Keet

Soms valt er even niet zo veel te vertellen. Het leven kabbelt voort, de kinderen gaan het huis uit en keren weer terug. Boemerangkinderen, je gooit ze weg en dan, opeens, zijn ze er weer. Gelaten vang je ze, suizend in de lucht, op.

‘Hoe gaat het?’, vraag ik onze dochter die om 9 uur ‘s ochtends woest tikkend op haar toetsenbord tekeer gaat met naast haar een uitgeprint document vol gele en roze markeringen. Aan de andere kant van de laptop ligt haar telefoon waarop continu berichten verschijnen, die mij zacht trillend afleiden van de ochtendkrant.

‘Goed’, zegt ze en ze tikt woedend verder, af en toe kijkend naar de prints en de telefoon.

Gisteren was onze zoon op bezoek met zijn vriendin. Hij woont sinds een paar weken in een kamer van een vriend die anderhalve maand weg is. Onlangs bezochten wij hem. Bij het bestijgen van de drie trappen – onze kinderen wonen altijd op bovenste etages als ze op kamers verblijven – werd de poezengeur doordringender. De vier jongens hebben een kat, een kitten is het nog. ‘Ze pist overal’, had onze zoon al somber gemeld. Het poesje heet Keet. Mijn man dacht Kate naar Kate Bush, ik dacht meer aan de hippe Amsterdams meisjesnaam, Keet. Zeker weten we het dus niet. Keet of Kate had ‘Gvd vanochtend op mijn bed gepist’ vertelde onze zoon. In het piepkleine keukentje ratelde de wasmachine met zijn beddengoed.

‘Op hoeveel graden was je het?’, informeerde mijn man.

‘40 graden’, antwoordde onze zoon. Mijn man adviseerde het beddengoed nogmaals te wassen maar dan op 90 graden.

We gingen zitten op de comfortabele bank die bijna de hele kamer in beslag nam.

‘Waar is Keet?’, vroeg ik.

‘Die zit onder de bank’, antwoordde onze zoon. We zagen haar niet.

‘Ze verdwijnt altijd als er wordt gezogen’, zei hij. Aha, hij had dus schoongemaakt.

‘Ja, ik heb ook achter de bank gezogen’, vertelde hij, ‘Daar was een soort van biotoop ontstaan.’ En hij lachte.

Onze zoon leidde ons rond. In zijn leen-slaapkamer paste precies een twijfelaar en een kast. ‘Zo, mooi hoor’, zeiden wij.

In een andere slaapkamer vloog een flinke zwerm vliegjes om de lamp, evenals in de huiskamer.

‘Ja ik weet niet hoe dat komt’, zei hij, ‘Ik deed het raam open en opeens waren er allemaal vliegjes in de kamer.’ Op het balkon stonden vier opgestapelde, lege kratjes. Voor de deur in het halletje stonden er ook vier. In de huiskamer, waar een grote televisie de ruimte domineerde, stond een vitrinekast te zoemen met blikjes bier erin. ‘Reuze handig’, vertelde ons kind, ‘Al maakt ie wel veel lawaai.’

Omdat hij bijna jarig was gaven we hem alvast cadeautjes. Hij was er erg bij mee. ‘Kom, zullen we wat gaan drinken?’, vroeg hij en we gingen wat drinken. Bij het steile trapje voor de deur vertelde hij dat een van zijn huisgenoten daar van afgevallen was. ‘Hij had een lichte hersenschudding’, lachte onze zoon. ‘De sukkel.’

Trots liep hij ons voor, de Amsterdamse straten door. Toen ik een aardig tentje aanwees zei hij dat dat een heel duur restaurantje was. ‘Verderop is een leuke’ zei hij, man van de wereld. Braaf liepen wij achter hem aan. Op een Amsterdamse stoep dronken wij café latte, spraken vader en zoon over voetbal en praatten wij over zijn laatste tentamens en de aanstaande reis naar Bolivia.

Op de terugweg liepen we langs een dierenwinkel. ‘O, wacht, ik moet even een kammetje halen voor Keet’, zei hij en we liepen het zaakje in. Een oudere dame was een stapel blikjes met kattenvoer aan het tellen. Wij wachtten tot zij klaar was. Het duurde even.

‘Heeft u een kam voor een kitten?’, vroeg onze zoon.

‘Nee’, zei de vrouw nors. ‘Wel voor een kat, daar zit namelijk geen verschil in.’

‘O’, zei onze zoon.

‘Heeft u misschien van die kleefrollen voor vliegjes?’, informeerde mijn man. Achteloos wees de vrouw naar achteren. ‘Als we die hebben liggen ze daar’ Voor de vorm keken we, ze lagen er niet.

Gelukkig was er nog een dierenwinkel in de buurt. Een aardige vrouw had een kleine poezenkam en kleefstrips voor vliegen.

‘Hoe kom je aan vliegen?’, vroeg ze. ‘Ligt er soms fruit in de kamer of iets anders zoets?’

‘Alleen een paar lege bierkratten op het balkon’, zei mijn zoon. De vrouw lachte en zei dat aan de hals van de flesjes zoet achterblijft waar vliegjes op af komen.

‘Dus misschien moet je de kratten wegbrengen’, adviseerde ze lief.

En nu was onze zoon weer even thuis. Over een dikke week vertrekt hij met zijn vriendin naar Bolivia.

Hoe is het met Keet?’, vroegen wij.

‘Ze pist nog steeds overal in huis’, vertelde hij. ‘Maar ik kan die kamer misschien huren vanaf 1 juli en daar blijven. Ik denk dat ik dat maar doe.’

‘Hoewel huur betaal je?’, informeerden wij.

‘550 euro inclusief’, zei hij.

‘Nou’, zeiden wij. ‘Doen!’ En we zeiden niets over een slaapkamer overvol met bed en kast, vliegjes rond de lamp, een beplast dekbed, een kitten onder de bank en een biotoop erachter.

‘Heb je Keet nog gekamd?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei hij. En zijn vriendin voegde eraan toe, ‘Het is een schatje.’

Net voor het acht uur journaal komt onze dochter thuis. Met in haar ene hand de tas met laptop, in de andere hand twee zakjes van de snackbar. Ze ziet er moe uit.

‘Hoe gaat het?’, vragen wij.

‘Goed’, zegt ze.

En zo kabbelt het leven voort.

Advertisements

Nu Even Niet

Wieringerwaard,

Klei en gras en wind

Het weiland van sloot tot sloot in kaart

Ook voor wie hier woont

‘t Wordt nooit gewoon

De Wieringerwaard

Wolken, wit en wijds

Bij molen De Hoop

Antiek te koop

En voor de rivier

Staart Potters stier

Naar Wieringerwaard

Rob de Nijs

(tekst Jan Rot, muziek Jacques Revaux)

Kaarsrechte wegen staan haaks op elkaar en het land is verdeeld in precieze rechthoeken alsof Iemand ooit met veel plezier de geodriehoek hanteerde. Alle hoeken op 90 graden. Recht. En. Duidelijk.

Ik rijd door de polder op zoek naar rust en ruimte. Een droom van vrijstaand wonen met uitzicht op veranderende wolkenluchten, sappig groen met een zwart-witte waas van koeien, wol-wattige schapen en mekkerende lammetjes.

Thuis bleven drie familieleden verstomd achter.

‘Weet je hoe lang je erover doet om daar te komen met het openbaar vervoer?’, vroeg mijn dochter.

‘Als jullie dat willen moet je het doen’, zei mijn zoon. ‘Zelf zou ik graag later hier wonen’, vulde hij aan. En hij keek om zich heen in zijn huis, ons huis nu.

Mijn man zei niets. Hij heeft ook de droom van rust en ruimte. Alleen gaat dit te snel. En ik? Ik moet van mijn onrust af, mijn verliefdheid op dit huis, dat uitzicht, die werkkamer.

Ik draai na de kruising van twee kaarsrechte wegen een oprit op. Het grind knarst zacht onder de wielen van mijn auto. Door de voorruit zie ik achter het huis een vrouw staan. Twee nieuwsgierige meisjesgezichten steken hun hoofd om het hoekje van de woning. De vrouw heeft een hond aan een lijn. Als ik uitstap loopt ze me tegemoet. ‘Ik wacht op de makelaar’, zegt ze.

‘Ja, ik ook, zeg ik, ‘Jaag ik jullie nu het huis uit?’

‘Ik blijf liever niet bij een bezichtiging’, antwoordt de vrouw.

‘Nee, dat snap ik,’ zeg ik en ik vraag: ‘Wonen jullie hier allang?’

‘Wij komen uit Amsterdam. Wij wilden de kinderen rustig laten opgroeien, zonder wachtlijsten voor scholen en zwemlessen.’

‘Tja, dat snap ik’, zeg ik weer.

Ik heb nog 100 vragen aan haar maar het lijkt me niet gepast deze te stellen. We staan bij elkaar als twee onwennige pubers op hun eerste schooldag.

‘Ik zag dat hier een servicepunt is van de bibliotheek’, merk ik op, ‘En er is een Spar’.

De vrouw kijkt mij aan. ‘Er is ook een mooi zwembad’, zegt ze.

‘Blijven jullie hier wel in de buurt wonen als het huis verkocht is?’ vraag ik nieuwsgierig.

‘Ja’, zegt de vrouw en ze kijkt op haar horloge, ‘We zouden niet meer kunnen wennen aan een stad als Amsterdam. Kijk, daar is de makelaar.’ Een bebrilde dertiger hupt uit de auto die hij naast het huis parkeert. ‘Hier is de sleutel’, zegt de vrouw en ze zegt mij gedag. Zijzelf, de hond en kinderen stappen in de auto en ze rijdt weg.

‘Zo, laten we eerst hier maar even gaan zitten’, zegt de makelaar.

We zitten op twee gemakkelijke stoelen achter de woning. Ik kijk uit over groen land, in de verte glinsteren rode tulpen. De zon schijnt. Beukenheggetjes verdelen de brede tuin in, ja, weer rechthoeken.

‘Het is een mooie dag’, zegt de makelaar. ‘Kom, laten we kijken. Het huis is met veel liefde opgeknapt.’ En we lopen door het huis van de vrouw met de hond.

Het stadje vlakbij, de kust met het dorp dat zo lijkt op het Zeeuwse dorp waar we ooit vakantie vierden, de ruimte en rust, geen wachtlijsten en een ‘actief verenigingsleven’, dit alles spookt op de terugweg door mijn hoofd.

Ik kijk voortdurend op het klokje hoe lang het rijden is. Lang.

‘Wij werken beiden in de buurt waar wij wonen’, vertelde ik de makelaar. ‘En het is een eind rijden.’

‘Hier is ook werk’, zei hij en ‘Waar krijg je deze ruimte?’

Thuis won de realiteit het van de droom. En ik probeer maar niet meer te denken aan die poes op de gekleurde poef in de werkkamer, het glinsterende veld met rode tulpen en het gras dat daar toch echt groener is.

Het pleidooi

Op de deur van het lokaal hangt een plakkaat. ‘Stilte a.u.b. i.v.m. pleitoefening’.

We staan in het halletje voor het lokaal. Een groepje studenten staat om het hoekje, ze wiebelen nerveus op de hakken van hun schoenen. Ze lachen en zeggen ‘Ik heb liever drie tentamens dan dit’ en ‘Ik had dit nooit verwacht’.

Onze dochter ziet ons en loopt op ons af.

‘Ik ben als laatste aan de beurt’, zegt ze. ‘Maar jullie kunnen luisteren naar het tweede groepje. Daarna kom ik.’

Er staat nog een ouderpaar in het halletje. Als we het lokaal in mogen valt het plakkaat van de deur. De vrouw van het andere paar pakt het op en drukt het tegen de deur. Nu hangt het plakkaat scheef. De plakbandjes zijn stoffig en kleven nauwelijks meer.

We luisteren naar een fictieve rechtszaak over hulp bij zelfdoding. Drie in toga gehulde rechters geven het woord aan een jongen met baardstoppels, onwennig staand voor het katheder in een geleende toga. Hij neemt de rol van officier van justitie op zich. Op het whiteboard achter de rechters hangt een A-4-tje met een afbeelding van de koning. De jongen start zijn betoog. En ik herken het verhaal.

De dag ervoor oefende onze dochter haar officier-van-justitierol met mij.

‘Mijn verhaal moet echt binnen tien minuten klaar zijn en klok het alsjeblieft met de stopwatch-functie’, instrueerde ze mij. Ik zat op bed. Zij stond achter de strijkplank. Rechts op de strijkplank lag een stapel ongestreken kleding. In het ijzeren mandje links hing de strijkbout. Na twee keer oefenen, schrappen en timen en een maal de slappe lach duurde het betoog acht minuten en tien seconden.

Willem-Alexander staart mij aan; de afbeelding is geplastificeerd dus de koning glimt een beetje. De middelste rechter interrumpeert twee maal het betoog van de jongen. Rustig beantwoordt hij de vragen. Zijn rechter-gymschoen wipt op en neer. Het randje van de toga beweegt licht mee. De zoom is afgezet met glanzend-zwart biaisband. Ik sterf intussen duizend doden.

‘Nu ben ik wel zenuwachtig’, vertelde mijn dochter mij in het halletje. ‘Je moet ook onverwacht vragen beantwoorden en elkaar van repliek dienen.’

Na het betoog van een meisje dat als advocaat een paar keer haar tekst kwijt raakt schuifelen we achter elkaar het lokaal uit. De deur gaat dicht. ‘Nu beraadslagen ze’, legt mijn kind mij uit. Ze trekt de leen-toga aan. De mouwen zijn zeker twintig centimeter te lang.

‘Wacht, ik vouw ze om’, zeg ik, ‘Anders kan je je notitie niet eens uitdelen.’

En daar staat ze. Achter het katheder. Ze deelt haar pleitnota uit aan de drie rechters en haar mede-student die de advocatenrol op zich neemt. Ze schenkt een bekertje water in. Haar hand trilt niet. En dan start het strijkplank-requisitoir. Twee keer krijgt ze een vraag. Ze beantwoordt deze gedecideerd. Ze haalt het Heringa-arrest aan. Ze eist negen maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk voor hulp bij zelfdoding. ‘Er is een maatschappelijke en politieke discussie gaande over euthanasie en voltooid leven, maar het is aan de wetgever om de wet aan te passen. Zo lang dat niet gebeurt hanteren wij de nu geldende wetgeving.’

En Willem zag dat het goed was.

Ramp

Laatst was ik bij een boekpresentatie van een boek met foto’s van boekenliefhebbers, gefotografeerd voor hun boekenkast. Dat leverde 52 foto’s en verhalen op van mensen, oude en jonge, die allen op hun eigen wijze van ‘hun’ boeken houden.

Van de in beige gehulde dame van 101 die fier en breekbaar tegelijk voor haar kast staat tot en met de man in het midden van het boek met een boekenkast waar wat mee is.

Ik lees dat de keurige heer met de kast waar wat mee is zijn boeken tot op de millimeter opmat en alles op hoogte ordende. De kast was daarna met een speciaal computerprogramma ontworpen.

‘Kijk’, zei mijn dochter met wie ik het boek doorbladerde, ‘Er is zelfs een apart plekje voor twee heel dunne boekjes.’ En jawel, twee boekjes stonden als magere soldaatjes in een precies passend wachthuisje, omhuld door de strenge contouren van zwartgeschilderd hout. Een kast als een schilderij.

De dame van 101 noch de man van de computerkast zag ik bij de boekpresentatie. Misschien was de oude dame al dood, dacht ik, wiebelend op een van de gammele stoeltjes die in de richting van een katheder waren geplaatst.

Een vriendin zat naast mij in de Amsterdamse boekwinkel. Wij beiden stonden ook in dat boek. En we luisterden naar de sprekers achter het katheder, zittend op de gammele stoeltjes. Na afloop kregen wij een exemplaar van het boek cadeau. Achterin de winkel stonden een paar tafels met glazen, flessen wijn en water.

‘Wil jij wat drinken?’, vroeg mijn vriendin en dat wilde ik. We proostten op het boek en onze vriendschap.

‘Ik ga even naar de w.c.’, zei mijn vriendin na de eerste slok en ze verdween tussen de vele bezoekers die geanimeerd met elkaar praatten. Het was een feestelijk gebeuren.

Naast mij stond een keurige heer in een rode trui. Hij keek mij verwachtingsvol aan.

‘Staat u ook in het boek?’, vroeg ik.

‘Nee’, antwoordde de man.

‘O’, zei ik.

‘U staat er wel in?’, vroeg de man.

‘Ja’, antwoordde ik, ‘Samen met mijn poes.’

Het was een wezenloos antwoord. Maar het klopte wel. Onze poes lag op de foto heerlijk te slapen op de bank.

‘U houdt dus van boeken’, concludeerde de man. ‘Van welk soort boeken houdt u?’

Eh, ik houd van Nederlandstalige romans…’, antwoordde ik. ‘Maar ook van literaire thrillers en..’ Ik dacht erover na of ik mijn vreemde belangstelling voor boeken over de Tweede Wereldoorlog met deze heer zou delen. ‘En ik lees veel over de Tweede Wereldoorlog’, hoorde ik mijzelf zeggen. ‘En in het bijzonder over de concentratiekampen en de vervolging.’

De man keek mij onderzoekend aan. ‘U houdt dus van verhalen over mensen in nood’, zei hij

‘Nou ja het interesseert mij hoe mensen zoiets verschrikkelijks meemaken en daarna het leven weer oppakken’, zei ik voorzichtig.

De man deed een stapje naar achteren en greep in een zwarte tas op de stoel naast zich.

‘Dan wilt u vast dit boek kopen’, zei hij. ‘Ik schreef het zelf, het gaat over de watersnoodramp.’

Verbouwereerd pakte ik het boek aan.

‘Het kost € 24,95’, zei hij, ‘ Maar u krijgt het van mij voor € 20,-‘

Ik vroeg mij af waar mijn vriendin bleef. Ik bladerde wat in het boek.

‘Het is geen geld’, hoorde ik de heer met de rode trui zeggen.

‘Eh, ja, nou, als ik het wil hebben koop ik het gewoon hier’, zei ik en ik gaf hem het boek terug.

‘Er liggen er nog twee’, zei de man. ‘Bij de non-fictie.’

En toen kwam mijn vriendin.

‘Zullen we gaan?’, vroeg ik. Op de terugweg liepen we langs de non-fictie. Daar lagen de twee boeken over de watersnoodramp.

Ik kocht het niet.

Thx

De zon schijnt rechtstreeks op mijn vaste plek aan de eettafel. Na dagen met ijzige wind die door je sjaal heen op de huid neersloeg als de vinnige klap met de plak van een ouderwetse schoolmeester op het gevoelige, zachte vlees van je handpalm is dit een verademing. Zitten op een stoel in de zon.

Gisteravond ontving ik een mail van mijn zoon met de vraag of ik een ‘stuk’ wilde nakijken. Onderaan de mail stond vooruitlopend op mijn antwoord, thx.

Tegen het middaguur kwam hij tevoorschijn. Een verwarde haardos boven een pyjamabroek en capuchonvest.

‘Kan ik op je laptop dat stuk nakijken?’, vroeg ik. Ja, dat had hij zelf ook al bedacht.

‘Hier kan je lezen wat de criteria zijn’, legde hij uit, ‘En dit is het stuk.’ Daarna roosterde hij een broodje.

Ik begon te lezen. ‘Het stuk’ handelde over sociale ondernemingen die, zo betoogde mijn zoon, voortvloeien uit de participatie-samenleving en een belangrijke en verdergaande verschijningsvorm zijn van de ‘doe-democratie’. Geboeid lees ik verder. Zo nu en dan denk ik eraan een komma te wijzigen of een punt te zetten.

Met stijgende verbazing lees ik een goed onderbouwd betoog waar menig beleidsmedewerker een puntje aan kan zuigen. Het ‘stuk’ dat bij inlevering ineens een essay blijkt te zijn eindigt met een beschrijving van de Haagse sociale onderneming ‘Seepje’, vijf jaar geleden gestart door twee studenten die wasmiddelen maken van Nepalese boomschilletjes. De studiefinanciering vormde het startkapitaal. Een hilarisch gegeven.

Tegenover mij eet de schrijver van het ‘stuk’ zijn broodje. Met oortjes in leest hij een artikel waarin hij streepjes zet.

‘Dit is echt een heel goed stuk’, zeg ik en ik draai de laptop naar hem toe.

‘Dank je’, zegt hij, terwijl hij een oortje uitdoet.

‘Mail het alsjeblieft naar me’, zeg ik.

‘Naar je werkmail?’, vraagt hij.

‘Ja graag’, antwoord ik.

Later doezel ik verder in de zon boven de krant. Deze dag markeert de overgang van het ene naar het andere tijdperk. Het moment dat een kind inzicht verschaft aan de ouder en het opvoeden definitief tot de geschiedenis behoort.

‘Sociale ondernemers zijn mensen die (duurzaam) investeren in de maatschappij en in mijn ogen een positieve invloed uitoefenen op de samenleving. Ik geloof dan ook dat er een grote toekomst voor is en ik vind dat de overheid dit soort ondernemingen moet stimuleren en helpen.’

Thx, Mx.

Ongelukje 



Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wij maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
 

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

 

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale 

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –


Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

                      *

‘s Avonds laat hoorde ik boven een stem en een vloek. De stem die door een telefoon sprak was van mijn man. De vloek ook. Ik had geen zin in de stem noch in de vloek. Ik nestelde mij op de bank voor de tweede helft van de avond en ik keek naar de film Room. 

                       *

Ooit zag ik deze film over een jonge vrouw – door Old Nick opgesloten in een schuur – in de bioscoop. Old Nick kwam zo nu en dan langs. Dan verstopte Joy haar vijfjarige zoon Jack in Wardrobe. Jack keek stiekem door de paneeldeurtjes naar zijn moeder, zag de contouren van Old Nick en telde de piepjes die het bed met zijn moeder en Old Nick erin maakte. Als Old Nick weg was tilde zijn moeder Jack weer over naar haar bed. Samen sliepen ze. Totdat het licht van Dakraam hen wekte.

                        *

Ik weet niet waarom ik voor de tweede keer naar deze wondermooie maar gruwelijke film keek. Waren het de ogen van Jack? De blik van zijn moeder? De dreiging van Old Nick? Angst die we allemaal wel eens voelen al is het maar in onze dromen? Ik zat op de bank met onder beide handen een poes. Tijdens het kijken frummelde ik in hun vacht en draaide ik krulletjes in het zachte haar. Ze vonden het best, spinden zelfs.

                       *

Daarna ging ik slapen. En ik droomde van een huizenruil en de benauwenis van de onvoorstelbaar slechte ruil van ons huis met een krappe studentenflat. 

                        *

‘s Ochtends vertelde mijn man mij over de vloek.

‘Max belde gisteravond dat hij met mijn auto een aanrijding had in een parkeergarage in Amsterdam.’

‘Misschien is het wel goed dat hij nu zo’n ongelukje heeft’, vervolgde hij. ‘Daar schrikt hij misschien van en rijdt daarna weer voorzichtiger.’

                          *

Ik knikte. Dat zou kunnen. En ik dacht aan mijn eerste ongelukje met mijn vaders auto. Mijn vader reageerde nauwelijks op de schade en mijn trillende benen. ‘Het kan gebeuren’, zei hij. Het is alweer zo lang geleden. Ik wilde nog vragen aan mijn man: ‘Vloekte je tijdens of na het gesprek met Max?’ Maar ik liet het zitten.

                        *

Onze zoon kwam ‘s ochtends vroeg thuis. Aangenaam verrast door zijn laconieke ouders. Van schrik vergat hij zijn ochtend-humeur. Opgewekt ontbeet hij met ons mee.

                        *

Ik dacht nog even aan mijn droom en de benauwenis van de huizenruil en die aftandse een-kamerflat. Ik wilde het vertellen maar ik liet het zitten. Het leek onbelangrijk.

                        ***

  

Een lieve stad


Bij ons in huis staan opeens twee zwarte laarsjes. Halfhoog zijn ze, maat 35, hooguit 36. Ze staan fier rechtop. De laarsjes zijn van onze dochter.

‘Ik werk tot en met vandaag’, zei mijn dochter zaterdagochtend, ‘Dan kan ik volgende week nog even rustig aan doen.’

‘Ja, prima’, zei ik.

‘Kan je al mijn gespaarde geld voor China binnenkort aan mij overmaken?’, vroeg ze

‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik.

‘Mooi’, zei ze en ze ging naar beneden. 

                         *

Ik vind zodirect in de badkamer een paar lange, blonde haren, dacht ik slaperig. Ik droomde die nacht over haar. Dat ze haar vliegtuig in Guilin, een stad in Zuid-China, miste ‘Daar moet ik al om 5.00 uur ‘ s ochtends zijn als ik terugkom uit Yangshuo, hoe ga ik dat regelen?’, zei ze onlangs, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ik weet het ook niet. Wel weet ik dat ik wakker lag van de gedachte dat zij daar liep, ‘s ochtends vroeg in die Zuid-Chinese stad met zoveel inwoners, Chinese karakters, Chinese klanken, niemand die Engels spreekt. Ik moet uiteindelijk weer ingeslapen zijn ondanks de harde wind die onze slaapkamerdeur deed piepen en de gordijnen liet opwaaien, zachtjes als de ruisende rokken van een pirouettes-draaiende dame. 

                    *

Onze dochter vertrekt over een week naar China. Ze gaat daar een half jaar studeren maar eerst nog even reizen. In haar eentje. Met treinen, vliegtuigen en taxi’s. Naar miljoenen-steden, grillige gebergten, meren, rivieren en pandaberen. 

‘Ik ben daar toch een paar weken te vroeg, ik heb tijd zat om te reizen’, zegt ze. Samen zoeken we hostels, boeken we vliegtuigen, sturen we kopieën op van haar paspoort naar Chinese dames die in steenkolen-Engels mailtjes sturen met verzoeken om meer informatie. ‘Klopt dat wel?’, vraag ik mijn dochter. ‘Ja, ik krijg van mijn verhuurder ook dat soort vage mails’, zegt ze. En we sturen de paspoortgegevens maar door aan Chinese dames die Sue of Nikki heten.

                        *

‘Zullen we nog een keer naar de Dubuffet-tentoonstelling in het Stedelijk Museum gaan?’, vraagt mijn man.

‘Ja’, zeg ik, ‘Dinsdag ben ik vrij.’ 

                      *

‘Ons huis is per 1 augustus onderverhuurd, dus ik kom nog een weekje naar huis’, meldde onze dochter een tijdje geleden. Dus kwam ze thuis. Met acht dozen, zeven volle tassen, een koffer en een reistas. 

‘Ik ga mee naar de tentoonstelling van Dubuffet’, zegt ze. 

‘We kunnen met de auto, die zetten we dan in de Apollolaan’, stel ik voor. ‘Dat doe ik ook altijd als ik Barry bezoek. Dat gaat prima. Ruim plek, het is vlakbij het Museumplein en parkeren daar kost € 3,- per uur.’ 

‘O prima’, zegt mijn man, ‘Dan lopen we daar vandaan naar het Stedelijk.’ 

                          *

Op de Apollolaan zijn veel lege plekken. Ik parkeer de auto, ik activeer de handige parkeer-app en we lopen richting het Museumplein. Op de Apollolaan staan in de middenberm sculpturen, het is een beeldenroute, Art Zuid. En we zien Rudi Fuchs. Langzaam steekt hij over bij het zebrapad. Een zwarte bloes draagt hij en een zwarte, hoog opgetrokken broek die om zijn bolle buik spant. Wilde, grijze krullen. Een oude man. ‘Daar loopt de oud-directeur van het Stedelijk Museum’, zeg ik tegen mijn dochter.

‘He, wat?’, zegt zij en ze kijkt een man na op een opoefiets.

‘Nee, de man die nu oversteekt’, wijs ik haar op de gebogen, oude heer.

‘O’, zegt ze.

                        *

De tentoonstelling van Dubuffet is klein maar prachtig. In de tuin van het Rijksmuseum staan ook nog een paar sculpturen van Dubuffet. We wisten niet dat er een tuin was bij het Rijksmuseum. Maar die is er: met een fontein vol spelende kinderen, een vijver met lelies, perkjes gevuld met kleurrijke bloemen en stukjes gras met beelden van Dubuffet. Langzaam lopen we terug door Amsterdam- Zuid, via de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat. Langs het Hilton. 

                      *

‘De auto staat daar’, zeg ik en ik wijs naar een omhoogstaande, ijzeren knoop in de middenberm. Een sculptuur. Maar de auto staat er niet. 

‘Hier stond hij’, zeg ik en ik wijs naar de lege plek. Achter de lege plek staat een auto die wordt opgeladen. Een geel snoer kringelt van de auto naar een laadpaal. 

‘Ik weet het zeker’, herhaal ik, ‘Hier stond ie.’ Verbouwereerd staren we alledrie naar de lege plek. 

‘Gestolen?’, vraagt mijn dochter. 

‘Ja, ik denk gestolen’, zeg ik. Een piepklein autootje draait om ons heen. Het raampje gaat open.

‘You parked here?’, vraagt een donkere man, zijn elleboog ligt op de onderrand van het raampje. 

‘Yes’, stamel ik.

‘He was moved a while ago’, zegt de man. ‘This place is for electric cars’, vertelt de man en hij wijst op de lege plek en de auto die achter ons staat met de gele draad. ‘I didn’t know this was also a place for electric cars.’ zeg ik. Woede maakt zich van mij meester.

                        *

‘Wat doen we nu?’, vraagt mijn man.

‘We bellen parkeer-beheer’, zeg ik. De Amerikaan zet zijn mini-autootje op de stoep voor zijn huis. 

‘I live here, if you need anything, I’m in the house.’ 

‘Thank you’, zeggen we. Verslagen nemen we plaats op een bankje in de tussenberm van de Apollolaan. Met uitzicht op de ijzeren knoop.

                          *

Een dame van de gemeente Amsterdam die ik aan de telefoon krijg vertelt me dat onze auto is weggesleept en op de Daniël Goedkoopstraat 9 staat.

‘Goedkoopstraat?’, herhaal ik, ‘Is dat in Zuid?’

‘Ja, ergens in Suid’, zegt de vrouw. ‘U moet dat maar efe opsoeke op uw telefoon. De kosten bedragen trouwens €373.’ 

‘€373?’, herhaal ik.

‘Ja, €373, dat sijn de kosten voor het wegslepen. Dese moet u direct betalen.’ 

‘Maar ik heb het niet gezien, die plek, dat deze voor een elektrische auto was. Er waren zat parkeerplekken op de Apollolaan. Ik had best ergens anders kunnen staan. En ik heb de parkeer-app aangezet.’ 

‘Tja, toch mag u daar niet staan’, zegt de vrouw. Het gesprek is afgelopen. ‘Fijne dag’, wenst ze ons toe.

                         *

We nemen de tram, de metro en lopen over een desolaat bedrijventerrein waar parkeerbeheer huist. Een flinke dame achter een beveiligde balie beaamt dat het wegslepen van onze auto ‘belachelijk’ is. Maar dat in heel Amsterdam alle verkeerd geparkeerde auto’s worden weggesleept. 

‘Dat is het beleid mevrouw.’ Ik pin €373,-. 

‘Amsterdam is toch een iets minder lieve stad dan meneer van der Laan laatst op televisie vertelde’, zeg ik. 

                         *

Thuis staan de zwarte, halfhoge laarsjes midden in de kamer. Over een paar dagen gaat onze dochter weg. Naar China. Voor haar rechtenstudie. ‘Mam, ik zoek de jurisprudentie op.’ Ze tikt driftig op haar computer. 

‘Morgen schrijf ik een brief en daarna kan jij die in jouw woorden overschrijven. Daar kan je dan mee in bezwaar gaan.’ Ik kijk naar de laarsjes en die ene lange blonde haar op de rand van het tafelblad. Ik pak de haar op en laat deze langzaam op de vloer vallen.

                          *

Ik zal haar missen.

                          ***