen had ik alle puntjes al op de i gezet.

Laatst fietste ik met onze dochter naar het station. Voor wij vertrokken rende zij drie keer naar boven, voor de sleutel, voor de zooltjes in haar laarzen en voor iets wat ik niet hoorde.

‘Nu kom ik te laat!’, hoorde ik wel, boven haar roffelende voeten uit. Zelf stond ik al vijf minuten met de deurklink van de achterdeur in mijn hand.

In mijn mond lag bestorven: ‘Heb je je portemonnee en OV-kaart?’ maar ik zei niks. Per slot van rekening woonde ze eerder ruim drie jaar op zichzelf waarvan een half jaar in China.

‘Die redt zich prima’, vertelden wij trots en verbaasd aan wie er maar naar vroeg.

Bij het station scheidden onze wegen. Zij ging met studiegenoten naar Den-Haag, ik fietste naar Zandvoort. Het zonnetje scheen, ik zocht bij een strandtent een plekje in de zon, uit de kille wind. De tent was nog niet helemaal af. Losse planken lagen hier en daar op het zand. Bolle kussens waren schijnbaar lukraak op stoelen en bankjes gegooid. Golven spoelden af en aan, ik volgde met mijn ogen de lijnen van schuimend wit op blauwgroen die als oneindige krijtstrepen op een schoolbord het einde van de winter markeerden.

Een vrolijke jongen serveerde mij koffie.

‘U zit zo heerlijk hier!’, zei hij en ik beaamde het. Ik sloot mijn ogen en dacht aan mijn boek in het tasje naast mij. Dat ging ik lezen, in de zon, met achter mij kussens die roken naar nieuw.

In mijn tasje lag ook mijn telefoon. Ik pakte het op. Drie telefoontjes en meerdere WhatsApp-berichten met vraagtekens lichtten op. Mijn dochter. Ik zuchtte en belde.

‘Ja, ik zit nu in de bus’, hoorde ik. ‘Ik was mijn portemonnee en OV vergeten.’

‘O, en nu?’, vroeg ik.

‘Ik kwam erachter dat ik op mijn telefoon een treinkaartje kon kopen en nu zit ik in de bus dankzij de chauffeur die mij liet meerijden zonder kaartje.’

‘Zo, dat is vriendelijk’, zei ik.

‘Ja, en ik leen wel wat geld voor de terugweg van een van mijn klasgenoten.’

‘Dat is dan mooi opgelost’, antwoordde ik.

‘Nou, doehoei! Tot morgen he?! Vanavond eet en logeer ik bij S.’

Ik dacht aan het eten voor vier in de ijskast. En aan de niet opgegeten restjes pasta, stoofvlees en curry van de laatste tijd.

‘Oké, tot morgen’, zei ik.

‘Ik had het toch moeten vragen, van die portemonnee en OV’, dacht ik en ik blies een kuiltje in mijn koud geworden koffie.

We laten ze binnenkort los. Echt.

Advertisements

Ramp

Laatst was ik bij een boekpresentatie van een boek met foto’s van boekenliefhebbers, gefotografeerd voor hun boekenkast. Dat leverde 52 foto’s en verhalen op van mensen, oude en jonge, die allen op hun eigen wijze van ‘hun’ boeken houden.

Van de in beige gehulde dame van 101 die fier en breekbaar tegelijk voor haar kast staat tot en met de man in het midden van het boek met een boekenkast waar wat mee is.

Ik lees dat de keurige heer met de kast waar wat mee is zijn boeken tot op de millimeter opmat en alles op hoogte ordende. De kast was daarna met een speciaal computerprogramma ontworpen.

‘Kijk’, zei mijn dochter met wie ik het boek doorbladerde, ‘Er is zelfs een apart plekje voor twee heel dunne boekjes.’ En jawel, twee boekjes stonden als magere soldaatjes in een precies passend wachthuisje, omhuld door de strenge contouren van zwartgeschilderd hout. Een kast als een schilderij.

De dame van 101 noch de man van de computerkast zag ik bij de boekpresentatie. Misschien was de oude dame al dood, dacht ik, wiebelend op een van de gammele stoeltjes die in de richting van een katheder waren geplaatst.

Een vriendin zat naast mij in de Amsterdamse boekwinkel. Wij beiden stonden ook in dat boek. En we luisterden naar de sprekers achter het katheder, zittend op de gammele stoeltjes. Na afloop kregen wij een exemplaar van het boek cadeau. Achterin de winkel stonden een paar tafels met glazen, flessen wijn en water.

‘Wil jij wat drinken?’, vroeg mijn vriendin en dat wilde ik. We proostten op het boek en onze vriendschap.

‘Ik ga even naar de w.c.’, zei mijn vriendin na de eerste slok en ze verdween tussen de vele bezoekers die geanimeerd met elkaar praatten. Het was een feestelijk gebeuren.

Naast mij stond een keurige heer in een rode trui. Hij keek mij verwachtingsvol aan.

‘Staat u ook in het boek?’, vroeg ik.

‘Nee’, antwoordde de man.

‘O’, zei ik.

‘U staat er wel in?’, vroeg de man.

‘Ja’, antwoordde ik, ‘Samen met mijn poes.’

Het was een wezenloos antwoord. Maar het klopte wel. Onze poes lag op de foto heerlijk te slapen op de bank.

‘U houdt dus van boeken’, concludeerde de man. ‘Van welk soort boeken houdt u?’

Eh, ik houd van Nederlandstalige romans…’, antwoordde ik. ‘Maar ook van literaire thrillers en..’ Ik dacht erover na of ik mijn vreemde belangstelling voor boeken over de Tweede Wereldoorlog met deze heer zou delen. ‘En ik lees veel over de Tweede Wereldoorlog’, hoorde ik mijzelf zeggen. ‘En in het bijzonder over de concentratiekampen en de vervolging.’

De man keek mij onderzoekend aan. ‘U houdt dus van verhalen over mensen in nood’, zei hij

‘Nou ja het interesseert mij hoe mensen zoiets verschrikkelijks meemaken en daarna het leven weer oppakken’, zei ik voorzichtig.

De man deed een stapje naar achteren en greep in een zwarte tas op de stoel naast zich.

‘Dan wilt u vast dit boek kopen’, zei hij. ‘Ik schreef het zelf, het gaat over de watersnoodramp.’

Verbouwereerd pakte ik het boek aan.

‘Het kost € 24,95’, zei hij, ‘ Maar u krijgt het van mij voor € 20,-‘

Ik vroeg mij af waar mijn vriendin bleef. Ik bladerde wat in het boek.

‘Het is geen geld’, hoorde ik de heer met de rode trui zeggen.

‘Eh, ja, nou, als ik het wil hebben koop ik het gewoon hier’, zei ik en ik gaf hem het boek terug.

‘Er liggen er nog twee’, zei de man. ‘Bij de non-fictie.’

En toen kwam mijn vriendin.

‘Zullen we gaan?’, vroeg ik. Op de terugweg liepen we langs de non-fictie. Daar lagen de twee boeken over de watersnoodramp.

Ik kocht het niet.

Thx

De zon schijnt rechtstreeks op mijn vaste plek aan de eettafel. Na dagen met ijzige wind die door je sjaal heen op de huid neersloeg als de vinnige klap met de plak van een ouderwetse schoolmeester op het gevoelige, zachte vlees van je handpalm is dit een verademing. Zitten op een stoel in de zon.

Gisteravond ontving ik een mail van mijn zoon met de vraag of ik een ‘stuk’ wilde nakijken. Onderaan de mail stond vooruitlopend op mijn antwoord, thx.

Tegen het middaguur kwam hij tevoorschijn. Een verwarde haardos boven een pyjamabroek en capuchonvest.

‘Kan ik op je laptop dat stuk nakijken?’, vroeg ik. Ja, dat had hij zelf ook al bedacht.

‘Hier kan je lezen wat de criteria zijn’, legde hij uit, ‘En dit is het stuk.’ Daarna roosterde hij een broodje.

Ik begon te lezen. ‘Het stuk’ handelde over sociale ondernemingen die, zo betoogde mijn zoon, voortvloeien uit de participatie-samenleving en een belangrijke en verdergaande verschijningsvorm zijn van de ‘doe-democratie’. Geboeid lees ik verder. Zo nu en dan denk ik eraan een komma te wijzigen of een punt te zetten.

Met stijgende verbazing lees ik een goed onderbouwd betoog waar menig beleidsmedewerker een puntje aan kan zuigen. Het ‘stuk’ dat bij inlevering ineens een essay blijkt te zijn eindigt met een beschrijving van de Haagse sociale onderneming ‘Seepje’, vijf jaar geleden gestart door twee studenten die wasmiddelen maken van Nepalese boomschilletjes. De studiefinanciering vormde het startkapitaal. Een hilarisch gegeven.

Tegenover mij eet de schrijver van het ‘stuk’ zijn broodje. Met oortjes in leest hij een artikel waarin hij streepjes zet.

‘Dit is echt een heel goed stuk’, zeg ik en ik draai de laptop naar hem toe.

‘Dank je’, zegt hij, terwijl hij een oortje uitdoet.

‘Mail het alsjeblieft naar me’, zeg ik.

‘Naar je werkmail?’, vraagt hij.

‘Ja graag’, antwoord ik.

Later doezel ik verder in de zon boven de krant. Deze dag markeert de overgang van het ene naar het andere tijdperk. Het moment dat een kind inzicht verschaft aan de ouder en het opvoeden definitief tot de geschiedenis behoort.

‘Sociale ondernemers zijn mensen die (duurzaam) investeren in de maatschappij en in mijn ogen een positieve invloed uitoefenen op de samenleving. Ik geloof dan ook dat er een grote toekomst voor is en ik vind dat de overheid dit soort ondernemingen moet stimuleren en helpen.’

Thx, Mx.

Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Het bureau

Toen ik begon te schrijven

Woonde ik in een dorp

Met vuilwit zonlicht in mijn mond

Alom vrede

Ik trapte naar de zon

En wist niet hoe te leven

(…)

Uit: Slordig met geluk door Menno Wigman (1966-2018)

Weer is een dichter dood. Kind van de jaren tachtig, een gymnasiumleerling met liefde voor taal en een leraar Nederlands die dat zag. Het zijn bekende flarden herinnering. Alleen wist ik na enig trappen naar de zon wél hoe te leven. Zoals gisteren, toen we op zoek gingen naar een bureau.

*

Onze dochter huist sinds een week weer in de kamer die ooit haar kinderkamer was. Voordat zij kwam ruimde ik haar kamer op. Ik verplaatste dozen, stofte de bovenkant van de kledingkast die jarenlang niet beroerd was. Plukken grijs kleefden aan mijn doekje als plakkerige asresten van verbrande kinderjaren. Ik heette met iedere veeg over een plank mijn terugkerende kind welkom. De beer die ze van opa kreeg plaatste ik op het voeten-eind van het zorgvuldig opgemaakte meisjesbed. Met domme ogen keek hij mij aan.

*

‘Eigenlijk heb ik een bureau nodig’, zei ons kind een tijdje later, peinzend rondkijkend in haar schone kamer.

Omdat ze geen nieuw bureau wilde – ‘Dat kost mij weer €70,-‘ – stelde ik voor naar een tweedehands-winkel in de buurt te gaan.

*

‘Zo, het is druk hier’, constateerde mijn kind bij het binnenstappen van de magazijn-achtige ruimte. Pensionado’s snuffelden rond, vrijwilligers in blauwe fleece-truien liepen af en aan met dozen en sorteerden alle ingeleverde waar.

*

Achter de kasten met boeken en tafels vol prullen stuitten we op een houten bureautje met drie laden. Op iedere la zat een ronde knop.

‘Die wil ik’, zei mijn kind, ‘Kijk, mam, hij kost maar €12,50.’

*

‘Kunnen de poten eraf geschroefd worden?’, vroeg ik aan niemand in het bijzonder en ik dook onder het bureaublad. Vier ijzeren plaatjes met onwrikbare schroeven – onder iedere poot één, – lachten mij uit.

‘Nee, dat wordt niks’, zei ik. ‘Laten we vragen of ze het kunnen bezorgen.’

*

Een aardige jongen vertelde ons dat de dag-coördinator ‘Nog even in gesprek was.’ ‘Kijkt u rustig rond’, zei hij vriendelijk. Ook hij droeg een blauwe fleece-trui.

We keken rond. Een corpulente dame nam plaats op een rode bureaustoel. De stoel zakte met een diepe zucht tien centimeter naar beneden. Onverstoorbaar zat de vrouw daar, middenin de ruimte, op de rode bureaustoel. Toen ze uitgerust was kwam de stoel langzaam omhoog. Met het hydraulisch systeem was niks mis.

*

Ik vroeg mijn dochter die klaar was met rondkijken of zij geen bureaustoel nodig had. Ik wees haar op de flexibele rode.

‘Nee, dat is een afschuwelijk-lelijk ding’, zei ze. En toen zag ik het ook.

*

De jonge vrijwilliger kwam na tien minuten aanlopen met de dag-coördinator. Wij hoorden haar al van verre aankomen. Een zwaar-doorrookte stem snelde op de eigenaresse vooruit, over de rotan-stoelen, langs de boekenkasten, onder de tafels met prullaria door.

‘Om welk bureautje gaat het?’, hoorden wij haar aan de jongen vragen. De stem hoorde bij een tanige, zonnebank-bruine dame. Diepe rimpels verdeelden haar gezicht in kabbelende golfjes.

‘Is het mogelijk dit bureau te laten bezorgen?’, vroeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat kan’, zei de vrouw. Ze keek mij aan. ‘Dat kost €15,-‘ Ik zag dat ze maar wat zei. De jongen keek haar verbaasd aan, maar richtte snel zijn blik op de betonnen vloer.

‘Kunnen we het bureau reserveren? We moeten opmeten of het past in de draai van de trap.’

‘O, u woont klein?’, vroeg de doorrookte stem.

‘Ja, de trap maakt een flinke draai’, antwoordde ik.

‘Aan reserveren beginnen we niet’, zei de vrouw op ferme toon. ‘Daar hebben we heel slechte ervaringen mee.’

Een beetje sip verlieten we het magazijn.

‘Ik vind het een leuk bureau’, zei mijn kind.

‘Vraag papa of hij het trapgat op wil meten’, adviseerde ik haar. En dat deed ze.

‘Het past!’, zei ze. En we keerden terug. We stuitten direct op de jonge vrijwilliger.

‘We willen het kopen’, zei ik en ik wees op het bureau.

‘Een moment alstublieft’, zei hij, ‘De dag-coördinator regelt de verkoop.’

*

Na het invullen van wat papierwerk en een afspraak voor de bezorging liep de doorrookte stem met ons mee naar de kassa.

‘Reken jij €22,50 af met deze klant?’, riep ze tegen een oudere dame bij de kassa.

‘Mam, ze vergist zich met de bezorgkosten’, zei mijn kind, toen we naar buiten liepen. ‘Nu betalen we maar €10,- bezorgkosten in plaats van €15,-.

Heel gelukkig reden wij naar huis.

Wetend hoe te leven.

***

Hommage

‘Enseigner, c’est ma vie’

Omdat ik ziek was las ik drie kranten op één dag. Eén krant las ik – onhandig in bed – op papier. De zachte, bijna vloeibare krantenflappen eindigden in ongelijke stukken met een scheve vouw in het midden. De andere kranten las ik, onderbroken door koortsdromen die afnamen en opkwamen als eb en vloed, op de iPad.

*

In de tweede krant viel mijn oog op een overlijdensadvertentie. Ik zag een bekende naam. Ik las door maar swipete terug. Boven de advertentie stond in schuine letters: ‘Enseigner, c’est ma vie’. Mijn grieperige hersens herinnerden zich dat woord – ‘enseigner’ – betekende dat niet ‘lesgeven’? Ik zocht het op. ‘Lesgeven’ was het. En toen wist ik het. Mevrouw de Buck was dood, mijn lerares Frans op de middelbare school.

*

Aan de advertentie kon ik zien dat deze met liefde was opgesteld. Ik las haar voornaam – die had ik nooit geweten – en haar bijnaam. Alsof zij een mens was, gewoon met familie, een huis, een leven. Voor mij was zij mijn juf. Mentor van klas 1 c, dat heette destijds klassenleraar. Ik herinner mijn teleurstelling dat wij haar kregen als klassenlerares. De andere leraren zagen er spannender uit. Jonger. Hipper. Baardjes, lang haar. Wijde jurken. Mevrouw de Buck droeg een rechte jurk tot boven de knie met een riempje om de taille. Zij had een smal, driehoekig gezicht. Ietsje vooruitstekende tanden, een kittige pas. 23 onzekere twaalfjarigen liepen in de zomer van 1974 achter haar aan naar lokaal 13.

*

Door de hoge ramen van lokaal 13 viel zonlicht als engelenglijbanen naar binnen. Wij stonden op de drempel van dat nieuwe leven zoals alleen twaalfjarigen dat kunnen. Onbevangen en leergierig. Mevrouw de Buck legde ons uit hoe wij onze agenda moesten gebruiken.

*

Ik had een Rijam-agenda met een onwillige kaft. We schreven het rooster in onze agenda’s op de pagina waarboven stond ‘Rooster’. Tijdens het schrijven drukte ik mijn rechterarm op de kaft om deze plat op tafel te krijgen. Met mijn linker-wijsvinger en duim hield ik de linkerkaft in bedwang. Geheimzinnige lokaalnummers, namen van leraren, het adres van de gymzaal in de stad, de uren gym in de zomer op een sportveld buiten de stad vulden de lijntjes op de witte, licht-gebogen pagina’s.

*

Daarna kregen wij een stencil met een plattegrond van de school. We vouwden het stencil netjes op, in een vierkantje, en schoven het in de agenda. ‘Goed bewaren’, adviseerde mevrouw de Buck ‘Hiermee kan je je weg vinden in de school.’

*

Mevrouw de Buck gaf Frans, in lokaal 13. Wij leerden heel veel woordjes. Op een dag klapte mevrouw de Buck het bord open met de Franse werkwoord-vervoeging. Thuis huilde ik. Ik snapte er niets van.

Een paar jaar later sprak ik voor mijn examen met mevrouw de Buck over ‘Les miserables’ en de schrijver Victor Hugo. Ik mocht er van alles over vertellen. Mevrouw de Bucks ogen glommen van plezier. Ik kreeg een 9.

*

‘Mevrouw de Buck, Ingrid, Itid, ook voor ons was u zorgzaam. Toen zag ik alleen dat riempje om uw ietwat uitdijende taille. Nu denk ik aan onze ontmoeting in de plaatselijke kroeg waar ik u tegenkwam met mijn eerste, echte vriendje. Het was nog geheim. U zat daar met mevrouw B., de juf Duits. In de kroeg…! Weet u nog wat u zei?

‘Ik wist dat jullie samen iets hadden, ik heb het gelezen in de Franse brief van Mark aan jou!’ Schalks keek u mijn geheime vriendje aan.

‘Mark vroeg in de brief die hij aan jou richtte ”Comment ca va avec Annelie?” En toen wist ik het!’ U en mevrouw B. lachten. Wij schoven bedeesd aan een ander tafeltje.

*

En nu bent u dood. ‘Na een liefdevolle verzorging in de Houttuinen.’ Ik had wel eens bij u langs kunnen gaan. Dan had ik het u gewoon kunnen zeggen.

*

Dank u wel mevrouw de Buck. Voor het mooie gesprek over Victor Hugo, de 9, uw milde lach in die kroeg.

En ik ken nog zoveel Franse woorden. Ook de werkwoorden kan ik vervoegen. Zonder tranen.

*

”Enseigner, c’etait votre vie”.

C’est vrai.’

***

Droomloos

‘Vannacht slapen we in een tent in de woonkamer

we hebben touw, brood en lakens

niemand zal ons vinden’

Hanneke van Eijken (1981-)

Laatst hadden we een cursus. Daarin werd geadviseerd onze dromen te onthouden.

‘Je kan je daarin bekwamen’, vertelde de cursusleider.

*

Meestal vergeet ik mijn dromen. Toch ging ik oefenen. De eerste droom die ik onthield was bizar en niet voor publicatie geschikt. In de tweede droom kwam mijn moeder voorbij.

‘Dat is de reden dat ik dromen graag vergeet,’ dacht ik toen ik beklemd wakker werd. In de droom schoot ik te kort, wilde ik weg, had ik graag een grote mond willen geven. In de droom-praktijk deed ik dat niet, bleef ik, ging ik door, luisterde ik. Zoals het was, vroeger.

*

De krant die ik lees heeft een wekelijkse rubriek over dromen. Meestal sla ik die over. Dromen van anderen zijn niet interessant. Ze zijn alleen leuk als je de mensen én de mensen die in de dromen voorkomen kent. Dat levert nog wel eens hilariteit op.

*

Nog leuker echter is de realiteit.

Gisteravond kwam onze zoon naar beneden met de laptop in zijn hand. Hij schoof naast mij op de bank.

‘Kijk eens’, zei hij, ‘De betaling van die tickets is niet gelukt.’

We boekten ‘s middags twee tickets naar Bolivia. Daar reist hij in de zomer met zijn vriendin naar toe.

‘Tja, dan moet je even bellen’, antwoordde ik een beetje kribbig. Ik was moe en uit een serie getrokken waar we net zo lekker inzaten.

‘Hier heb je mijn pasje’, zei ik en ik gaf hem mijn credit-card.

*

Stilletjes liep hij naar de eettafel en ging bellen.

‘Zet maar weer aan’, zei ik tegen mijn man en we verzonken in het verhaal van een familie die met elkaar zit opgescheept op een Zweeds eiland vanwege de voorwaarden die hun moeder aan de erfenis verbindt. De gezinsleden schieten te kort, willen weg en zouden graag een grote mond willen geven. Maar dat kan niet, vanwege die erfenis.

*

Door de dichte schuifdeuren heen hoorde ik de stem van onze zoon.

‘Yes, I booked this flight today, but something went wrong.’

‘Ik ga toch even kijken’, zei ik en we stopten met de Zweedse familie-perikelen.

*

Ik zat naast mijn zoon. Vaag hoorde ik de stem van de call-center-medewerkster via het microfoontje van zijn telefoon, dicht tegen zijn oor gedrukt. Zijn knokkels waren wit, op zijn wangen stonden blosjes.

*

Hij staarde naar mijn pasje.

‘The name is Jonquiere’, zei hij, ‘JONQUIERE’, herhaalde hij en hij begon met spellen. ‘J, O, N…’

‘Can you please use words?’, hoorde ik de medewerkster van het call-center vragen. En daar ging onze zoon.

‘J from Justin, O from Okay, N from Nico…’

‘Q from Queen?’, hoorde ik het meisje vragen.

‘Yes’, zei hij en hij ging verder,

‘U from…eh, Uterus’

*

En daar gingen we. Ik probeerde het tegen te houden maar er was geen houden aan. Hikkend en proestend zat ik naast hem en worstelend met een onbedwingbare lachkramp maakte hij de naam letter voor letter af.

‘Can you please repeat it?’, vroeg het meisje. Toen ben ik maar weggelopen.

‘Wat betekent uterus eigenlijk?’, vroeg mijn zoon.

‘Baarmoeder’, hikte ik.

*

Even later keken zijn vader en ik de serie af.

De nacht bleef droomloos.

***