Mooie Pinksterdag 



Graag zie ik na de dood mijn geest

door het gesloten venster zweven

en dalen waar ik in mijn leven

als kind gelukkig ben geweest


Leo Vroman (1915-2014)


Het zat al een paar weken in mijn hoofd. Ik moest op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht konden. Het moesten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzagen. Niet te groot en niet te klein.

‘Ja, hoe bedoel je, eigenlijk, Annelie? Waar zijn ze dan voor, die doosjes?’

‘Nou ja, dat is een apart verhaal. Het verhaal dat begint met de dood van mijn vader.’

                    *

Mijn vader ging een half jaar geleden dood. Hij was oud. En moe. En het leven in dat vreselijke revalidatiecentrum zat. Er was ook geen sprake meer van revalidatie. De hoop naar huis terug te keren, – naar zijn eigen stoel, de bank, de t.v. – hoop die lange tijd nog in zijn ogen blonk doofde uit als het vlammetje van een opgebrande kaars, langzaam sissend in zijn eigen kaarsvet. 

                       *

Wachtend op een vaste plek in een verzorgingshuis ging hij dood. Op de laatste dag kreeg hij opeens een eigen kamer. Daarvan zei mijn vader, die ik nooit eerder op enig cynisme had kunnen betrappen: ‘Als je dood gaat krijg je een eigen kamer.’ En zo was het.

                         *

Na de crematie haalde ik de as van mijn vader op. Het zat in een koker in een langwerpige tas als een flinke fles wijn in cadeauverpakking. ‘Het weegt ruim 3,5 kilo’, waarschuwde de keurige dame mij toen ik de tas met koker op wilde tillen van de tafel in de nette afscheidsruimte met in mijn ooghoek een beverig waxinelichtje op een bijzettafeltje. Haar stemmige kleding was gekreukt en de stof van haar jasje was dof als de ogen van mijn vader tijdens zijn laatste dagen. 

                      *

De koker stond de afgelopen maanden in ons huis. Ooit zouden we de as verstrooien. Het komen tot een datum met twee families met kleine en grote kinderen, exen en aanhang bleek geen sinecure. We appten wat af. Maar opeens hadden we hem. Op Tweede Pinksterdag vroeg in de ochtend verstrooien we mijn vaders as.

                         *

‘De kinderen willen wat as van pa bewaren’ appte mijn broer een paar weken geleden. Zijn kinderen zijn nog jong. Het vertederde mij. En het zette me aan het denken. 
Toen we mijn vaders huis leeghaalden vond mijn broer een piepklein papiertje. Op dat papiertje stond dat mijn vader in een luchtballon over zee met zijn as weg wilde zweven. Wij keken elkaar lachend aan. Waar kwam dat vandaan? Een luchtballon? Onze nuchtere vader had warempel romantische gedachten over zijn as. ‘De wind moet dan wel goed staan’, grapte mijn broer en ik stopte het papiertje in een doos. 

                      *

De as van mijn vader verdwijnt uiteindelijk niet langzaam uit het zicht in een luchtballon. Het is te veel gedoe. De zee leek ons wel gepast dus dat wordt het, de zee. 

                        *

Maar nu willen twee kinderen wat as bewaren en ik besluit dat ook te willen. En dus moet ik op zoek naar doosjes. Ondoorzichtige doosjes die goed dicht kunnen. Het moeten ook doosjes zijn die er een beetje aardig uitzien. Niet te groot en niet te klein.

                       *

Na veel speurwerk vind ik ze. Bij een Chinees winkeltje in de badplaats waar we over een paar dagen de koker leegschudden boven de zee. Ze zijn klein, de doosjes. Ronde, goudkleurige pillendoosjes die dichtgaan met een fijn klikje door een knopje dat in een gaatje valt als je het sluit. Op de dekseltjes staan kleurrijke uiltjes, grote, wat kleinere en op een doosje is een draak afgebeeld. De draak is voor de zoon van mijn broer. Dat lijkt me wel stoer. Zijn dochter krijgt een uiltje. Mijn dochter en ik kiezen ook een uiltje. ‘Als ik ooit nog naar Indonesië ga neem ik het mee en verstrooi ik het daar’, zeg ik tegen mijn kind, mijn vader en mijzelf.

                       *

Mijn dochter bekijkt de doosjes nog eens nauwkeurig en zegt: ‘Het is geen draak, mam, het is een kraanvogel.’ Dus nu krijgt mijn vaders kleinzoon een beetje as in een doosje met een kraanvogel. En mijn vader krijgt geen luchtballon maar gewoon de kille zee.

                         *

En intussen hopen we dat de wind goed staat op die mooie Pinksterdag. 

Samen in de zon.

                        ***

Advertisements

Koker


Wanneer de tienduizend dingen gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn

Ts’ên Shên 岑參 (715-770)


Op de zolderkamer staan dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Op de strijkplank ligt een stapeltje schone was. Daarbovenop liggen twee deksels van schoenendozen ter ontmoediging van poes Saar die graag op schone, ongestreken was ligt. 

                           *

De kamer met het moeilijke want schuine wandje – verfraaid met liefdevol behang van vogels en bloemen en kleur – is een rommelkamer geworden. Ooit sliep onze dochter hier. Ze kan er nog wel slapen. Er staat een bed met daarop het dekbed met het dekbedovertrek-van-duizenden-bloemetjes. Maar ook zij beseft dat de jaren van weleer niet terugkeren. Zij slaapt er niet meer.

                            *

Naast het bed staat de koker met de as van mijn vader. De as verhuisde van het kantoortje naar de kamer met dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Ik denk dat de as zich thuis voelt in de oude kamer van de kleindochter. De rommel spreekt de as aan. Bij hem thuis was het ook rommelig. Een strijkplank in de zijkamer, een gammel bureau, dozen, een wasrek, ja, ik weet het zeker: die zolderkamer is een prima plek.

                             *

Er komt een dag dat de koker met as vertrekt. Op een mooie dag in juni maakt de as een korte reis in een fietstas. De fietster fietst voorzichtig – denkend aan de koker in haar tas – naar het strand, de zee. In de vroege ochtend verzamelen negen mensen zich met slaap-ogen aan de vloedlijn. Iemands broek en schoenen zullen nat worden. 

                            *

Als ik naar beneden loop van de zolderkamer, de trap af denk ik aan de maanden die zijn verstreken. De maanden zonder mijn vader. Maanden waarin ik niets kon vertellen, niets kon doen.

                            *

‘Maar volgend jaar/als jij in duizenden grijze stukjes/meegevoerd door stromingen/door het water bent opgenomen/opgelost als suikerkristallen in thee/dan zijn de dozen opgeruimd/de strijkplank ingeklapt/het wasrek verplaatst/Je herkent die kamer/dan niet meer terug/pa’

                          ***

De voltooiing 


Ik zoek het woord

Onmachtig is onze taal,

haar toon plotseling – armzalig.

Met alle kracht van mijn gedachten,

zoek ik dat ene woord –

maar kan het niet vinden.

Het lukt me niet.

Wislawa Szymborska (1923-2012)

De zon scheen, de hemel lichtte blauwig op. Wolkenflarden als langgerekte rookslierten versierden het blauw. En het was warm, 11 graden. Niet zo koud en somber als de dag waarop we afscheid namen van mijn vader. Toen keken we fronsend naar boven: zou het gaan regenen? Het ging niet regenen. 

                         *

Op deze warme februari-dag haal ik de as mijn vader op. In de auto luister ik naar Franse chansons, gezongen door Wende Snijders, op haar manier, – poëtisch en rauw, zacht en hard. Het is – geloof ik – dat wat ik voel.

                        *

Mijn vader, fietsend met zijn vrienden naar Parijs. Enkele herinneringen, rauw als wondjes met geel-witte randjes om de korst. Even pulken en het ettert. Zachter de laatste jaren en boterzacht de laatste dagen met zijn handen open op zijn schoot en zijn lijf, ineengedoken in de stoel tussen het bed en het tafeltje met die onsamenhangende brij van spullen: een week-agenda, de t.v.-gids, een puzzelboekje, scheerspiegel, een doos met watten, plastic handschoentjes. Alsof zijn leven al in losse brokjes uiteen gevallen was. 

                        *

Hard was de kist waar ik mijn hand op legde de laatste keer, die avond waarop vrienden en kennissen kwamen om afscheid te nemen. In de ruimte die vol liep en rook naar natte jas.  

                        *

Ik draai de auto het crematorium-terrein op. Het is druk. Groepjes mensen lopen richting de afscheidsruimte. Een man in een zwarte jas regelt de bezoekerstroom. Het is alsof het Keukenhof-seizoen al weer begonnen is. Ik doe mijn raampje open. ‘Ik kom de as van mijn vader halen’ zeg ik en met een armzwaai word ik doorgelaten.

                          *

In mijn ooghoek zie ik de menigte bij de afscheidsruimte groeien. Ik ben nieuwsgierig maar ik kom de as van mijn vader halen. Bij de balie van het huisje met het rode dak meld ik mij. 

‘Het is druk’, zeg ik. De receptionist kijkt naar buiten en zegt: ‘We hebben een afscheid van een jong meisje, erg triest. We verwachten wel 700 bezoekers.’ Hij leidt mij een schemerige ruimte binnen. Ik neem plaats aan een ronde tafel. 

‘Wilt u wat drinken?’, vraagt hij en dat wil ik. Ik krijg thee met een koekje. ‘Mijn collega komt zo bij u’, zegt hij en hij sluit zachtjes de deur. 

                         *

Ik drink mijn thee, doop het spritsje erin. Zacht-zoete kruimels smelten op mijn tong. Een dame komt binnen en geeft mij een hand. 

‘Had mijn collega verteld dat de as van uw vader daar staat?’ Ik volg haar blik en ik zie een koker op een halfrond tafeltje staan. Een bibberig waxinelichtje staat ernaast. ‘Nee, dat had hij niet gezegd’, antwoord ik. De dame gaat zitten en ik zet mijn handtekening op een aantal papieren. 

‘Ik zal u nu de koker laten zien’, zegt ze. ‘Hier ziet u het plaatje met het nummer, dat correspondeert met het nummer op deze brief.’ Ik staar naar het nummer, de koker, het flikkerende lichtje werpt bevende schaduwen op de muur. 

                         *

‘Ik plak de koker dicht’, gaat de vrouw verder, ‘Wilt u de as zien?’

‘Ja’, zeg ik.

Voorzichtig trekt ze de deksel draaiend omhoog. Ik ga staan.

‘Het is gewoon grijs’, zegt ze. En ik zie fijn, grijs as als het zwart-witte-poederdrop van vroeger dat je van je natte vinger likte. 

‘Het weegt al met al 2 à 3 kilogram’, zegt de dame. ‘Ik zeg altijd: ‘Men keert weer terug naar zijn geboortegewicht’. 

                         *

‘Mijn vader had nog zijn horloge om, mag ik vragen of dat er ook in zit?’, vraag ik.

‘Ja, natuurlijk mag u dat vragen, ehh, het klinkt gek maar het metaal dat achterblijft filteren we en halen we eruit.’ 

‘O’, zeg ik. 

‘Wordt iedereen eigenlijk direct na het afscheid gecremeerd?’, vraag ik. 

‘Ja, in de regel wel’, vertelt de dame, ‘U kunt ervan uitgaan dat – als u met uw gasten in de koffiekamer bent voor de condoleance – het lichaam gecremeerd wordt.’

‘O’, zeg ik.

                         *

Als ik met de koker in een langwerpige tas naar buiten loop komen twee volkswagenbusjes aangereden met hartjes en ‘Love’ erop gespoten in zachte hippie-kleurtjes. Daarachter rijdt een sliert lage, open autootjes die ik ken van het surf-eiland Fuerteventura. Daar sjezen de autootjes over de zand-en lavavlakten. Toeristen zitten erin, met sjaals om hun mond vanwege opstuivend stof en zand.

                         *

De busjes en autootjes staan stil voor de grote menigte. Ik zie meisjes met bloemen in hun armen.

                        *

Thuisgekomen zet ik de tas met as op de grond naast de tafel. ‘Het lijkt wel een fles wijn’, zegt mijn man. Als ik vertel over de menigte mensen, het jonge meisje en de hippie-busjes zegt hij: ‘Ik las laatst een advertentie over een jong meisje dat overleed.’ 

                         *

Ik zoek de advertentie op en ik vind een kleurrijk bericht over de dood van een meisje. Ze werd vijftien jaar. Er is een condoleance-pagina op Facebook aangemaakt. Ik zie een plaatje van een meisje met een surfplank op haar hoofd. ‘Gone surfing’.

                         *

Ik kijk naar de tas met de koker die op een fles wijn lijkt. En ik denk aan de ouders van het meisje die zo in de koffiekamer staan. 

                        ***

Referentienummer 


Mijn broer stuurde mij een machtigingsformulier toe. Hiermee kan ik de as van mijn vader ophalen. Op het formulier staat: ‘Relatie van de overledene’ met daarachter op het stippellijntje in het handschrift van mijn broer ‘Dochter’. Ik tik het telefoonnummer onderaan het formulier in op mijn telefoon.

                       *

‘Met begraafplaats en crematorium Westerveld, goedemorgen, met Monique’

‘Goedemorgen, u spreekt met Annelie Jonquiere. Ik wil graag een afspraak maken om de as van mijn vader op te halen.’

‘Wanneer had u in gedachten?’, vraagt Monique vriendelijk. Op de achtergrond hoor ik mensen praten, telefoons gaan over. Het is een bedrijf.

‘Ik zou dinsdag kunnen langskomen of vrijdagmiddag’, antwoord ik.

‘Dat is kort dag’, zegt Monique. ‘U moet weten, wij hebben een strakke planning. Wat is het referentienummer?’

‘Referentienummer?’, vraag ik, ‘O, u bedoelt…, eh, ja, ik heb mijn telefoon nu in de hand en ik kan niet tegelijk het formulier opzoeken. Als u even wacht kijk ik even.’ Monique wil wel even wachten. 

                         *

Ik priegel op mijn telefoon naar de mail van mijn broer met dat machtigingsformulier. Nummer? Waar staat een nummer?

Ik tik het groene balkje op mijn beeldscherm aan en keer hiermee terug naar het gesprek.
‘D207845’, zeg ik. ‘Dat is het referentienummer.’

Monique tikt het nummer in. Ik hoor vinnige tikken op een toetsenbord.

‘Dat is de heer P.J. Arnoldi’, zegt Monique.

‘Nee, hè, dat klopt niet’, zeg ik. En ik denk intussen allerlei slechtigheid.

‘Wanneer is uw vader gecremeerd?’ informeert Monique.

‘Eh…’ 

                       *

Ik keer terug naar de avond van 4 november. Ik loop in de verlaten gang van de revalidatie-afdeling, ik hoor mijn vaders diepe ademhalen. Het laken zit strak om zijn borst. Ik pak zijn hand eronder, nog warm en droog. Wanneer was de crematie? Ik denk, tel de dagen en zeg: ’11 november was de crematie.’

Monique tikt maar ze komt er niet uit.

                       *

‘Heeft u nog even?’, vraag ik.

Als een kind dat voor de tweede keer een verkeerd antwoord gaf op een niet al te moeilijke som keer ik terug naar het formulier.
‘D207854’, zeg ik. ‘Dat is het juiste referentienummer. Ik draaide per ongeluk…’

‘Dat is de heer A.S. Jonquiere’, constateert Monique.

‘Ja’, antwoord ik opgelucht. ‘Dat is hem.’
‘Ik heb nog een gaatje op dinsdagmiddag 14.30 uur’, zegt Monique.

‘Ja, dat kan’, antwoord ik. En ik denk aan alle dinsdagen, 14.30 uur. Dan was ik al weer thuis nadat ik hem bezocht had met twee verse haringen. Dan hadden we wat gepraat, koffie gedronken en was ik teruggefietst naar huis. Dan zette ik een kop thee, pakte ik mijn laptop en werkte ik nog wat mails weg. Dan wipte de poes op tafel en aaide ik haar met mijn linkerhand.

                    *

‘U had het over een machtigingsformulier? Maar dat ontvingen wij nog niet.’

‘Ja, dat heb ik. Moet ik dat aan u toesturen?’ Dat moet.
Het gesprek loopt ten einde. 

Dinsdag haal ik dat wat over is van mijn vader op. Om 14.30 uur. Nadat ik het machtigingsformulier verstuur. Uiteraard. Met het referentienummer.
‘U kunt zich melden bij het huisje met de rode dakpannen, direct bij de ingang’, vertelt Monique. En dat klinkt bijna leuk. Een huisje als in een sprookje van Hans en Grietje. 

                          *

Als ik even later in mijn agenda kijk zie ik dat mijn vader niet op 11 maar op 10 november werd gecremeerd. Als nummer D207854. Maar dat ga ik niet onthouden.

                     ***