Sneeuw

Op de dag voordat de sneeuw valt fietsen mijn man en ik naar de stad. De kou die ik guur noem maar mijn man koud dringt door tot mijn huid. Ik draag een fijne maar te dunne broek. 

                         *

We brengen eerst wat boeken terug naar de bibliotheek. ‘Ga je mee naar binnen?’, vraag ik aan de man die wel leest maar geen boeken uit de bibliotheek leent. ‘Ja’, zegt hij, ‘ik moet even opwarmen.’ In het oude schoolgebouw waarin de dorpsbibliotheek is gevestigd is het warm. Moeders met dik-aangeklede kinderen staan boeken af te stempelen al is de stempel vervangen door een modern systeem met een glad vlak waar je de boeken op schuift. Daarna hoop je dat de titel op een scherm verschijnt. Als alle titels met een vinkje op het scherm staan druk je op een groene button waar einde op staat. Het geeft soms wat gedoe maar meestal werkt het en nu is er nog maar één bibliothecaresse nodig. 

                          *

Ik heb met boeken wat mijn moeder had met lapjes-van-de-markt en wat anderen hebben met tassen, schoenen of postzegels. Boeken dwingen mij tot kijken, kopen, verzamelen. Met een schuin oog kijk ik naar de plank waarop de boeken staan die teruggebracht zijn door de moeders met kinderen. Misschien zit er iets bij. Ik spreek mijzelf intussen streng toe want naast mijn bed liggen twee stapeltjes boeken die ik nog moet lezen. Twee bibliotheek-boeken en zes gekochte dan wel gekregen boeken. Mijn man die mij inmiddels kent staat bij de deur van de bibliotheek naar de gang. Zijn lichaam staat op weggaan. Dus we gaan. 

                         *

Het vervolg van de tocht naar de stad doet onze gezichten verstrakken. De vingerkootjes in het bont van de leren handschoenen voelen langzamerhand dood aan. Ik trek ze voorzichtig in de handschoen terug naar de warme holte van mijn hand zonder de macht over het fietsstuur te verliezen. Twee verstrakte vijftigers op de fiets op de dag voordat de sneeuw valt.

                         *

Het doel van de tocht is een film waar ik heen wil. Ik zag dat de film deze week voor het laatst draait in de stad. Het liefste bezoek ik met iemand films en nu strikte ik mijn man die ik ‘s ochtends op zijn werk een berichtje stuurde met de vraag of hij meewilde. En omdat hij niet altijd nee kan zeggen wilde hij mee. 

                         *

In de bioscoop die Filmschuur heet maar een architectonisch hoogstandje is tussen de oude huizen in het rosse randje van de binnenstad wemelt het van de vijftigers. De film is uitverkocht. En ondanks dat wij op rij 2 zitten, de film twee uur en zestien minuten duurt, de zaal vol zit en het buiten koud is verdwijnen ongemakken, verglijdt de tijd en nemen de beelden ons mee naar een onwerkelijke locatie (Boekarest), een carrière-dochter (die met haar gekwetste teennagel stoïcijns op hoge hakken loopt) en een ontregelende vader (met fopgebit). 

                     *

En laat u niet ontmoedigen door bovenstaande gegevens, dat deden wij ook niet. In een wereld vol geweld en gevaar is deze film er één van liefde, herinnering, troost en hoop. Gewoon gaan: Toni Erdmann. 

                         *

En…het gíng sneeuwen. 

                       ***

Advertisements

Smaak

  
Het is de eerste week van de Kerstvakantie. Ooit las ik over het lengen der dagen, zo mooi, dat ik niet wil weten wat het is. Lengen der dagen, woorden die een belofte inhouden.

                           *

Nu zijn de dagen kort. Ik schrijf in het donker met stilte om mij heen. Kinderen die geen kind meer zijn slapen. In mijn eerste halfslaap hoorde ik vannacht hun gestommel en heen-en-weer lopen. Het is vakantie. En we genieten van langzaam wakker worden, rustig beginnen en laat naar bed.

                           *

We kijken series op t.v., koken extra lekker want er is tijd. Tijd om na te denken, wat eten we? Waar hebben we zin in? En dan kiezen voor dikke ravioli’s, gevuld met spinazie. Truffelsaus en gewokte spinazie met knoflook erbij. Kleine plakjes knoflook sissen in de hete olie. De groente wordt lichtgroen en rul. De gladde ravioli, stugge vulling, zachte saus en rulle spinazie. Structuren en smaken als strelingen over de tong.

                         *

Het kind dat ‘s avonds in de keuken rommelt: ‘hier pap, mam, een kaneelbroodje!’ En het zachte deeg met kruidig kaneel ploft in de mond als eetbaar, roze bellenblaas-kauwgom dat naar vroeger smaakt. 

                          *

Overdag lachen we in de brillenwinkel om brillen waarmee je verandert van nerd in hippie, van schooljuffrouw in ‘hey, deze staat je echt leuk!’ Maar we kopen geen bril, we kijken alleen maar. We bezoeken een film in de Filmschuur. Dat prachtige gebouw in een van de oudste Haarlemse buurten. Oud- en nieuwbouw: glas en beton, baksteen en stucwerk. In zaal 2 moeten wij zijn. Het is druk. Groepjes vrouwen, mannen. 

                         *

Een paar donkere mannen krijgt uitleg in het Engels. Ik blijf even staan. Ik moet wachten op het kind. De mannen luisteren aandachtig naar de enthousiast-sprekende dame. Zij legt iets uit over het gebouw, de voorstellingen, de films. De mannen luisteren en kijken om zich heen. Ook in Haarlem worden vluchtelingen opgevangen. Is dit een groepje geïnteresseerde Syrische architectuur-liefhebbers? Toneel- en filmbezoekers? Daar is mijn kind en we gaan naar boven. De zaal is half gevuld. De stoelen zijn zacht. Stof met een grijs-zwart patroontje. We zakken erin weg.

                          *

En we worden meegenomen naar de jaren vijftig. Een warenhuis met liftboy. Een speelgoedafdeling met echte poppen: poppen met oogleedjes die op-en neergaan. Poppen met harde huidjes, deukjes onder de wangen, een poppenmondje. Een dame met kalfsleren handschoentjes koopt een cadeau voor haar kind. Van een verkoopster met poppen-ogen, zacht bruin haar met een pony. De dame heeft oranje lippen. Zij is mooi en sterk. 

                           *

Er is liefde. Liefde tussen de dame met de mooie, oranje mond en het poppenmeisje dat een baret draagt. Hoe kan je de liefde filmen? Nou, zo. 

                           *

Stil lopen we na afloop door een natte en winderige stad. ‘Wat een mooie film’, zegt mijn kind. ‘Ja, prachtig’, antwoord ik. En we denken aan het warenhuis, het bloesje van Therese met een driehoekige uitsparing op het borstbeen. De oranje mond en smalle, blauwe ogen van Carol. Zo kan de liefde zijn.

                         *

Smaakvol. 

                         ***

Zoon van Saul

  

Se questo è un uomo’

Voordat ik vertrok naar dat prachtige vulkaaneiland zag ik het al. De film waar ik naar uitkeek kwam naar Haarlem. ‘Son of Saul’, de film over een Joodse Sonderkommando. Sonderkommando’s hadden in de vernietigingskampen de taak lichamen van de vermoorde Joden uit de gaskamers te halen en te verbranden. Na een tijd werden deze Sonderkommando’s zelf vermoord. 

                          *

Tussen de levenloze vermoorden denkt Saul op enig moment het lichaam van zijn zoon te herkennen. Saul zoekt in Auschwitz een weg om zijn zoon fatsoenlijk te begraven.

                         *

Auschwitz en fatsoen. Auschwitz en beschaving. De tegenstelling. De grens van het menselijk lijden. Het sprankje mens dat in de zwaarste omstandigheden tevoorschijn komt. Ik geloof dat dat ze zijn. De redenen om naar deze film te gaan.

                         *

‘Ga je zondag met me mee?’, vraag ik mijn man. We zitten aan tafel. Weer thuis na een zonnige week op Lanzarote. De wind waait om het huis. 

‘Eh, wat zeg je?’, antwoordt de man die tijd wint. 

‘Die film, ‘Son of Saul’, over Auschwitz, ik mailde je laatst de recensie door.’

‘Ja, eh, ik weet niet hoor. Al die ellende. Waarom wil je dat zien?’

Aan tafel zit ook onze zoon.

‘De film is heftig, maar prachtig. Hij won al een prijs. Ik ga er niet alleen heen. Dat durf ik niet. Maar ik wil hem wel graag zien.’

                         *

Ik kijk naar mijn zoon. Hij neemt net een hap van zijn broodje.

‘Max, wil jij mee? Ik denk dat jij deze film ook mooi vindt.’ Onze zoon kijkt voortdurend films. Op tv, op zijn laptop, in de Pathé bioscoop. Hij houdt van film. En van geschiedenis. 

                         *

Ooit nam ik hem mee naar een film over Beiroet. Dat was tijdens het Cinekid-festival. Hij was toen een jaar of tien.

‘U weet dat deze film voor twaalf jaar en ouder is?’, vroeg het meisje dat onze kaartjes bij de deur afscheurde. En zij keek naar het kleine mannetje naast mij.

‘Nee, dat wist ik niet. Maar ja, nu zijn we er al. We proberen het maar.’

En wij namen plaats op de zachte stoelen in de heerlijke bioscoop in Haarlem, de Filmschuur.

                         *

De film bleek een aaneenschakeling te zijn van ontploffende bommen, geweld, gevaar en ellende. Toen de jonge hoofdpersoon zich de straat op waagde om melk en brood te kopen viel een bom of granaat op zijn huis. Bij terugkeer vond hij de overblijfselen van zijn familieleden. Niets werd aan de verbeelding overgelaten.

                         *

Tijdens de film keek ik links van mij op dat kleine koppie neer. Zijn gezicht verwikte noch verwoog. Na afloop aten we samen een hapje in de stad. We waren overdonderd. Ik vooral.

‘Vond je het niet te heftig Max?’

‘Nee hoor’, antwoordde hij, ‘wel erg dat hij zijn familie kwijtraakte, he mam?’ En hij stak een patatje in zijn mond. 

                           *

Ik dacht er nog lang over na. Over de film. Het jongetje. Het geweld. Beiroet. Mijn kind gamede lustig verder. Ik geloof dat ik er meer mee zat dan hij.

                          *

‘Als je meegaat eten we gezellig na afloop in de stad kaasfondue in ”t Goede uur.’ Dat is gemeen, ik weet het. Chantage. Maar het helpt. Het kind is dol op kaasfondue en hij wil zijn moeder tegemoetkomen deze keer.

‘Ik ga wel mee’, bromt hij en hij neemt een hap van zijn broodje.

‘O fijn!’, zeg ik en ik bestel direct de kaartjes en reserveer het restaurant.

                         *

Vanmiddag gaan wij. Naar ‘Son of Saul.’

‘U weet dat deze film voor twaalf jaar en ouder is?’

‘Ja, dat weet ik, maar we proberen het.’

                         *

Met mijn zoon naar de zoon van Saul.

                       ***