Een lieve stad


Bij ons in huis staan opeens twee zwarte laarsjes. Halfhoog zijn ze, maat 35, hooguit 36. Ze staan fier rechtop. De laarsjes zijn van onze dochter.

‘Ik werk tot en met vandaag’, zei mijn dochter zaterdagochtend, ‘Dan kan ik volgende week nog even rustig aan doen.’

‘Ja, prima’, zei ik.

‘Kan je al mijn gespaarde geld voor China binnenkort aan mij overmaken?’, vroeg ze

‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik.

‘Mooi’, zei ze en ze ging naar beneden. 

                         *

Ik vind zodirect in de badkamer een paar lange, blonde haren, dacht ik slaperig. Ik droomde die nacht over haar. Dat ze haar vliegtuig in Guilin, een stad in Zuid-China, miste ‘Daar moet ik al om 5.00 uur ‘ s ochtends zijn als ik terugkom uit Yangshuo, hoe ga ik dat regelen?’, zei ze onlangs, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ik weet het ook niet. Wel weet ik dat ik wakker lag van de gedachte dat zij daar liep, ‘s ochtends vroeg in die Zuid-Chinese stad met zoveel inwoners, Chinese karakters, Chinese klanken, niemand die Engels spreekt. Ik moet uiteindelijk weer ingeslapen zijn ondanks de harde wind die onze slaapkamerdeur deed piepen en de gordijnen liet opwaaien, zachtjes als de ruisende rokken van een pirouettes-draaiende dame. 

                    *

Onze dochter vertrekt over een week naar China. Ze gaat daar een half jaar studeren maar eerst nog even reizen. In haar eentje. Met treinen, vliegtuigen en taxi’s. Naar miljoenen-steden, grillige gebergten, meren, rivieren en pandaberen. 

‘Ik ben daar toch een paar weken te vroeg, ik heb tijd zat om te reizen’, zegt ze. Samen zoeken we hostels, boeken we vliegtuigen, sturen we kopieën op van haar paspoort naar Chinese dames die in steenkolen-Engels mailtjes sturen met verzoeken om meer informatie. ‘Klopt dat wel?’, vraag ik mijn dochter. ‘Ja, ik krijg van mijn verhuurder ook dat soort vage mails’, zegt ze. En we sturen de paspoortgegevens maar door aan Chinese dames die Sue of Nikki heten.

                        *

‘Zullen we nog een keer naar de Dubuffet-tentoonstelling in het Stedelijk Museum gaan?’, vraagt mijn man.

‘Ja’, zeg ik, ‘Dinsdag ben ik vrij.’ 

                      *

‘Ons huis is per 1 augustus onderverhuurd, dus ik kom nog een weekje naar huis’, meldde onze dochter een tijdje geleden. Dus kwam ze thuis. Met acht dozen, zeven volle tassen, een koffer en een reistas. 

‘Ik ga mee naar de tentoonstelling van Dubuffet’, zegt ze. 

‘We kunnen met de auto, die zetten we dan in de Apollolaan’, stel ik voor. ‘Dat doe ik ook altijd als ik Barry bezoek. Dat gaat prima. Ruim plek, het is vlakbij het Museumplein en parkeren daar kost € 3,- per uur.’ 

‘O prima’, zegt mijn man, ‘Dan lopen we daar vandaan naar het Stedelijk.’ 

                          *

Op de Apollolaan zijn veel lege plekken. Ik parkeer de auto, ik activeer de handige parkeer-app en we lopen richting het Museumplein. Op de Apollolaan staan in de middenberm sculpturen, het is een beeldenroute, Art Zuid. En we zien Rudi Fuchs. Langzaam steekt hij over bij het zebrapad. Een zwarte bloes draagt hij en een zwarte, hoog opgetrokken broek die om zijn bolle buik spant. Wilde, grijze krullen. Een oude man. ‘Daar loopt de oud-directeur van het Stedelijk Museum’, zeg ik tegen mijn dochter.

‘He, wat?’, zegt zij en ze kijkt een man na op een opoefiets.

‘Nee, de man die nu oversteekt’, wijs ik haar op de gebogen, oude heer.

‘O’, zegt ze.

                        *

De tentoonstelling van Dubuffet is klein maar prachtig. In de tuin van het Rijksmuseum staan ook nog een paar sculpturen van Dubuffet. We wisten niet dat er een tuin was bij het Rijksmuseum. Maar die is er: met een fontein vol spelende kinderen, een vijver met lelies, perkjes gevuld met kleurrijke bloemen en stukjes gras met beelden van Dubuffet. Langzaam lopen we terug door Amsterdam- Zuid, via de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat. Langs het Hilton. 

                      *

‘De auto staat daar’, zeg ik en ik wijs naar een omhoogstaande, ijzeren knoop in de middenberm. Een sculptuur. Maar de auto staat er niet. 

‘Hier stond hij’, zeg ik en ik wijs naar de lege plek. Achter de lege plek staat een auto die wordt opgeladen. Een geel snoer kringelt van de auto naar een laadpaal. 

‘Ik weet het zeker’, herhaal ik, ‘Hier stond ie.’ Verbouwereerd staren we alledrie naar de lege plek. 

‘Gestolen?’, vraagt mijn dochter. 

‘Ja, ik denk gestolen’, zeg ik. Een piepklein autootje draait om ons heen. Het raampje gaat open.

‘You parked here?’, vraagt een donkere man, zijn elleboog ligt op de onderrand van het raampje. 

‘Yes’, stamel ik.

‘He was moved a while ago’, zegt de man. ‘This place is for electric cars’, vertelt de man en hij wijst op de lege plek en de auto die achter ons staat met de gele draad. ‘I didn’t know this was also a place for electric cars.’ zeg ik. Woede maakt zich van mij meester.

                        *

‘Wat doen we nu?’, vraagt mijn man.

‘We bellen parkeer-beheer’, zeg ik. De Amerikaan zet zijn mini-autootje op de stoep voor zijn huis. 

‘I live here, if you need anything, I’m in the house.’ 

‘Thank you’, zeggen we. Verslagen nemen we plaats op een bankje in de tussenberm van de Apollolaan. Met uitzicht op de ijzeren knoop.

                          *

Een dame van de gemeente Amsterdam die ik aan de telefoon krijg vertelt me dat onze auto is weggesleept en op de Daniël Goedkoopstraat 9 staat.

‘Goedkoopstraat?’, herhaal ik, ‘Is dat in Zuid?’

‘Ja, ergens in Suid’, zegt de vrouw. ‘U moet dat maar efe opsoeke op uw telefoon. De kosten bedragen trouwens €373.’ 

‘€373?’, herhaal ik.

‘Ja, €373, dat sijn de kosten voor het wegslepen. Dese moet u direct betalen.’ 

‘Maar ik heb het niet gezien, die plek, dat deze voor een elektrische auto was. Er waren zat parkeerplekken op de Apollolaan. Ik had best ergens anders kunnen staan. En ik heb de parkeer-app aangezet.’ 

‘Tja, toch mag u daar niet staan’, zegt de vrouw. Het gesprek is afgelopen. ‘Fijne dag’, wenst ze ons toe.

                         *

We nemen de tram, de metro en lopen over een desolaat bedrijventerrein waar parkeerbeheer huist. Een flinke dame achter een beveiligde balie beaamt dat het wegslepen van onze auto ‘belachelijk’ is. Maar dat in heel Amsterdam alle verkeerd geparkeerde auto’s worden weggesleept. 

‘Dat is het beleid mevrouw.’ Ik pin €373,-. 

‘Amsterdam is toch een iets minder lieve stad dan meneer van der Laan laatst op televisie vertelde’, zeg ik. 

                         *

Thuis staan de zwarte, halfhoge laarsjes midden in de kamer. Over een paar dagen gaat onze dochter weg. Naar China. Voor haar rechtenstudie. ‘Mam, ik zoek de jurisprudentie op.’ Ze tikt driftig op haar computer. 

‘Morgen schrijf ik een brief en daarna kan jij die in jouw woorden overschrijven. Daar kan je dan mee in bezwaar gaan.’ Ik kijk naar de laarsjes en die ene lange blonde haar op de rand van het tafelblad. Ik pak de haar op en laat deze langzaam op de vloer vallen.

                          *

Ik zal haar missen.

                          ***

Een goed gesprek


‘Mis jij opa?’ Mijn zoon en ik zitten in de auto. We rijden ergens naar toe. Weerloos zit ik daar, mijn handen geklemd om het stuur. Ik tuur door de koude voorruit naar verre verten. Huizen links en rechts schieten aan ons voorbij, een park, bomen, kaal als lege kapstokken na een feestje.
                     *

Eerder al vonden belangrijke gesprekken in de auto plaats. Voor ons uitkijkend – rijdend door een eindeloos polderlandschap – bespraken mijn man en ik ons huwelijk ‘We zouden eens kunnen gaan trouwen?’ en een paar jaar later op de terugweg van Frankrijk naar Nederland bedachten we de naam van ons oudste kind ‘Ja, dat klinkt goed, Julia, naar de lieve, Russische tolken in Suzdal en de zus van Sebastian in Brideshead Revisited.’ We proefden de klank, prevelden de naam in alle talen en het klopte.

                        *

Het was mijn dochter die op de achterbank van de auto vertelde dat er ‘slechte rekengroepjes’ in de klas waren ‘en een slecht taalgroepje, maar daar zit ik niet in’ en dat was de druppel die ons deed besluiten de kinderen naar een school te laten gaan waar ze sommen op het plein huppelden, verfden, viltten en geen leerlingen diskwalificeerden. 

                        *

En nu de vraag of ik mijn vader mis. Ja, ik beken, ik mis hem en de vraag van mijn kind werpt mij terug op de dinsdagen met koffie en appelpartjes, de zondagen met Buitenhof en geroosterde boterham met zorgvuldig uitgesmeerde halvarine en plakjes kaas. Verhalen over oude kennissen, sport en werk. Onderwerpen van gesprek die er niet waren, over vroeger, oude koeien, die we met rust lieten. Liever praten over reizen, de politiek, de kinderen. 

                      *

En rijdend van dorp naar dorp schiet mijn hoofd vol door de vraag of ik hem mis, mijn vader. Ik zie de tere orchidee in de vensterbank van zijn kamer in het verzorgingshuis, het zware lijf, stil in het hoge bed. Het laken strak om zijn borst, zijn handen. En ik bedenk mij hoe mooi het is dat mijn zoon deze vraag stelt. Niet bang voor verdriet, geen angst voor emotie. Ik kan nog wat van hem leren.

                        *

‘Ja, ik mis opa’, zeg ik.

                       ***

Alarm


Door het raam zie ik ze staan: twee stevige geranium-stengels met roze kopjes. Fier rechtop, ondanks de zomerwind die ze omver probeert te blazen. 

                              *

Daarboven zwaait een uitloper van de druif heen en weer. ‘Die moet ik afknippen’, denk ik terwijl mijn pyjama, ongekamde haren en de playlist ‘Lazy sunday afternoon’ wat anders zeggen. 

                             *

De viooltjes staan er zielig bij. Sommigen met wat tere velletjes paars en oranje. Drie geduldige geraniums wachten op de achterste tuintafel op een grote pot met verse aarde. Ik moet ze omwisselen.

                             *

De huistelefoon doorbreekt mijn gemijmer. Ik ren er naar toe want de huistelefoon staat voor onze twee oude vaders. Het is de mijne. 

                             *

Mijn vader valt met de deur in huis.

‘Met mij. Vanmiddag ga ik naar de veteranen-dag’, zegt hij.

‘Leuk’, antwoord ik. Iets beters kan ik niet verzinnen.                

‘Het is hier in Heemstede’, vervolgt hij, ‘Een luitenant geeft een speech en je kan nieuwe, Hollandse haring happen.’

‘Lekker’, zeg ik. 

‘En als het regent gaan ze naar binnen, in het gemeentehuis.’

                            *

‘Ga je met de auto?’, vraag ik.

‘Ja’, zegt mijn vader, ‘Ik parkeer de auto voor het gemeentehuis.’

‘Er is genoeg plek’, antwoord ik, ietwat wezenloos.

‘Er is ook een invaliden-plek.’

‘Ja’, zeg ik.
Het gesprek stokt.

‘Ga je alleen?’, vraag ik.

‘Nee, een vriend uit Heemstede komt ook’, antwoordt hij. ‘En die armband hoef ik buiten niet om. Er zijn genoeg mensen.’

                         *

Mijn vader kreeg een alarm-armband toegestuurd. Deze bestelde hij via internet. De vorige keer toen ik hem bezocht lag de armband, licht gekruld – alsof hij nog om mijn vaders pols zat – op tafel.

‘He, draag je de armband niet?’, vroeg ik.

‘Nee, nu even niet. Hij is zo groot. Onhandig ding’, mompelde mijn vader. 

‘Als je hem niet draagt dan zou ik hem terugsturen’, zei ik geprikkeld. 

                             *

Ik hoopte dat de armband een blijvertje was. Hij had de armband zelf besteld. En het werkte. We moesten samen lachen toen hij de zwarte bovenkant – ‘Knop? Ik zie geen knop!’ – vier seconden lang indrukte en even later mijn telefoon ging. Ik belde vervolgens de armband terug waarin hij kon praten. We vonden het een wonderbaarlijke uitvinding. We reageerden beiden alsof we uit het stenen tijdperk kwamen. Even waren we van dezelfde generatie, de generatie van carbon-papier en typemachines. Mijn vader had nu een armband om die achter elkaar vijf telefoons kon bellen. Mij – mijn broer – mijn man – mijn zoon – mijn dochter. Allemaal installeerden we de alarm-app.  

                              *

‘Heb je die armband nu om?’, vraag ik aan mijn vader die ik nog steeds aan de telefoon heb.

‘Ja’, zegt hij.

‘En vannacht?’, vraag ik.

‘Nee, hij valt steeds af’, zegt mijn vader. 

‘Hij ligt dan naast je?’, vraag ik.

‘Eh, ja, vlakbij’, mompelt mijn vader.

                            *

‘Ik moet vier keer erop drukken toch?’, vraagt hij.

‘Nee, vier seconden ingedrukt houden’, antwoord ik.

‘O ja’, herhaalt hij, ‘Vier seconden ingedrukt houden. We moeten ook eens ermee oefenen’, vervolgt mijn vader.

‘Maar dat deden we toch al?’, vraag ik verbaasd, ‘Hij doet het!’

‘O ja?’, zegt mijn vader vragend. Hij is het vergeten.

                              *

‘Maar goed, ik ben er vanmiddag niet tussen een en vijf uur’, zegt hij.

‘Nee, wij zijn ook weg’, en ik vertel hem over een uitje van het werk.

‘Dan zijn we er allebei niet’, constateert mijn vader.

‘Nee’, zeg ik, ‘maar veel plezier vanmiddag!’

‘Ja, jij ook’, zegt mijn vader.

                             *

Het klaart op buiten. Het lijkt iets minder hard te waaien. Ik ga me maar eens aankleden.

Ik kijk nog even door de glazen pui naar buiten. Er is opeens een donkerroze geranium-knop bijgekomen. 

                         ***

Lat patat


Vanochtend zat er opeens een zwarte vlek voor mijn oog. Ik fietste, de warmte streek langs mijn gezicht, de lucht was vol van zomer en pluisjes die als plukjes watten voor ons uitstuifden. 

                             *

‘Zullen we een stukje gaan fietsen?’, vroeg mijn man zaterdagochtend. Het was 8.35 uur. Na een diepe, droomloze nacht moest ik even nadenken. Een stukje fietsen. ‘Goed’, zei ik en langzaam stond ik op. 

                             *

We fietsten het dorp uit, langs de kaasboer die vrolijk als altijd iets deed met kratten voor zijn winkel. Buiten het dorp begon de polder. We fietsten achter elkaar. Links en rechts heiige damp boven het groen met koeien, verderop stonden twee stoffige paarden. De ene tilde zijn nek op; slordige manen hingen als het ongekamde haar van een tienermeisje langs zijn hals.

                              *

Ik dacht aan de tijd die voor ons ligt: op zaterdagochtend om 8.55 uur de polder in fietsen. Thuis lag onze zoon nog in bed. Hij kwam thuis toen het licht vanochtend door onze gordijnstreep scheen. Nu sliep hij.

                           *

En toen kwam de tijd van weleer voorbij, daar, in de stille polder: de tijd van warme handjes en mollige lijfjes. ‘s Ochtends samen de Daltons kijken. Huiverend om 8.30 uur langs de lijn van een kaal voetbalveld, de straffe wind door je jas en je voeten veranderend in ijs in de laarzen die nog geen Uggs heetten. 

                             *

Elf smalle jongetjes in groene shirts en zwarte broeken, – te groot en slobberend om witte spillebenen met hier en daar een blauwe plek, een schaaf, een vieze pleister, – die achter een bal aanrennen. Na de wedstrijd nemen ze allemaal een penalty, dat is traditie. Elf jongetjes op een rij. 

                           *

De ballen gaan hoog over, naast of hebben geen kracht genoeg en komen net voor de doellijn tot stilstand. Een enkele gaat erin, dan is er een trots jongetje. Gejuich en geklap is zijn deel. 

                           *

‘Lat patat’, roepen opeens alle groene jongetjes. ‘Lat patat!’ Stijn is aan de beurt en Stijn kan de bal op de lat schieten. De tegenstanders kijken verbaasd toe als de jongetjes juichen, elkaar op de schouders slaan en omrollen van blijdschap. De lat is geraakt en de coach trakteert op patat. Op zaterdagochtend om elf uur.

                           *

We bereikten samen het fort dat stoer en onbeweeglijk achter de geniedijk lag. ‘Ik heb mijn leesbril niet mee’, zei mijn man. Ik nam mijn geslepen zonnebril in de hand – want ik lees zonder bril – en ik las dat het fort onderdeel uit maakt van de verdedigingslinie rond Amsterdam. En toen zag ik het vliegje achter op het glas van mijn bril. Dat was de zwarte vlek.

                            *

Verder fietsten wij tot we weer aankwamen bij ons dorp.

‘Ik haal nog wat fruit en groente’, zei ik. 

‘Ik haal een goede fles wijn’, zei mijn man. De wijn was voor vrienden waarmee we ‘s avonds gingen eten. Broodjes voor het ontbijt hadden we al, we waren langs de bakker gefietst. 

                             *

Om twee uur kwam onze zoon naar beneden. Zijn haar zat in de war. Een lang lijf. Maar ik zag het mollige lijfje van toen. 

‘Heb je niet wat lekkers?’, vroeg hij.

‘Bak jij eens flensjes voor mij!’ Ik wees op de broodjes. Even later zat hij naast mij. 

                            *

‘Ik ga in juli nog een week naar Berlijn’, zei hij. ‘Met Jorick, Sam en Jelger. We huren een huisje in een dorp bij Berlijn. We kunnen naar de stad maar we zitten lekker rustig erbuiten. Ik wil niet een week in de drukte. Zo kunnen we ook eens chillen.’

‘Gaan jullie met de auto?’, vroeg ik.

‘Ja’ en hij keek mij aan.

‘Met mijn auto?’, raadde ik.

‘Ja, als dat mag’, zei hij.

                           *

Het mag. En langzaam rolt de bal het doel in. Gejuich is mijn deel: een klein vonkje in een groenbruin oog. 
Lat patat.

                          ***

Nooit meer djoes

In de vensterbank staat zijn bord. Kruimels verraden een lunch van krentenbrood en geroosterde boterham. Zijn koffiemok is halfvol. Dat zie ik later als ik zijn bord en mok naar de keuken breng. 

                            *

Mijn vader zit in zijn gemakkelijk stoel en kijkt naar Buitenhof. Hij steekt, voor ik op de bank ga zitten, uitnodigend zijn rechterarm naar mij uit. Dus kus ik hem op zijn zachte wang. 

                            *

Een Amerikaanse vrouw informeert ons over de Amerikaanse presidents-verkiezingen.

‘Interessant hoor’, zegt mijn vader die gebiologeerd naar het scherm kijkt.

De Nederlandse presentatrice heeft een mooi jasje aan. Leer met een stoffen bies. Een wit t-shirt eronder. Ze spreekt uitstekend Engels. 

                             *

Na Buitenhof klikt mijn vader op de afstandsbediening en er verschijnt een overzicht van een stuk of zes zenders. 

‘Er wordt getennist op Wimbledon’, zegt hij.

‘O, zo vroeg al? Ik dacht dat Wimbledon in juli, augustus was’, antwoord ik. En ik denk aan mijn uitstapje naar Londen. Ik was zestien en verbleef in een Pakistaans gastgezin. Iedereen vertrok na de toast met gebakken eieren en een mok tea overdag naar het werk. Ik bleef achter in het Engelse rijtjeshuis en ik keek uren naar Wimbledon. Het was hartje zomer 1979. 

                            *

‘Je moet dat krantenbericht eens pakken’, zegt mijn vader. Hij wijst naar een uitgeknipt bericht op de salontafel. Tussen oude kranten, een lege, opengeslagen agenda, pennen en het schoteltje met vijf bruinige appelpartjes -‘Die zijn voor jou!’ – ligt een krantenknipsel. Ik pak het van de tafel en begin te lezen. 

‘Oudere vrouw rijdt met auto het water in.’

‘Dat is de auto van de vrouw van het echtpaar waar ik soms eet’, vertelt mijn vader. Op de foto is een rood autootje half de vijver in gereden. Groen kroos drijft als een misplaatste krans om het voertuig heen. 

‘Ze kon er gelukkig uitkomen’, vertelt mijn vader, ‘Maar ze is helemaal overstuur.’

                           *

Mijn vader heeft nog een paar stokoude vrienden en kennissen in de buurt. Dit echtpaar nodigt hem regelmatig uit om te komen eten. Laatst gleed hij bij hen uit over een stukje parket tussen twee tapijten in – ‘Spekglad zeg!’ Deze lieve mensen bellen hem vanaf de dag van de val iedere dag op. 

‘Ze zijn zich rot geschrokken. Ze kregen mij niet overeind. Een buurvrouw heeft mij geholpen met opstaan.’

En nu is de dame van het lieve echtpaar in de vijver voor haar deur gereden.

‘Ik snap het niet’, vertelt mijn vader wel drie keer achter elkaar. ‘Ze stond op de oprit. Daar staat ze anders nooit. En ze reed zo het water in.’
‘Misschien moet ze maar niet meer rijden’, opper ik. 

‘Ze hebben ook een Mercedes’, vertelt mijn vader, ‘Ze vroegen of ik daar eens mee wil rijden. Maar dat doe ik niet hoor. Zo’n grote wagen, zometeen gebeurt er wat.’

‘Nee, doe dat maar niet’, beaam ik en ik denk aan zijn 94-jarige rijkunst.

                           *

Intussen begint de tenniswedstrijd op Roland Garros. 

‘O, het is Roland Garros’, zegt mijn vader.

Een Nederlandse tennisser neemt het op tegen een Amerikaan. De Amerikaanse jongen is een arrogante blaaskaak met een keiharde service. De keurige Nederlander heeft het moeilijk met dit service-kanon. 

‘Ze zeggen nooit meer djoes’, constateert mijn vader.

Ik hou het bijna drie sets vol.

                           *

‘Ik ga maar weer eens, pa’, zeg ik.

Hij kijkt op, komt uit zijn stoel omhoog en loopt moeizaam met me mee.

‘Ik vind het altijd zo leuk als jullie komen’, zegt hij.

‘Ik zie je dinsdag!’, zwaai ik.

                            *

Ik trek de deur dicht. Buiten motregent het bijna. 

                          ***

Koud 

 Bij het wakker worden of eigenlijk, na het ontwaken, schuif ik de gordijnen open. Een wit laagje versiert het dak van de schuur, de pergola is be-ijsd, de takjes van onze rode-bladeren-boom waar schemerig de knoppen al op doorkomen zijn wit. Wordt het toch nog een beetje winter. Ik droom onder het dubbele dekbed verder over winter, ijs, sneeuw. Over een paar weken ben ik daar, in de Franse Alpen waar dikke sneeuwhopen langs de kant van de weg liggen. Smerig geworden aan de zijkant door opspattend modder van de vele auto’s met daarop grote grafkisten met ski’s, schoenen, helmen, stokken. Het is een gedoe, dat skiën. 

                          *

Ik snap ook niet dat mensen dat doen, dat ik dat doe. Reizen, lang en ongemakkelijk in de auto, korter en ongemakkelijk in een vliegtuig of lang en redelijk gemakkelijk in de trein. Zoeken naar je hotel, pension, huisje of appartement. Boodschappen doen in een tl-verlichte Oostenrijkse of Franse supermarkt, dat laatste is dan al wel weer heel wat beter. Sjouwen in de sneeuw met zware schoenen, en dan echt zwaar, met van die hard-plastic flappen en ijzeren haken die je zo lastig dicht krijgt. 

                         *

Een lang klittenband-lint dat om je schoen slingert als een teugel van een dartel paard wordt drijfnat in de gesmolten modder. Even later moet je deze om je schoen heen vastmaken. Je handen worden nat en vies. Je veegt ze af aan je lime-groene ski-broek. Vage modderveegjes op de zijkant van de broek bedek je met je hippe bomberjack. Eigenlijk niet geschikt om in te skiën, maar het staat wel oké: die lime-groene broek met zwarte bretels en een Bordeaux-rood bomberjack. 

                           *

Je hangt je rugzakje recht op je schouders, die zeer doen van het gesjouw met de ski’s, je sluit moeizaam alle haken op de schoen, sluit het klittenband, je zet je bril op, de helm eroverheen. Je doet je handschoenen aan, van die dikke, zet ze om je stokken, je handen zitten vast in de lussen en je klikt je schoenen in de ski’s. Daarna kijk je op. Voor je doemt de berg op: puntig en wit, afstekend tegen een ijsblauwe lucht. 

                           *

Je hoort het gezoef van de lift: stoeltjes die open- en neergeklapt worden, stokken die tegen elkaar aan slaan. Bij de lift staat een man die meestal norsig kijkt: grote zonnebril, diep gebruind, van dat schoensmeerbruin dat er nooit meer afgaat – een huid van gelooid leer – een gebreide trui met beige wintermotiefjes, als de trui die mijn oma ooit voor mij breide. Je hoort het zachte zoeven van ski’s op sneeuw naast je, de mensen die van de berg afkomen. Ze skiën je voorbij. 

                           *

Je recht de rug. En met een klein zetje van de stokken glijd je naar de ingang van de lift. Hopen dat het poortje open gaat; de skipas zit in de rechterbroekzak, meestal begrijpt het poortje dat. En ja, met een lichte duw van je heup tegen de ijzeren staaf kan je verder, het pad af, naar de vlonderstreep waar je je ski’s tegenaanzet voor het stoeltje tegen je billen klapt. 

                              *

Zo droom ik even door. De realiteit is dat ik een half uur later dik ingepakt naar het kleine fitness-zaaltje fiets verderop in het dorp. Ik heb het niet koud, maar mijn adem maakt wolkjes. De lucht is ijsblauw. We fietsen langs de psychiatrische instelling. Voor een van de huizen staat een groepje mannen te wachten. 

‘Daklozen zijn het’, vertelt mijn man, ‘zij worden ‘s avonds gebracht en ‘s ochtends weer opgehaald met een busje.’ We fietsen langs een man met krukken, holle ogen en een baard van twee dagen. 

                         *

Daarvoor staat een groepje van drie. Een van hen met een tas zoals vroeger mijn wiskundeleraar om de schouder droeg, zo’n beige, rechthoekige schoudertas. ‘Dat is de begeleider’, zegt mijn man. En ik moet denken aan de scène uit ‘One flew over the cuckoo’s nest’. De prachtige film, vol humor en verdriet, met een weergaloze Jack Nicholson die met zijn sardonische lachje de boel op stelten zet in de psychiatrische inrichting uit de jaren ’50. Hij neemt zijn mede-patiënten op een dag mee in de bus, die hij wegkaapt voor een boottochtje op zee. Daar staat hij, Jack, op het dek van het gejatte jacht met zijn mede-patiënten. ‘Who are you?’, vraagt een achterdochtige jachthavenbeheerder.

‘Professor Dr. Matthews’, antwoordt Jack en en hij stelt de anderen voor met klinkende doctor-titels en dubbele namen. Ze buigen of knikken minzaam. 

                         *

Wie is de gek?

                         *

We fietsen door en ik zie de man op krukken voor me. Zodirect strompelt hij door de straten van Haarlem, Amsterdam, Hillegom…Vanavond wordt hij weer opgehaald en kan hij warm eten en slapen. 

                         *

Het is winter en even ijzig koud. 

                        ***

Tweeduizendzestien

  
Het is een grijze dag met een grijze lucht. Grauw is de tweede dag van het jaar. De nieuwe buurman van even verderop sjouwt uit zijn grijze busje wat spullen. Het is hem niet gelukt voor de Kerst zijn huis klaar te krijgen voor bewoning. De poes volgt mistroostig in de vensterbank alle bewegingen op straat. Zo ook de beweging van de nieuwe buurman wiens gezicht ook grauw ziet. Grauw van te hard werken en niet het huis voor de Kerst gereed hebben.

                          *

Een andere buurman verplaatst zijn auto naar achteren. Nu staat de auto voor zijn huis. En ik sta op. Tijd om de kerstboom weg te halen, de houten engel, het sleetje, het kribje met het kindje. De kerststal bekleed met zilverfolie, gemaakt door smalle kindervingers, een eeuwigheid geleden. Voor de stal liggen twee stukken schors. Jozef is omgevallen. De engel is een hopeloos geval, zij is niet rechtop te positioneren. Verloren ligt zij achter het kribbetje. De enige die fier rechtop staat is Maria. 

                            *

‘Fijn, dat het nu nog weekend is!’ De zin die zaterdagochtend telkens opnieuw uitgesproken wordt. Bij de groentenboer, de visboer: ‘goed weekend maar weer!’ De andere buurman van verderop. En ja, het is fijn. Nog twee dagen en dan begint 2016 pas echt

                           *

Met nieuwjaarswensen, zoen ik of zoen ik niet? Met de lange sliert collega’s die zich vormt in de schemerige werkruimte met achter ons de wachtende broodjes, de thee en het sap van het nieuwjaarsontbijt. En daarna de gang door, de trap op naar de kantoorruimte met de in hoogte verstelbare bureaus. Ook de stoel zet je in de juiste stand. En de schermen een beetje schuin en wat hoger dan mijn collega ze achterliet. 

                            *

We tikken onze mails, schrijven rapporten, bereiden bijeenkomsten voor. We drinken thee, koffie en kopjes water. ‘Een bekertje koud water graag.’ 

                         *

En dan is het mooiste van zaterdag 2 januari: het past. Alle kerstballen, het stalletje, de twee glimzilveren vogeltjes met pluimstaartjes en de nieuwe houtfiguurtjes. Het past in de doos. De lichtjes, toch weer niet zo mooi opgerold als het plan was, de rode ballen, de kralenketting. Alle decemberherinneringen in de doos. Vier flappen dichtvouwen: lengteflap, zijflap, lengteflap en de zijflap inschuiven in de uitsparing van zijflap een. Als ik de doos met enige moeite in de kast boven de trap plaats valt een plastic zak eruit met paastakversierselen. Een wit plastic eitje met een geel lusje hobbelt langzaam de trap af. Uit een andere tas piepen een oranje haarband met pluche hazenoren en een hoge, oranje hoed. Ik prop ze terug. 

                         *

En wat het ergste is? Ook ik heb het liefste mijn auto voor de deur staan.

                       ***