Zomaar geluk op het Gelderlandplein

 

Een tijd geleden, toen wij na rijp beraad besloten samen met ons kind dat zij een kamer ging huren in een nieuw te bouwen complex bij de Boelelaan, lichtte een lampje op in mijn hoofd.

                         *
Was daar vlak bij niet het Gelderlandplein? Het plein waar de topcrimineel, God-hoe-heet-hij-ook-alweer?, werd neergeschoten? Een winkelcentrum vlakbij Amstelveen, Amsterdam-Zuid, nogal sjiek.
                         *
Deze week kreeg ik een whatsapp over het Gelderlandplein: ‘ik heb het gevonden, het Gelderlandplein is hier vlakbij. Het is nog erger dan Heemstede! Allemaal kakkers. Vooral veel oude dametjes met te veel make-up en bontjassen.’
                         *
Dat moet ik zien. Dus rijden wij naar het Gelderlandplein in onze nieuwe auto, een glanzende, wijnrode bolide. Gelderlandpleinwaardig, dacht ik zo.
                         *
De nieuwe navigatie, nog niet geüpdatet, leidt ons naar Schiphol. Daar draaien we een rondje, we negeren verder de navigatie en rijden richting Amsterdam.
                         *
Op 400 meter van de Boelelaan, naar rechts, de van Leijenburghlaan op. Heel voorzichtig, let wel: een nieuwe auto, rijden we de parkeergarage in. 
                           *
We hebben een doel: twee verjaarscadeautjes. De eerste zoeken we in de Douglas: een strenge, strak-opgemaakte dame komt op ons af. Samen met haar komen we uit op een peperdure lipgloss. Maar, wat een doddig doosje, wat een glanzend pakje en wat een strak strikje! Proefmonsters erbij, het eerste cadeautje is daar. 
                         *
Opeens horen wij de val van een.., ja, wat is het? Ik draai me om en ik zie de scherven van een dure parfum op de grond uiteenspatten. Een vrouw, die niet eens zo heel erg schrikt, staat ernaast. Zij liet het flesje overduidelijk op de grond vallen. 
                         *
Tegenover mij huppelt een meisje, blond met een lange paardenstaart in een tijgerbontjasje en tijgermaillootje, op knalroze halfhoge lakgympen. Haar hoogblonde moeder draagt ook een tijgerbontjas. Wij staren allen naar de scherven. De huppels stoppen. De strak-opgemaakte dame kijkt streng. Maar een jongen van de Douglas, zwarte kleding, strak kuifje redt de situatie: ‘aaach, dat kan gebeuren, hoor’, roept hij op de manier waarop alleen in het zwart geklede, strakgekuifde jongens van de Douglas dat kunnen roepen.
                         *
Wij rekenen de te dure lipgloss af en ik koop er voor mijzelf een te duur lippotlood bij. We zien een kitscherige kledingzaak met de naam Beverly nog-wat. Een verschrikkelijke kinderkledingzaak. Veel tijgerprints. 
                         *
Maar ook een Hema, de oeroude schoenenzaak Zwartjes (sinds 1883) en in de XL Albert Heijn doen we boodschappen. Ach, het valt best mee, met de kakkers. Misschien wel bij de verse-sushi-winkel of de net-geopende Coffee Company. 
                         *
Maar ik ben blij met mijn tweede cadeautje, een kinderboek. Blij met mijn lippotlood (‘zelfslijpend mevrouw’) en wat is het toch leuk een kind te verwennen met nieuwe gympen. In, eeeh, een tijgerprint.
                         *
Hoe heette die man toch ook al weer? Voor zijn flat neergeschoten. Op het Gelderlandplein. Klepper! Sam Klepper!
                         *
En wat het mooiste is: na twee keer het parkeerkaartje uit de automaat teruggespuwd te krijgen: ‘mevrouw, het is hier de eerste anderhalf uur gratis parkeren’, in onvervalst Amsterdams.
                         *
Gewoon gelukkig op het Gelderlandplein. Dat klinkt als een gedicht. Maar één lettergreep te veel.
                        ***

 

Advertisements

Amsterdam-Zuid

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2015/01/img_5302.png
Het is stil. Op het glazen, vierkante dak van het vierkante gat in onze uitbouw druppelt de regen. Het tikken van de regen. Onregelmatig. In de vensterbank liggen de poezen. Dit weer hoeft ook voor hen niet.

Beide kinderen zijn op pad. Mijn man is boven. Stil is het. Eén krant uit, de tweede, krakend-vers, ligt voor mij.

De haren zijn gewassen, geknipt en geföhnd. Het rondje boodschappen is gedaan. Een hip, Amsterdam-Zuid- gezin begeleidde dit keer mijn rondje kaasboer, groentenboer, visboer. Hij, een kort wollen mutsje. Zij, een klein meisjepoppetje in een grote sjaal gewikkeld. Twee poppenkindertjes met grote ogen en onverzorgde, blonde haren. Ongekamde slierten.

Het grote meisje van een jaar of vier schijnt met een zaklamp in de ogen van klanten, het kleine meisje rent rondjes en achtjes tussen de delicatessen door. Wijnflessen, de glazen vaas met desemstokbroden en een schaal met Carpaccio voor vier personen van €18,95 houden hun adem in.

De hippe ouders zien en horen niets.
‘Hebben wij nog kaas, schat?’
‘Nee, ik dacht het niet’, zegt de schat en hup, het volgende zakje ligt klaar. Een goede klant, dat wel.

Het duurt en het duurt. De meisjes spelen nu met hun kinderwagen, een hippe buggy, die de halve winkel in beslag neemt. Heen-en-weer gaat de wagen. De poppenogen van meisje 1 kijken naar mij. De wagen komt bijna tegen mij aan. Net niet. De kleding van de hippe kindertjes is zorgvuldig op z’n Zuids samengesteld. Roze rubberlaarzen met wit randje, bont gekleurde legging en duur jasje. Daaronder schemert een paars mini-jurkje.

In de winkel arriveert een oudere heer met een rollator. In zijn werkzame leven had hij vast, om met mijn vader te spreken, ‘een goede baan’. De man straalt, ondanks de rollator, gezag en ‘standing’ uit.

‘Van wie zijn die twee meisjes, ze gooien een wijnfles om!’, klinkt de iets-geaffecteerde stem van de heer luid en duidelijk door de zaak.
De poppenmoeder kijkt om en loopt erheen. De hippe vader, ongeschoren, zijn blonde haar schalks piekend onder zijn mutsje vandaan, pakt zijn portemonnee.
‘Het zijn geen meisjes, het is een meisje én een jongetje’, zegt hij.

De nette heer reageert niet. Hij hoort het niet of doet net alsof hij het niet hoort. Alle klanten lachen in hun vuistje hun ergernis over dit gezin weg en verbazen zich over zoveel opvoedkundige schaamteloosheid.

Bij de groentenboer sta ik weer met dit gezinnetje in de zaak. Gelukkig ben ik direct aan de beurt en heb ik geen tijd om me te ergeren aan hippe papa die de gekregen, geschilde appel van zijn kind gretig ophapt. Ook zie ik niet hoe het meisje alle groenten en fruit aanprikt met haar vieze vingertje. Poppenmoeder manoeuvreert zich, omstandig met de wagen door de hele winkel rijdend, een weg naar buiten.

Bij de visboer staan ze weer. Geen vis dit weekend. Ik heb er genoeg van.

Eén kind meldt dat het zo naar huis komt. Boven hoor ik gestommel. De stilte voorbij.