Een warme dag


Er liggen plassen naast het zwembad van ons Griekse huisje. Niet van het plonzen in het zwembad want daarvoor is het water te koud. Op de warmste dag in Nederland regent het op Lefkas. Uit een van de plotseling opdoemende dikke wolken storten dikke druppels op het golfplaten dak van ons huisje. Het heeft iets gezelligs.

                        *

Zodra de plassen opdrogen en in de hete zon slinken alsof onzichtbaar keukenpapier het vocht rap opzuigt springt ons Duitse buurmeisje in het ijskoude water van hun zwembad. Haar dappere vader springt ook en samen maken ze plezier. Ik hoor de plons waarmee ze lachend in het water valt nadat haar vader haar hoog optilt en teruggooit.

                       *

Ook wij gooiden ooit kinderlijfjes hoog de lucht in die dan lachend terugplonsten in het water. Natte haren, warrig voor hun gezicht. De hand, waarmee ze de haarslierten naar achteren duwden en vroegen: ‘Nog een keer!?’ 

                       *

Die glibberige lijfjes droogden wij later af en koud vel vleide zich tegen het jouwe aan. Huid op huid. Koud op warm. Die lijfjes zijn lijven geworden, kippenvel krijgen we niet meer.

                       *

Het bijna-volwassen lijf belt ons met de vraag hoelang de lasagne in de oven moet en op welke stand. Ook wil hij weten waar de teken-tangetjes liggen ‘Want Moos heeft een teek. Ja, die heb ik niet ontdekt hoor, dat ontdekte S.’ S. is zijn vriendin die onze poezen liefdevol aait. 

                       *

Gisteravond lagen wij in ons Griekse bed toen de telefoon ging. 

‘Met mij, stoor ik?’

‘Nee hoor, we lagen net in bed’

(…)

Het blijft even stil en ik voel dat onze zoon op zijn horloge kijkt. Het is hier 22.30 uur. In Nederland is het een uur vroeger. Hij slikt van alles in en vraagt: ‘Zeg, welke fles rode wijn mag ik openmaken? J. en S. zijn hier en we willen wat drinken maar ik weet niet welke fles ik mag openmaken.’ J. en S. zijn vrienden die gezellig bij hem langskomen als wij er niet zijn.

‘O joh, dat maakt niet uit. Pak er maar een.’

Achter mij hoor ik zijn vader slaperig mompelen ‘Op het aanrecht staat een goede.’

‘Er staat nog een lekkere op het aanrecht’, herhaal ik. 

‘Oké, hoe is het verder?’ Ik zie zijn ogen gericht op de fles die hij open gaat maken. ‘Het gaat goed hoor, het is hier heerlijk!’ Mijn enthousiasme smoort in het (…) van onze zoon. Ik voel dat hij kijkt naar de fles rode wijn op het aanrecht. In zijn ooghoek zitten zijn vrienden.

‘Nou, prettige avond he?!’, zeg ik. ‘We zien elkaar zaterdag weer.’ 

‘Ja’, zegt hij. ‘Tot zaterdag!’ 

                    *

We worden nog maar een keer door hem gebeld. Over het zonnescherm dat niet meer omhooggaat. 

‘Ik bel wel even met de zaak van het scherm’, zeg ik, ‘Kan gebeuren joh. Het zal de motor wel zijn, dat gaat een keer stuk.’

‘Is goed, mam’, zegt hij mak, bezorgd om de reactie van zijn vader die niet houdt van kapotte zonneschermen. Ik bel met de leverancier.

‘Ik houd het kort want ik bel vanuit Griekenland.’ En ik leg uit wat er aan de hand is.

‘Geeft u maar het nummer van uw zoon, dan bel ik hem’, zegt de vriendelijke zonneschermenman. Ik app onze zoon dat hij gebeld wordt. Vier minuten later belt ons kind.

‘Mam, het was gewoon de stekker’, zegt hij beschaamd. ‘Ik had gefrituurd en dat wilde ik buiten doen. Toen heb ik de stekker van het scherm eruit gehaald en dat was ik vergeten.’ 

Ik lach. ‘Mooi dat dat het was! Tot gauw!’ 

                       *

Als ik neerleg denk ik aan de twee zachte lijfjes van toen. De lachende gezichten, het plezier, en de vele plonzen in het water. Naast ons hoor ik het buurmeisje. Ze lacht en springt weer in het zwembad. 

                        *

In de krant zie ik foto’s. Meisjes, ouders, vriendinnen. Een buurvrouw die de kinderen zou ophalen. Saffie Rose, Georgina en Olivia springen niet meer. Niet in koud water, niet in warm. Geen gelach, geen plons na het teruggooien van het kind in het zwembad, geen handdoek, geen opwarmend kindervel op ouderhuid.

                      *

De plassen naast het zwembad zijn weg. De zon schijnt. Het belooft weer een warme dag te worden.

                    ***

Pussycam

  
De kat van ome Willem 

De kat van ome Willem is op reis geweest 

Op reis geweest, op reis geweest 

De kat van ome Willem is op reis geweest 

Waar ging die dan naar toe, hee 

Hij is voor zeven maanden naar Parijs geweest Parijs geweest, Parijs geweest 

Zodat ‘ie nou alleen maar Franse kranten leest 

Bonjour en voulez vouz 

                      (…)

A.M.G. Schmidt (1911-1995)

Iedereen is weg. Het huis is stil en verlaten. Zelfs de poezen zijn vertrokken. Ongetwijfeld zijn ze in de buurt maar dat denken alle poezenbaasjes. Dat het niet zo is bewezen Engelse wetenschappers die in een oer-Engelse buurt alle poezen een zendertje en camera – ‘pussycam’ – omhingen. * Fluffy en Doody, Sam en Sarah, allemaal kregen ze een halsband met zender om hun poezelige nekjes. Hun baasjes en bazinnetjes werd gevraagd: ‘weet je wat jouw kat buiten doet? Waar gaat hij, denk je, heen?’ De meesten dachten dat hun poes in de buurt bleef van het huis. Hooguit wandelden ze rond in de poort achter de huizen, de avonturiers onder de buurtpoezen zouden wellicht naar het veldje verderop lopen. Volgens de baasjes dus. 

                         *

De zendertjes en camera’s wezen echter uit dat de schatjes de hele buurt afstruinden, met elkaar vochten, kilometers ver liepen, naar het bos aan de rand van het dorp.

                         *

De allerliefste Fluffy bleek een vechtjas te zijn, de huiselijke Sarah struinde iedere avond naar dat verre bos en de slome Sam terroriseerde alle buurtkatten. Alle katten ontliepen Sam die thuis schattig bij iedereen op schoot bivakkeerde, lief kopjes uitdelend aan de bewoners. De Engelse  baasjes waren verbijsterd. Het beeld dat ze hadden van hun schatteboutjes moest compleet worden bijgesteld. In verwarring bleven ze achter, het bazinnetje van Fluffy, de baasjes van Sam en Sarah.

                          *

Onze katten zijn ook van die ondoorzichtige types: Moos, in huis sloom en lui en altijd in voor een knuffel is, zodra hij een pootje buiten de deur zet, de buurt-terrorist. Geen kat is veilig, iedereen wordt besprongen en verjaagd. Hij zwerft overal en nergens rond. Tot onze verbijstering troffen we hem eens aan tippelend langs de Leidsevaart, wandelend in het tegenover gelegen ‘Tranendal’ (70-er jaren buurt met flink percentage gescheiden ouders) en schijnheilig huppelend vóór, op straat. En hij mag niet vóór, op straat, want daar rijden auto’s, er fietsen fietsers, kortom overal op straat loert gevaar.

                             *

Saar is onze nuffige dame. Thuis komt zij nooit zomaar op schoot zitten. Smeken moet je: ‘kom, Saar, wil je lekker bij me zitten?’ Stoïcijns kijkt ze je aan. Nee, ze komt niet. 

                            *

Buiten blijft Saar in de buurt. Ze verschuilt zich onder de hortensia: de grote witte Annabellen. Ze vangt zo nu en dan een kikkertje, speelt met een zieltogende vlinder of duwt een naaktslak voort op het pad met venijnige tikjes van haar pootje. Saar wacht niet goedmoedig bij de buitendeur als ze naar binnen wil tot wij haar binnenlaten. Nee, zij staat direct op de rand van de tuinbank, miauwt luid en duidelijk en zet haar pootjes tegen het raam waarbij zij fijne modderstrepen op de glazen schuifpui krabbelt. Precies op ooghoogte is het zicht op de tuin vanuit huis vertroebeld door opgedroogd zand en modder. 

                             *

Maar wie weet is Saar in werkelijkheid een ruziezoekende Fluffy, een zwerver als Sam of een kleine terrorist. We zullen het niet weten. En juist dat is zo leuk. Katten, ondoorgrondelijk zijn ze. 
Het zijn, eh, net mensen.

                       ***
*The secret life of the cat, BBC http://youtu.be/clj3dlRyaWo

Ma

  
Vertel mij, o muze,

van een avond vol van sterren in zwart, de bank kraakt ‘wat een mooie loungebank, gelukkig geen rieten’. Nee, maar deze valt langzaam uit elkaar, het kreunt alsof een olifant op een zwak krukje plaatsneemt. Gewoon te zwaar, zoals vroeger, toen je te dik was, niet mooi genoeg, nooit goed genoeg. 

                         *

Alsof je je moeder hoort over andermans kinderen: ‘de Houtmannetjes die zo lief voor hun moeder zijn. ‘S. schaamt zich helemaal niet voor haar moeder, ze loopt gewoon met haar moeder over de markt, terwijl ze zelf zo’n knappe meid is.’ En dan niet erbij vertellen dat die moeder van S. -ik ken haar niet- er niet uitziet, een burgertrut is. Zeker niet zoals zijzelf. De Goede Moeder. Met wie ik niet over de markt loop.

                         *

Ik druk mijn kind tegen mij aan. Ik zit in de zachte, oranje stoel en ik denk ‘is dit van mij?’ Dit lichaampje, deze oogjes, dat zoekende mondje, die grijpende vingertjes. Pijn schiet er door heen en generaties verdriet om nu, vroeger. Het kind absorbeert de pijn, ze neemt de hartslag aan als in de buik, kloppend hart in de navelstreng, steeds sneller als een zwoegend hertje dat dartelt in het duin.

                         *

Dat liefde pijn doet lijdt geen twijfel, cliché dwarrelt het door het hoofd, al die gedachten waartoe leiden ze? 

                         *

En dan bekijk ik You tube-filmpjes, gewoon op zaterdagmiddag, my guilty pleasure. Britain’s got talent en daar gaat Het Gevoel, krijgt een uitweg in taal, het Queen’s English ‘I’m from South-Wales’, zegt het meisje van elf dat Whitney Houston ‘adores.’ De vijftienjarige puber die zingt ‘You’re always a woman to me.’ Zijn zwarte kuif, de stem zo breekbaar als het vogeltje waarmee de kat speelt. 

                         *

En dan: ik wil naar Engeland, die taal, door dalen en over holle wegen slingeren als de Engelse dierenarts in zo’n oude auto op weg naar de boer en het beter maken van vee. Of gaat het om beter maken van mijzelf, mijn betere ik, door het groen, de rust en de stilte te doorgronden die hier altijd zo wreed wordt verstoord door schuurmachines, elektrische heggenscharen zagen, slijpen, tollen, boren alsof ze hun eigen oorverdovende stilte willen doorbreken. 

                        *

Kindergekrijs verderop, het regelmatige terugkerende gebonk in je hoofd ‘dat deden de mijne nooit’ en ‘wij namen ze mee naar binnen als ze huilden of dreinsden’, want dat is het: gedreins. En wat dacht je van telefoongesprekken in de tuinen, grenzend aan elkaar als groene postzegels aan een velletje? ‘Ja, ik ben vandaag thuis, ja, gewoon thuis, ik versta je niet goed, waar ben jij dan?’ Harder en harder tot horensdolheid. Schamper spreken wij over de ‘volksbuurt’, dit weggestopte dorp in het groen.

                         *

Of ben ik niet tolerant genoeg? Dat was ik vroeger wel, toch? Veel vond ik goed. ‘Ze kan zich zo goed aanpassen aan verschillende situaties’, ik hoor het mijn moeder zeggen tegen wie weet ik niet meer. ‘Een evenwichtig en stabiel kind.’ Ja, zodat je zelf was ontslagen van iedere schuld, integendeel het heel goed gedaan had. Dit lieve kind, dat Holly Hobbie meisje zoals ik eens betiteld werd door een schoolvriendin. ‘Jij had altijd van die Holly Hobbie spulletjes.’ Bedoelde ze: ‘Je was zo zoetig?’ Ja, wat wil je? Ik moest wel dat meisje zijn dat ik niet was. Wie dan wel?

                         *

Ma

Ma, ek skryf vir jou ‘n gedig

sonder fênsie leesekens

sonder woorde wat rym

sonder bywoorde

net sommer

‘n kaalvoet gedig –

want jy maak my groot
in jou krom klein handjies

jy beitel my met jou swart oë

en spits woorde

jy draai jou leiklipkop

jy lag en breek my tente op

maar jy offer my elke aand

vir jou Here God.

jou moesie-oor is my enigste telefoon

jou huis my enigste bybel

jou naam my breekwater teen die lewe

ek is so jammer ma

dat ek nie is

wat ek graag vir jou wil wees nie.

Antjie Krog
                       ***

Downton

IMG_5107.JPG
Hier in het zuidelijke stadje Playa Blanca zijn veel Engelsen: oude, getatoeëerde, om 11.30 uur bier drinkende Engelsen. We lopen langs een haveloos winkelcentrum waar in gekleurde afbrokkelende letters ‘Irish pub’ nog net te lezen is. Een stampvol strandje completeert het schreeuwerige geheel. We kijken een beetje verdwaasd naar dit tafereel.

Een lichtelijke afknapper na de schoonheid van het zojuist bezochte Timanfaya park. Eind 1700 ontstaan na vreselijke erupties. Wat overbleef is een surrealistisch lava-landschap waar je met 40 medetoeristen doorheen rijdt in een bus. Het is een sport om, tijdens de dodenrit langs steile afgronden, eerst het Spaans proberen te verstaan, daarna volgt het Queen’s Engels (makkie) en tot slot snappen we alles vanwege een plechtige, Duitse toegift.

Naast mij in de bus, aan de andere kant van het gangpad, zit een oudere heer die mij doet denken aan de schrijver Gerhard Durlacher. Baardje, zonnehoedje en een enorm fototoestel op schoot. Hij neemt meer dan 100 foto’s van de dode stenen. ‘Dat wordt leuk foto’s kijken thuis’ zegt mijn laconieke dochter, die zich dood ergert aan Gerhard omdat hij telkens gaat staan waarbij hij ons het zicht op de steenmassa’s beneemt.

Daarna moeten we plassen en we willen wat drinken voor we op deze eindelijk stralende zonneschijndag ons begeven naar één van de verlaten Papagayo-strandjes. Dus rijden we naar Playa Blanca, een wit stadje aan de Zuidkust van Lanzarote. Gedesillusioneerd verlaten we na vijf minuten het terras met de getatoeëerde, dikbuikige Engelsen waarop we neergestreken waren: niemand bedient en voor de stinkende w.c. heb je € 0,40 nodig. En die heb ik niet.

We slenteren over de boulevard. Weg van het vreselijke terras. Naast de boulevard zien we een ***** hotel, met de trieste, Disney-achtige naam ‘Princess Yaiza.’ ‘Kom, we drinken hier wat’ zeg ik en we lopen brutaalweg de door bougainville omheinde binnentuin in. Wat een rust. Beschaafde klassieke muziek, keurige obers die mooi-gedekte tafeltjes van serviesgoed voorzien, oudere hotelgasten in geklede jurkjes en kaki bermuda’s.

We bestellen koffie en een broodje Jamon Iberico. Voor ons zit een Engels dametje. In een lange, zwarte jurk, afgezet met witte bies. Ze drinkt een ijskoffie. Een vriendin nadert. Heftig wenkt de zwart-gebiesde dit frêle dametje in zwart kant met rood-roze bloemen. Gedempt spreken zij, vlak naast elkaar zittend aan het tafeltje, met elkaar. De frêle dame bestelt…thee. Een stijlvol theepotje wordt naast haar neergezet. Een crème-wit kopje en schoteltje. Er naderen ook twee taartpunten, geserveerd op een houten dienblaadje.

Als wij zijn uitgedronken en gegeten bezoeken wij het fraaie *****toilet, wassen onze handen met rituals zeep en doen wat handcrème op.

Op de weg terug naar de auto zien wij weer het andere Engeland. Twee werelden, gescheiden door een muur van bougainville. Upper en lower class. Tea & tattoos. Downton Lanzarote.