Im Westen nichts Neues

(…) De nabijheid van de verzengende zon maakt de geurige was zacht, de bindingen van de veren. De was was gesmolten: hij slaat naakte armen, en de roeiriemen missend vangt hij geen enkele wind en zijn mond, die de naam ‘vader’ roept, wordt verzwolgen door het blauwe water, dat zijn naam aan hem heeft ontleend (…)

Uit: Metamorphosen VIII, Daedalus en Icarus door Publius Ovidius Naso (43 v Chr. – 17 na Chr.)

Ik word onder vuur genomen door vallende eikels. Ze spatten op het pad als ketsende kogels in de straten van Aleppo. De bomen huilen blaadjes. De dwarrelende bladeren doen mij denken aan de man in pak die draaiend om zijn as naar beneden valt in zijn vlucht, weg van het vuur en de rook van het ontplofte vliegtuig in de Twin Towers. Ik wilde dat ik het niet gezien had. Een mens dat valt als het blad van een boom.

                        *

Mijn zoon zit naast mij. Gebiologeerd kijken wij naar de vallende man. Mijn zoon, vier jaar op 9 september 2001, kleurde zijn tekening aan tafel. Nu zit hij naast mij en ziet hij de vallende man. En ik weet dat hij al veel zag: schieten, tranen, dood, Aleppo, Afghanistan, Parijs, het is onvermijdelijk, de dood in dit leven. En nu die man, in pak, draaiend om zijn as langs de glazen spiegelwand als een duizelingwekkende ijdeltuit.

                       *

Als Icarus stort hij omlaag, zojuist zijn papieren geordend, een mail verstuurd, een grap gemaakt. De man in pak, een paar tellen lang valt hij, steekt de Styx over, kijkt niet achterom naar zijn geordende papieren, zijn onbeantwoorde mail, de lach van zijn verbrande collega.

                       *

Dat en het beeld van de twee rennende vaders met hun baby’s in de straten van Aleppo, hun voeten stoffig van het puin waar zij op lopen, de angst in hun ogen – hun wereld staat in brand. Tranen van Daedalus.

                       *

Zaterdagavond was er niks op het journaal. Met niks bedoelen we geen aanslag, geen brand, geen ellende, rotzooi, rotjochies, Poelenburg-vloggers. Nee, het ging over…tja, waar ging het over? Een waarschuwing van de AIVD dat ze toegang tot versleutelde berichten moeten krijgen (wordt lastig), een Volkswagen-eigenaar die schadevergoeding wil vanwege sjoemel-software (gaat lukken) en de evaluatie van de nekklem bij Mitch Henriquez (politie zat fout). Tot slot een couveuse-baby die in plaats van pijnlijke plakkertjes een zacht stoffen bandje om krijgt (in 2018). 

                         *

Na de vallende man was het fijn, zaterdag, dat niets-nieuws. Maar het is wachten op dat andere, dat allesverslindende, opslurpende bericht, een neerstortend vliegtuig, een auto met gasflessen die wel ontploft, iets, iets waar je hart van stilstaat. Eventjes. En dan ga je weer door. Werken, eten, slapen.

                         *

En fietsen over gevallen blad onder een spervuur van eikels.

                        ***

Advertisements

Plotseling, liefde 

  
Bij de oudste nog in leven zijnde Haarlemse boekhandel vraag ik of ze de nieuwe roman hebben van Aharon Appelfeld. De jongeman die nonchalant achter de computer op een soort barkruk hangt draait zich om.

‘De nieuwe roman van Appelfeld?’, vraagt hij.

‘Ja, de titel is ‘Plotseling, liefde’, zeg ik. Wat een wonderschone titel is.

                          *

Ik verheug me op dit boek. Appelfeld is een van de schrijvers die je ontdekt, ooit, als een parel in de diepte van een zee aan boeken. Schoonheid van schrijven komt je tegemoet bij het omslaan van iedere bladzijde van het boek ‘Het verhaal van een leven.’ Appelfeld, die als klein, Joods jongetje uit een Oekraïens kamp ontsnapt en rondzwerft over akkers en velden, de grijpgrage nazi’s en onbetrouwbare Oekraïense boeren – met ogen die op verraad staan – ontwijkend.

                           *

De zwerftocht van dit jongetje in een wereld van ellende en verschrikking staat in schrille tegenstelling tot zijn kinderjaren voor het als Jood beschouwd worden. Voor de vervolging. De poëtische beschrijving van Transsylvanie waar Appelfeld opgroeide in een cocon van geluk is prachtig. Het leven toen, daar, is zo beeldend beschreven dat je zelf in dat sprookjesachtige landschap ronddwaalt: je ziet Aharon huppelen als jongetje van vijf, zes jaar, omringd door de liefde van zijn ouders en grootouders.

                           *

De jongen op de barkruk kijkt mij aan en zegt: ‘nee, dat boek verkoop ik niet.’

Verbouwereerd kijk ik hem aan. ‘Het zijn prachtige boeken, het laatste is toch net uitgebracht?’ En ik kijk om me heen naar al die boektitels, boekomslagen en kasten vol boeken in deze kwaliteitsboekhandel.

‘Ja, ik heb er laatst een recensie over gelezen’, antwoordt de barkruk, ‘maar de boeken van Appelfeld verkopen niet. Wij hebben ze niet in huis. Ik kan het boek wel voor u bestellen.’

‘Nee, dat hoeft niet’, zeg ik. 

                         *

Ik fiets naar huis. Het is prachtig weer. In de krant lees ik dat een proces gaande is in Duitsland. De 94-jarige Reinhold Hanning wordt verdacht van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Hanning was bewaker in Auschwitz. Hanning zwijgt. Eerder verklaarde hij in een deel van Auschwitz te hebben gewerkt waar geen mensen werden vergast. Echter, de aanklagers gaan ervan uit dat alle bewakers betrokken waren bij het vergassen van de Hongaarse Joden die in 1944 in grote getale in Auschwitz zijn vermoord. Ook Hanning zou daarbij zijn geweest. Maar Hanning zwijgt. 

                       *

Getuige Leon Schwarzbaum houdt op het journaal een foto omhoog met daarop in sepia-kleuren hijzelf, zijn oom en zijn ouders. Een heel jonge, serieus kijkende twintiger, twee oudere, vriendelijke heren en een knappe vrouw met een kersenmond en net zo’n serieuze blik als haar zoon. Leon overleefde als enige van zijn familie Auschwitz. Twintig jaar was hij toen hij in Auschwitz belandde. Hij is getuige in Hannings proces. Leon, een oude man die op zijn vader is gaan lijken, vraagt zich af: ‘zou hij mijn ouders hebben gezien, daar op het perron?’ 

                        *

Maar Hanning zwijgt. En tijdens het fietsen in de kou met de winterzon op mijn gezicht vraag ik mij af hoe het gaat met Aharon Appelfeld. Dat kleine jongetje wiens leven zo mooi begon en al gauw veranderde in een onbegrijpelijke nachtmerrie. Welke Hanning heeft Aharons vader gezien, daar in dat Oekraïense kamp? Zijn moeder was niet in dat kamp. Zij was al eerder door de nazi’s vermoord.

                          *

Hanning zwijgt. En daarom moeten wij blijven lezen. Het nieuwe boek van Aharon Appelfeld, ‘Plotseling, liefde’. Ik bestel het maar gewoon bij Bol. com. En ik hoop dat het boek wel goed verkocht wordt. Dat de jongen op de barkruk bij boekhandel de Vries ongelijk heeft. Want zolang Hanning zwijgt lezen wij, over alles wat niet meer gebeuren mag en toch gebeurt. In Zuidoost-Turkije. In Aleppo. In Zuid-Soedan en Nigeria. Kleine jongens en meisjes wier leven zo beloftevol begon en nu een gruwelijke nachtmerrie is geworden ontsnappen niet aan nazi’s maar aan withete brandbommen, zij kijken niet in de ogen van hebzuchtige verraders maar ontwijken gerichte kogels van scherpschutters of religieuze fanatici.

                           *

En Hanning? Reinhold Hanning, 94 jaar oud, kijkt naar de grond en zwijgt.

‘Plotseling liefde’, heet het nieuwe boek van Appelfeld. Plotseling, liefde.
                       ***