Zonder titel

Henry Heerup (1907-1993)

Heen naar Utrecht Centraal

Boven de huizen van de stad lichtten de daken op. De stralen van de zon piepten onder de wolken vandaan. Wolken die Iemand tekende boven de met liniaal getrokken streep. Zoals een kind de lucht tekent. Streep met wolk.

*

Ook was er een kanaal met water waar dampen als vochtige vlokken boven zweefden. In de verte stond een toren in de steigers.

Omdat mijn telefoon niet goed was opgeladen keek ik tijdens de treinreis naar buiten. En dat was wat ik zag.

*

In de trein was het druk maar iedereen had een plek. Alle hoofden bogen zich over schermpjes. Witte kabeltjes hingen uit oren en sloten alles en iedereen uit.

Drie mensen praatten wel.

‘Kijk, hier woonde tante Dientje’, wijst een oma haar kleinkind.

‘Ik ben jouw dochter’, zegt het kind.

‘Kleindochter’, verbetert opa.

‘O ja, kleindochter’, zegt het kind.

‘En hier woonden wij vroeger’, wijst oma. Het rijtje huizen glijdt voorbij.

‘Dat is wel heel lang geleden.’

We zijn er.

*

Terug naar huis

Het was druk op het perron. En het werd dringen en een beetje duwen voor een plek. Ik zat in het gangetje met naast mij een vrouw en een tas. Telkens als de jongen die naast mij stond plaats maakte voor een passant kwam zijn rugtas tegen mijn gezicht aan.

‘O, sorry’, zei hij.

Toen hij ging bellen hoorde ik vette w’s en rollende r-en.

‘Yo, dat is die eerstvolgende stationnetje’, zei hij.

‘De Sierstraat, voor jou is dat halte Lelylaan, man’, vervolgde hij.

‘Een kwartiertje max’, eindigde hij het gesprek.

*

Toen keek ik door het raam naar buiten. Rode strepen vielen schuin door het schemerige lichtblauw uit de hemel. En ik wist niet waarom maar er stonden tranen in mijn ogen.

*

‘s Avonds kwam er echt een traan. Dat kwam door de laatste zin in het boek dat ik las. Van een moeder over de liefde voor haar kinderen en dat ook zo graag hadden willen horen: ‘Ik altijd van jullie.’

***

Advertisements

Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Sneeuw

Op de dag voordat de sneeuw valt fietsen mijn man en ik naar de stad. De kou die ik guur noem maar mijn man koud dringt door tot mijn huid. Ik draag een fijne maar te dunne broek. 

                         *

We brengen eerst wat boeken terug naar de bibliotheek. ‘Ga je mee naar binnen?’, vraag ik aan de man die wel leest maar geen boeken uit de bibliotheek leent. ‘Ja’, zegt hij, ‘ik moet even opwarmen.’ In het oude schoolgebouw waarin de dorpsbibliotheek is gevestigd is het warm. Moeders met dik-aangeklede kinderen staan boeken af te stempelen al is de stempel vervangen door een modern systeem met een glad vlak waar je de boeken op schuift. Daarna hoop je dat de titel op een scherm verschijnt. Als alle titels met een vinkje op het scherm staan druk je op een groene button waar einde op staat. Het geeft soms wat gedoe maar meestal werkt het en nu is er nog maar één bibliothecaresse nodig. 

                          *

Ik heb met boeken wat mijn moeder had met lapjes-van-de-markt en wat anderen hebben met tassen, schoenen of postzegels. Boeken dwingen mij tot kijken, kopen, verzamelen. Met een schuin oog kijk ik naar de plank waarop de boeken staan die teruggebracht zijn door de moeders met kinderen. Misschien zit er iets bij. Ik spreek mijzelf intussen streng toe want naast mijn bed liggen twee stapeltjes boeken die ik nog moet lezen. Twee bibliotheek-boeken en zes gekochte dan wel gekregen boeken. Mijn man die mij inmiddels kent staat bij de deur van de bibliotheek naar de gang. Zijn lichaam staat op weggaan. Dus we gaan. 

                         *

Het vervolg van de tocht naar de stad doet onze gezichten verstrakken. De vingerkootjes in het bont van de leren handschoenen voelen langzamerhand dood aan. Ik trek ze voorzichtig in de handschoen terug naar de warme holte van mijn hand zonder de macht over het fietsstuur te verliezen. Twee verstrakte vijftigers op de fiets op de dag voordat de sneeuw valt.

                         *

Het doel van de tocht is een film waar ik heen wil. Ik zag dat de film deze week voor het laatst draait in de stad. Het liefste bezoek ik met iemand films en nu strikte ik mijn man die ik ‘s ochtends op zijn werk een berichtje stuurde met de vraag of hij meewilde. En omdat hij niet altijd nee kan zeggen wilde hij mee. 

                         *

In de bioscoop die Filmschuur heet maar een architectonisch hoogstandje is tussen de oude huizen in het rosse randje van de binnenstad wemelt het van de vijftigers. De film is uitverkocht. En ondanks dat wij op rij 2 zitten, de film twee uur en zestien minuten duurt, de zaal vol zit en het buiten koud is verdwijnen ongemakken, verglijdt de tijd en nemen de beelden ons mee naar een onwerkelijke locatie (Boekarest), een carrière-dochter (die met haar gekwetste teennagel stoïcijns op hoge hakken loopt) en een ontregelende vader (met fopgebit). 

                     *

En laat u niet ontmoedigen door bovenstaande gegevens, dat deden wij ook niet. In een wereld vol geweld en gevaar is deze film er één van liefde, herinnering, troost en hoop. Gewoon gaan: Toni Erdmann. 

                         *

En…het gíng sneeuwen. 

                       ***

Tussentijd


Lieve critici, ik vrees

dat ik geen doel of doelgerichte

lijn in de loop der jaren lees

van mijn duizenden gedichten.

                     *

Ik blijf een ventje dat maar schrijft

en nauwelijks wil weten

of zijn bekladdering beklijft

of gretig wordt vergeten.

(…)

Leo Vroman (1915-2014)
Uit: ‘Daar’, 2011.

Het is tussentijd, de tijd tussen de kerstdagen en het nieuwe jaar. De tijd waarin men vraagt: ‘Ben je vrij?’ of wenkbrauwen ophalend: ‘Werk jij tussen Kerst en Oud en Nieuw?’ 
                      *

Soms werk ik in de tussentijd, soms niet. De weken voor en na Kerst waren vroeger enerverend en omgeven door onmin, zwijgen en ziek zijn. De ruzie om de grootte van de kerstboom was het startsein voor de feestdagen. Mijn moeder wilde in ons hoge herenhuis een grote boom, mijn vader, – die het ding moest halen en later opruimde, wilde een kleinere. Wij kinderen werden altijd ziek zodat we eindigden met een mini-kerstboom op de slaapkamer van onze ouders. Hoe de kleine, versierde boom daar kwam herinner ik mij niet meer. Het zal mijn moeders idee geweest zijn die mijn vader zuchtend uitvoerde. Ik was verdwenen in snot en slijm en stak mijn hoofd onder de polyester lakens en oranje sprei van mijn ouders bed. De grote boom stond treurig en majestueus in de statige woonkamer. 

                        *

Hier is het stil. Vredig kan je het noemen. Geen onmin, snot noch slijm. Het is tussentijd. Tijd om na te denken. Twee en een half jaar geleden begon ik met dit blog, gewoon leuk, uitproberen of het wat was, of ik het nog kon, schrijven. En het ging. Vele verhaaltjes later ging mijn vader dood. Hij was een dankbaar onderwerp van de verhalen dit jaar. Of hij het wist? Nee, ik denk het niet. 

                        *

Mijn kinderen zijn groot. Soms schreef ik over hen. Ze vonden het goed. Mijn man stuurde ik de blogjes toe en hij reageerde: ‘mooi’, ‘goed’, 🙂 Trouwe lezers heb ik en dat is fijn. Opdoemende duimpjes ‘s ochtends, van Helene, Annemarie, Loes, Carina, Danielle, Michael…Ook collega’s schoten mij aan. ‘Mooi geschreven!’ en dan was de dag goed. Dank jullie wel. 

                        *

Nu ga ik op zoek naar het Grote Verhaal. Structuur, opbouw, vallen, opstaan. Maar ik ga het proberen. De tijd voor de blogjes wend ik aan voor het Grotere, Onzegbare en Moeilijke. Een boek? Wie weet. Ik ga het proberen. En misschien schrijf ik tussendoor nog een klein verhaal. Om te oefenen, voor een duimpje, een oplichtend rood bolletje.

                         *

Tussentijd is het en zal het zijn. 

                       ***

Stoplicht


(…)

‘Ik kom eraan, ik kom eraan

Zee, wind, oceaan

Ik kom eraan’

(…)

Uit: De vondeling van Ameland    

Tekst: Freek de Jonge                    

Muziek: Boudewijn de Groot

Op dit eiland is niet veel te doen. Geen stoplicht springt op groen. De natuur is overweldigend en stil. Blauwe lucht. Gele duinen. De koeien zijn zwart-wit. Op het eiland fietst iedereen op gebaande paden, geperste schelpenpaadjes langs duinen als wellustige rondingen, wuivend riet langs kwelders waarop vogels broeden. Zwermen vogels in de lucht, een slechtvalk op een paal. 
                           *

Het ontbreken van enig cultureel genoegen geeft een rust waarvan de jachtige randstedeling geen weet heeft. Fietsen naar rechts of naar links, we hebben beiden gedaan. In het restaurant langs de dorpsstraat brandt een vuur als het eeuwige vuur van de onbekende soldaat. Het lange wachten op de gerechten, het maakt niet uit, wij lezen ons boek. 

                          *

In ons hotel dat met grote woorden design hotel heet zijn jongeren de baas. Met of zonder oortjes in hun oren runnen zij het hotel. Iedere ochtend vraagt een meisje met blonde paardenstaart: ‘Wat is uw kamernummer?’ Gelukkig weten wij dat ons kamernummer 33 is. Daarna mogen wij gerust ontbijten. Een jongen met oortjes vult de glazenvoorraad aan, een meisje met bruine paardenstaart roert in de gietijzeren pan heel veel eieren tot roerei. 

                       *

Er is in de trendy ontbijtruimte genoeg te zien. Veel driekwart broeken en bermuda’s. Veel korte en pittige kapsels en veel, heel veel sokken in schoenen en sandalen. Het is wonderbaarlijk mooi weer op het eiland dus vandaar al dat korte. Wij behoren met onze lange broek tot de pessimistische minderheid. En dat breekt ons op als na de ochtendmist de zon meer en meer onversluierd schijnt. Dan wordt het warm en nat onder onze broek en plakken wij aan onze fietszadels vast. Want ook wij fietsen. Eergisteren naar links, gisteren naar rechts. Vandaag weten wij nog niet wat we gaan doen en overmorgen gaan we naar huis.

                       *

Het meisje met de paardenstaart kwijt zich serieus van haar taak: ‘Wat is uw kamernummer? horen wij voortdurend en iedereen weet het. Eén man vergist zich. Gelukkig kan zijn toegesnelde vrouw hem corrigeren: ‘Nee, niet 125, 43!’ Zegt ze. En volgens het paardenstaart-meisje klopt dat. Ik dacht er nog lang over na. 43 is toch heel wat anders dan 125. 

                            *

Gelukkig hoorde ik zojuist wat we vandaag gaan doen. ‘Er is hier een modelspoorlijn die we kunnen bezoeken’, zei mijn man zojuist. ‘Het is open van 13.30 uur tot 16.00 uur.’ Zijn ogen stralen als van toen hij nog een jongetje was. Wat wij tot 13.30 uur doen moeten wij nog bepalen. Ik vul nog maar een keer mijn smoothie bij. 

                           *

Als wij ‘s middags het gebouw van de modelspoorbaan vinden achter de dijk lezen wij ‘Er is hier veel techniek. Kinderen onder de 12 jaar geen toegang.’ Daarnaast hangt een verse print. ‘Gesloten van 21 september tot en met 6 oktober.’

                        ***

Sloom

  
Na een comateuze wintersport-slaap zie ik door de open streep tussen de gordijnen een strookje berg met besneeuwde dennen, daarboven een diepblauwe lucht. Kaiserwetter in Les portes du soleil. Het uitzicht dwingt tot handelen, dat is waar een wintersportvakantie sowieso uit bestaat: veel, heel veel handelingen. 

                         *

Ook afzien, – soms een beetje, soms wat meer, – is een ingrediënt. Dit keer bestaat het afzien uit een verrekte spier in het onderbeen, veroorzaakt door een buiteling op de eerste ski-dag in de poedersneeuw na een overmoedige aanzet tot een snelle afdaling. 

                         *

‘Gaat het?’, vraagt de zoon die lacht om zijn besuikerde moeder die hij nog nooit zag vallen maar die nu zelfs haar ski kwijtraakt en nog een keer onhandig wegglijdt op één ski en één schoen. ‘Ja hoor!’, roep ik blijmoedig en ik voel mij als het schoolkind dat ooit op haar knie viel, om zich heen keek of iemand de val had gezien en manmoedig opstond. ‘Niks aan de hand!’ En met een bebloede knie liep het kind verder, de pijn verbijtend tot thuis, tot na de dichtgeslagen voordeur.

                         *

En alles leek verder goed te gaan na de val op twee beknelde grote tenen na, maar de lieve man in de sportwinkel had onze voeten opgemeten en daar was toch echt deze maat schoen uitgekomen. Doorzetten maar.
                           *

‘s Avonds blijkt de schade een manke tred vanwege de verrekte spier en twee blauw-kleurende grote-teennagels. ‘Mijn schoenen zijn te klein’, mopper ik en mijn zoon trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Altijd wat’, zeggen de wenkbrauwen en ik houd op met zeuren. De wintersport-coma slaat toe en ondanks de verrekte spier en blauwe tenen slaap ik diep en droom ik mooie dromen. 

                         *

Ik ga over tot handelen, de dag is te mooi. Ik strompel naar de badkamer en weer terug naar de kledingkast voor het aantrekken van alle laagjes: hemd, shirt, trui, skisokken en de skibroek. Ik pak de rugzak in: zonnebrand, handschoenen, water, een skibril en een boek want met die tenen en de onwillige spier…wellicht is even lezen op een terras vandaag zo gek nog niet.

                          *

In het wonderschone ski-gebied van Pré la joux is het mooi maar koud: we rillen in de stoeltjeslift ondanks al onze laagjes. Het vriest en een snijdende wind waait door al onze hemdjes en shirtjes heen. We zitten doodstil in de zwevende stoeltjes. Van de reuzendennen waait een mist van sneeuw het dal in. Een mager zonnetje probeert de wolken te verdrijven en ik moedig haar aan. Met zon zal de bittere kou beter te verdragen zijn. 

                         *

Nu is het van belang warm te worden door vlot naar beneden te skiën en dat doen we. Iets voorzichtiger door de val, de onwillige spier en de blauwe tenen ski ik naar beneden. Zo nu en dan sta ik stil. Dan staar ik naar de dennen met de dikke lagen sneeuw. De zon die nu echt doorkomt en het oudere echtpaar dat rustig voorbij skiet. Hij wacht halverwege de berg op zijn vrouw, ik zie het. Dan skiën ze samen verder. Lief.

                         *

De fel-oranje broek van mijn kind is uit het zicht. Ik moet gaan. En rustig ski ik naar beneden. ‘Mam, wat ski je sloom. Ik wacht hier al heel lang.’ Ik kijk hem aan. Slungel van 18. Zijn ogen staan helder in zijn nog wat bleke gezicht. Hij geniet van het skiën, het buiten zijn. Thuis ligt hij veel en graag op bed. Hier is hij actief en fanatiek. Thuis is hij langzaam en…eh sloom. Maar dat zeg ik niet. Dat denk ik.

                        *

‘Ik ga zo even op een terras zitten lezen’, zeg ik. ‘Dan ga je even alleen skiën in je eigen tempo.’ Op het terras zit ik met mijn boek uit de wind in de winterzon. Ik lees. En ik kijk. Op het hek landt een vogeltje. Een kwiek geval, het hipt heen en weer, net naast de sneeuwlaag op het hek. Ja, ik word sloom met skiën. Langzamer. Meer spierpijn. Blauwe tenen. 35 jaar verschil, het is niet te ontkennen, het lijf wordt ouder. Ik denk aan mijn vader. Een jonge geest in een 94-jarig lichaam. Hij wil veel en doet veel. Ik wil ook veel en doe veel. Maar toch.., het wordt anders. Minder. Niet minder goed, maar anders goed. Een ouder echtpaar op ski’s. Een vogeltje op een besneeuwd hek. Zon op de reuzendennen. 
                         *

Sloom. Het is even wennen.
                        ***

Korreltjie sand

  
Korreltjie sand  



Korreltjie korreltjie sand 

klippie gerol in my hand 

klippie gesteek in my sak 

word korreltjie klein en plat 

 

Sonnetjie groot in die blou 

ek maak net ‘n ogie van jou 

blink in my korreltjie klippie 

dit is genoeg vir die rukkie 

(…)

 Wêreldjie rond en aardblou 

korreltjie maak ek van jou 

huisie met deur en twee skrefies 

tuintjie met blou madeliefies 

 

Pijltjie geveer in verskiet 

liefde verklein in die niet 

Timmerman bou aan ‘n kis 

Ek maak my gereed vir die Niks 

 

Korreltjie klein is my woord 

korreltjie niks is my dood


Ingrid Jonker (1933-1965)
                          *

Wat nou regen? Van de week zag ik ‘s ochtends vroeg een regenboog die de gehele Bollenstreek omspande. Het was alsof de kleuren op speelse wijze kenbaar maakten dat de streek één was en bleef. Kleurrijk, handen uit de mouwen, planten, pellen en plukken. 

                          *

Soms moet je het weer trotseren: het klimaat tarten, kom maar op, je kan me wat, vandaag rijden wij naar de stad Delft, wij lopen over bruggetjes, ruiken vieze grachtjes, zien plukjes toeristen en bezoeken kerken en musea. Dan eten we wat in een café, scheefgezakt pandje aan de gracht, met binnen een halfrond hok en daarin twee papegaaien. Niets zeggen ze. Klaar met lullen, klaar met alles. Als levende schilderijtjes duiken ze in elkaar, bewegingloos twee groene oerwezentjes op een stok.

                         *

We bekijken in de winkel muziek en films, we kopen c.d.’s en dvd’s. De documentaire ‘Korreltjie niks is my dood’. Het verhaal van Ingrid Jonker, Zuid-Afrikaanse dichteres. Ik herinner mij beelden van deze film die ik ooit zag: een mooie, jonge vrouw, omringd door kunstenaars. Een warm strand, een dochtertje, de gedichten in dat prachtige Afrikaans, speels en droevig tegelijk. 

                         *

Haar vader, die afstand nam van zijn dochter. Een volstrekt eenzame puberteit bezorgde Ingrid een gevoel van nietigheid. Ingrid Jonker pleegde zelfmoord. Ze was pas 31 jaar. Op 19 juli 1965 vinden wandelaars haar lichaam op de rand van zee en strand in Drieankerbaai. Op het bericht van Ingrid’s dood reageerde haar vader, Abraham Jonker: “Ze mogen haar van mij teruggooien in zee”. 

                           *

We lopen verder door de stad, slenteren langs marktkraampjes, een kaarsje steken we op in de kapel van de kerk Maria van Jesse. Een prevelement fluister ik voor onze twee kinderen, dat geluk hen moge toelachen. Hoe mooi de naam van de kerk: Maria van Jesse. Even daarvoor zagen we een soberder kerk, indrukwekkend vanwege haar geschiedenis en grafkelder met koninklijke doden. 

                         *

De Nieuwe Kerk. Juliana, Claus, de beelden van de begrafenissen draaien daar en ik herinner mij en zie: de paarse kleden op paarden, veel paarden, de droefheid van zoons om hun vader, het op het gezicht getekende verdriet van een vrouw om haar man. 

                         *

In de boekhandel ligt ‘Je zegt het’, het nieuwe boek van Connie Palmen over het leven van Sylvia Plath, dichteres en Ted Hughes, schrijver. Sylvia Plath, moeder van twee jonge kinderen, pleegde op gruwelijke wijze zelfmoord. Verlaten door Hughes, die een leven lang nagedragen kreeg dat haar dood zijn schuld was. Connie geeft Hughes een stem in haar boek. Ik moet het kopen.  

                          *

De stad wordt verlicht door een plots opkomende zon: felle en harde verlichting, zo na de schemer en regensluiers van eerst.

                          *

Laatst rakelde een gesprek het gevoel op van mijn maanden van onmetelijk verdriet. Ingrid, Claus en Sylvia, zij weten ervan. De diepten van de geest als de koude, kille kelderruimte waar de kist van Claus staat. Ingeschoven op een harde plank in de Delftse grafkelder. 

                         *

Een volstrekt eenzame puberteit en een moeder die afstand nam van haar dochter. Dat gat, de rillende kou en wanhoop, de angst ‘dit gaat nooit meer voorbij.’ Ik zag die maanden alleen zo nu en dan twee paar kinderogen, twee blauwe, twee bruine. 

                           *

Nu loop ik hier, in de zon, beladen met pakjes schoonheid. Ingepakte ideeën, beelden en taal en ik verheug mij op het genot der dingen. Lezen, kijken, luisteren, schrijven, leven. 

                        *

Lady Lazarus

                        (…)           

Soon, soon the flesh

The grave cave ate will be   

At home on me


And I a smiling woman.   

I am only thirty.

And like the cat I have nine times to die.

                         (…)

Sylvia Plath (1932-1963)

                         ***