Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

Advertisements

De trein naar Sobibor 

  
Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om (…) **


Jules Schelvis is dood. De zachtmoedige overlevende van zeven kampen, waaronder Sobibor en Auschwitz, werd 95 jaar.

                              *

Als Jules sprak over zijn vrouw Chel werden zijn ogen nat. Chel werd op 20-jarige leeftijd vermoord in Sobibor, tegelijk met haar ouders en alle medereizigers in de wagon, na een reis van vier dagen met in de volgepropte wagon een ton water en een ton voor de behoeften. 

                             *

In een interview vertelt Jules over de donkerste dag in zijn leven, 3 juni 1943.

‘Op donderdag 3 juni bereikten we de Poolse grens. We reden in de richting van Auschwitz, maar de trein ging voorbij Czestochowa oostwaarts. Ik zei tegen mijn vrouw: bereid je maar op het ergste voor, veel goeds zullen ze niet in de zin hebben. Ze lachte flauwtjes en zei: ‘Weet je dat je een baard hebt? Je lijkt wel een rabbi.’ 

                              *

Op 3 juni 1943 was Jules Schelvis 22 jaar. 

Op 3 juni 1943 was Rachel Schelvis-Borzykowski 20 jaar. Twee jaar jonger dan mijn dochter. Twee jaar ouder dan mijn zoon.

Op 3 juni 1943 werd Rachel vermoord.

                            *

Jules Schelvis is dood. Zijn verhaal over Sobibor, waar meer dan 34.000 Nederlandse Joden vermoord zijn, leeft voort. 

                             *

(…)

 Ik telde

 de veewagons met de grendels:

 vijftig wagons,

 in elke wagon vijftig mensen;

 gevangenen van elkander

 in de duistere houten kooi

 in de waanzin van deze wereld.


**Bert Voeten (1918-1992)
                         ***

Plotseling, liefde 

  
Bij de oudste nog in leven zijnde Haarlemse boekhandel vraag ik of ze de nieuwe roman hebben van Aharon Appelfeld. De jongeman die nonchalant achter de computer op een soort barkruk hangt draait zich om.

‘De nieuwe roman van Appelfeld?’, vraagt hij.

‘Ja, de titel is ‘Plotseling, liefde’, zeg ik. Wat een wonderschone titel is.

                          *

Ik verheug me op dit boek. Appelfeld is een van de schrijvers die je ontdekt, ooit, als een parel in de diepte van een zee aan boeken. Schoonheid van schrijven komt je tegemoet bij het omslaan van iedere bladzijde van het boek ‘Het verhaal van een leven.’ Appelfeld, die als klein, Joods jongetje uit een Oekraïens kamp ontsnapt en rondzwerft over akkers en velden, de grijpgrage nazi’s en onbetrouwbare Oekraïense boeren – met ogen die op verraad staan – ontwijkend.

                           *

De zwerftocht van dit jongetje in een wereld van ellende en verschrikking staat in schrille tegenstelling tot zijn kinderjaren voor het als Jood beschouwd worden. Voor de vervolging. De poëtische beschrijving van Transsylvanie waar Appelfeld opgroeide in een cocon van geluk is prachtig. Het leven toen, daar, is zo beeldend beschreven dat je zelf in dat sprookjesachtige landschap ronddwaalt: je ziet Aharon huppelen als jongetje van vijf, zes jaar, omringd door de liefde van zijn ouders en grootouders.

                           *

De jongen op de barkruk kijkt mij aan en zegt: ‘nee, dat boek verkoop ik niet.’

Verbouwereerd kijk ik hem aan. ‘Het zijn prachtige boeken, het laatste is toch net uitgebracht?’ En ik kijk om me heen naar al die boektitels, boekomslagen en kasten vol boeken in deze kwaliteitsboekhandel.

‘Ja, ik heb er laatst een recensie over gelezen’, antwoordt de barkruk, ‘maar de boeken van Appelfeld verkopen niet. Wij hebben ze niet in huis. Ik kan het boek wel voor u bestellen.’

‘Nee, dat hoeft niet’, zeg ik. 

                         *

Ik fiets naar huis. Het is prachtig weer. In de krant lees ik dat een proces gaande is in Duitsland. De 94-jarige Reinhold Hanning wordt verdacht van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Hanning was bewaker in Auschwitz. Hanning zwijgt. Eerder verklaarde hij in een deel van Auschwitz te hebben gewerkt waar geen mensen werden vergast. Echter, de aanklagers gaan ervan uit dat alle bewakers betrokken waren bij het vergassen van de Hongaarse Joden die in 1944 in grote getale in Auschwitz zijn vermoord. Ook Hanning zou daarbij zijn geweest. Maar Hanning zwijgt. 

                       *

Getuige Leon Schwarzbaum houdt op het journaal een foto omhoog met daarop in sepia-kleuren hijzelf, zijn oom en zijn ouders. Een heel jonge, serieus kijkende twintiger, twee oudere, vriendelijke heren en een knappe vrouw met een kersenmond en net zo’n serieuze blik als haar zoon. Leon overleefde als enige van zijn familie Auschwitz. Twintig jaar was hij toen hij in Auschwitz belandde. Hij is getuige in Hannings proces. Leon, een oude man die op zijn vader is gaan lijken, vraagt zich af: ‘zou hij mijn ouders hebben gezien, daar op het perron?’ 

                        *

Maar Hanning zwijgt. En tijdens het fietsen in de kou met de winterzon op mijn gezicht vraag ik mij af hoe het gaat met Aharon Appelfeld. Dat kleine jongetje wiens leven zo mooi begon en al gauw veranderde in een onbegrijpelijke nachtmerrie. Welke Hanning heeft Aharons vader gezien, daar in dat Oekraïense kamp? Zijn moeder was niet in dat kamp. Zij was al eerder door de nazi’s vermoord.

                          *

Hanning zwijgt. En daarom moeten wij blijven lezen. Het nieuwe boek van Aharon Appelfeld, ‘Plotseling, liefde’. Ik bestel het maar gewoon bij Bol. com. En ik hoop dat het boek wel goed verkocht wordt. Dat de jongen op de barkruk bij boekhandel de Vries ongelijk heeft. Want zolang Hanning zwijgt lezen wij, over alles wat niet meer gebeuren mag en toch gebeurt. In Zuidoost-Turkije. In Aleppo. In Zuid-Soedan en Nigeria. Kleine jongens en meisjes wier leven zo beloftevol begon en nu een gruwelijke nachtmerrie is geworden ontsnappen niet aan nazi’s maar aan withete brandbommen, zij kijken niet in de ogen van hebzuchtige verraders maar ontwijken gerichte kogels van scherpschutters of religieuze fanatici.

                           *

En Hanning? Reinhold Hanning, 94 jaar oud, kijkt naar de grond en zwijgt.

‘Plotseling liefde’, heet het nieuwe boek van Appelfeld. Plotseling, liefde.
                       ***

Zoon van Saul

  

Se questo è un uomo’

Voordat ik vertrok naar dat prachtige vulkaaneiland zag ik het al. De film waar ik naar uitkeek kwam naar Haarlem. ‘Son of Saul’, de film over een Joodse Sonderkommando. Sonderkommando’s hadden in de vernietigingskampen de taak lichamen van de vermoorde Joden uit de gaskamers te halen en te verbranden. Na een tijd werden deze Sonderkommando’s zelf vermoord. 

                          *

Tussen de levenloze vermoorden denkt Saul op enig moment het lichaam van zijn zoon te herkennen. Saul zoekt in Auschwitz een weg om zijn zoon fatsoenlijk te begraven.

                         *

Auschwitz en fatsoen. Auschwitz en beschaving. De tegenstelling. De grens van het menselijk lijden. Het sprankje mens dat in de zwaarste omstandigheden tevoorschijn komt. Ik geloof dat dat ze zijn. De redenen om naar deze film te gaan.

                         *

‘Ga je zondag met me mee?’, vraag ik mijn man. We zitten aan tafel. Weer thuis na een zonnige week op Lanzarote. De wind waait om het huis. 

‘Eh, wat zeg je?’, antwoordt de man die tijd wint. 

‘Die film, ‘Son of Saul’, over Auschwitz, ik mailde je laatst de recensie door.’

‘Ja, eh, ik weet niet hoor. Al die ellende. Waarom wil je dat zien?’

Aan tafel zit ook onze zoon.

‘De film is heftig, maar prachtig. Hij won al een prijs. Ik ga er niet alleen heen. Dat durf ik niet. Maar ik wil hem wel graag zien.’

                         *

Ik kijk naar mijn zoon. Hij neemt net een hap van zijn broodje.

‘Max, wil jij mee? Ik denk dat jij deze film ook mooi vindt.’ Onze zoon kijkt voortdurend films. Op tv, op zijn laptop, in de Pathé bioscoop. Hij houdt van film. En van geschiedenis. 

                         *

Ooit nam ik hem mee naar een film over Beiroet. Dat was tijdens het Cinekid-festival. Hij was toen een jaar of tien.

‘U weet dat deze film voor twaalf jaar en ouder is?’, vroeg het meisje dat onze kaartjes bij de deur afscheurde. En zij keek naar het kleine mannetje naast mij.

‘Nee, dat wist ik niet. Maar ja, nu zijn we er al. We proberen het maar.’

En wij namen plaats op de zachte stoelen in de heerlijke bioscoop in Haarlem, de Filmschuur.

                         *

De film bleek een aaneenschakeling te zijn van ontploffende bommen, geweld, gevaar en ellende. Toen de jonge hoofdpersoon zich de straat op waagde om melk en brood te kopen viel een bom of granaat op zijn huis. Bij terugkeer vond hij de overblijfselen van zijn familieleden. Niets werd aan de verbeelding overgelaten.

                         *

Tijdens de film keek ik links van mij op dat kleine koppie neer. Zijn gezicht verwikte noch verwoog. Na afloop aten we samen een hapje in de stad. We waren overdonderd. Ik vooral.

‘Vond je het niet te heftig Max?’

‘Nee hoor’, antwoordde hij, ‘wel erg dat hij zijn familie kwijtraakte, he mam?’ En hij stak een patatje in zijn mond. 

                           *

Ik dacht er nog lang over na. Over de film. Het jongetje. Het geweld. Beiroet. Mijn kind gamede lustig verder. Ik geloof dat ik er meer mee zat dan hij.

                          *

‘Als je meegaat eten we gezellig na afloop in de stad kaasfondue in ”t Goede uur.’ Dat is gemeen, ik weet het. Chantage. Maar het helpt. Het kind is dol op kaasfondue en hij wil zijn moeder tegemoetkomen deze keer.

‘Ik ga wel mee’, bromt hij en hij neemt een hap van zijn broodje.

‘O fijn!’, zeg ik en ik bestel direct de kaartjes en reserveer het restaurant.

                         *

Vanmiddag gaan wij. Naar ‘Son of Saul.’

‘U weet dat deze film voor twaalf jaar en ouder is?’

‘Ja, dat weet ik, maar we proberen het.’

                         *

Met mijn zoon naar de zoon van Saul.

                       ***

‘Ik kom terug’

IMG_5409
Met een gloednieuw boek zit ik op de bank in onze huiskamer. De ensuite-deuren met het glas-in-lood zijn dicht. Om mij heen is het stil. Het boek ruikt en voelt nieuw: de geur van vers papier, de stroefheid van bladzijden. ‘Ik kom terug’ heet het.

‘s Middags is de herdenking van de bevrijding van Auschwitz. Russische soldaten stuitten zeventig jaar geleden met hun ski’s op de barakken van Auschwitz. Frieda Bromet, een meisje uit Nederland, hoorde ze. Doodziek lag ze daar. In de ziekenbarak. En ze hoorde de droge tik van ski’s tegen het hout. Het was 27 januari 1945.

Ooit las ik het boek ‘De laatste zeven maanden, vrouwen in het spoor van Anne Frank’, samengesteld door Willy Lindwer. Gebaseerd op interviews. Een boek met herinneringen van Nederlandse vrouwen, die terecht kwamen in de concentratiekampen. Soms jonge vrouwen, zoals Bloeme Emden. Zij deed op de valreep in Amsterdam eindexamen gymnasium. Zij en nog één klasgenoot. De anderen waren langzaam maar zeker uit de klas verdwenen.

De achttienjarige Bloeme die, toen ze zich in Auschwitz moest uitkleden voor de ogen van toekijkende soldaten, ‘iets voelde knappen’ in haar hoofd. ‘Ik was zo beschermd opgevoed, zo bleu en jong, ik besefte opeens dat hier heel andere normen en waarden golden.’

Frieda Bromet verbleef ook op heel jonge leeftijd in Auschwitz met haar moeder. Net als de zusjes Frank, die daar met hun moeder waren. Moeders die er alles aan deden hun dochters in leven te houden. Ze schoven stiekem door een kier onder de Kratze-barak, waar de drie meisjes met schurft lagen, stukjes brood naar ze toe.

Een andere vrouw, Janny Brandes, was het die Otto Frank na de oorlog moest vertellen dat zijn beide dochters dood waren. Jammerlijk gestorven, zwaar vermagerd door de honger, vervuild en verward door typhusdromen. Eerst viel Margot uit haar brits. Een dag later overleed Anne. Het meisje dat zo graag schrijfster wilde worden. En het uiteindelijk werd.

Tijdens de herdenking in Polen ,-een tent is over de bekende toegangspoort geplaatst-, spreken velen. Overlevenden. De directeur van Auschwitz. De Poolse president. Een oudere heer, begeleid door een jong meisje, loopt voorzichtig en langzaam naar het podium. Wit-grijze haren pieken achter zijn oren.

Haar als het engelenhaar dat vroeger bij ons in de kerstboom hing. Wolkjes van glas. Glas! Dat kon ik niet geloven als klein meisje. Maar tussen je vingers voelde je het. Het knisperen van ja, glas. Of was het een verzinsel van mijn moeder? Tot op de dag van vandaag is het voor mij een raadsel.

De man met het engelenhaar vertelt. Over de ontberingen. De tijd die zich niet aan de regels houdt. Een seconde duurt een dag. Een dag een jaar. En zijn herinneringen leven. Je ziet het aan zijn optreden. Je hoort het in zijn stem. Hij breekt. Emotie klinkt door bij de hartenkreet: ‘We moeten onze kinderen tolerantie en begrip bijbrengen. Wij overlevenden willen niet dat ons verleden de toekomst wordt van onze kinderen.’

Ik weet niet hoe het voelt, overkomt daar in die tent. Hier, in de stille huiskamer, komt deze roep, recht uit het hart, aan. Nee, nooit meer. Geen half miljoen vermoorde kinderen, niet dagenlang de namen voorlezen van vermoorde Nederlanders. Jacob Schwartz, 80 jaar, Vrouwkje Schwartz-Rosenbaim, 33 jaar, Sara Schwartz, 2 jaar.

Het gezang van de cantor in de tent snijdt door de ziel. Verdriet, nee smart, diepe smart hoort de luisteraar. Over sommige oude gezichten glijdt een traan. De meeste ogen staren naar binnen. Naar de herinnering, de pijn.

Ik zie mijn boek liggen op de tafel. ‘Ik kom terug.’ Zij kwamen terug. En zij zijn terug. Dappere, oude mensen.

Roman Kent. De man met het engelenhaar. Dappere, oude man.

Toppie

IMG_5156.JPG
Vrijdag, laat in de middag, het wordt snel donker buiten. Ik sluit de gordijnen. Er is niemand thuis en ik trakteer mij, na een lange werkweek, op een film die ik een tijdje geleden kocht maar nog niet keek. Ida. Na een half uur verantwoorde zwart-wit beelden, drijven mijn gedachten weg van de Pools-Joodse non en haar wereldse tante.

Ik denk aan tussen-de-middag. Aan kapper C., bij wie ik voor mijn gevoel steeds vaker kom. Voor het verven van mijn grijze haren. In het midden, op de scheiding, verschijnt een zilverwitte baan. Als ik mijn haar van voor naar achteren strijk glinstert het grijs mij tegemoet. De tussenpozen donkerbruin-grijs worden korter en korter.

Het is geen straf naar kapper C. te gaan. C. opende zo’n vijf jaar geleden, als net-gescheiden, vrouw van zo’n jaar of 50 deze dorpszaak in Bennebroek. Ze verfde de muren grijs en roze-rood en ze bracht een hart in het midden van de muur aan met een Libelle-achtige tekst erin geschreven. Iets Engels, over liefde en geluk. Elke keer vergeet ik weer wat er precies staat. C. kleedde de zaak gezellig aan, breidde twee jaar geleden uit met een nagelsalon en is mijns inziens een echte ondernemer. Een zakenvrouw. C. is daarbij altijd opgewekt en positief. Haar nieuwe stopwoordje is ‘toppie!’

De zaak bloeit. C. nam een paar leuke, struise meiden aan die heerlijk je haar wassen en lief je haar kleuren. Ze vragen: ‘wat wilt u drinken?’ en op het schoteltje naast de thee ligt een pepernootje of chocolaatje.

Altijd lees ik bij C. een vrouwenblad als Margriet of Libelle. Ik red het net om tijdens het intrekken van de verf één blad te lezen. Ik lees hoe gelukkig Isa Hoes is en hoe trots ze is op haar (goed verkopende) boek. O nee, ze is eigenlijk nooit trots op iets wat ze doet. Ook goed.

Ik lees hoe ene Annemarieke zo lang mogelijk de kanker bestrijdt omdat ze bij haar 7-jarige dochter wil blijven. Ik lees ingezonden brieven van lezeressen over kinderen en kleinkinderen. Mode: warme vesten, zachte truien in ‘alle mogelijke grijstinten.’

Na het kleuren, wachten, lezen en wassen knipt C. mijn haar. We kennen elkaar al vijf jaar. En de kapper weet alles. ‘Hoe was je vakantie, Annelie?’ Ja, die was leuk alhoewel deze week zo hectisch was dat de warme zon van Lanzarote ver naar achteren gedrongen is in hoofd en hart. C. vindt het ‘toppie’ dat de vakantie goed en geslaagd was.

‘Hoe is het met je arm?’ C. vertelde mij vijf weken geleden over de hevige pijn in haar schouder. Het blijkt een peesontsteking te zijn. ‘Ik moet naar de sportfysio en ik krijg ontstekingsremmers.’ Zo weten C. en ik veel van elkaar. Dit jaar hertrouwde C. met haar ‘mannetje’, dat ze leerde kennen via internet. Beiden houden ze van duiken. Ze trouwden op de Antillen. Kochten een huis samen in de Bollenstreek. En zijn gelukkig.

‘Hoe is het met je vader?’
‘Hoe gaat het met je moeder?’
Al knippend nemen we de tussenliggende weken door. De schaar hapert een beetje zodra het gaat over C.’s 23-jarige dochter. Deze dochter heeft al zo’n zes jaar lang geen contact met haar moeder. Dat is C.’s grote verdriet. C.’s moeder werd de afgelopen week 86 en oma wil graag geld aan haar kleindochter overmaken. Oma ziet haar kleindochter nooit en begrijpt er niets van. C. snapt het zelf ook niet. ‘Ze heeft met niemand contact, niet met haar vader, niet met haar broers, met mij niet..’ De schaar hangt in de lucht. Ik begrijp het verdriet.

C. weet dat ik jarenlang mijn moeder niet zag. ‘Probeer het zelf leuk te hebben en te houden, C.’, zeg ik onmachtig en ik hoor hoe cliché het klinkt. ‘Het doet me veel verdriet, Annelie, ik vind het moeilijk.’ C.’s ogen staan diep en donker in haar gezicht. Ze start weer met knippen. Even is het allemaal niet meer zo positief en vrolijk bij kapper C.

En hoe gek, maar opeens schiet mij een scène te binnen van de meer dan indrukwekkende film van Claude Lanzmann over de Holocaust, Shoah. Kapper Abe, die van Claude moet vertellen hoe hij zijn Joodse dorpsgenoten, vrouwen en meisjes, knipt vlak voor zij in de gaskamers van Auschwitz verdwijnen. ‘Abe, weet jij waar we zijn?’ ‘Abe, wat gebeurt hier?’

Abe knipt en knipt tijdens het interview in Tel Aviv en vertelt met moeite over dit grote, niet te begrijpen verdriet. Hoe hij de vrouwen, met wie hij een vertrouwensband had, alleen maar kon bijstaan door hun haren niet al te kort te knippen voordat zij hun dood tegemoet traden. Ook de schaar van Abe hangt vaak in de lucht. ‘Je moet het vertellen, Abe’ dwingt Lanzmann het verhaal af. Nooit ben ik die scène vergeten. Het zal komen door de film over de Poolse Ida en de haperende schaar van C. dat ik hieraan denk.

C. houdt, zoals een echte kapper betaamt, de spiegel achter mijn hoofd. ‘Netjes weer, hè Annelie?’ En ja, het is netjes. Thuis de haartjes in mijn nek afspoelen en we kunnen er opnieuw een tijdje tegen.

Over vijf weken zien we elkaar weer, kapper C. en ik. Toppie.