Lat patat


Vanochtend zat er opeens een zwarte vlek voor mijn oog. Ik fietste, de warmte streek langs mijn gezicht, de lucht was vol van zomer en pluisjes die als plukjes watten voor ons uitstuifden. 

                             *

‘Zullen we een stukje gaan fietsen?’, vroeg mijn man zaterdagochtend. Het was 8.35 uur. Na een diepe, droomloze nacht moest ik even nadenken. Een stukje fietsen. ‘Goed’, zei ik en langzaam stond ik op. 

                             *

We fietsten het dorp uit, langs de kaasboer die vrolijk als altijd iets deed met kratten voor zijn winkel. Buiten het dorp begon de polder. We fietsten achter elkaar. Links en rechts heiige damp boven het groen met koeien, verderop stonden twee stoffige paarden. De ene tilde zijn nek op; slordige manen hingen als het ongekamde haar van een tienermeisje langs zijn hals.

                              *

Ik dacht aan de tijd die voor ons ligt: op zaterdagochtend om 8.55 uur de polder in fietsen. Thuis lag onze zoon nog in bed. Hij kwam thuis toen het licht vanochtend door onze gordijnstreep scheen. Nu sliep hij.

                           *

En toen kwam de tijd van weleer voorbij, daar, in de stille polder: de tijd van warme handjes en mollige lijfjes. ‘s Ochtends samen de Daltons kijken. Huiverend om 8.30 uur langs de lijn van een kaal voetbalveld, de straffe wind door je jas en je voeten veranderend in ijs in de laarzen die nog geen Uggs heetten. 

                             *

Elf smalle jongetjes in groene shirts en zwarte broeken, – te groot en slobberend om witte spillebenen met hier en daar een blauwe plek, een schaaf, een vieze pleister, – die achter een bal aanrennen. Na de wedstrijd nemen ze allemaal een penalty, dat is traditie. Elf jongetjes op een rij. 

                           *

De ballen gaan hoog over, naast of hebben geen kracht genoeg en komen net voor de doellijn tot stilstand. Een enkele gaat erin, dan is er een trots jongetje. Gejuich en geklap is zijn deel. 

                           *

‘Lat patat’, roepen opeens alle groene jongetjes. ‘Lat patat!’ Stijn is aan de beurt en Stijn kan de bal op de lat schieten. De tegenstanders kijken verbaasd toe als de jongetjes juichen, elkaar op de schouders slaan en omrollen van blijdschap. De lat is geraakt en de coach trakteert op patat. Op zaterdagochtend om elf uur.

                           *

We bereikten samen het fort dat stoer en onbeweeglijk achter de geniedijk lag. ‘Ik heb mijn leesbril niet mee’, zei mijn man. Ik nam mijn geslepen zonnebril in de hand – want ik lees zonder bril – en ik las dat het fort onderdeel uit maakt van de verdedigingslinie rond Amsterdam. En toen zag ik het vliegje achter op het glas van mijn bril. Dat was de zwarte vlek.

                            *

Verder fietsten wij tot we weer aankwamen bij ons dorp.

‘Ik haal nog wat fruit en groente’, zei ik. 

‘Ik haal een goede fles wijn’, zei mijn man. De wijn was voor vrienden waarmee we ‘s avonds gingen eten. Broodjes voor het ontbijt hadden we al, we waren langs de bakker gefietst. 

                             *

Om twee uur kwam onze zoon naar beneden. Zijn haar zat in de war. Een lang lijf. Maar ik zag het mollige lijfje van toen. 

‘Heb je niet wat lekkers?’, vroeg hij.

‘Bak jij eens flensjes voor mij!’ Ik wees op de broodjes. Even later zat hij naast mij. 

                            *

‘Ik ga in juli nog een week naar Berlijn’, zei hij. ‘Met Jorick, Sam en Jelger. We huren een huisje in een dorp bij Berlijn. We kunnen naar de stad maar we zitten lekker rustig erbuiten. Ik wil niet een week in de drukte. Zo kunnen we ook eens chillen.’

‘Gaan jullie met de auto?’, vroeg ik.

‘Ja’ en hij keek mij aan.

‘Met mijn auto?’, raadde ik.

‘Ja, als dat mag’, zei hij.

                           *

Het mag. En langzaam rolt de bal het doel in. Gejuich is mijn deel: een klein vonkje in een groenbruin oog. 
Lat patat.

                          ***

Advertisements

De reparatie 

Hij kan het niet laten. Op tafel staat een onttakelde videorecorder. Zo’n apparaat waar je vroeger een videoband in deed, als een dubbeldikke boterham in een groot uitgevallen broodrooster.

                          *

Wij hebben heel wat video’s gekeken: vooral herinner ik mij de geweldige kindervideo’s van de VPRO met Achterwerk in de kast (jongen met paling!), Lekker Dansen met Maxim, Buurman & Buurman. Ook keken we naar de avonturen van Sap de Aardwortel, Kloontje en Jean d’Orange. Onze dochter was op vierjarige leeftijd verliefd op de zachtaardige aardwortel Sap. En last, but certainly not least, draaiden we de videobanden van de Daltons, over een chaotisch gezin met vier opgroeiende jongens, grijs. Ik meen dat we alle banden nog hebben weggegeven (aan schoonzus, buurvrouw? met jonge kinderen) en (toen nog) een videorecorder.
                         *
Bij mijn vader op tafel staat een opengebroken videorecorder. Het is 2015.
                         *
‘Waarom ben je bezig met die videorecorder?’, vraag ik.
Mijn vader, die wel aanvoelt dat ik het bespottelijk vind, moeite doen voor zo’n oubollig apparaat, antwoordt: ‘ik wil alleen nog wat oude banden kijken, daarna gooi ik ze weg, net als de recorder.’
                           *
Jaja, mijn vader en weggooien. No way. Niks gooit hij weg. 
                           *
‘Wat voor een banden zijn dat dan?’
Maar daar krijg ik geen antwoord op.
‘Ik heb die recorder ooit laten repareren in Haarlem-Noord’, vertelt hij. 
                           *
Dat is meer dan twee jaar geleden. Dat was voordat hij zijn heup brak en drie dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer lag. Gelukkig vond mijn broer, die zich ongerust maakte over het niet-opnemen van de telefoon, hem op tijd. Uitgedroogd maar ongebroken. ‘Ik heb zo mooi gedroomd…’, was het eerste dat hij mij vertelde in het ziekenhuis. 
                           *
‘Die man was zo’n eigenaardig type’, gaat hij door, ‘ik had gevraagd of hij de recorder kon repareren. Hij zei: ‘ik zal wel zien.’ Rare man. Nooit gaf hij een duidelijk antwoord. Maar ja, ik bel na een tijd op. Ik vraag: ‘is mijn recorder gemaakt?’ ‘Ja, die is allang klaar.’ Snap je dat nou? Waarom belt hij mij niet? Enfin, ik er naar toe. Ik vraag :’en heb je hem kunnen maken?’ En weer krijg ik geen duidelijk antwoord. Het kostte € 15,-.’ En ik vraag verbaasd: ‘dat betaalde je gewoon?’
‘Ja, hij had hem natuurlijk wel opengemaakt en alles’, mompelt mijn vader.
                           *
Ik ken hem zo goed: nooit zal mijn vader durven te zeggen dat hij niet betaalt, zelfs niet als iemand zo’n onduidelijke dienst levert. Ook laat hij zich graag bedotten. Voorbeelden genoeg: van een nooit gebruikte schapenwollen winterdeken, hem aangesmeerd op een vreselijk bejaardenreisje-met-bus tot en met een onlangs aangeschafte BMI-meter die na een zeer omslachtige invoermethode een verkeerde BMI aangeeft.
                           *
‘Ik kon niet mijn leeftijd invullen’, verontschuldigt mijn vader nog dat onding. Ik vind binnen 35 seconden op mijn iPhone een betrouwbare BMI-berekenaar van De Hartstichting. Deze wijst aan dat mijn vader ‘licht overgewicht heeft, dat hij meer moet bewegen (sic!) en minder moet eten (net steekt hij verlekkerd het laatste dik besmeerde stukje van het kadetje pindakaas in zijn mond.)
                           *
Beteuterd zegt hij: ‘o, dan moet ik nog wat afvallen.’ Ik kijk naar hem, denk aan de broosheid van 93-jarigen, en troost hem met het laten zien van een kleuren-lijn: ‘kijk, je zit heel dicht bij een gezond BMI.’
                           *
Mijn vader, de eeuwige klusser, gaat zeker verder met de videorecorder. Om de laatste banden te bekijken. Wat zal erop staan? 
                           *
Als ik wegga vraag ik hem: ‘bevalt de andere hulp een beetje?’ Mijn vader begint te stralen en steekt de loftrompet over de nieuwe thuishulp, die wel de ijskast schoonmaakt en het aanrecht. Ik slik mijn woorden in: ‘mooi, dan heb je tijd om zo’n heerlijk klusje te doen als het repareren van die recorder!’ 
                           *
Ik denk aan alle dozen in de berging met gereedschap: zagen, beitels in alle maten, schroevendraaiers, een geavanceerde boormachine en een workmate, die hij tot zijn verdriet in zijn kleine flat niet kwijt kan. Laat hem, de drieënnegentig-jarige hobby-klusser met licht overgewicht. Laat hem.
                          ***