Ongelukje 



Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wij maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
 

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

 

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale 

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –


Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

                      *

‘s Avonds laat hoorde ik boven een stem en een vloek. De stem die door een telefoon sprak was van mijn man. De vloek ook. Ik had geen zin in de stem noch in de vloek. Ik nestelde mij op de bank voor de tweede helft van de avond en ik keek naar de film Room. 

                       *

Ooit zag ik deze film over een jonge vrouw – door Old Nick opgesloten in een schuur – in de bioscoop. Old Nick kwam zo nu en dan langs. Dan verstopte Joy haar vijfjarige zoon Jack in Wardrobe. Jack keek stiekem door de paneeldeurtjes naar zijn moeder, zag de contouren van Old Nick en telde de piepjes die het bed met zijn moeder en Old Nick erin maakte. Als Old Nick weg was tilde zijn moeder Jack weer over naar haar bed. Samen sliepen ze. Totdat het licht van Dakraam hen wekte.

                        *

Ik weet niet waarom ik voor de tweede keer naar deze wondermooie maar gruwelijke film keek. Waren het de ogen van Jack? De blik van zijn moeder? De dreiging van Old Nick? Angst die we allemaal wel eens voelen al is het maar in onze dromen? Ik zat op de bank met onder beide handen een poes. Tijdens het kijken frummelde ik in hun vacht en draaide ik krulletjes in het zachte haar. Ze vonden het best, spinden zelfs.

                       *

Daarna ging ik slapen. En ik droomde van een huizenruil en de benauwenis van de onvoorstelbaar slechte ruil van ons huis met een krappe studentenflat. 

                        *

‘s Ochtends vertelde mijn man mij over de vloek.

‘Max belde gisteravond dat hij met mijn auto een aanrijding had in een parkeergarage in Amsterdam.’

‘Misschien is het wel goed dat hij nu zo’n ongelukje heeft’, vervolgde hij. ‘Daar schrikt hij misschien van en rijdt daarna weer voorzichtiger.’

                          *

Ik knikte. Dat zou kunnen. En ik dacht aan mijn eerste ongelukje met mijn vaders auto. Mijn vader reageerde nauwelijks op de schade en mijn trillende benen. ‘Het kan gebeuren’, zei hij. Het is alweer zo lang geleden. Ik wilde nog vragen aan mijn man: ‘Vloekte je tijdens of na het gesprek met Max?’ Maar ik liet het zitten.

                        *

Onze zoon kwam ‘s ochtends vroeg thuis. Aangenaam verrast door zijn laconieke ouders. Van schrik vergat hij zijn ochtend-humeur. Opgewekt ontbeet hij met ons mee.

                        *

Ik dacht nog even aan mijn droom en de benauwenis van de huizenruil en die aftandse een-kamerflat. Ik wilde het vertellen maar ik liet het zitten. Het leek onbelangrijk.

                        ***

  

Advertisements

Verliefd 


Het is zomer en zondag. Ik lees de krant. De deur naar de tuin staat open. Buiten is het wonderlijk stil. Op mijn tenen loop ik het terras op, ik pluk de uitgebloeide bloempjes uit de geraniums. Het blijft stil.
                         *

Onder een grijs wolkendek is de wereld tot stilstand gekomen. Nog een paar dagen en dan is het echt vakantie. Auto’s rijden naar blauwe verten, vliegtuigen trekken hun strepen in de hemel. Treinen rijden in een prettige cadans naar bergen, zee, strand.

                       *

Ik haal de hangende fuchsia onder de pergola vandaan. Onder het groene geweld van alsmaar uitdijende druivenranken krijgt de plant geen zon. Ik haal de uitgebloeide bloempjes uit de plant. Het blijft stil.

                       *

Gisteravond laat keek ik naar ‘De kinderen van juf Kiet’. Ik zag de film al eerder. Een liefdevolle documentaire over een klas voor vluchtelingen-kinderen. Tijdens die eerste keer kijken was ik – net als de kleine Leanne, de bijdehante Haya en de warrige Rianna – verliefd geworden op Branchi uit Macedonië. Een aanbiddelijke vijf- of zesjarige zoals een vijf- of zesjarige hoort te zijn: een regelmatig rijtje melkgebit-tandjes, een vederlichte tred. Branchi danst door het lokaal, over het plein, door het leven. Waarom Branchi hier in Nederland is vertelt het verhaal niet. Het doet er niet toe.

                     *

Er zijn kinderen in de klas van juf Kiet die niet dansend door het leven gaan. De broertjes Jorj en Maksem zitten ook in de klas maar zijn ergens anders. ‘Mijn hoofd klopt niet’, zucht Jorj die onophoudelijk met zijn vingers achter de brillenglazen in zijn ogen wrijft. 

                        *

Van zijn broertje Maksem zien we alleen de zware, blauwe wallen onder zijn ogen. Zijn spierwitte gezichtje geeft licht. Automatisch doet hij mee met het tekenen van letters, het priegelen van cijfers in een kleurig schriftje, een dansje tijdens de gymles. Zijn ledematen bewegen, zijn ziel is achtergebleven in het verre Syrië met ‘Veel boem-boem’ buiten aldus Jorj. 

                       *

Tot heel laat kijk ik naar de kinderen van juf Kiet. Buiten hoor ik gelach, harde muziek. Rook van een vuurkorf kringelt naar onze slaapkamerdeur die we al vroeg in de avond moesten sluiten. Ik wil niet naar bed met luide muziek en gezang dat aanzwelt naarmate de avond vordert. En het miezert niet hard genoeg om de vuurkorf te doven. 

                      *

Dus kijk ik naar juf Kiet. Als ik eindelijk naar boven ga, kijk ik voordat ik de bedompte slaapkamer in sluip nog even bij mijn zoon. Hij ligt op bed met zijn laptop voor zijn gezicht. Een wit appeltje licht op in de donkere kamer.

                     *

‘Wat kijk je?’, vraag ik.

‘Ik kijk naar De kinderen van juf Kiet’, zegt hij.

‘Dat keek ik ook beneden’, zeg ik verrast. ‘We hadden dus samen kunnen kijken’, vervolg ik spijtig.

‘Ja’, zegt hij en hij kruipt over het brede bed om mij een zoen te geven.

‘Welterusten’, zeg ik.

‘Dag’, zegt hij. 

                      *

Met oordopjes in mijn oren en de ogen van Maksem in mijn gedachten slaap ik onrustig in. De zomer is begonnen. ‘Boem boem.’

                     ***

Sneeuw

Op de dag voordat de sneeuw valt fietsen mijn man en ik naar de stad. De kou die ik guur noem maar mijn man koud dringt door tot mijn huid. Ik draag een fijne maar te dunne broek. 

                         *

We brengen eerst wat boeken terug naar de bibliotheek. ‘Ga je mee naar binnen?’, vraag ik aan de man die wel leest maar geen boeken uit de bibliotheek leent. ‘Ja’, zegt hij, ‘ik moet even opwarmen.’ In het oude schoolgebouw waarin de dorpsbibliotheek is gevestigd is het warm. Moeders met dik-aangeklede kinderen staan boeken af te stempelen al is de stempel vervangen door een modern systeem met een glad vlak waar je de boeken op schuift. Daarna hoop je dat de titel op een scherm verschijnt. Als alle titels met een vinkje op het scherm staan druk je op een groene button waar einde op staat. Het geeft soms wat gedoe maar meestal werkt het en nu is er nog maar één bibliothecaresse nodig. 

                          *

Ik heb met boeken wat mijn moeder had met lapjes-van-de-markt en wat anderen hebben met tassen, schoenen of postzegels. Boeken dwingen mij tot kijken, kopen, verzamelen. Met een schuin oog kijk ik naar de plank waarop de boeken staan die teruggebracht zijn door de moeders met kinderen. Misschien zit er iets bij. Ik spreek mijzelf intussen streng toe want naast mijn bed liggen twee stapeltjes boeken die ik nog moet lezen. Twee bibliotheek-boeken en zes gekochte dan wel gekregen boeken. Mijn man die mij inmiddels kent staat bij de deur van de bibliotheek naar de gang. Zijn lichaam staat op weggaan. Dus we gaan. 

                         *

Het vervolg van de tocht naar de stad doet onze gezichten verstrakken. De vingerkootjes in het bont van de leren handschoenen voelen langzamerhand dood aan. Ik trek ze voorzichtig in de handschoen terug naar de warme holte van mijn hand zonder de macht over het fietsstuur te verliezen. Twee verstrakte vijftigers op de fiets op de dag voordat de sneeuw valt.

                         *

Het doel van de tocht is een film waar ik heen wil. Ik zag dat de film deze week voor het laatst draait in de stad. Het liefste bezoek ik met iemand films en nu strikte ik mijn man die ik ‘s ochtends op zijn werk een berichtje stuurde met de vraag of hij meewilde. En omdat hij niet altijd nee kan zeggen wilde hij mee. 

                         *

In de bioscoop die Filmschuur heet maar een architectonisch hoogstandje is tussen de oude huizen in het rosse randje van de binnenstad wemelt het van de vijftigers. De film is uitverkocht. En ondanks dat wij op rij 2 zitten, de film twee uur en zestien minuten duurt, de zaal vol zit en het buiten koud is verdwijnen ongemakken, verglijdt de tijd en nemen de beelden ons mee naar een onwerkelijke locatie (Boekarest), een carrière-dochter (die met haar gekwetste teennagel stoïcijns op hoge hakken loopt) en een ontregelende vader (met fopgebit). 

                     *

En laat u niet ontmoedigen door bovenstaande gegevens, dat deden wij ook niet. In een wereld vol geweld en gevaar is deze film er één van liefde, herinnering, troost en hoop. Gewoon gaan: Toni Erdmann. 

                         *

En…het gíng sneeuwen. 

                       ***

De wandeling

Zo nu en dan doen wij wat leuks. Zelf kom ik niet verder dan een goede film of lekker uit eten. Mijn man is origineler. Hij regelde een half jaar geleden een Ciske de Rat-wandeling. En nu is het zover. De wandeling start bij het Centraal Station in Amsterdam en staat onder leiding van gids Daan.
                     *

Als wij om 10.00 uur aan komen lopen staat het groepje wandelaars al klaar op de afgesproken plek voor het station. Twee oudere dames en een echtpaar met hun zoon van een jaar of 11. Daan start monter met de tocht. Wij lopen en lopen en we zien dat Amsterdam wordt belaagd door toeristen met rolkoffers.  

                        *

Ratelend als mijn vroegere rolschaatsen met loden wieltjes stuiteren de koffertjes over de keien: roze, grijze, zwarte, grote en kleine rolkoffers. Een andere plaag zijn de wietwolken die opstijgen uit shops op iedere hoek van de straat. Zoet- weeïge vlagen dringen mijn neusgaten in. Groepjes rondzwervende mannen maken het beeld van onze hoofdstad compleet: getatoeëerde Engelsen, ze lachen, slaan elkaar op de schouders en drinken om 10.30 uur ‘s ochtends potjes bier. ‘s Avonds zal daar nog meer bier, gelal en hoeren-begluren bij komen kijken, denk ik, gok ik zo. Holy moly.

                           *

Intussen volgen wij Daan. Hij wijst ons op Het Kolkje, waar de film uit 1955 begint met Ciske, zittend op de ijzeren reling voor het water. We staan even stil bij de ‘Strijk-en-waschinrichting’ van de lieve tante Jans en het huis in de jaren-vijftig-film van de vreselijke moeder die Ciske vermoordde. En in de Czaar Peter-buurt staat de school van Ciske uit de jaren-tachtig-film. 

                         *

Op de Magere Brug zingt gids Daan een lied uit de film met Danny de Munck. Of uit de musical. Ik staar – met mijn handen diep in de zakken van mijn jas – over het water richting de Stopera. Ik voel me lichtelijk gegeneerd terwijl Daan uit volle borst zingt: ‘Amsterdam, is poep op de stoep, haat in de straat…‘ Een aantal toeristen kijkt verbaasd-geamuseerd naar ons, groepje van zeven, dat de Ciske de Rat-wandeling doet. In mijn jaszak trilt opeens mijn telefoon. ‘Straks even kijken’, denk ik. Na het lied.

                          *

Als het lied gezongen is lopen we verder. De stad ligt intussen in de zon zo mooi te zijn dat het pijn doet aan mijn ogen. Holy moly. 
Ik haal de telefoon uit mijn jaszak en ik lees een bericht dat gaat over Trix, de stokoude vriendin van mijn vader met de onlangs geopereerde knie. Zij kwam twee weken geleden bij mijn vader langs met Indische ontbijtkoek: ‘Heerlijke koek! Neem vooral!’, zei mijn vader twee weken lang tegen mij. De koek – liefdevol door Trix in kleine plakjes gesneden – raakte maar niet op. 

                         *

De 92-jarige Trix werd vorige week opgenomen in een Gelders ziekenhuis met onbegrijpelijke maagklachten. Ik schreef een kaart, nam deze mee naar mijn vader en ik vroeg of hij ook een zinnetje wilde schrijven. ‘Het gaat niet goed met Trix’, vertelde ik. ‘Ze vindt het fantastisch als we haar een kaart sturen.’ Mijn vader tekende letter voor letter een paar beverige woordjes. Toen hij klaar was vroeg ik: ‘Zet je je naam er niet onder?’ 

‘O ja’, zei mijn vader. Hij keek mij aan. 

‘Ad’, zei ik, ‘A…D.’ En mijn vader tekende A…D. Nu stond er, bibberig en nauwelijks leesbaar: ‘Liefs, Ad.’

                         *

We lopen achter Daan aan, richting Artis. En ik lees op mijn telefoon:
Dag Annelie, ik wil je laten weten dat Trix rustig in het stadium van palliatieve sedatie is beland, dus geen contact  meer. Maar vooral dat jullie kaart op tijd kwam, dat ze er zo blij mee was en zeg je vader dat ze van oor tot oor glimlachte bij zijn boodschap. Ze wilde geen verdere behandeling meer. We hebben sterk de indruk dat ze na hun ontmoeting de rust had hiervoor te kiezen.’

                         *

Ooit paste vrijgezelle Trix belangeloos op onze kinderen. Ooit was zij haar grote liefde tegengekomen. Dat gebeurde zo’n twintig jaar geleden en haar grote liefde was mijn vader. Hij wilde wel wat vriendschap. Mondjesmaat gaf hij toe aan Trix’ vragen en uitnodigingen voor uitstapjes. Liefde, nee, dat voelde hij niet voor haar. En nu is alles over en uit. De koek is op. 

                         *

En ik loop en loop over de prachtige grachten, ik zie de pakhuizen, ik ruik Artis en ik denk aan Trix, mijn vader, aan oude mensen en al die dingen die voorbij gaan. 

                          *

Voor het huis in de Czaar Peterstraat waar Ciske woonde in de jaren tachtig-film zingt Daan een laatste lied:

Misschien dat ik ooit het geluk nog vind

Maar hoe, dat is een groot probleem

Had ik maar iemand om van te houden

Twee zachte armen om me heen

Die mij altijd beschermen zouden

Ik voel me zo verdomd alleen

                        *

Vaarwel Trix. Vaarwel.

                      ***

Room

  
Een jongetje woont in Kamer. Hij slaapt in Bed en soms, als old Nick komt, slaapt hij in Kast. Het jongetje heet Jack en hij krijgt voor zijn vijfde verjaardag een zelfgemaakte taart. Een ‘5’ staat in het glazuur geschreven. 

                       *

‘Waarom staan er geen kaarsjes op de taart?’ vraagt Jack. 

‘Ik heb geen kaarsjes’, antwoordt zijn moeder.

‘Je had kaarsjes moeten vragen in plaats van een spijkerbroek!’, houdt Jack aan. Hij kijkt met grote ogen naar zijn moeder. Zij ziet er moe uit. Wallen onder haar ogen. Wit. Pukkeltjes op haar huid. 

‘Jack, je had een nieuwe broek nodig. Volgend jaar krijg je kaarsjes.’ 

‘IK WIL NU KAARSJES!’, schreeuwt Jack. 

                        *

De camera draait weg. De kamer is klein: een bed, een bad, een tafel met twee stoelen en een kast. Door een klein dakraam valt daglicht naar binnen. Moeder en zoon zitten opgesloten in Room. En alleen old Nick kent de code.

                       *

Het is stil in de bioscoop. We zitten allemaal in Room. Soms liggen we in Wardrobe. We kijken door de spleten van Wardrobe naar old Nick en luisteren naar zijn stem, de geluiden die hij maakt. We knutselen een slang van lege eierdoppen, we kijken t.v. En ons overvalt dezelfde moedeloosheid als die we zien in de ogen van Jacks moeder. Ogen als knikkers die te lang in de knikkerzak tegen elkaar aan schudden en butsten.

                       *

Ruim twee uur leven wij mee met Jack en zijn moeder. Overdonderd lopen we de filmzaal uit. Meegesleurd door de liefde tussen moeder en zoon, weergaloos acteerwerk en een uitzonderlijke cameravoering. 

                         *

Het is Goede Vrijdag. Over twee dagen is het Pasen. In de stad waar veel mensen zijn wandelt de afgelopen week als een schaduw achter ons aan. 

                         *

De week die ervoor zorgt dat mijn dochter en ik in de bioscoop praten over de kans dat hier iets gebeurt. De week die je in de filmzaal even doet zoeken naar de nooduitgang. Het besef dat we wel heel erg op de achterste rij zitten en er geen andere mogelijkheid is dan – als zich iets voordoet – diep weg te duiken achter de stoelen voor ons. 

                         *

De week die tot gevolg had dat tijdens het tentamen Bestuursrecht – voor zoveel studenten dat de universiteit een zaal huurde in de RAI – gezegd werd dat iedereen rustig moest blijven zitten terwijl politieagenten met honden de tafeltjes langsliepen en de honden alle tassen lieten besnuffelen. ‘Ach, mam, als er echt iets was hadden ze ons wel weg laten gaan.’ 

                         *

De week die tot gevolg heeft dat een Maastrichts ouderpaar de paasdagen doorbrengt in de wetenschap dat hun zoon en dochter – twintigers – dood zijn, een dertienjarig meisje nooit haar moeder terugziet en een peutertweeling alleen met hun vader eieren zoekt in de tuin. 

                        *

We leven net als Jack en zijn moeder in Room. Er zijn old Nicks maar ook is er Liefde. Vrolijke onbezorgdheid in de stad voor een paasweekend. Eten in een nieuw restaurant met een gekke naam. Een verjaardag: ‘Mam, ik kocht zoiets schattigs voor Lin: ik kan het bijna niet weggeven, zo leuk is het.’ 

                         *

Deze week overleed Johan Cruijff. De verlosser. Als er iemand is naar wie we willen luisteren is hij het:

‘Als je niet ken winnen, moet je zorgen dat je niet verliest.’ 

En zo is het.

                      ***

Smaak

  
Het is de eerste week van de Kerstvakantie. Ooit las ik over het lengen der dagen, zo mooi, dat ik niet wil weten wat het is. Lengen der dagen, woorden die een belofte inhouden.

                           *

Nu zijn de dagen kort. Ik schrijf in het donker met stilte om mij heen. Kinderen die geen kind meer zijn slapen. In mijn eerste halfslaap hoorde ik vannacht hun gestommel en heen-en-weer lopen. Het is vakantie. En we genieten van langzaam wakker worden, rustig beginnen en laat naar bed.

                           *

We kijken series op t.v., koken extra lekker want er is tijd. Tijd om na te denken, wat eten we? Waar hebben we zin in? En dan kiezen voor dikke ravioli’s, gevuld met spinazie. Truffelsaus en gewokte spinazie met knoflook erbij. Kleine plakjes knoflook sissen in de hete olie. De groente wordt lichtgroen en rul. De gladde ravioli, stugge vulling, zachte saus en rulle spinazie. Structuren en smaken als strelingen over de tong.

                         *

Het kind dat ‘s avonds in de keuken rommelt: ‘hier pap, mam, een kaneelbroodje!’ En het zachte deeg met kruidig kaneel ploft in de mond als eetbaar, roze bellenblaas-kauwgom dat naar vroeger smaakt. 

                          *

Overdag lachen we in de brillenwinkel om brillen waarmee je verandert van nerd in hippie, van schooljuffrouw in ‘hey, deze staat je echt leuk!’ Maar we kopen geen bril, we kijken alleen maar. We bezoeken een film in de Filmschuur. Dat prachtige gebouw in een van de oudste Haarlemse buurten. Oud- en nieuwbouw: glas en beton, baksteen en stucwerk. In zaal 2 moeten wij zijn. Het is druk. Groepjes vrouwen, mannen. 

                         *

Een paar donkere mannen krijgt uitleg in het Engels. Ik blijf even staan. Ik moet wachten op het kind. De mannen luisteren aandachtig naar de enthousiast-sprekende dame. Zij legt iets uit over het gebouw, de voorstellingen, de films. De mannen luisteren en kijken om zich heen. Ook in Haarlem worden vluchtelingen opgevangen. Is dit een groepje geïnteresseerde Syrische architectuur-liefhebbers? Toneel- en filmbezoekers? Daar is mijn kind en we gaan naar boven. De zaal is half gevuld. De stoelen zijn zacht. Stof met een grijs-zwart patroontje. We zakken erin weg.

                          *

En we worden meegenomen naar de jaren vijftig. Een warenhuis met liftboy. Een speelgoedafdeling met echte poppen: poppen met oogleedjes die op-en neergaan. Poppen met harde huidjes, deukjes onder de wangen, een poppenmondje. Een dame met kalfsleren handschoentjes koopt een cadeau voor haar kind. Van een verkoopster met poppen-ogen, zacht bruin haar met een pony. De dame heeft oranje lippen. Zij is mooi en sterk. 

                           *

Er is liefde. Liefde tussen de dame met de mooie, oranje mond en het poppenmeisje dat een baret draagt. Hoe kan je de liefde filmen? Nou, zo. 

                           *

Stil lopen we na afloop door een natte en winderige stad. ‘Wat een mooie film’, zegt mijn kind. ‘Ja, prachtig’, antwoord ik. En we denken aan het warenhuis, het bloesje van Therese met een driehoekige uitsparing op het borstbeen. De oranje mond en smalle, blauwe ogen van Carol. Zo kan de liefde zijn.

                         *

Smaakvol. 

                         ***

Zoon van Saul

  

Se questo è un uomo’

Voordat ik vertrok naar dat prachtige vulkaaneiland zag ik het al. De film waar ik naar uitkeek kwam naar Haarlem. ‘Son of Saul’, de film over een Joodse Sonderkommando. Sonderkommando’s hadden in de vernietigingskampen de taak lichamen van de vermoorde Joden uit de gaskamers te halen en te verbranden. Na een tijd werden deze Sonderkommando’s zelf vermoord. 

                          *

Tussen de levenloze vermoorden denkt Saul op enig moment het lichaam van zijn zoon te herkennen. Saul zoekt in Auschwitz een weg om zijn zoon fatsoenlijk te begraven.

                         *

Auschwitz en fatsoen. Auschwitz en beschaving. De tegenstelling. De grens van het menselijk lijden. Het sprankje mens dat in de zwaarste omstandigheden tevoorschijn komt. Ik geloof dat dat ze zijn. De redenen om naar deze film te gaan.

                         *

‘Ga je zondag met me mee?’, vraag ik mijn man. We zitten aan tafel. Weer thuis na een zonnige week op Lanzarote. De wind waait om het huis. 

‘Eh, wat zeg je?’, antwoordt de man die tijd wint. 

‘Die film, ‘Son of Saul’, over Auschwitz, ik mailde je laatst de recensie door.’

‘Ja, eh, ik weet niet hoor. Al die ellende. Waarom wil je dat zien?’

Aan tafel zit ook onze zoon.

‘De film is heftig, maar prachtig. Hij won al een prijs. Ik ga er niet alleen heen. Dat durf ik niet. Maar ik wil hem wel graag zien.’

                         *

Ik kijk naar mijn zoon. Hij neemt net een hap van zijn broodje.

‘Max, wil jij mee? Ik denk dat jij deze film ook mooi vindt.’ Onze zoon kijkt voortdurend films. Op tv, op zijn laptop, in de Pathé bioscoop. Hij houdt van film. En van geschiedenis. 

                         *

Ooit nam ik hem mee naar een film over Beiroet. Dat was tijdens het Cinekid-festival. Hij was toen een jaar of tien.

‘U weet dat deze film voor twaalf jaar en ouder is?’, vroeg het meisje dat onze kaartjes bij de deur afscheurde. En zij keek naar het kleine mannetje naast mij.

‘Nee, dat wist ik niet. Maar ja, nu zijn we er al. We proberen het maar.’

En wij namen plaats op de zachte stoelen in de heerlijke bioscoop in Haarlem, de Filmschuur.

                         *

De film bleek een aaneenschakeling te zijn van ontploffende bommen, geweld, gevaar en ellende. Toen de jonge hoofdpersoon zich de straat op waagde om melk en brood te kopen viel een bom of granaat op zijn huis. Bij terugkeer vond hij de overblijfselen van zijn familieleden. Niets werd aan de verbeelding overgelaten.

                         *

Tijdens de film keek ik links van mij op dat kleine koppie neer. Zijn gezicht verwikte noch verwoog. Na afloop aten we samen een hapje in de stad. We waren overdonderd. Ik vooral.

‘Vond je het niet te heftig Max?’

‘Nee hoor’, antwoordde hij, ‘wel erg dat hij zijn familie kwijtraakte, he mam?’ En hij stak een patatje in zijn mond. 

                           *

Ik dacht er nog lang over na. Over de film. Het jongetje. Het geweld. Beiroet. Mijn kind gamede lustig verder. Ik geloof dat ik er meer mee zat dan hij.

                          *

‘Als je meegaat eten we gezellig na afloop in de stad kaasfondue in ”t Goede uur.’ Dat is gemeen, ik weet het. Chantage. Maar het helpt. Het kind is dol op kaasfondue en hij wil zijn moeder tegemoetkomen deze keer.

‘Ik ga wel mee’, bromt hij en hij neemt een hap van zijn broodje.

‘O fijn!’, zeg ik en ik bestel direct de kaartjes en reserveer het restaurant.

                         *

Vanmiddag gaan wij. Naar ‘Son of Saul.’

‘U weet dat deze film voor twaalf jaar en ouder is?’

‘Ja, dat weet ik, maar we proberen het.’

                         *

Met mijn zoon naar de zoon van Saul.

                       ***