Finale


Als een machtig zweefvliegtuig hangt boven de Griekse broccoli-bergen een roofvogel. Statig en stil zweeft hij door ons uitzicht. Uitzicht op een strookje zee tussen het groen van olijfbomen en het geel van bloeiende bloemen. Een zwart-witte vlinder landt naast mij op het strookje droge aarde waarin dennetjes staan. Nerveus trillen de vleugeltjes. Op en neer gaan ze, met kleine bewegingen.
                       *

Naast ons hoor ik de schoonmaakster van dit complex-met-vijf-huisjes het terras vegen. De bewoners – onze buren links – gingen zojuist op pad: hij met een hoedje tot over zijn ogen, beige broek en sokken in de sandalen. Zijn vrouw zag ik niet, ik hoorde haar alleen gisteren, toen ze naast ons zaten bij hun eigen zwembad, afgescheiden door de rij dennetjes.

‘Kom je ook zwemmen?’, vroeg ze als de man net lekker zat of ‘Ik lees eerst mijn boek uit dan kom ik’ als hij vroeg of ze kwam. Ik leer uit de conversaties dat de twee elkaar nog niet hun hele leven kennen. Zo ving ik op:

Hij; ‘Ik bel zo Max nog even.’

Zij: ‘Waarom?’ 

Hij: ‘Woensdag speelt Ajax en ik wil hem vragen hoe ik dat hier kan zien.’

Zij: ‘Is dat zo belangrijk dan?’ 

Hij: ‘Nou, ze spelen de finale Europa-leage.’

                          *

Ik hoor geen zucht maar kan het gezicht van de vrouw raden. 

Zij: ‘Ik wil niet pinnig doen maar we zijn nu op vakantie. Hebben we niets anders te doen?’

                         *

Ik twijfel of ik binnen in ons huisje muziek ga halen en oortjes waarmee ik mij kan afsluiten. Maar ik ben lui. Ik lig op het ligbedje met zo’n handig zonnekapje te lezen. Ik lees over de vader van Alfred Birney die de politionele acties in Indonesië voortzette door zijn vrouw en kinderen in Nederland zodanig te terroriseren dat de kinderen voor de puberteit uit huis geplaatst werden. Geen vrolijke kost. Wel goed geschreven. Muziek en zo’n boek lezen gaan voor mij niet samen.

                        *

Een citroenvlindertje fladdert vrolijk voor mijn neus en opeens is het stil. Mijn boek leg ik naast mij neer. Ik sluit mijn ogen en ik denk aan de roofvogel die als een drone het landschap beziet vanaf grote hoogten. Een vrouw op een ligbed met zonnekapje, een huisje, een zwembad, bergen vol broccoli, de zee. Geen vaders die hun kinderen vuistslagen verkopen, geen pinnige conversaties, geen, gewoon niks.

                         *

Vanavond gaan we eens op zoek naar een mogelijkheid Ajax-Manchester te zien, hier in Griekenland. Ik ken mijn man al jaren.

                      ***

Ontbinden

 De paden naar boven bestaan uit onregelmatige ribbels alsof auto’s hier al filerijdend voortdurend stoppen, optrekken, stoppen en optrekken. Alleen rijden hier geen auto’s. Er staat wel een hond midden op de weg. Dichterbij komend laat hij een zacht, ondergronds gegrom horen. Onderuit zijn keel. Zijn bruine ogen staan helder en open. Ik houd mijn hardlooppas in, je weet het nooit met honden die ondergronds grommen. 
                         *

Zachtjes pratend, mijn arm vooruit gestrekt lok ik hem naar me toe. ‘Kom maar’, zeg ik zo lief als ik kan. ‘Pas je zo goed op het huis? Braaf.’ Op vijf centimeter van mijn hand af kwispelt voorzichtig zijn staart. Hij ruikt aan mijn hand. Likt. En het is goed. Ik aai hem over zijn snuit. En hij loopt met mij op. ‘Hee, jongen, loop je met me mee?’, vraag ik. Trouwhartig als alleen honden dat doen kijkt hij naar me op. En hij bedenkt zich. Langzaam loopt hij terug en vlijt zich neer op de veranda voor zijn huis. Naast een tafel met blikken feta. Grote, ronde blikken. En ik vervolg mijn hardlooppas naar boven.

                         *

De berg doemt op. Grijs en stijl imponeert hij het landschap. Donkere wolken hangen boven de berg, kruipen langzaam over de top heen. Vanochtend stortten wolken als deze dikke druppels over de heuvels van dit Griekse eiland. Dat dan ook behoorlijk groen is. Alle tinten groen. Omvat door een ovalen ring van blauw is het een bijzonder sieraad, dit eiland. Een groene steen gevat in een helblauw ovaal. 

                         *

Ik loop hard richting de grot van Pythagoras. Een plaatselijke bezienswaardigheid, Cave Pythagoras, de grot waarin de Griekse wiskundige, van de-stelling- van, ooit gesignaleerd is. Wat Pythagoras precies van doen heeft met de grot weet ik niet. Het boekje met bezienswaardigheden heb ik niet goed genoeg gelezen. 

                         *

Het pad verandert van ribbels in stenen. Losse grote en kleine, onregelmatig verstrooid. Het loopt lastig, ik kijk voortdurend naar mijn schoenen die de onregelmatige structuur van dit pad trotseren en ik heb spijt van het achterlaten van mijn telefoon. Als ik nu val, mij blesseer, moet ik wachten tot ik word gemist. Ik laat de gedachte aan de val verdringen door mooiere. Ik denk aan mijn grote verhaal. Het verhaal waaraan ik schrijf, dat groeit en groeit. Week na week, zin na zin.

                         *

Het geluid van het stromende beekje beneden mij verplaatst zich naar voren. Water dat ruist en snel afdaalt. Ik luister. Na de bocht zie ik de stroom die vanochtend is ontstaan: het water snelt, bruin en groezelig, in een brede stroom naar beneden, schuin over het pad. Ik keer om.

                        *

Op de weg terug verandert het moeizame klimmen naar soepel dalen. En opeens is het inzicht daar. Inzicht in Het Verhaal. Mijn pas versnelt, ik blijf geconcentreerd op de horizontale en soms verticale asfaltlijnen. Ik besluit het inzicht te laten bezinken. Maar ik weet, hoop: dit is de oplossing van het probleem dat ik ervaar na het schrijven van de eerste tien hoofdstukken.

                         *

Vederlicht verwijder ik mij van de grot van Pythagoras. Het voelt alsof ik de stelling heb ontworpen, a² + b² = c². En ik denk aan mijn wiskundeleraar waar we allen zo bang voor waren.

                         *

Als je twee kwadraten met een plus ontbond bij de tweewekelijkse som op het bord moest je een lied zingen. Voor de klas. Op de melodie van Vader Jacob. Dit was de tekst:

Twee kwadraten

Twee kwadraten

Met een plus

Met een plus

Kan je niet ontbinden

Kan je niet ontbinden

Denk goed na

Denk goed na.

                         *

Van de laatste twee zinnen ben ik niet zeker, misschien waren het andere woorden. Meer dan 35 jaren gingen over deze herinnering heen. Zachtjes zing ik het lied in mijzelf, in de hoop op de laatste woorden te komen. Maar het lukt me niet de zekerheid te vinden.

                         *

Die som op het bord? Nooit kreeg ik een beurt. En dat lied? Ik zong het nooit. Twee keer per week hadden wij wiskunde. In lokaal 14 of 15. Twee keer per week maakte ik mij klein. Zo klein als ik kon. Piepklein. En hij zag het, meneer Mantel. Hij zag het.

                         *

a² + b² = c². Niet ontbinden. 

                        ***