Poortje

  
Het was groot nieuws. Van een geheel andere orde dan het nieuws van de afgelopen dagen. Het straatje van Vermeer is gevonden. In Delft in de De Vlamingstraat 40-42. Mijn gedachten gaan uit naar de familie die er nu woont. Op nummer 42, want dat huis staat bijna in zijn geheel op het schilderij. 

                            *

In Trouw staat dat Gijs Withagen woont in het huisje van Vermeer. Eigenlijk het huisje waar ooit de tante van Vermeer woonde. Gijs vindt het geen probleem dat het huis hordes toeristen gaat trekken. Vooral Japanners zijn dol op Vermeer en zullen in grote getale langs zijn huis trekken. En omdat Japanners altijd zichzelf fotograferen met op de achtergrond de plek die zij bezoeken, zal het een Japans selfie-huisje worden. Ik vraag me af wat Vermeer daarvan zou hebben gevonden.

                           *

Gijs van nummer 42 vindt het geen probleem: ‘Een beetje levendigheid in de straat is juist gezellig.’ Ik moet er niet aan denken. Ik vind het al vervelend dat een keer per jaar de avondvierdaagse langs ons huis trekt. Joelende kinderen, hun wangen bol van snoep, die hier en daar aan een struikje trekken en belletje lellen. Hun ouders die zogenaamd niets zien en al netwerkend en babbelend door ons stille straatje lopen. Vreselijk. 

                            *

Ik kijk naar de foto van het huisje van Vermeer. De poort naast het huis doet mij denken aan de geheimzinnige poort van vroeger bij ons huis. Een eindje verderop van nummer 22 – wij woonden in een twintiger-jaren huis in een Haarlems stadspark – was een poort. Deze was afgesloten. Maar je kon erachter komen. Dan moest je er ongezien overheen klimmen. Ik pijnig mijn hersenen: hoe ben ik daar ooit gekomen in die geheimzinnige achterom? Zo’n durfal was ik niet en klimmen over zo’n hoge poort? Maar ik ben er geweest. In de nauwe gang. Vol met rottende bladeren en vol spanning. Als ik eraan denk voel ik weer de druk op mijn blaas. Een beetje krom loop ik door het vieze gangetje. Als ik krom loop plas ik niet in mijn broek. 

                              *

Het eerste huis achter een krakkemikkige schutting is van de twee ‘zusters’: zuster van Hemert en zuster Timmermans. Twee oude dametjes, lief en rimpelig als de appeltjes die zieltogen op het gras in onze tuin. Daarnaast liggen het huis en de tuin van mijn tante. Ik vind mijn tante eng. Zij is streng en cynisch. Ik mag hier vast niet lopen. Ik zie haar ijsblauwe ogen vanonder haar nepblonde pony waarvan altijd een paar haartjes eigenwijs rechtop staan. Naast het huis van mijn tante ligt het huis van onze buren. De familie D. die vier zonen heeft. De jongste zoon heet Mark, hij is van mijn leeftijd. Mijn tante noemt Mark ‘Rukkie’. Ik snap het niet. Maar zij legt het uit. ‘Die jongens roepen altijd ‘Marruk! Hoor je het? Marruk in plaats van Mark.’ Mijn tante spreekt geaffecteerd. Zij denkt dat zij heel wat is. En ik begrijp dat zij haar en onze buren veracht. Marruk. Rukkie.

                              *

Het huis van Vermeers tante is symmetrisch: net als dat van ons: hoge ramen, twee beneden, twee daarboven en boven de deur het kleinere raam van de badkamer.

                             *

Ik droom weg bij het schilderij: het schrobgootje waaruit de deskundigen opmaakten dat het huisje van Vermeer aan een gracht lag. Ik stel mij voor dat via het gootje het vieze schrobwater uit huis de gracht in liep. 

                             *

Het huis van Gijs aan de De Vlamingstraat 42 lijkt qua vorm – robuust en rechthoekig – op het huis van Vermeers tante Ariaentgen. Maar het is zichtbaar van een latere datum. Ons huis leek sprekend op dat van mijn tante Jenny.

                             *

Later, in de auto mijmer ik voort over straatjes, huizen, grachten, schrobgootjes en spannende poortjes met rottende bladeren. Het is weer eens wat anders dan de gedachten aan de man die met een Kalasjnikov nog even terugkeert om twee vrouwen onder een Parijs terrastafeltje af te maken. Het wapen weigert. De vrouwen rennen weg, ze grissen in een reflex hun handtassen mee. Ze rennen hun eigen poortje in. Een poortje van angst. En ik hoop dat ze eruit klimmen. Ooit. Net als ik. Toen. En dat ze ooit weer, zomaar op een ochtend in november, in alle rust en met plezier kijken naar een schilderij met daarop een straatje, een huis, een schrobgootje en een poort. Met in de poort de hulp van tante Ariaentgen die een stuk wasgoed schrobt met zo’n ouderwetse plank. Het vuile waswater laat zij zo dadelijk weglopen in het gootje. Het schrobgootje.

                            ***

Advertisements

Korreltjie sand

  
Korreltjie sand  



Korreltjie korreltjie sand 

klippie gerol in my hand 

klippie gesteek in my sak 

word korreltjie klein en plat 

 

Sonnetjie groot in die blou 

ek maak net ‘n ogie van jou 

blink in my korreltjie klippie 

dit is genoeg vir die rukkie 

(…)

 Wêreldjie rond en aardblou 

korreltjie maak ek van jou 

huisie met deur en twee skrefies 

tuintjie met blou madeliefies 

 

Pijltjie geveer in verskiet 

liefde verklein in die niet 

Timmerman bou aan ‘n kis 

Ek maak my gereed vir die Niks 

 

Korreltjie klein is my woord 

korreltjie niks is my dood


Ingrid Jonker (1933-1965)
                          *

Wat nou regen? Van de week zag ik ‘s ochtends vroeg een regenboog die de gehele Bollenstreek omspande. Het was alsof de kleuren op speelse wijze kenbaar maakten dat de streek één was en bleef. Kleurrijk, handen uit de mouwen, planten, pellen en plukken. 

                          *

Soms moet je het weer trotseren: het klimaat tarten, kom maar op, je kan me wat, vandaag rijden wij naar de stad Delft, wij lopen over bruggetjes, ruiken vieze grachtjes, zien plukjes toeristen en bezoeken kerken en musea. Dan eten we wat in een café, scheefgezakt pandje aan de gracht, met binnen een halfrond hok en daarin twee papegaaien. Niets zeggen ze. Klaar met lullen, klaar met alles. Als levende schilderijtjes duiken ze in elkaar, bewegingloos twee groene oerwezentjes op een stok.

                         *

We bekijken in de winkel muziek en films, we kopen c.d.’s en dvd’s. De documentaire ‘Korreltjie niks is my dood’. Het verhaal van Ingrid Jonker, Zuid-Afrikaanse dichteres. Ik herinner mij beelden van deze film die ik ooit zag: een mooie, jonge vrouw, omringd door kunstenaars. Een warm strand, een dochtertje, de gedichten in dat prachtige Afrikaans, speels en droevig tegelijk. 

                         *

Haar vader, die afstand nam van zijn dochter. Een volstrekt eenzame puberteit bezorgde Ingrid een gevoel van nietigheid. Ingrid Jonker pleegde zelfmoord. Ze was pas 31 jaar. Op 19 juli 1965 vinden wandelaars haar lichaam op de rand van zee en strand in Drieankerbaai. Op het bericht van Ingrid’s dood reageerde haar vader, Abraham Jonker: “Ze mogen haar van mij teruggooien in zee”. 

                           *

We lopen verder door de stad, slenteren langs marktkraampjes, een kaarsje steken we op in de kapel van de kerk Maria van Jesse. Een prevelement fluister ik voor onze twee kinderen, dat geluk hen moge toelachen. Hoe mooi de naam van de kerk: Maria van Jesse. Even daarvoor zagen we een soberder kerk, indrukwekkend vanwege haar geschiedenis en grafkelder met koninklijke doden. 

                         *

De Nieuwe Kerk. Juliana, Claus, de beelden van de begrafenissen draaien daar en ik herinner mij en zie: de paarse kleden op paarden, veel paarden, de droefheid van zoons om hun vader, het op het gezicht getekende verdriet van een vrouw om haar man. 

                         *

In de boekhandel ligt ‘Je zegt het’, het nieuwe boek van Connie Palmen over het leven van Sylvia Plath, dichteres en Ted Hughes, schrijver. Sylvia Plath, moeder van twee jonge kinderen, pleegde op gruwelijke wijze zelfmoord. Verlaten door Hughes, die een leven lang nagedragen kreeg dat haar dood zijn schuld was. Connie geeft Hughes een stem in haar boek. Ik moet het kopen.  

                          *

De stad wordt verlicht door een plots opkomende zon: felle en harde verlichting, zo na de schemer en regensluiers van eerst.

                          *

Laatst rakelde een gesprek het gevoel op van mijn maanden van onmetelijk verdriet. Ingrid, Claus en Sylvia, zij weten ervan. De diepten van de geest als de koude, kille kelderruimte waar de kist van Claus staat. Ingeschoven op een harde plank in de Delftse grafkelder. 

                         *

Een volstrekt eenzame puberteit en een moeder die afstand nam van haar dochter. Dat gat, de rillende kou en wanhoop, de angst ‘dit gaat nooit meer voorbij.’ Ik zag die maanden alleen zo nu en dan twee paar kinderogen, twee blauwe, twee bruine. 

                           *

Nu loop ik hier, in de zon, beladen met pakjes schoonheid. Ingepakte ideeën, beelden en taal en ik verheug mij op het genot der dingen. Lezen, kijken, luisteren, schrijven, leven. 

                        *

Lady Lazarus

                        (…)           

Soon, soon the flesh

The grave cave ate will be   

At home on me


And I a smiling woman.   

I am only thirty.

And like the cat I have nine times to die.

                         (…)

Sylvia Plath (1932-1963)

                         ***

Gouden race

  
In de lichtblauwe lucht lopen zwarte wolken als inktvlekken op een blauw vloeipapiertje uiteen. Zo’n zijdezacht vloeivelletje waar je vroeger op school wel eens bloemen van vouwde of raamwerkjes van knutselde met het vloeipapier als nep glas-in-lood. 

                          *

Als je geluk had hing je moeder je werkje trots tegen het raam en daar verkleurde het in de loop der jaren. Het zwart werd stoffig, de kleuren van vloei verdwenen langzaam maar zeker zoals je jeugd verdween, oploste in dof zwart en een vaag kleurenpalet.

                        *

In de trein naar Delft zit ik in een vierkantje met drie donkere dames: een Aziatische, een Marokkaanse, en – gokje – een Tunesische dame. De Tunesische spreekt in ieder geval Arabisch in het luidsprekertje van haar gloednieuwe iPhone. Ze heeft de telefoon voortdurend in haar hand, panklaar voor gebruik. De witte oordraadjes dwarrelen frivool naar beneden over haar rode t-shirt. Haar jas met Burburry-voering ligt op haar schoot. 

                          *

Het is een vredig kwartet. De Marokkaanse zegt: ‘sorry’ bij het weggaan omdat de Tunesische haar been wat moet intrekken. De Aziatische dame lacht mij vriendelijk toe bij het weggaan. Ik schrijf er op los op het kleine toetsenbordje van mijn zwarte IPhone. En ik ben er. Eerder dan ik dacht. In Delft.

                          *

Na mijn Delftse afspraak loop ik de Oude Delft op. Rechts ligt het museum Prinsenhof met daarachter een prachtige tuin. In het midden van de tuin staat Willem de Zwijger. De Pim Fortuyn van de 16e eeuw. Neergeschoten, hier op het Prinsenhof. 

                           *

Een bruidspaar stapt uit een witte, open sportauto. De familie dwarrelt om het paar heen, inclusief twee onwillige bruidskinderen. Een jongetje op zwarte, puntige lakschoentjes wandelt langs me, gevolgd door een parmantig bruidsmeisje op hooggehakte spierwitte schoentjes. Starend naar hun schoentjes klikklakken ze door de tuin van de Vader des vaderlands.

                         *

‘Brian, rustig lopen!’, vermaant de vermoedelijke oma met een schelle stem. ‘Brian, hier blijven!’ Oma probeert beschaafd te blijven. Ik vermoed dat Brian wel eens pittiger door oma wordt aangepakt. Maar he, we zijn op historische grond, laten we het gezellig houden, het is tenslotte feest. De stem van oma dreunt nog lang na. Een onaangenaam geluid. 

                          *

Intussen krijgt een baby verderop een driftbui van jewelste. Hij of zij schreeuwt de hele boel bij elkaar. Tijd om op te stappen. Ik slenter de stad in die ik niet ken. Grachtjes met overhangende bruggetjes, gifgroen water, plukjes toeristen, studenten met witte t-shirts en ballonnen in de hand. Een zonovergoten stad. Op de markt zie ik een vierde bruidspaar. Er wordt hier wat afgetrouwd vandaag. 

                          *

Het stadhuis van Delft ligt er schitterend bij. Hugo Grotius kijkt met voorname blik uit over de markt, zoals Laurens Janszoon Coster uitkijkt over Haarlem. Het stadhuis en de markt lijken op die van mijn geboortestad. Iets meer goud hier dan in Haarlem, het blinkt in de zon. Ik neem een kijkje in de Nieuwe Kerk. Ik meen me te herinneren dat daar de koninklijke familie haar grafkelder heeft. 

                           *

De toegang tot de Nieuwe Kerk in Delft kost geld. Voor het eerst in mijn leven zou ik moeten betalen voor een kerkbezoek. Ik draai net zo hard de deur uit als ik binnendraaide. Zo ver gaat de liefde niet en voor ik het weet loop ik weer de zonnige stad in. 

                           *

Ik denk aan mijn medereizigers van net, de dames uit alle windstreken. Ik zie de opbollende, witte trouwjurken -vol hoop en verwachting – in deze stad met historie, beschenen door zoveel zon, en mijn gedachten nemen een U-bocht naar de beelden die ik van de week op televisie zag. 

                          *

Een vrachtauto langs de kant van de weg, een omgevallen boot met gesloten ruim, een spoorlijn vol sjokkende mensen, een oude heer, lopend met krukken, een traan hangt op zijn stoppelwang: ‘weet u waar ik moet zijn?’

‘Nog twee kilometer, daar is een opvangkamp.’ De man, nog een traan, hij pakt zijn krukken en strompelt voort. Zijn plastic tasje zwaait mee op het ritme van de stok. 

                          *

Intussen schrijft, zonder dat ik het weet om 15.00 uur vanmiddag Dafne Schippers 21-eeuwse oranje historie. En ik hoor de laatste woorden van Willem de Zwijger, Willem van Oranje, Vader des vaderlands:

                          *

“Mon Dieu ayez pitie de mon âme; Mon Dieu ayez pitie de ce pauvre peuple” (Mijn God, heb medelijden met mijn ziel. Mijn God, heb medelijden met dit arme volk)
                        ***

Pleegzus L., een fragment

IMG_4666.JPG
In het mooie Delft loop ik langs een statig pand met een imposante voordeur. Boven de deur staan twee beelden. Als je goed kijkt zie je twee vrouwenfiguren, uitgebeeld in een lichtkleurige steen. Meisjes met kapjes op het hoofd. Het rechtermeisje kijkt mij smekend aan. Haar rechterarm strekt zich naar voren, haar open hand lijkt een belangrijke vraag te stellen. Tussen de meisjes staat in uitgebeitelde letters: ‘Anno 1769 Meisjeshuis. Op een plaquette, links van de deur, lees ik: ‘Meisjeshuis, Weeshuis voor meisjes uit 1769.’

Er staat nog meer tekst op. Maar deze paar woorden zijn genoeg om mijn gedachten ver terug te laten springen in de tijd. Naar het pleegzusje L., dat ooit, zo lang geleden, bij ons kwam. Zij kwam ook uit een weeshuis. Het Burgerweeshuis in Amsterdam. Als baby was ze daar terecht gekomen. Dochter van een bekende professor en een piepjonge moeder. Verwaarloosd. Na vele omzwervingen in kindertehuizen en pleeggezinnen kwam ze op ongeveer haar twaalfde jaar terecht bij mijn oom en tante.

Daar ging het mis. En L. liep weg. Op een avond stond ze bij ons voor de deur. Met een plastic zak. Daarin zaten wat kleren en schoolboeken. Mijn broer en ik schoven een stukje op en zij voegde in.

Van die jaren weet ik niet veel meer. Het waren hectische jaren. Met gebrouilleerde familieleden, veel ruzie en ellende. In de familie was een diepe scheur ontstaan door de vlucht van L. naar ons. De zus van mijn moeder was niet geamuseerd door de overstap van L. naar ons gezin. En wij woonden twee huizen verderop. Dus de situatie escaleerde in een plaatselijke Koude Oorlog. Inclusief intimidaties, samenzweringen, boycots en rechtszaken.

Echt spannend werd het toen op een dag plotseling de biologische ouders van L. ten tonele verschenen: zij belden aan, L. herkende hen direct en schreeuwde dat we niet open moesten doen. We stonden bibberend boven en deden niet open. Bang voor de professor en zijn roepende vrouw. Wilden ze misschien L. meenemen, ontvoeren?We renden naar beneden en gauw deden we de achterdeur op slot; stel je voor dat ze door de tuin van de achterburen kwamen…We snelden naar de serre-deuren aan de achterkant van ons huis. De gammele klinken zetten we zo stevig mogelijk vast. Ik zie ons nog staan, half achter de gordijnen. Giechelend, maar met zware druk op de blaas van de spanning.

Er gebeurde gelukkig niets. De professor en zijn vrouw dropen af. En wij leefden verder in de ijskoude sfeer van ruziënde buren en een woedende tante. Als ik haar zag fietste ik altijd een blokje om. L. leed kennelijk niet zo onder de sfeer. Zij ging lekker met ons mee naar school, maakte vriendinnen en ze zag eruit en gedroeg zich als een normale puber. Ze ging met ons mee op vakantie, ze hoorde er bij. En toch ging het ook bij ons mis.

Tot groot verdriet en teleurstelling van mijn moeder ging L. op een dag mee met een echtpaar dat haar nog kende uit de tijd van het Burgerweeshuis. Ze hadden haar destijds als baby de weekends in huis gehad en zo liefdevol als mogelijk was, verzorgd. L. was bij ons in sneltreinvaart een spijbelende, lastiger wordende puber aan het worden. Het groeide vooral mijn moeder allemaal boven het hoofd. De sfeer in de straat en de familie-ellende verergerden de situatie. En het vrat aan haar dat L. zich niet langer soepeltjes voegde, maar opstandiger werd. Nu achteraf denk ik dat dat vrij normaal was. Zij was een puber. Met een heftig verleden. Het lag in de lijn der verwachtingen dat daar enige opstandigheid uit voortkwam. Maar dat kon ons geteisterde gezin niet aan. En L. vertrok naar Amsterdam. Dit keer met een koffer en een tas.

Het is alsof de episode L. volledig geïsoleerd en op zichzelf staat. Een gestolde herinnering. Een flard, een snipper. De Delftse plaquette laat mijn gedachten terugvloeien in de tijd.

Ik heb L. nooit meer gezien.

αλφα, βῆτα

IMG_4656.JPG
Onlangs liep ik in het prachtige Delft.
Mooie stad. Prachtige gebouwen. Gezellige terrasjes. Sfeervolle grachten. En veel, heel veel, studenten. Bèta’s. Op de een of andere manier kan je dat zien aan deze jongens en paar meisjes. Hoe precies? Tja, het is iets in het gezicht. Serieus. Soms verlegen. Iets minder grote bravoure dan de Amsterdamse student. Niet zo quasi-goed-opgevoed-maar-toch-bezopen en kakkineus als de Leidse. Ooit dacht ik dat ik ook een Bèta was. Tegen beter weten in, maar toch.

Wat is dat eigenlijk, een Bèta? Vroeger, voor de invoering van al die profielen die zo lastig te onthouden zijn, waren er op het gymnasium twee keuzes. Je koos na de derde klas voor Alpha of je koos voor Bèta. Bèta betekende wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie. Alpha betekende, voor ons gymnasiasten, zes (!) uur per week Latijn en Grieks, minimaal twee moderne talen, aangevuld met economie, wiskunde, geschiedenis of aardrijkskunde.

Alpha’s konden ook kiezen voor een zogenaamd ‘pretpakket’ (alle talen plus aardrijkskunde en geschiedenis). Wat daar precies prettig aan was weet ik niet. Vooral Duits en aardrijkskunde vond ik zelf verschrikkelijke vakken. Sorry, mevrouw B. en sorry, meneer O.

En jullie mogen op jullie beurt ook wel een beetje sorry zeggen; mevrouw B. voor uw sarcastische manier van les geven, meneer O. voor uw meer dan slaapverwekkende lessen. Mevrouw B., u krijgt van mij nog een kans vanwege uw degelijke aanpak en soms, heel soms, de verborgen glimmertjes in uw rechteroog, achter het glas van uw goudomrande bril. Vond u ze toch stiekem leuk, die pubers? Maar ach, Duits, het was de eerste drie jaar een komen en gaan van vervangers geweest. Ik had niets begrepen van de taal. Nooit wat geleerd. Dus heb ik deze, in wezen, prachtige taal laten vallen.

Maar meneer O., met uw lessen belandden we direct op een doodlopende weg. Een oersaai steegje. Ik heb niets geleerd van uw, ongetwijfeld ook prachtige, vak. Exit aardrijkskunde.

In de vijfde klas kwam ik, de nep-Bèta, tot inkeer. Medicijnen wilde ik niet meer studeren. Zeker niet na het ontleden, tijdens de biologieles, van een bloederig en slijmerig koeienoog. Met een wit, lillerig draadje eraan. Ik meen het oogspiertje. Je moest het lensje uit het oog wippen. Ik was direct genezen van mijn kinderdroom.

Scheikunde had ik ook opgegeven. Het bleek dat, als je een paar lessen niet kwam, je de draad kwijtraakte. Ik was een aantal lessen niet gekomen en ik kon de kluwen letterformules niet meer ontwarren. Wiskunde idem dito. Met behulp van de lieve wiskundeleraar meneer M. (voor wie wij allen zeer bevreesd waren, maar die mij heel lief gratis bijlessen gaf. Tevergeefs, dat wel), stapte ik pas in de vijfde klas over naar de Alpha-klas. Dat betekende een jaar Latijn inhalen. Maar alles liever dan nog een Bèta te zijn.

Mijn overstap betekende ook een andere klas. Veel punkers. Paars haar met zeepsop. Een van de punkers, dochter van een Bloemendaalse psychiater, sprak zo plat als een rasechte Jordanese. Ik zag en hoorde het allemaal geïnteresseerd aan. Een kleurrijk klasje was het. Allemaal waren ze goed in de talen. Sommigen zelfs briljant. En allemaal slecht in wiskunde. Dat hoefde je als Alpha dan ook niet te kiezen. Wel waren ze opvallend geïnteresseerd in de maatschappij. In literatuur. In elkaar. Anders dan bij de Bèta’s die weer meer geïnteresseerd waren in sport. En in, ja, waarin eigenlijk nog meer? Niet in elkaar. Er was meer afstand in die Bèta-klas. Ze konden wel heel goed sommen en moeilijke natuurkunde-vraagstukken oplossen.

Vorige week zondag zag ik bij het programma ‘Zomergasten’ het wiskundemeisje Ionica Smeets. Schrijfster van de column ‘Wiskundemeisjes’ in de Volkskrant. Zij stipte in het programma de kloof aan tussen de Alpha’s en de Bèta’s. En vooral snapte ze niet het dedain van de Alpha’s voor alles wat ook maar een beetje naar Bèta ruikt. Formules bijvoorbeeld. Ze liet een stukje zien uit DWDD waarin twee hoogleraren een moeilijk Bèta-onderwerp toelichten. Iets met luchtstromen. Zodra hoogleraar 1 een formule opschrijft, roept Matthijs van Nieuwkerk: ‘Ho, stop maar, niemand kan dit volgen!’ Lachen allemaal.

Beste Ionica: ik ken ze allebei. De Alpha’s en de Bèta’s. De Alpha’s minachten de Bèta’s niet. Ze zijn gewoon stiekem jaloers. Ook zij willen eigenlijk goed zijn in wiskunde. Formules over luchtstromen snappen. Maar ze snappen het niet. En wat kan je dan het beste doen? Je bewondering tonen? Je uiterste best doen om het te begrijpen? Nee.

Als hoogstaande Alpha denk je heel veel van literatuur te weten. Poëzie. Latijn en Grieks. Muziek en kunst. Je denkt ook De Mens en Het Geheel Der Dingen te doorgronden. Terwijl je diep in je hart heel goed weet dat bij het begrijpen van Het Geheel Der Dingen ook wiskunde hoort. En natuurkunde en scheikunde. Zo veel om ons heen komt voort uit de techniek. Zonder techniek geen iPhone. Geen typemachine, geen auto, geen antibiotica, geen licht, geen vliegtuigen.

De Alpha’s hadden ook graag de iPhone bedacht. Of de e-bike. Of de Google-car. Maar om hun minderwaardigheidscomplex te verbergen lachen ze om de nerds. De Bèta’s. Die zich vaak ook zo lekker laten uitlachen. Waarom? Dat weet ik niet.

Mijn eigen Bèta-complex is gelukkig opgelost. My finest hour was het moment dat ik als enige van mijn jaargroep politicologen-in-spe mijn vinger kon opsteken bij de vraag van de docent Statistiek: ‘wie heeft er tenminste vier jaar wiskunde op school gehad?’ Ik bleek van de grote groep studenten de enige te zijn die zo lang het vak wiskunde had gevolgd. Ik haalde dan ook een 8.

Zijn de lieve inspanningen van meneer M. met zijn gratis bijlessen toch nog ergens goed voor geweest.