One happy island

Portret van een meisje met strohoed, Paula Modersohn-Becker (1876-1907)

Op Goede Vrijdag staan er plotseling gekleurde tentjes op het strand. Kleine en grote tenten, partytenten, het is een grote tentenshow op dit ‘One happy island’; van Baby Beach tot en met Malmok Beach, van Rodgers Beach tot en met Arashi Beach, overal bivakkeren gezinnen op het strand.

De Duitse eigenaar van ons huisje vertelt in bijna-perfect Nederlands over het ene weekend per jaar waarin Arubanen op het strand mogen kamperen. En dat is met Pasen. ‘Zo krijgen Arubaanse kinderen feeling met hun gezin en het eiland’, vult zijn vrouw Denise aan, een zin waarover ik lang nadenk.

Denise en haar man wonen in het huis naast ons huisje. Hun huis lijkt op het Indische huis van mijn overgroot-oma: een marmeren, open voorgalerij waar de tropenwind doorheen waait met daarachter – een beetje verborgen – de keuken en slaapkamers.

‘U spreekt goed Nederlands’, zegt mijn man.

‘Tja, wij voeren jarenlang met onze onze boot door Nederland’, vertelt Denise. Haar door zon en zee geteisterde haar valt schuin over haar gebruinde gezicht. Haar ogen zijn felblauw als het zeewater aan de overkant van de weg. Denise wijst ons de kussens en strandstoeltjes ‘Pak deze gerust als je naar het strand gaat!’

Ze loopt voor ons uit om het stukje eigen strand te wijzen waar wij zomaar mogen gaan liggen. Kitesurfers scheren over de golven, de zon trekt een witte baan in het water. In de verte zien wij vissersboten en een paar grote zeeschepen. Ik knijp mijn ogen dicht tegen het felle licht.

Later op de middag loopt Denise weer langs ons huisje.

‘Sorry dat ik steeds langsloop maar het is zo warm…’ Zij zucht en wrijft haar hand door het haar. ‘En omlopen kost mij zoveel energie…’ Op het buitentafeltje ligt mijn boek. Denise doet een stap naar voren, ze leunt op de stoel die op ons terrasje staat.

‘Wat is dit voor een boek?’, vraagt ze nieuwsgierig. Het boek is van Ivo Weyel. Het gaat over zijn Joodse vader wiens dagboeken over de onderduik-periode hij vond. Ivo wist niets van het oorlogsverleden van zijn vader. Door de dagboeken leert hij zijn inmiddels overleden vader kennen. Ik vertel Duitse Denise kort waar het boek over gaat. Tot mijn ergernis trek ik een oneigenlijke parallel met een andere oorlog. ‘Twee generaties Syrische kinderen zullen last van hun oorlog houden’, zeg ik. Denise bekijkt het boek, bladert het wat door en zegt dat zij een dutje gaat doen. ‘Het is zo warm’, zucht ze en ze loopt haar marmeren huis in.

En opeens weet ik wat mij bevreemdt aan het strandkamperen en ‘de feeling die Arubaanse kinderen dit weekend daardoor krijgen met hun gezin en het eiland.’ De hele warme dag door zitten alle volwassenen op hun plastic stoeltjes te eten, te drinken en te kletsen. De kinderen scharrelen wat rond tussen de tenten. De zee ligt hier vol stenen, pootje baden of in het water spelen kan hier niet. Doelloos zwerven de kinderen rond, zij laten het hete zand door hun vingers lopen. Luide muziek komt uit de door hun ouders meegebrachte boxen. De volwassenen zitten. Geen ouder speelt met zijn kind.

De vader van Ivo Weyel was een lieve man. Hij speelde met zijn zoon, over de oorlog sprak hij niet om zijn kind daarmee niet te belasten. Wat weet Denise hier van? En ach, wat kan mij het schelen? Wij liggen op een bedje in de zon en knijpen onze ogen dicht. ‘One happy island’ it is.

Advertisements

Laat los

Op de voorkant van het vorige-week-weekend-katern Tijd van Trouw staat ‘Papa en mama doen het wel’ Laat dat volwassen kind eens los. Het katern ligt open en bloot op tafel.

Mijn man en ik kijken elkaar aan. Hij deed zojuist de was van ons allen. De uithuiswonende dochter woont weer thuis. De zoon is nooit weggeweest. Ik keek een ‘plan van aanpak’ na, nadat ik – eerlijk is eerlijk – dat zelf aan mijn zoon had aangeboden.

‘Het gaat om een fictief plan hoor’, zei hij achteloos tijdens het door zijn vader en mij voorbereide ontbijt. Toen had ik alle puntjes al op de i gezet.

Laatst fietste ik met onze dochter naar het station. Voor wij vertrokken rende zij drie keer naar boven, voor de sleutel, voor de zooltjes in haar laarzen en voor iets wat ik niet hoorde.

‘Nu kom ik te laat!’, hoorde ik wel, boven haar roffelende voeten uit. Zelf stond ik al vijf minuten met de deurklink van de achterdeur in mijn hand.

In mijn mond lag bestorven: ‘Heb je je portemonnee en OV-kaart?’ maar ik zei niks. Per slot van rekening woonde ze eerder ruim drie jaar op zichzelf waarvan een half jaar in China.

‘Die redt zich prima’, vertelden wij trots en verbaasd aan wie er maar naar vroeg.

Bij het station scheidden onze wegen. Zij ging met studiegenoten naar Den-Haag, ik fietste naar Zandvoort. Het zonnetje scheen, ik zocht bij een strandtent een plekje in de zon, uit de kille wind. De tent was nog niet helemaal af. Losse planken lagen hier en daar op het zand. Bolle kussens waren schijnbaar lukraak op stoelen en bankjes gegooid. Golven spoelden af en aan, ik volgde met mijn ogen de lijnen van schuimend wit op blauwgroen die als oneindige krijtstrepen op een schoolbord het einde van de winter markeerden.

Een vrolijke jongen serveerde mij koffie.

‘U zit zo heerlijk hier!’, zei hij en ik beaamde het. Ik sloot mijn ogen en dacht aan mijn boek in het tasje naast mij. Dat ging ik lezen, in de zon, met achter mij kussens die roken naar nieuw.

In mijn tasje lag ook mijn telefoon. Ik pakte het op. Drie telefoontjes en meerdere WhatsApp-berichten met vraagtekens lichtten op. Mijn dochter. Ik zuchtte en belde.

‘Ja, ik zit nu in de bus’, hoorde ik. ‘Ik was mijn portemonnee en OV vergeten.’

‘O, en nu?’, vroeg ik.

‘Ik kwam erachter dat ik op mijn telefoon een treinkaartje kon kopen en nu zit ik in de bus dankzij de chauffeur die mij liet meerijden zonder kaartje.’

‘Zo, dat is vriendelijk’, zei ik.

‘Ja, en ik leen wel wat geld voor de terugweg van een van mijn klasgenoten.’

‘Dat is dan mooi opgelost’, antwoordde ik.

‘Nou, doehoei! Tot morgen he?! Vanavond eet en logeer ik bij S.’

Ik dacht aan het eten voor vier in de ijskast. En aan de niet opgegeten restjes pasta, stoofvlees en curry van de laatste tijd.

‘Oké, tot morgen’, zei ik.

‘Ik had het toch moeten vragen, van die portemonnee en OV’, dacht ik en ik blies een kuiltje in mijn koud geworden koffie.

We laten ze binnenkort los. Echt.

Ramp

Laatst was ik bij een boekpresentatie van een boek met foto’s van boekenliefhebbers, gefotografeerd voor hun boekenkast. Dat leverde 52 foto’s en verhalen op van mensen, oude en jonge, die allen op hun eigen wijze van ‘hun’ boeken houden.

Van de in beige gehulde dame van 101 die fier en breekbaar tegelijk voor haar kast staat tot en met de man in het midden van het boek met een boekenkast waar wat mee is.

Ik lees dat de keurige heer met de kast waar wat mee is zijn boeken tot op de millimeter opmat en alles op hoogte ordende. De kast was daarna met een speciaal computerprogramma ontworpen.

‘Kijk’, zei mijn dochter met wie ik het boek doorbladerde, ‘Er is zelfs een apart plekje voor twee heel dunne boekjes.’ En jawel, twee boekjes stonden als magere soldaatjes in een precies passend wachthuisje, omhuld door de strenge contouren van zwartgeschilderd hout. Een kast als een schilderij.

De dame van 101 noch de man van de computerkast zag ik bij de boekpresentatie. Misschien was de oude dame al dood, dacht ik, wiebelend op een van de gammele stoeltjes die in de richting van een katheder waren geplaatst.

Een vriendin zat naast mij in de Amsterdamse boekwinkel. Wij beiden stonden ook in dat boek. En we luisterden naar de sprekers achter het katheder, zittend op de gammele stoeltjes. Na afloop kregen wij een exemplaar van het boek cadeau. Achterin de winkel stonden een paar tafels met glazen, flessen wijn en water.

‘Wil jij wat drinken?’, vroeg mijn vriendin en dat wilde ik. We proostten op het boek en onze vriendschap.

‘Ik ga even naar de w.c.’, zei mijn vriendin na de eerste slok en ze verdween tussen de vele bezoekers die geanimeerd met elkaar praatten. Het was een feestelijk gebeuren.

Naast mij stond een keurige heer in een rode trui. Hij keek mij verwachtingsvol aan.

‘Staat u ook in het boek?’, vroeg ik.

‘Nee’, antwoordde de man.

‘O’, zei ik.

‘U staat er wel in?’, vroeg de man.

‘Ja’, antwoordde ik, ‘Samen met mijn poes.’

Het was een wezenloos antwoord. Maar het klopte wel. Onze poes lag op de foto heerlijk te slapen op de bank.

‘U houdt dus van boeken’, concludeerde de man. ‘Van welk soort boeken houdt u?’

Eh, ik houd van Nederlandstalige romans…’, antwoordde ik. ‘Maar ook van literaire thrillers en..’ Ik dacht erover na of ik mijn vreemde belangstelling voor boeken over de Tweede Wereldoorlog met deze heer zou delen. ‘En ik lees veel over de Tweede Wereldoorlog’, hoorde ik mijzelf zeggen. ‘En in het bijzonder over de concentratiekampen en de vervolging.’

De man keek mij onderzoekend aan. ‘U houdt dus van verhalen over mensen in nood’, zei hij

‘Nou ja het interesseert mij hoe mensen zoiets verschrikkelijks meemaken en daarna het leven weer oppakken’, zei ik voorzichtig.

De man deed een stapje naar achteren en greep in een zwarte tas op de stoel naast zich.

‘Dan wilt u vast dit boek kopen’, zei hij. ‘Ik schreef het zelf, het gaat over de watersnoodramp.’

Verbouwereerd pakte ik het boek aan.

‘Het kost € 24,95’, zei hij, ‘ Maar u krijgt het van mij voor € 20,-‘

Ik vroeg mij af waar mijn vriendin bleef. Ik bladerde wat in het boek.

‘Het is geen geld’, hoorde ik de heer met de rode trui zeggen.

‘Eh, ja, nou, als ik het wil hebben koop ik het gewoon hier’, zei ik en ik gaf hem het boek terug.

‘Er liggen er nog twee’, zei de man. ‘Bij de non-fictie.’

En toen kwam mijn vriendin.

‘Zullen we gaan?’, vroeg ik. Op de terugweg liepen we langs de non-fictie. Daar lagen de twee boeken over de watersnoodramp.

Ik kocht het niet.

And a Happy New Year

Op de een na laatste dag van het jaar reden we naar het dorp waar ik al jaren werk. Ik nam een plastic tasje mee. Daar konden de telefoon, mijn sleutels, portemonnee en een envelop met inhoud in. De envelop zat vol bonnen waarmee ik vlak voor Kerst door onze werkgever blij verrast werd. Alle bonnen waren te besteden bij de plaatselijke middenstand.

*

Op miraculeuze wijze was De Telegraaf erachter gekomen dat op het bijgeleverde papiertje met deelnemende winkels (helaas niet op alfabetische volgorde waardoor het nog flink zoeken was of mijn favoriete boekhandel meedeed) de zaak ‘Happy days’ stond. Dat is de plaatselijke coffeeshop en hoe leuk is het om op de stille dagen tussen Kerst en Oud & Nieuw te kunnen koppen dat ruim 400 ambtenaren als cadeau van hun werkgever cannabis mogen kopen ‘Geen stress meer en rustig aan beginnen in het nieuwe jaar.’ Onze woordvoerder lachte op professionele wijze de vergissing weg. ‘Het was (natuurlijk) niet de bedoeling dat men wiet kon kopen’ en daarmee was de kous af.

*

En ik ging mijn bonnen omruilen voor iets leuks, moois en fijns waar ik happy het nieuwe jaar mee in zou gaan. De bonnen brandden in mijn plastic tasje. En ik zette me over het gevoel heen dat me met het inwisselen van bonnen altijd overvalt. De viezige blik waarmee men soms kijkt naar een bon: ‘Nee, daar zijn wij niet aan verbonden’ of ‘Deze bon is helaas al enkele jaren geleden verlopen’. Maar het kon niet misgaan. Wat zou de plaatselijke middenstand blij zijn met deze ambtenaar die bij hen geld kwam uitgeven!

*

Het was een grijze dag. We reden door de kale bollenvelden. Op de autoruit verschenen fijne druppels van mist, vocht en decemberkou.

‘Hoeveel oliebollen moeten we halen?’, vroeg ik. Want dat gingen we ook doen.

‘Nou, niet teveel, je zit er direct zo vol van’, antwoordde mijn man.

‘Ik kan die bonnen ook bij de bakker inwisselen’, grapte ik. Dat had ik gezien op het lijstje. Maar daar ging mijn man niet op in.

*

Met onze – met gewoon geld – gekochte oliebollen en appelflappen liepen we door het winkelcentrum. Een beetje doelloos sjokten we voort. We hadden de boekenzaak tot het laatst bewaard, het lekkerste voor het laatst.

En opeens schoot mij te binnen dat ik een nieuwe mascara wilde. Dat zou een passende besteding zijn van de bonnen! Niet al te overdreven, nuttig, best feestelijk en ik had al zoveel boeken.

‘Ik wil wel een nieuwe mascara’, zei ik en we liepen de parfumeriezaak in.

‘Kan ik u helpen?’, vroeg een iets gezette doch vriendelijke heer. Op het bordje dat schuin op zijn bloes was gespeld stond ‘Assistent-manager’.

‘Eh, ja, ik zoek een mascara’, antwoordde ik.

‘Wat verwacht u precies van een mascara?’, vroeg de man. In mijn ooghoek zag ik het gestreepte mutsje van mijn man, geduldig wachtend bij de parfums.

‘Tja, dat is een goede vraag’, zei ik, ‘Daar heb ik nooit over nagedacht.’

De man keek mij verwachtingsvol aan.

Ik zei: ‘Ik verwacht dat een mascara mijn wimpers laat krullen en volume geeft.’ Opgelucht en tevreden over het antwoord wachtte ik braaf het advies af.

‘Dan raad ik deze aan’, zei de man en doelgericht liep hij naar de uitstalling van lippenstiften, poeders, oogschaduw en mascara’s. Hij pakte twee mascara’s uit het schap.

‘Dit is een filler en dat is de mascara. Mag ik het bij u opdoen? Ja? Dan kunt u hier plaatsnemen.’ Een beetje verbouwereerd ging ik zitten op een iets te hoog stoeltje van nepleer. ‘Kijkt u maar diagonaal naar beneden’ en zachtjes bewerkte de man mijn wimpers. ‘Kijk, de harsdeeltjes zorgen ervoor dat de wimpers mooi van elkaar af gaan staan…Dan doe ik nu de mascara op, daarmee krullen ze mooi.’ Achter mij stond mijn man. Hij moest lang wachten. Zorgvuldig werden mijn wimpers gevuld en gekruld.

‘En, wat vindt u ervan?’ vroeg de man.

Ik keek in het handspiegeltje. Ik zag mijn ogen en gekrulde wimpers. Achter mij zag ik vaag de streepjes van de muts van mijn man.

‘Ja, eh.., mooi’, zei ik. ‘Hoeveel kost deze set?’

De man liep naar de toonbank en haalde de twee langwerpige pakjes langs een scanner. €55,- precies’, zei hij opgewekt. ‘Er gaat nu 25% van af.’

*

Aarzelend pakte ik de envelop uit mijn plastic tasje. ‘Eh.., kan ik deze bonnen daarvoor gebruiken?’, vroeg ik.

De man keek naar de envelop en de bonnen. Het bleef even stil.

‘Nou, ik geloof dat er wat problemen zijn met deze bonnen. Ik vraag het even voor u na bij de manager.’ Het bleek foute boel. De parfumerie-zaak was per ongeluk op de lijst beland. ‘Heel vervelend mevrouw’, zei de vriendelijke man, ‘Maar wij zijn een keten, dit is een filiaal en..’ Het was een heel verhaal.

‘Ik vind het heel jammer, u heeft mij geweldig geholpen, maar ik denk erover na. €55 vind ik nogal een uitgave voor zomaar een mascara’, zei ik. Ik liet de envelop met inhoud schielijk zakken naar de bodem van de plastic tas.

*

We keken daarna nog even rond in de plaatselijke boekwinkel.

‘Je moet eerst maar eens vragen of ze meedoen’, adviseerde mijn man. Maar het ontbrak me aan moed en lust.

Zonder iets moois, leuks en fijns reden we naar huis. Met elf oliebollen en zes appelflappen. Dát wel.

*

Én met bééldschone wimpers.

***

Zonder titel

Henry Heerup (1907-1993)

Heen naar Utrecht Centraal

Boven de huizen van de stad lichtten de daken op. De stralen van de zon piepten onder de wolken vandaan. Wolken die Iemand tekende boven de met liniaal getrokken streep. Zoals een kind de lucht tekent. Streep met wolk.

*

Ook was er een kanaal met water waar dampen als vochtige vlokken boven zweefden. In de verte stond een toren in de steigers.

Omdat mijn telefoon niet goed was opgeladen keek ik tijdens de treinreis naar buiten. En dat was wat ik zag.

*

In de trein was het druk maar iedereen had een plek. Alle hoofden bogen zich over schermpjes. Witte kabeltjes hingen uit oren en sloten alles en iedereen uit.

Drie mensen praatten wel.

‘Kijk, hier woonde tante Dientje’, wijst een oma haar kleinkind.

‘Ik ben jouw dochter’, zegt het kind.

‘Kleindochter’, verbetert opa.

‘O ja, kleindochter’, zegt het kind.

‘En hier woonden wij vroeger’, wijst oma. Het rijtje huizen glijdt voorbij.

‘Dat is wel heel lang geleden.’

We zijn er.

*

Terug naar huis

Het was druk op het perron. En het werd dringen en een beetje duwen voor een plek. Ik zat in het gangetje met naast mij een vrouw en een tas. Telkens als de jongen die naast mij stond plaats maakte voor een passant kwam zijn rugtas tegen mijn gezicht aan.

‘O, sorry’, zei hij.

Toen hij ging bellen hoorde ik vette w’s en rollende r-en.

‘Yo, dat is die eerstvolgende stationnetje’, zei hij.

‘De Sierstraat, voor jou is dat halte Lelylaan, man’, vervolgde hij.

‘Een kwartiertje max’, eindigde hij het gesprek.

*

Toen keek ik door het raam naar buiten. Rode strepen vielen schuin door het schemerige lichtblauw uit de hemel. En ik wist niet waarom maar er stonden tranen in mijn ogen.

*

‘s Avonds kwam er echt een traan. Dat kwam door de laatste zin in het boek dat ik las. Van een moeder over de liefde voor haar kinderen en dat ook zo graag hadden willen horen: ‘Ik altijd van jullie.’

***

Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Sneeuw

Op de dag voordat de sneeuw valt fietsen mijn man en ik naar de stad. De kou die ik guur noem maar mijn man koud dringt door tot mijn huid. Ik draag een fijne maar te dunne broek. 

                         *

We brengen eerst wat boeken terug naar de bibliotheek. ‘Ga je mee naar binnen?’, vraag ik aan de man die wel leest maar geen boeken uit de bibliotheek leent. ‘Ja’, zegt hij, ‘ik moet even opwarmen.’ In het oude schoolgebouw waarin de dorpsbibliotheek is gevestigd is het warm. Moeders met dik-aangeklede kinderen staan boeken af te stempelen al is de stempel vervangen door een modern systeem met een glad vlak waar je de boeken op schuift. Daarna hoop je dat de titel op een scherm verschijnt. Als alle titels met een vinkje op het scherm staan druk je op een groene button waar einde op staat. Het geeft soms wat gedoe maar meestal werkt het en nu is er nog maar één bibliothecaresse nodig. 

                          *

Ik heb met boeken wat mijn moeder had met lapjes-van-de-markt en wat anderen hebben met tassen, schoenen of postzegels. Boeken dwingen mij tot kijken, kopen, verzamelen. Met een schuin oog kijk ik naar de plank waarop de boeken staan die teruggebracht zijn door de moeders met kinderen. Misschien zit er iets bij. Ik spreek mijzelf intussen streng toe want naast mijn bed liggen twee stapeltjes boeken die ik nog moet lezen. Twee bibliotheek-boeken en zes gekochte dan wel gekregen boeken. Mijn man die mij inmiddels kent staat bij de deur van de bibliotheek naar de gang. Zijn lichaam staat op weggaan. Dus we gaan. 

                         *

Het vervolg van de tocht naar de stad doet onze gezichten verstrakken. De vingerkootjes in het bont van de leren handschoenen voelen langzamerhand dood aan. Ik trek ze voorzichtig in de handschoen terug naar de warme holte van mijn hand zonder de macht over het fietsstuur te verliezen. Twee verstrakte vijftigers op de fiets op de dag voordat de sneeuw valt.

                         *

Het doel van de tocht is een film waar ik heen wil. Ik zag dat de film deze week voor het laatst draait in de stad. Het liefste bezoek ik met iemand films en nu strikte ik mijn man die ik ‘s ochtends op zijn werk een berichtje stuurde met de vraag of hij meewilde. En omdat hij niet altijd nee kan zeggen wilde hij mee. 

                         *

In de bioscoop die Filmschuur heet maar een architectonisch hoogstandje is tussen de oude huizen in het rosse randje van de binnenstad wemelt het van de vijftigers. De film is uitverkocht. En ondanks dat wij op rij 2 zitten, de film twee uur en zestien minuten duurt, de zaal vol zit en het buiten koud is verdwijnen ongemakken, verglijdt de tijd en nemen de beelden ons mee naar een onwerkelijke locatie (Boekarest), een carrière-dochter (die met haar gekwetste teennagel stoïcijns op hoge hakken loopt) en een ontregelende vader (met fopgebit). 

                     *

En laat u niet ontmoedigen door bovenstaande gegevens, dat deden wij ook niet. In een wereld vol geweld en gevaar is deze film er één van liefde, herinnering, troost en hoop. Gewoon gaan: Toni Erdmann. 

                         *

En…het gíng sneeuwen. 

                       ***