Ongelukje 



Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wij maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
 

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

 

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale 

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –


Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

                      *

‘s Avonds laat hoorde ik boven een stem en een vloek. De stem die door een telefoon sprak was van mijn man. De vloek ook. Ik had geen zin in de stem noch in de vloek. Ik nestelde mij op de bank voor de tweede helft van de avond en ik keek naar de film Room. 

                       *

Ooit zag ik deze film over een jonge vrouw – door Old Nick opgesloten in een schuur – in de bioscoop. Old Nick kwam zo nu en dan langs. Dan verstopte Joy haar vijfjarige zoon Jack in Wardrobe. Jack keek stiekem door de paneeldeurtjes naar zijn moeder, zag de contouren van Old Nick en telde de piepjes die het bed met zijn moeder en Old Nick erin maakte. Als Old Nick weg was tilde zijn moeder Jack weer over naar haar bed. Samen sliepen ze. Totdat het licht van Dakraam hen wekte.

                        *

Ik weet niet waarom ik voor de tweede keer naar deze wondermooie maar gruwelijke film keek. Waren het de ogen van Jack? De blik van zijn moeder? De dreiging van Old Nick? Angst die we allemaal wel eens voelen al is het maar in onze dromen? Ik zat op de bank met onder beide handen een poes. Tijdens het kijken frummelde ik in hun vacht en draaide ik krulletjes in het zachte haar. Ze vonden het best, spinden zelfs.

                       *

Daarna ging ik slapen. En ik droomde van een huizenruil en de benauwenis van de onvoorstelbaar slechte ruil van ons huis met een krappe studentenflat. 

                        *

‘s Ochtends vertelde mijn man mij over de vloek.

‘Max belde gisteravond dat hij met mijn auto een aanrijding had in een parkeergarage in Amsterdam.’

‘Misschien is het wel goed dat hij nu zo’n ongelukje heeft’, vervolgde hij. ‘Daar schrikt hij misschien van en rijdt daarna weer voorzichtiger.’

                          *

Ik knikte. Dat zou kunnen. En ik dacht aan mijn eerste ongelukje met mijn vaders auto. Mijn vader reageerde nauwelijks op de schade en mijn trillende benen. ‘Het kan gebeuren’, zei hij. Het is alweer zo lang geleden. Ik wilde nog vragen aan mijn man: ‘Vloekte je tijdens of na het gesprek met Max?’ Maar ik liet het zitten.

                        *

Onze zoon kwam ‘s ochtends vroeg thuis. Aangenaam verrast door zijn laconieke ouders. Van schrik vergat hij zijn ochtend-humeur. Opgewekt ontbeet hij met ons mee.

                        *

Ik dacht nog even aan mijn droom en de benauwenis van de huizenruil en die aftandse een-kamerflat. Ik wilde het vertellen maar ik liet het zitten. Het leek onbelangrijk.

                        ***

  

Advertisements

Een lieve stad


Bij ons in huis staan opeens twee zwarte laarsjes. Halfhoog zijn ze, maat 35, hooguit 36. Ze staan fier rechtop. De laarsjes zijn van onze dochter.

‘Ik werk tot en met vandaag’, zei mijn dochter zaterdagochtend, ‘Dan kan ik volgende week nog even rustig aan doen.’

‘Ja, prima’, zei ik.

‘Kan je al mijn gespaarde geld voor China binnenkort aan mij overmaken?’, vroeg ze

‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik.

‘Mooi’, zei ze en ze ging naar beneden. 

                         *

Ik vind zodirect in de badkamer een paar lange, blonde haren, dacht ik slaperig. Ik droomde die nacht over haar. Dat ze haar vliegtuig in Guilin, een stad in Zuid-China, miste ‘Daar moet ik al om 5.00 uur ‘ s ochtends zijn als ik terugkom uit Yangshuo, hoe ga ik dat regelen?’, zei ze onlangs, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ik weet het ook niet. Wel weet ik dat ik wakker lag van de gedachte dat zij daar liep, ‘s ochtends vroeg in die Zuid-Chinese stad met zoveel inwoners, Chinese karakters, Chinese klanken, niemand die Engels spreekt. Ik moet uiteindelijk weer ingeslapen zijn ondanks de harde wind die onze slaapkamerdeur deed piepen en de gordijnen liet opwaaien, zachtjes als de ruisende rokken van een pirouettes-draaiende dame. 

                    *

Onze dochter vertrekt over een week naar China. Ze gaat daar een half jaar studeren maar eerst nog even reizen. In haar eentje. Met treinen, vliegtuigen en taxi’s. Naar miljoenen-steden, grillige gebergten, meren, rivieren en pandaberen. 

‘Ik ben daar toch een paar weken te vroeg, ik heb tijd zat om te reizen’, zegt ze. Samen zoeken we hostels, boeken we vliegtuigen, sturen we kopieën op van haar paspoort naar Chinese dames die in steenkolen-Engels mailtjes sturen met verzoeken om meer informatie. ‘Klopt dat wel?’, vraag ik mijn dochter. ‘Ja, ik krijg van mijn verhuurder ook dat soort vage mails’, zegt ze. En we sturen de paspoortgegevens maar door aan Chinese dames die Sue of Nikki heten.

                        *

‘Zullen we nog een keer naar de Dubuffet-tentoonstelling in het Stedelijk Museum gaan?’, vraagt mijn man.

‘Ja’, zeg ik, ‘Dinsdag ben ik vrij.’ 

                      *

‘Ons huis is per 1 augustus onderverhuurd, dus ik kom nog een weekje naar huis’, meldde onze dochter een tijdje geleden. Dus kwam ze thuis. Met acht dozen, zeven volle tassen, een koffer en een reistas. 

‘Ik ga mee naar de tentoonstelling van Dubuffet’, zegt ze. 

‘We kunnen met de auto, die zetten we dan in de Apollolaan’, stel ik voor. ‘Dat doe ik ook altijd als ik Barry bezoek. Dat gaat prima. Ruim plek, het is vlakbij het Museumplein en parkeren daar kost € 3,- per uur.’ 

‘O prima’, zegt mijn man, ‘Dan lopen we daar vandaan naar het Stedelijk.’ 

                          *

Op de Apollolaan zijn veel lege plekken. Ik parkeer de auto, ik activeer de handige parkeer-app en we lopen richting het Museumplein. Op de Apollolaan staan in de middenberm sculpturen, het is een beeldenroute, Art Zuid. En we zien Rudi Fuchs. Langzaam steekt hij over bij het zebrapad. Een zwarte bloes draagt hij en een zwarte, hoog opgetrokken broek die om zijn bolle buik spant. Wilde, grijze krullen. Een oude man. ‘Daar loopt de oud-directeur van het Stedelijk Museum’, zeg ik tegen mijn dochter.

‘He, wat?’, zegt zij en ze kijkt een man na op een opoefiets.

‘Nee, de man die nu oversteekt’, wijs ik haar op de gebogen, oude heer.

‘O’, zegt ze.

                        *

De tentoonstelling van Dubuffet is klein maar prachtig. In de tuin van het Rijksmuseum staan ook nog een paar sculpturen van Dubuffet. We wisten niet dat er een tuin was bij het Rijksmuseum. Maar die is er: met een fontein vol spelende kinderen, een vijver met lelies, perkjes gevuld met kleurrijke bloemen en stukjes gras met beelden van Dubuffet. Langzaam lopen we terug door Amsterdam- Zuid, via de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat. Langs het Hilton. 

                      *

‘De auto staat daar’, zeg ik en ik wijs naar een omhoogstaande, ijzeren knoop in de middenberm. Een sculptuur. Maar de auto staat er niet. 

‘Hier stond hij’, zeg ik en ik wijs naar de lege plek. Achter de lege plek staat een auto die wordt opgeladen. Een geel snoer kringelt van de auto naar een laadpaal. 

‘Ik weet het zeker’, herhaal ik, ‘Hier stond ie.’ Verbouwereerd staren we alledrie naar de lege plek. 

‘Gestolen?’, vraagt mijn dochter. 

‘Ja, ik denk gestolen’, zeg ik. Een piepklein autootje draait om ons heen. Het raampje gaat open.

‘You parked here?’, vraagt een donkere man, zijn elleboog ligt op de onderrand van het raampje. 

‘Yes’, stamel ik.

‘He was moved a while ago’, zegt de man. ‘This place is for electric cars’, vertelt de man en hij wijst op de lege plek en de auto die achter ons staat met de gele draad. ‘I didn’t know this was also a place for electric cars.’ zeg ik. Woede maakt zich van mij meester.

                        *

‘Wat doen we nu?’, vraagt mijn man.

‘We bellen parkeer-beheer’, zeg ik. De Amerikaan zet zijn mini-autootje op de stoep voor zijn huis. 

‘I live here, if you need anything, I’m in the house.’ 

‘Thank you’, zeggen we. Verslagen nemen we plaats op een bankje in de tussenberm van de Apollolaan. Met uitzicht op de ijzeren knoop.

                          *

Een dame van de gemeente Amsterdam die ik aan de telefoon krijg vertelt me dat onze auto is weggesleept en op de Daniël Goedkoopstraat 9 staat.

‘Goedkoopstraat?’, herhaal ik, ‘Is dat in Zuid?’

‘Ja, ergens in Suid’, zegt de vrouw. ‘U moet dat maar efe opsoeke op uw telefoon. De kosten bedragen trouwens €373.’ 

‘€373?’, herhaal ik.

‘Ja, €373, dat sijn de kosten voor het wegslepen. Dese moet u direct betalen.’ 

‘Maar ik heb het niet gezien, die plek, dat deze voor een elektrische auto was. Er waren zat parkeerplekken op de Apollolaan. Ik had best ergens anders kunnen staan. En ik heb de parkeer-app aangezet.’ 

‘Tja, toch mag u daar niet staan’, zegt de vrouw. Het gesprek is afgelopen. ‘Fijne dag’, wenst ze ons toe.

                         *

We nemen de tram, de metro en lopen over een desolaat bedrijventerrein waar parkeerbeheer huist. Een flinke dame achter een beveiligde balie beaamt dat het wegslepen van onze auto ‘belachelijk’ is. Maar dat in heel Amsterdam alle verkeerd geparkeerde auto’s worden weggesleept. 

‘Dat is het beleid mevrouw.’ Ik pin €373,-. 

‘Amsterdam is toch een iets minder lieve stad dan meneer van der Laan laatst op televisie vertelde’, zeg ik. 

                         *

Thuis staan de zwarte, halfhoge laarsjes midden in de kamer. Over een paar dagen gaat onze dochter weg. Naar China. Voor haar rechtenstudie. ‘Mam, ik zoek de jurisprudentie op.’ Ze tikt driftig op haar computer. 

‘Morgen schrijf ik een brief en daarna kan jij die in jouw woorden overschrijven. Daar kan je dan mee in bezwaar gaan.’ Ik kijk naar de laarsjes en die ene lange blonde haar op de rand van het tafelblad. Ik pak de haar op en laat deze langzaam op de vloer vallen.

                          *

Ik zal haar missen.

                          ***

Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

De wandeling

Zo nu en dan doen wij wat leuks. Zelf kom ik niet verder dan een goede film of lekker uit eten. Mijn man is origineler. Hij regelde een half jaar geleden een Ciske de Rat-wandeling. En nu is het zover. De wandeling start bij het Centraal Station in Amsterdam en staat onder leiding van gids Daan.
                     *

Als wij om 10.00 uur aan komen lopen staat het groepje wandelaars al klaar op de afgesproken plek voor het station. Twee oudere dames en een echtpaar met hun zoon van een jaar of 11. Daan start monter met de tocht. Wij lopen en lopen en we zien dat Amsterdam wordt belaagd door toeristen met rolkoffers.  

                        *

Ratelend als mijn vroegere rolschaatsen met loden wieltjes stuiteren de koffertjes over de keien: roze, grijze, zwarte, grote en kleine rolkoffers. Een andere plaag zijn de wietwolken die opstijgen uit shops op iedere hoek van de straat. Zoet- weeïge vlagen dringen mijn neusgaten in. Groepjes rondzwervende mannen maken het beeld van onze hoofdstad compleet: getatoeëerde Engelsen, ze lachen, slaan elkaar op de schouders en drinken om 10.30 uur ‘s ochtends potjes bier. ‘s Avonds zal daar nog meer bier, gelal en hoeren-begluren bij komen kijken, denk ik, gok ik zo. Holy moly.

                           *

Intussen volgen wij Daan. Hij wijst ons op Het Kolkje, waar de film uit 1955 begint met Ciske, zittend op de ijzeren reling voor het water. We staan even stil bij de ‘Strijk-en-waschinrichting’ van de lieve tante Jans en het huis in de jaren-vijftig-film van de vreselijke moeder die Ciske vermoordde. En in de Czaar Peter-buurt staat de school van Ciske uit de jaren-tachtig-film. 

                         *

Op de Magere Brug zingt gids Daan een lied uit de film met Danny de Munck. Of uit de musical. Ik staar – met mijn handen diep in de zakken van mijn jas – over het water richting de Stopera. Ik voel me lichtelijk gegeneerd terwijl Daan uit volle borst zingt: ‘Amsterdam, is poep op de stoep, haat in de straat…‘ Een aantal toeristen kijkt verbaasd-geamuseerd naar ons, groepje van zeven, dat de Ciske de Rat-wandeling doet. In mijn jaszak trilt opeens mijn telefoon. ‘Straks even kijken’, denk ik. Na het lied.

                          *

Als het lied gezongen is lopen we verder. De stad ligt intussen in de zon zo mooi te zijn dat het pijn doet aan mijn ogen. Holy moly. 
Ik haal de telefoon uit mijn jaszak en ik lees een bericht dat gaat over Trix, de stokoude vriendin van mijn vader met de onlangs geopereerde knie. Zij kwam twee weken geleden bij mijn vader langs met Indische ontbijtkoek: ‘Heerlijke koek! Neem vooral!’, zei mijn vader twee weken lang tegen mij. De koek – liefdevol door Trix in kleine plakjes gesneden – raakte maar niet op. 

                         *

De 92-jarige Trix werd vorige week opgenomen in een Gelders ziekenhuis met onbegrijpelijke maagklachten. Ik schreef een kaart, nam deze mee naar mijn vader en ik vroeg of hij ook een zinnetje wilde schrijven. ‘Het gaat niet goed met Trix’, vertelde ik. ‘Ze vindt het fantastisch als we haar een kaart sturen.’ Mijn vader tekende letter voor letter een paar beverige woordjes. Toen hij klaar was vroeg ik: ‘Zet je je naam er niet onder?’ 

‘O ja’, zei mijn vader. Hij keek mij aan. 

‘Ad’, zei ik, ‘A…D.’ En mijn vader tekende A…D. Nu stond er, bibberig en nauwelijks leesbaar: ‘Liefs, Ad.’

                         *

We lopen achter Daan aan, richting Artis. En ik lees op mijn telefoon:
Dag Annelie, ik wil je laten weten dat Trix rustig in het stadium van palliatieve sedatie is beland, dus geen contact  meer. Maar vooral dat jullie kaart op tijd kwam, dat ze er zo blij mee was en zeg je vader dat ze van oor tot oor glimlachte bij zijn boodschap. Ze wilde geen verdere behandeling meer. We hebben sterk de indruk dat ze na hun ontmoeting de rust had hiervoor te kiezen.’

                         *

Ooit paste vrijgezelle Trix belangeloos op onze kinderen. Ooit was zij haar grote liefde tegengekomen. Dat gebeurde zo’n twintig jaar geleden en haar grote liefde was mijn vader. Hij wilde wel wat vriendschap. Mondjesmaat gaf hij toe aan Trix’ vragen en uitnodigingen voor uitstapjes. Liefde, nee, dat voelde hij niet voor haar. En nu is alles over en uit. De koek is op. 

                         *

En ik loop en loop over de prachtige grachten, ik zie de pakhuizen, ik ruik Artis en ik denk aan Trix, mijn vader, aan oude mensen en al die dingen die voorbij gaan. 

                          *

Voor het huis in de Czaar Peterstraat waar Ciske woonde in de jaren tachtig-film zingt Daan een laatste lied:

Misschien dat ik ooit het geluk nog vind

Maar hoe, dat is een groot probleem

Had ik maar iemand om van te houden

Twee zachte armen om me heen

Die mij altijd beschermen zouden

Ik voel me zo verdomd alleen

                        *

Vaarwel Trix. Vaarwel.

                      ***

De etage 

Zaterdag liep ik in de stad. Het was zonnig maar koud. Mensen zaten optimistisch met hun jassen aan op de terrassen net te doen of het voorjaar was. 

                           *

Donderdag meldde onze dochter dat zij een etage mocht bezichtigen in Haarlem op de Riviervischmarkt. De gekte op de koop- en huurmarkt waart in Amsterdam lustig in het rond. Zij gaf de zoektocht naar een Amsterdamse etage op. Een huur van meer dan € 1500,- voor 50 vierkante meter is voor twee studenten te hoog gegrepen. Dus laten ze hun oog vallen op Haarlem, mijn dochter en haar vriend. 

                             *

‘OMG, we zijn de eersten!’ appt ze donderdagochtend opgetogen, ‘We gaan meteen kijken!’ Ik krijg een linkje toegestuurd met daarop piepkleine foto’s van een zolderetage met veel balken. Maar ook zie ik uitzicht op de Grote of Sint Bavo-kerk, het licht dat door een schuifraam valt, een aparte slaapkamer en een badkamer met douche en toilet. 

‘€ 825,- maar!’ 

‘Succes!’, app ik terug en ik ga aan het werk.

                             *

Gedurende de dag word ik op de hoogte gehouden. Ze zijn de eerste kijkers en moeten aantonen dat ze de huur kunnen betalen ‘Gelukkig telt de studiefinanciering ook mee!’ Even lijkt er nog een kink in de kabel te komen als een tweede kijker ook mee mag doen met de race om De Etage. ‘Maar dat is toch niet eerlijk? Ik heb de makelaar een mail gestuurd waarin ik hem aangeef dat hij ons de toezegging deed dat hij ons ging voordragen als we alles vandaag inleverden. Hij mailde terug dat ik gelijk heb. Nu zijn we gelukkig nog steeds de eersten!’

                             *

Mijn dochter en haar vriend zeggen de huur van hun Amsterdamse kamers op ‘We zijn er toch in juli en augustus niet, dat scheelt twee maanden huur, dat is € 2400,-!’ Beiden betalen € 600,- per maand voor hun kamer, een astronomisch bedrag. In een volgend leven word ik huisjesmelker. 

                             *

Op vrijdagochtend word ik gebeld:

‘Mam, kunnen jullie garant staan en het formulier invullen dat ik je toestuurde?’ 

Ik zeg dat wij dat doen en bekijk het formulier: het gaat om een ‘Akte van borgtocht’. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Ik mail mijn man en vraag of hij de akte uitdraait. Ik mail hem foto’s toe van onze paspoorten en kopieën van onze salarisstroken. Mijn man mailt terug: ‘Doe ik, maar wat een onzin dat wij ons hele doopceel moeten lichten voor die kamer!’ Ja, dat is zo, maar koortsachtig werken we toch mee aan het verkrijgen van De Etage, ‘Ze zijn eindelijk eens de eersten !’, mail ik terug.

                             *

Tussen de middag vullen we de ‘Akte van borgtocht’ in, mijn man fietst terug naar het werk en stuurt alle formulieren, foto’s en stroken toe aan ons kind. ‘Ik heb alles, mam, nu moeten we afwachten!’

                             *

Zaterdag lopen wij in de stad, mijn man en ik. We kijken op de Riviervischmarkt naar boven: en ja, als je goed kijkt zie je bovenop het oude pand een zolderetage. Met een schuin dakraam. De klokken van de kerk tingelen er op los.

                             *

‘Het lijkt precies op onze etage in de Smedestraat’, zeg ik en we denken beiden terug aan de etage waar wij ooit samenwoonden, een straatje verderop. Ik tel terug. Meer dan 30 jaar geleden klommen wij drie trappen op en duwden we een luik open. De trap en het luik waar mijn lieve schoonmoeder altijd van zei: ‘Wat is de trap toch smal en dat luik …onhandig hoor..!’ Ik denk aan de feestjes, de kou in de winter, de hitte in de zomer. Wij trokken ons daar niks van aan. In de winter zetten we de verwarming hoger, ‘s zomers fietsten we naar het strand.

                             *

Op Facebook zie ik een filmpje. Barbara Streisand luistert naar de uitvoering van ‘The way we were’, prachtig gezongen door een beeldschone Beyoncé. Ik pink een traantje weg. 

                              *

Vandaag horen we of het is gelukt met de etage. 
                             ***

Een prachtige dag

  

Mistroostig staar ik naar het schermpje van mijn telefoon. Geen mails, geen nieuws dat ik nog niet ken, geen twitterberichtjes en geen nieuw verslag op Facebook. Ik buig me maar over het interview in dagblad Trouw met regisseur Theu Boermans die naar de toneelschool ging zonder ooit een toneelstuk gezien te hebben.

                         *

Theu groeide op in een gezin met vijf kinderen. ‘De enige plek waar je even alleen kon zijn was de w.c.’ Ik denk aan de uitspraak van mijn zo-op-zijn-privacy-gestelde kind, ooit op stap met een paar vrienden naar Spanje, die precies hetzelfde zei: ‘soms ging ik maar naar de w.c. om even alleen te zijn.’ 

                        *

Een vriendin van mij groeide op in net zo’n gezin als dat van Theu: ik keek daar altijd met grote ogen naar: een drukke hond die nooit ‘in de mand’ wilde, speelgoed, tijdschriften en boeken, geluid, altijd iemand om je heen. Als prinsesje met mijn eigen kamer in het stille Haarlemse herenhuis kon ik het mij niet voorstellen dat iemand sliep in een driepersoons-stapelbed, omringd door twee grote zussen, bijna tegen een kast aan met kleren erin, zo veel kleren. 

                        *

Het was gezellig in dat huis: alles kon, iedereen mocht meekomen en mee-eten. Maar rustig op bed liggen lezen – dat wat ik het liefste deed – was daar niet mogelijk. Dat zagen mijn kinderogen snel. Nee, liever wat minder vol en druk. Voor even was het leuk, niet voor altijd.

                         *

Theu Boermans regisseerde het toneelstuk Anne Frank. Zeven mensen die op elkaar gepropt in een ruimte het met elkaar moeten zien te redden. Wij bezochten het toneelstuk ‘Anne Frank’ in theater Amsterdam. Een verrassend theater op een verrassende plek, aan de rand van Amsterdam. Op een kade, naast een havengebied met op de achtergrond zeecontainers, hijskranen. Een robuust, bakstenen gebouw met garderobes, toiletten en een hippe bar. Tafels en stoelen naast de glazen pui met uitzicht op water en grijze luchten. 

                       *

Het theater zelf is zoals een theater moet zijn: zacht, rood en wegzakken in een kussenachtige stoel. Vóór ons een enorm, gebogen decor: het Merwedeplein, met de woning van de familie Frank op de eerste verdieping. De kunstig opengewerkte façade toont ons het leven van een vader en moeder met hun twee dochters. De beroemdste dochter is druk en springerig, de ander rustig en bedachtzaam. Ze krijgen de ruimte, deze twee meisjes. Ruimte om zichzelf te zijn binnen het liefdevolle kader van verstandige ouders. 

                         *

Als het decor verschuift naar de krapte van Het Achterhuis slaat de benauwdheid toe. Kleine kamertjes, een overloop met bed, ouders die slapen in de woonkamer. Een vreemd gezin komt erbij. Nog meer indikken en opschuiven. En als tandarts Dussel erbij komt is Anne haar plek, haar kamertje met bed en bureautje, kwijt. En dat is wat mij treft: de wanhoop van dit kind, het meisje dat zo graag denkt en schrijft in afzondering. Opgescheept met een volwassen man die ook graag in jouw kamertje is. Erger nog dan de ruzies in dat huis, het gesus en de voortdurende dreiging is de volstrekte afwezigheid van privacy: even alleen zijn, peinzen, denken en dromen in stilte. 

                         *

We weten waar het verhaal eindigt en toch, met tranen in de ogen horen en lezen we: moeder Edith Frank, overleden in 1944 in Auschwitz, Margot en Anne Frank, aan tyfus bezweken in Bergen-Belsen, Peter van Daan, onbekend waar hij gestorven is, waarschijnlijk tijdens een van de vele dodenmarsen. Vader en moeder van Daan dood. Tandarts Dussel dood. We zien vader Otto Frank moederziel alleen terugkeren in Amsterdam, onder de met heldere stem uitgesproken zin van Anne: ‘Ondanks alles geloof ik in de innerlijke goedheid van de mens.’

                         *

De wijsheid van een veertienjarige, opgesloten in een Amsterdams achterhuis, schrijvend in verloren uurtjes aan een klein bureautje. Ik ben benieuwd hoe geldig deze zin nog is in deze verwarrende tijd. Denkend, peinzend en schrijvend in mijn ruime kamer, alleen, met de stilte van een prachtige ochtend om mij heen.
                      ***

Noem mijn naam

  Voor Emma

(…)

Noem mij, bevestig mijn bestaan,

Laat mijn naam zijn als een keten.

Noem mij, noem mij, spreek mij aan,

o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Neeltje Maria Min

                          *

Wij hebben woorden met onze zoon over het aanvragen van de studenten OV-chipkaart. De aanvraag is in onze ogen veel te laat ingezet. Drie maanden lang had ons vakantievierend kind daar de tijd voor. Op 22 augustus, een week voor de start van het nieuwe schooljaar, vraagt hij de OV-kaart aan. En nu, terwijl het dure heen-en-weer-reizen is gestart wachten we al meer dan de vijf beloofde werkdagen op een of andere sms-code die je nodig hebt om in te loggen met je digid op de site van DUO.
                         *

We geven ons kind de schuld van deze gang van zaken. Wij stellen vervelende vragen als: ‘Waarom heb je zo laat die code aangevraagd? Weet je zeker dat je het goed hebt gedaan?’ En daarna: ‘Je betaalt de eerste week je reiskosten maar zelf.’ En na enig nadenken – want door zijn studie is zijn werk bij de bakker op een laag pitje gezet – bedenken we dat hij zijn zorgpremie (die hij in al onze goedheid mocht houden) maar zolang aan ons overmaakt.

                         *

Gistermiddag, de vijf werkdagen zijn nu echt verstreken en een duidelijk antwoord op de vraag ‘Is de code onderweg?’ is op de site noch via de helpdesk te verkrijgen, besloten vader en zoon maar opnieuw de sms-code aan te vragen. Dan vervalt wel de eerder aangevraagde code. Jammer, weer tenminste vijf dagen zelf de dure reis betalen, maar ja, door de laksheid van…’ja, ja, dat hebben jullie nu al tien keer gezegd!’

                           *

Vandaag ontving onze zoon de sms-code. Na zeven werkdagen. Een dag nadat opnieuw de code is aangevraagd waardoor de oude…zucht. Kafka op zijn best. Natuurlijk probeert hij met de code direct in te loggen maar hij ontvangt de melding dat ‘de verificatie maximaal vijf werkdagen…’ Leve de overheid!

                          *

Gisteren sprak ik mijn vriendin-sinds-heel-lang. Vijf jaar geleden verloren zij en haar man hun oudste zoon. Ige. Hij was dertien jaar. Wij praten als we elkaar zien over het werk, vakantie, de twee jongste kinderen en we praten over haar oudste zoon Ige, die ondanks zijn vechtlust en positieve instelling de strijd tegen de lichte zwelling op zijn arm ‘kijk, je mag wel even voelen, Annelie!’ verloor. Kanker, dat was het. Osteocarcinoom. ‘Zoek het maar niet op’, raadde zijn moeder mij destijds aan. Maar dat deed ik wel. En dat wat ik las stemde mij in- en intriest. 

                         *

Ige onderging monter en soms wat minder monter veel, heel veel behandelingen en operaties. In de rustiger tussenperioden ging hij graag naar school. Hij was net begonnen op de middelbare school: het St. Ignatius Gymnasium in Amsterdam. Zo blij gooide hij zijn tas in de kamer bij thuiskomst, zo blij dat hij weer kon sporten, zo blij met het maken van de legobouwsels met zijn kleine broertje. Zo blij om weer ‘gewoon’ te zijn. 

                            *

Maar het ging mis. Ige hoorde niet bij het percentage overlevers. De bijzondere, ‘gewone’ jongen, Ige, 13 jaar oud, overleed. Vijf jaar geleden. Ik nam afscheid van hem. Thuis lag hij, op zijn ijskoude bed. Hij droeg gloednieuwe gympen, dezelfde als die van mijn zoon. Ige’s gympen bleven gloednieuw. Die van mijn kind zouden vies worden, slijten, en later moeten worden vervangen. De schoenen van Ige zouden nooit meer worden vervangen.

                          *

Zijn moeder vertelde mij dat zij onlangs het jaarboek had ontvangen van het St. Ignatius Gymnasium. De lichting 1996/1997, Ige’s medeleerlingen van toen, deden dit jaar eindexamen. Mijn vriendin, de moeder van Ige, sloeg het jaarboek open en Ige keek haar aan, op pagina 1 stond zijn foto. Klasgenoten schreven hun herinneringen aan hem in het boek.

                          *

‘Het ergste is dat veel mensen nooit meer over Ige praten’ zei zijn zus onlangs tegen haar moeder. ‘Net of hij er nooit is geweest. En ik denk elke dag aan hem.’ Gelukkig denken ze op het Ignatius Gymnasium wel aan Ige. Wij denken aan Ige. Ik dacht aan hem bij het ophangen van de vlag voor onze zoon die zijn examen haalde, drie maanden geleden. Een steek van verdriet stak als een venijnige naald in mijn eigen vreugde.
‘Ik heb ooit eens een zin gelezen’, vertelt mijn vriendin aan mij. ‘Dat was een zin die mij raakte.’ Ik kijk haar aan door een waasje. ‘Die zin was: ‘Noem mijn naam.’

                         *

Vandaag kwam ik na een lange werkdag thuis, ik zie de brief met de sms-code liggen op tafel. Ik hoor de woordenwisseling met ons kind over de gemiste reisdagen, ik hoor onze vervelende vragen aan hem, ik denk aan de sanctie die we hem oplegden en dit alles wordt verdrongen door een zin, de zin die al het voorgaande doet verbleken, in het niets laat verdwijnen: ‘Noem mijn naam’.

                       *

En dat doe ik. In liefdevolle en levende herinnering aan jou, de zo bijzondere, zo gewone: Ige.  

                        ***