Modern art

Bloodline, Zhang Xiaogang *

De vlucht van Chengdu naar Guilin vertrekt volgens onze reispapieren om 7.35 uur. Om 5.00 uur ‘s ochtends haalt een taxichauffeur ons op. De guard bij de poort van het hotel opent het hek vanuit zijn bed in het wachthok. Het bed past precies tussen de twee wanden van het hok. Ik zie een wit laken bewegen en begeleid door een slaapkreun gaat langzaam de ijzeren poort open. Daarachter staat de chauffeur. Snel neemt hij de koffers van ons over. We kunnen niet met hem praten, hij spreekt alleen Chinees.
                       *

Stil en wit van de verbroken slaap zitten we achterin de taxi. In mijn hand knispert het plastic zakje met het ‘ontbijt’ dat het hotel netjes voor ons klaarzette in de ijskast naast de blikjes cola en flesjes bier. Er zitten wat ingepakte cake-jes in, een flesje water en iets dat lijkt op een mini-eierkoek. 

‘Wat is dit?’, vraagt mijn man. Hij houdt een rolletje voor mijn neus. Ik lees op de verpakking dat het een ‘Swiss roll’ is. 

‘Het is een soort cake-je met room ertussen’, antwoord ik. In twee happen verorbert hij de Swiss roll. Het gekookte ei in het zakje laat hij voor wat het is. Ik heb geen honger en ik staar naar buiten. Op de doorgaans overvolle wegen is het op dit tijdstip rustig. De chauffeur rijdt dan ook flink door. Even denk ik aan Diana en Dodi als we met hoge snelheid door een tunnel racen. Ik voel aan mijn riem. Deze zit goed vast.

                           *

Bij het ultra-moderne vliegveld van Chengdu zet de chauffeur ons af. Hij wimpelt de fooi af en ik zwaai naar hem. Een klein lachje zie ik op zijn gezicht. Het is meer een verschuiving rond zijn rechtermondhoek. Snel rijdt hij weg. 

                           *

Wij sluiten aan bij een rij voor een eerste security-check dit keer al vóór de vertrekhal. Vlak voordat wij aan de beurt zijn komt een groep Chinezen aanlopen die zich niks aantrekt van de nette rij. Brutaalweg schuiven zij hun zware koffers voor onze voeten. Ik duw terug, wrik en wring een vrouw voorbij met een zilverkleurige trolley. ‘Blijf je bij mij in de buurt?’, vraagt mijn man maar ik laat deze voordringerij niet zomaar gebeuren. Ondanks het vroege uur ben ik opeens klaarwakker. Zijn ze gek geworden?

                          *

Alle moeite die ik deed om mijn oude plek in de rij terug te veroveren blijkt niet echt nodig geweest te zijn. Onze vlucht vertrekt pas om 8.20 uur. Wij hebben drie uur de tijd. 

In de wachtruimte van gate 37 is het druk. Tientallen Chinezen wachten op hun vlucht. Twee vluchten naar Harbin zijn vertraagd vanwege ‘slechte weersomstandigheden’. 

                         *

Naast mij zit een jonge Chinees. Hij draagt een zwart-wit geblokt overhemd boven een strakke spijkerbroek. Zijn iPhone oortjes maken overuren want ondanks het vroege tijdstip belt hij voortdurend of wordt hij gebeld. Tussen de gesprekken door rochelt hij hevig. Zijn geblokte hemd ruikt naar knoflook vermengd met zweet. Zodra er een ander plekje vrijkomt pak ik mijn spullen en verhuis ik. 

Achter de balie van gate 37 schreeuwt opeens een employee in staccato-Chinees een bericht. Een deel van de mensen reageert als door de bliksem getroffen en snelt naar gate 37. De vertraagde vlucht naar Harbin vertrekt.
                       *

Ik mijmer wat over de afgelopen dagen. Het doorgronden van de Chinese volksaard lastig. In de regel doen ze alsof ze je niet opmerken. Ook al ben je de enige Westerling in de hutong, men kijkt dwars door je heen. Soms willen ze over-enthousiast met je op de foto. Nou ja, niet met mij (donker haar, donkere huid en bruine ogen). Wel met mijn dochter (blond, witte huid, blauwe ogen). Er vormt zich soms een rij met Chinezen die een selfie met haar willen maken. 

                         *

Engels spreken Chinezen niet of nauwelijks en als ze het spreken versta je het niet. Op iedere hoek van de straat en bij ieder zebrapad – waar niemand voor je stopt – staat een man of vrouw met een fluorescerend hesje. Zij gebaren fietsers ietsje naar achteren, duwen voetgangers naar voren, fluiten schril op hun fluitje zodra het licht groen wordt. Het oude communistische ideaal – iedereen aan het werk, al dan niet zinvol – met op de achtergrond de enorme wolkenkrabbers als symbool van de economische hervormingen, het is een vreemde combinatie. 

                       

                          *

In een prachtig gebouw midden in het centrum van Chengdu is ‘The Museum of Modern Art’ gevestigd. Volgens onze gids mag iedereen op vertoon van het paspoort gratis naar binnen. 

‘Misschien kunnen we daar een kopje koffie drinken’, oppert mijn man, denkend aan de Nederlandse musea met hun restaurants en koffie-bars. We nemen in het met marmer beklede gebouw de glimmende roltrap naar de eerste etage. Helaas is de expositieruimte gesloten. Op de tweede verdieping achteraan is een zaal open. 

                           *

Schilderijen met heroïsche taferelen van gehelmde soldaten in camouflage-kleding en stoer-marcherende troepen in felle kwaststreken hangen aan de muren. Op de derde etage zien we een zaal met waterig-geschilderde bergtafereeltjes. Ernaast hangt een velletje met gekalligrafeerde karakters. Een restaurant of koffie-gelegenheid zien we niet. Gedesillusioneerd lopen we naar buiten. 

‘Een mooi gebouw met weinig inhoud’, zegt mijn man. En we filosoferen over kunst die ontroert, verrast, iets uitdrukt van deze of de toekomstige tijd, soms onwelgevallige gevoelens oproept, provoceert, kritiek uitoefent. Ik heb niet het idee dat dat hier op prijs gesteld wordt’, zeg ik.

                            *

Een klein lichtpuntje vormt een enthousiast bericht van onze dochter die haar eerste colleges volgt in Shanghai.

‘Ik heb een superleuke professor!’, appt ze. ‘Hij studeerde aan Harvard en geeft het vak ”Chinese legal system”. Erg interessant.’ 

Ze vervolgt: ‘Hij praat vanuit een normaal perspectief. ”De culturele revolutie verwoestte alles”, zei hij.’

                          *

Wie weet hangt ooit in dat prachtige, halflege gebouw in Chengdu wél verrassende ‘Modern Art’. Vanuit een nou ja, wat is normaal, perspectief. 

                     *** 

*http://www.pacegallery.com/exhibitions/12571/zhang-xiaogang

Advertisements

Wan Li


Als we de poort van ons hotel uitlopen staat rechts van ons een beige busje. Het is half acht ‘s ochtends. We zijn vroeg want vandaag bezoeken wij de panda-beren in het complex met de veelbelovende naam, Giant Panda Breeding Research Base. Panda’s zijn alleen ‘s ochtends actief. Dan krijgen zij eten en bewegen zij een beetje. Verder slapen zij de hele dag. 
                     *

Mijn man loopt naar de chauffeur en vraagt hem of dit het busje is dat ons vanuit Chengdu-stad naar de panda’s brengt. Een fragiel meisje duwt haar iPhone voor mijn man’s neus en zegt wat. Maar hij luistert niet en blijft zich wenden tot de chauffeur.

                       *

‘Raym’, zeg ik, ‘Volgens mij is zij onze gids.’ Maar het helpt niet. Hij blijft gebaren tegen de man die naast de auto geleund staat. Het gezicht van de man is bruin. Van dat verweerde bruin met rimpels. Duidelijk geen moderne Chinees die het gezicht zoveel mogelijk uit de zon houdt met sjaals, mondkapjes en parasols. Vooral jonge, Chinese vrouwen zijn graag zo wit mogelijk.

                        *

Het meisje houdt aan en duwt haar telefoon nu goed onder de neus van mijn man. Eindelijk kijkt hij. Zij laat onze naam op het schermpje zien. 

‘I am your guide today’, zegt zij vriendelijk. Haar tengere gestalte blaas je zo om. Ze draagt een grote bril en haar lange haar valt over haar smalle schouders. ‘My name is Wan Li’, zegt ze even later in de auto. ‘Wan’ betekent elegant. Li ‘Is just a name my father gave me’, lacht ze. Elegant is ze. Lichtvoetig hupt ze de auto uit en leidt ons naar het mooi aangelegde park waarin de panda’s huizen. 

                          *

Wan Li is trots op het park en de panda’s. Alle dieren die wij als brave toeristen uitgebreid fotograferen fotografeert zij ook. Zij hangt net als wij zo ver mogelijk over het hek om de alsmaar bamboe-etende panda’s goed te zien. Tijdens het lopen legt zij van alles uit over het fokken van panda’s, het verschil tussen dit park en andere parken (‘This one is the most professional’) en helemaal blij wordt ze zodra ze hoort dat wij uit Nederland komen. ‘You got just two panda’s from us!’, en enthousiast vertelt ze dat ze beide panda’s goed kent. Vooral het mannetje. ‘I’ll show him your picture’, grapt mijn man en Wan Li lacht en lacht. 

                      *

Op de terugweg vertelt ze over het strakke schoolsysteem en de druk die op alle kinderen ligt om te slagen voor DE TEST. DE TEST bepaalt alles. Als je de beste bent en dat ben je met ‘A level one score’, aldus Wan Li kan je naar de beste universiteit en betaal je het minste geld. Er zijn kinderen die meerdere jaren achter elkaar proberen de hoogste score te behalen al kost ze dat telkens nog een jaar extra op high-school. Wan Li vertelt dat haar moeder en leraren vonden dat zij level one moest kunnen halen. Maar het werd level two en Wan Li vond het best. ‘I don’t like to study’, lacht ze, ‘I like to work.’

                      *

Bij het afscheid krijgen we een omhelzing van Wan Li en ze geeft ons haar kaartje: ‘You can call me anytime!’, zegt ze. Ik bekijk het visite-kaartje. Er staat een panda-beertje op. 

                       ***

Lotus


‘Vreemd om opeens hier te staan’, zegt mijn man. We wachten op de taxi. Voor ons speelt zich het tafereel af van alle luchthavens. Taxi’s, busjes, koffers, mensen. De warmte drukt op ons als een elektrische deken die de hele nacht op de hoogste stand heeft aangestaan. 
                              *
We zijn in Peking. Beijing. We ontmoeten hier onze dochter die de trein vanuit Shanghai neemt. ‘Ik ben er rond 13.00 uur’, appt ze. We spreken af bij ons hotel dat midden in een volkswijk van Beijing ligt. Hutong zeggen ze hier. De taxi brengt ons er naar toe.
                             *
De auto rijdt langzaam door de nauwe straatjes van de hutong. Een tafereel uit Kuifje en de Blauwe Lotus ontrolt zich voor onze ogen. Chinezen op fietsen, Chinezen met betjah’s en elektrische scooters, we zien springende honden en spelende kinderen. De chauffeur klapt zijn buitenspiegels dicht. Achter de taxi waaiert het tafereel weer uit als zand dat zich door de smalle hals van de zandloper wringt. Chinezen op fietsen, Chinezen met betjah’s en elektrische scooters, we zien springende honden en spelende kinderen.
                          *
Het Shadow Art Hotel bevindt zich midden in het nauwe steegje. Een modern gebouw, architectonisch perfect passend bij de lage bebouwing van de wijk. In de lobby staat een poppentheater waarin platte, fijnbewerkte figuurtjes achter een verlicht scherm met behulp van onzichtbare handen schaduwverhalen vertellen. Het wordt ons direct trots verteld: ‘Every saturday-evening shadow-art-performance. You must see!’ Jaja, knikken wij, verlangend naar een koele kamer, een bed na de lange vlucht en maar drie uurtjes slaap.
                         *
‘Ik loop haar zo tegemoet’, zeg ik tegen mijn man op het bed. ‘Maar van welke kant komt zij?’ Mijn man zegt dat ik ook hier kan wachten. Ik loop naar beneden.

Ik leg mijn hand tegen de zware voordeur van het hotel. De deur is bewerkt met houtsnijwerk. Het reliëf voelt zacht aan. Ik duw, maar de deur wijkt niet. ‘Push the button to open the door’ staat op een bordje en ik push. ‘Hallo!’, hoor ik achter de deur. ‘Hallo!’ En daar staat ze. Haar hand hangt in de lucht. ‘He, daar ben je al’, zeg ik.
                         *
Vier dagen trekken we door Beijing. Een jongen in onze straatje poetst zijn tanden, hij zit gehurkt boven het rooster in de weg en spoelt de tandpasta weg met water uit de lichtblauwe beker in zijn hand. Achter hem zie ik een gang volgepropt met meubels, dekens, pannen. Vochtige donkerte achter grijze muren. Bij het langslopen ruik ik een zurig vlaagje opgedroogde urine.
                            *
Met onze Nederlandse gids Inge fietsen we de volgende dag door de stad. Oud vermengt zich met nieuw. Een glimmend gebouw van Rem Koolhaas valt bijna op de vervallen straatjes met elektriciteitsdraden die als vrolijke straatversiering tussen de huizen hangen. ‘Deze wijk wordt binnenkort afgebroken’, wijst Inge. Een peuter met een van achteren opengewerkt broekje dat luiers bespaart klautert over de drempel van een huisje. Zijn dunne billetjes steken uit als twee kaneelkleurige halve maantjes.
                            *
In het complex van het keizerlijke zomerpaleis even buiten de stad schittert het water van het – door mensenhanden gegraven – meer in het vroege zonlicht. Chinese ouderen schuifelen achter elkaar aan door de overdekte en rijk beschilderde buitengang die een keizer voor zijn moeder liet bouwen. ‘For an excellent view on the lake’, aldus onze Chinese gids Bruce, wiens Engels wij nauwelijks verstaan. Het maakt de excursie vermoeiend. Bruce praat graag en veel.
                             *
Lotus-blad ligt verstild op het water. Sommige bladeren vergelen, de zaden van de uitgebloeide bloemen verspreidden zich al over het park, het paleis, het water.

‘Lotus’, zeg ik tegen mijn dochter die naast mij loopt, ‘Dat zou een mooie naam zijn voor een meisje.’
‘Wel een hoog Vlinder-gehalte’, zegt mijn kind en ik val van mijn Chinees-poëtische wolk af. ‘Ja’, beaam ik spijtig. Maar ik proef toch nog even de naam. Lotus.
                      ***

Gehaktballetje


Een heer met een krulsnor en een vrouw met Reebok-wandelschoenen zitten schuin tegenover mij in de koele wachtruimte van Schiphol. Ik draag dezelfde schoenen als de vrouw. Reebok, zwarte wandelschoenen en zo te zien ook maat 38. De schoenen lijken op gympen, daarom kocht ik ze. Ze zagen er niet al te erg uit. 

                         *

De Reebok-vrouw maakt oogcontact met de heer tegenover haar. Een pluizige kring lichtgrijs haar zweeft als een halo rond zijn voorhoofd en slapen en eindigt van achteren gek genoeg in een paardenstaartje. Een zwart elastiekje houdt het staartje op zijn plaats.
                      *

‘U reist ook met SAWADEE?’, vraagt de vrouw met mijn schoenen aan de man. 

‘Ja’, zegt het paardenstaartje. 

Aan zijn rugtas, die naast mij in een stoel staat, hangt een kaartje waarop staat: SAWADEE. 

‘Je haalt ze er gelijk uit’, glundert de vrouw. Haar man naast haar knikt. Zijn grijze snor beweegt lichtjes mee, de puntjes zijn mooi gekruld. Ik zie zijn dikke duim en wijsvinger ‘s ochtends de snor zorgvuldig krullen. Mijn vingers bewegen met deze gedachte mee; duim tegen wijsvinger, een beetje vet ertussen en draaien maar.

                       *

De Reebok-dame pakt haar telefoon.

‘O God’, zegt mijn man, ‘Ze zal toch niet gelijk een WhatsApp-groep aanmaken?’ Maar dat doet ze. Resoluut tikken haar vingers op de telefoon. Naast haar komt een dame zitten met grijs, kortgeknipt haar. Zij is ook op reis met SAWADEE. Deze dame draagt echte wandelschoenen: hoge beige, met rood-witte veters door koperen lusjes, strak aangetrokken. Haar man zit schuin tegenover haar. Schutterig staat hij op en schudt zijn mede-SAWADEEERS de hand. ‘Leo’, zegt hij.

                        *

‘Hij lijkt op opaatje’, fluister ik in mijn man’s oor, ‘je weet wel, opaatje met de filmcamera.’ Ooit maakten wij een groepsreis door Israël. In de groep zat opaatje. Hij droeg een camera van ontzagwekkend formaat op zijn schouder. Alles en iedereen filmde hij. 

                        *

Onze medereizigers, waarvan velen een Christelijke achtergrond hadden, wisten alles van de bijbel en het bijbelse landschap waar wij doorheen reisden. Een Duitse leraar in onze groep sprak Jezus’ Bergrede uit. We hoorden de woorden en staarden naar de rode heuvels rondom ons. 

                       *

Tijdens de reis bezochten we ook Yad Vashem, het Israëlische Holocaustmuseum. Met betraande ogen verlieten we de herdenkingsruimte waarin we de namen van vermoorde kinderen hoorden. Benjamin Blitz, Jetje Israëls, Aaron Stern. Met op de muren om ons heen foto’s van de kinderen, levensgroot geprojecteerd.

‘Dat viel een beetje tegen, he?’, hoorden we iemand zeggen terwijl wij als hulpeloze drenkelingen, overmand door verdriet, tegen een warm rotsblok hingen.

                        *

Vandaag reizen wij naar China. Met een heleboel Chinezen en een paar Nederlandse baby-boomers die vanaf nu verenigd zijn in de SAWADEE-app-groep.

‘De reisleiding is nog niet bekend’, hoor ik de Reebok-mevrouw spijtig zeggen. Ze had de groep graag compleet gemaakt. Haar steile, bruin-geverfde bob-kapsel valt naar voren als zij licht vooroverbuigt en op haar schermpje tuurt als een ekster naar een zojuist door een  ander leeggeroofd sieradendoosje. 

                   *

Even later zitten we in het vliegtuig. We hebben de stoelen 35 A en B. Ik zit aan het raam. Als we een eindje op weg zijn zie ik opeens een lichtje links van mij in de donkere nacht. Een ander vliegtuig? Nee, het is het lichtje op de vleugel van ons vliegtuig. Ik kijk de donkerte in en ik volg het lichtje. Een lantaarntje in de nacht. Heel even denk ik aan de MH17 en het laatste appje dat we vlak voor vertrek van onze zoon ontvingen: ‘Sms-en of appen jullie mij als je er bent?’

                            *

De Chinese buurman van mijn man op stoel 35 C peutert in zijn neus. Zijn purkje dropt hij naast zich in het gangpad, vlak voordat de opgewekte stewardessen met de maaltijdkar verschijnen. 

‘Doet u mij maar de hutspot met gehaktballetjes’, zeg ik. 

                         ***

Ongelukje 



Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wij maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
 

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

 

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale 

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –


Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

                      *

‘s Avonds laat hoorde ik boven een stem en een vloek. De stem die door een telefoon sprak was van mijn man. De vloek ook. Ik had geen zin in de stem noch in de vloek. Ik nestelde mij op de bank voor de tweede helft van de avond en ik keek naar de film Room. 

                       *

Ooit zag ik deze film over een jonge vrouw – door Old Nick opgesloten in een schuur – in de bioscoop. Old Nick kwam zo nu en dan langs. Dan verstopte Joy haar vijfjarige zoon Jack in Wardrobe. Jack keek stiekem door de paneeldeurtjes naar zijn moeder, zag de contouren van Old Nick en telde de piepjes die het bed met zijn moeder en Old Nick erin maakte. Als Old Nick weg was tilde zijn moeder Jack weer over naar haar bed. Samen sliepen ze. Totdat het licht van Dakraam hen wekte.

                        *

Ik weet niet waarom ik voor de tweede keer naar deze wondermooie maar gruwelijke film keek. Waren het de ogen van Jack? De blik van zijn moeder? De dreiging van Old Nick? Angst die we allemaal wel eens voelen al is het maar in onze dromen? Ik zat op de bank met onder beide handen een poes. Tijdens het kijken frummelde ik in hun vacht en draaide ik krulletjes in het zachte haar. Ze vonden het best, spinden zelfs.

                       *

Daarna ging ik slapen. En ik droomde van een huizenruil en de benauwenis van de onvoorstelbaar slechte ruil van ons huis met een krappe studentenflat. 

                        *

‘s Ochtends vertelde mijn man mij over de vloek.

‘Max belde gisteravond dat hij met mijn auto een aanrijding had in een parkeergarage in Amsterdam.’

‘Misschien is het wel goed dat hij nu zo’n ongelukje heeft’, vervolgde hij. ‘Daar schrikt hij misschien van en rijdt daarna weer voorzichtiger.’

                          *

Ik knikte. Dat zou kunnen. En ik dacht aan mijn eerste ongelukje met mijn vaders auto. Mijn vader reageerde nauwelijks op de schade en mijn trillende benen. ‘Het kan gebeuren’, zei hij. Het is alweer zo lang geleden. Ik wilde nog vragen aan mijn man: ‘Vloekte je tijdens of na het gesprek met Max?’ Maar ik liet het zitten.

                        *

Onze zoon kwam ‘s ochtends vroeg thuis. Aangenaam verrast door zijn laconieke ouders. Van schrik vergat hij zijn ochtend-humeur. Opgewekt ontbeet hij met ons mee.

                        *

Ik dacht nog even aan mijn droom en de benauwenis van de huizenruil en die aftandse een-kamerflat. Ik wilde het vertellen maar ik liet het zitten. Het leek onbelangrijk.

                        ***

  

KL 897


Een vliegje in de herfst, 

vliegt tussen de takken van een berk- 

geur van bladeren, 

natte aarde- 

en tussen die takken is niets 

en tussen die en die, 

het vliegje denkt misschien: 

de spin is een verzinsel, het eerste web 

moet nog worden uitgevonden! 

Het wordt donker, 

de maan komt op, 

oud bos, 

slingerende paden, nauwelijks lanen, 

de moed om te verdwalen 

bijna gemist. 

Toon Tellegen 

Vannacht droomde ik over mijn moeder. Wij aten in een chic restaurant naast het station. Nooit at ik met mijn moeder in een chic restaurant naast het station. Mijn zoon kwam ook in de droom voor, hij was nog klein. Mijn moeder is dood, verloren uit hart en oog. Mijn zoon is groot.
                         *

Ik kijk naar boven. Er is veel hemel. Nazomerwarmte valt neer als een warme doek over een kil aanrecht. 

                         *

Spinnen die leep wachten in hun draden op schokkerig-bewegende vliegjes en muggen. Een draad spant zich vlak boven mijn hoofd alsof het mij de weg wil versperren en mij zal doorklieven als stiekem gespannen ijzerdraad op een stille landweg.

                          *

Over een paar dagen vliegen wij weg van dit alles. Ik weet niet goed wat ik moet verwachten, wat gek is want ik heb het reisplan goed bestudeerd. Beijing, Chengdu, Guilin, Yangshuo, Ping’an, Shanghai. Het doet mij denken aan de rijtjes die wij vroeger uit het hoofd leerden en waarvan we maar moesten raden wat het betekende. Mit, nach, nebst, samt – het was iets met een derde naamval.

                       *

De reis is iets met onze dochter. Zij is daar nu, in het abstracte China waar zij haar eigen lijn trekt. Wij trekken parallel aan haar lijn een paar streepjes en vertrekken daarna weer. 

                      *

Warme lucht met opgezogen vuil en stof zal daar op ons neerslaan. Volgens ons kind zijn er slangen en wilde honden in de bergen. De bergen hebben rare vormen en zijn bebost. Als harige pukkels steken ze uit in het dromerige landschap. Over spinnen hoorde ik haar niet. 

                       *

Nieuwe dromen vormen zich in ons onnavolgbare brein. Dromen over levende dochters en grote zonen, – uit het oog, in het hart.

                    ***

Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***