Ongelukje 



Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wij maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
 

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

 

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale 

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –


Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

                      *

‘s Avonds laat hoorde ik boven een stem en een vloek. De stem die door een telefoon sprak was van mijn man. De vloek ook. Ik had geen zin in de stem noch in de vloek. Ik nestelde mij op de bank voor de tweede helft van de avond en ik keek naar de film Room. 

                       *

Ooit zag ik deze film over een jonge vrouw – door Old Nick opgesloten in een schuur – in de bioscoop. Old Nick kwam zo nu en dan langs. Dan verstopte Joy haar vijfjarige zoon Jack in Wardrobe. Jack keek stiekem door de paneeldeurtjes naar zijn moeder, zag de contouren van Old Nick en telde de piepjes die het bed met zijn moeder en Old Nick erin maakte. Als Old Nick weg was tilde zijn moeder Jack weer over naar haar bed. Samen sliepen ze. Totdat het licht van Dakraam hen wekte.

                        *

Ik weet niet waarom ik voor de tweede keer naar deze wondermooie maar gruwelijke film keek. Waren het de ogen van Jack? De blik van zijn moeder? De dreiging van Old Nick? Angst die we allemaal wel eens voelen al is het maar in onze dromen? Ik zat op de bank met onder beide handen een poes. Tijdens het kijken frummelde ik in hun vacht en draaide ik krulletjes in het zachte haar. Ze vonden het best, spinden zelfs.

                       *

Daarna ging ik slapen. En ik droomde van een huizenruil en de benauwenis van de onvoorstelbaar slechte ruil van ons huis met een krappe studentenflat. 

                        *

‘s Ochtends vertelde mijn man mij over de vloek.

‘Max belde gisteravond dat hij met mijn auto een aanrijding had in een parkeergarage in Amsterdam.’

‘Misschien is het wel goed dat hij nu zo’n ongelukje heeft’, vervolgde hij. ‘Daar schrikt hij misschien van en rijdt daarna weer voorzichtiger.’

                          *

Ik knikte. Dat zou kunnen. En ik dacht aan mijn eerste ongelukje met mijn vaders auto. Mijn vader reageerde nauwelijks op de schade en mijn trillende benen. ‘Het kan gebeuren’, zei hij. Het is alweer zo lang geleden. Ik wilde nog vragen aan mijn man: ‘Vloekte je tijdens of na het gesprek met Max?’ Maar ik liet het zitten.

                        *

Onze zoon kwam ‘s ochtends vroeg thuis. Aangenaam verrast door zijn laconieke ouders. Van schrik vergat hij zijn ochtend-humeur. Opgewekt ontbeet hij met ons mee.

                        *

Ik dacht nog even aan mijn droom en de benauwenis van de huizenruil en die aftandse een-kamerflat. Ik wilde het vertellen maar ik liet het zitten. Het leek onbelangrijk.

                        ***

  

Advertisements

Van de jongens die naar Parijs fietsten 

Het is dinsdag. Vaderdag. Morgen is het woensdag. Koningsdag. Ik ren tussen twee hagelbuien door naar de auto. Bij de visboer is het, in tegenstelling tot andere dinsdagen, druk. Een piepklein meisje – bruine, steile haren met een klein schuifspeldje – lacht naar mij. Op haar dunne beentjes wankelt ze naar me toe. Nog zo’n stralende lach. Ik lach terug.

                             *

Met de visjes in mijn hand stap ik weer in de auto. De hagelstenen zijn overgegaan in grote regendruppels waarvan er een achter mijn brillenglas belandt. Scheel kijkend door de druppel rijd ik naar Heemstede. Het is noodweer. Bij mijn vaders flat is een plek vrij naast de deur, een smalle plek maar het lukt mijn piepende auto – alle waarschuwingssystemen werken prima – tussen een sneue Kia en dito Hyundai in te zetten. Ik wurm me met de visjes uit de auto en ren de hal van de flat in. Ik vergat de sleutel van mijn vaders flat en ik glip het gebouw binnen terwijl een aardige dame naar buiten gaat. 

                            *

Boven, bij mijn vaders deur bel ik aan. ‘Anne, hallo!?’, hoor ik. 

‘Ik sta hier, pa!’, roep ik tegen de deur. ‘Ik ben al boven!’ Even staat mijn hart stil. Wat, als hij gevallen is en op de grond ligt, hulpeloos? Ik heb geen sleutel. Achter de deur klinkt geschuif en de deur gaat open. Mijn vader doet open. 

‘Ik hoor niet of je beneden staat of boven’, zegt hij met een verontschuldigend lachje. Hij was dus mijn naam aan het roepen in de intercom. 

‘Ik kon met iemand meeglippen’, zeg ik, ‘Dus ik stond al hier.’ Hij loopt, nee, schuift langzaam, wijdbeens en zonder stok naar de keuken. Ik leg de haringen op het aanrecht. De boterham ligt klaar. Uit de woonkamer klinkt het geluid van de televisie. Ik hoor de tune van het journaal, het is twaalf uur.

                          *

‘Ik heb al thee gezet’, zegt mijn vader terwijl hij minutieus de haring schoonmaakt en netjes op zijn geroosterde boterham legt. 

‘Ik schenk het zelf wel even in’, zeg ik. Ik pak het glas dat ook klaarstaat, haal het zakje uit de inmiddels zwart-getrokken thee en schenk in. Ik hoop dat het water gekookt heeft. Ooit zag ik mijn vader thee zetten met heet water uit de kraan. ‘Dat kan net zo goed’, beweerde hij, ‘Je proeft niet het verschil.’ Gruwelijk. 

                             *

Met mijn thee en het bordje met de boterham loop ik de kamer in. Ja, het journaal staat aan. Ik ga zitten, mijn vader komt langzaam aanlopen. Hij laat zich in zijn stoel zakken voor het raam en zegt dat het een heerlijke stoel is.

‘Je kan zo lekker je benen uitstrekken’, zegt hij en hij doet het voor. Zijn benen tilt hij een beetje op van de vloer. ‘Ja, het lijkt mij een heerlijke stoel’, zeg ik. 

                            *

We kijken naar het journaal. We zien de boot waarop morgen de koning met zijn gezin wordt vervoerd. 

‘Ze zullen het wel koud krijgen morgen’, zeg ik, ‘Op zo’n open boot.’

‘Ze kleden zich erop’, weet mijn vader. De weerman legt uit dat het pokkenweer wordt morgen. Net als vandaag. Langs de grote ramen van mijn vader waait een regengordijn van rechts naar links. Een fietser fietst moeizaam tegen de regen en wind in, hij heeft een zwarte poncho aan. De bomen met jong groen hellen over als riet in het open veld. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik.

‘Wat zeg je?’, vraagt mijn vader. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik wat harder. ‘Ja, zeg dat wel, het klimaat is in de war.’ Mijn vader schudt zijn hoofd. ‘Het is bijna mei en het is…’ Hij schuift naar voren in zijn stoel. Op de salontafel staat een apparaatje waarop hij de temperatuur afleest. ‘7 graden maar’, verzucht hij. 

                             *

Voor de tweede keer verschijnt op t.v. het item van de boot met de oranje kussens voor de koninklijke familie.

‘He, dat hebben we toch al gezien?’, vraagt mijn vader en hij zet de t.v. uit. 

                             *

‘Ik ga nog een paar dagen met Julia naar Parijs’, vertel ik. ‘Volgende week.’

‘O, leuk, wanneer ga je precies?”

‘5 mei’, zeg ik,’ Ik schrijf het wel even op.’ En in de lege agenda schrijf ik op de donderdag ‘Annelie en Julia naar Parijs.’ Op de zondag schrijf ik ‘Annelie en Julia terug.’

Opeens lichten mijn vaders ogen op. ‘Na de oorlog fietste ik met twee vrienden naar Parijs. Je weet wel was ook mee, eeeh, hij is net overleden…’ Ik kom ook zo gauw niet op de naam van de man die ik als klein kind wel eens zag. Een vrolijke man met een groot gebit. ‘Ted Forster’, zegt mijn vader. Ted overleed een week of drie geleden. Mijn vader ontving een rouwkaart. Op de voorkant stond een plaatje van de zee met een wegzeilend schip. Mijn vader zou naar de crematie gaan. Toen ik de volgende dag kwam zei hij: ‘Ik ben er niet naar toe gegaan. Ik ken er niemand.’ 

                              *

‘Wij fietsten via Nijmegen en Maastricht naar Parijs. Wij dachten dat doen we wel even, maar het was heuvelachtig in België!’… Mijn vader wijst met zijn hand de heuvels en dalen van de Ardennen aan. 

‘Als we naar beneden fietsten ging het hard! We hadden allemaal een petje op en door de harde wind woei mijn petje af. Zo in de hand van Ted die achter mij fietste!’ Mijn vader lacht bij dit beeld dat hij alleen ziet. ‘Hoe kan dat, he, dat je zo’n petje vangt!? Maar het gebeurde echt. 

We sliepen onderweg op het land bij een boer in een tentje dat te klein was. Onze voeten staken zo uit de tent.’ Weer gaan zijn benen naar voren. ‘ ‘s Ochtends werden we wakker doordat de koeien aan onze voeten likten.’ Mijn vader lacht weer.

‘Was dat vlak na de oorlog?’, vraag ik.

‘Ja, vlak na de oorlog. In Parijs logeerden we bij een neef van Ted.’ 

                            *

Als ik wegga zegt mijn vader: ‘ Goh, ik heb weer zo’n haartje voor mijn oog, ik kijk er gewoon scheel van.’

‘Ik knip het wel even bij’, zeg ik. Mijn vader bukt en pakt een schaar uit de la. Ik kijk naar zijn grijze, warrige wenkbrauwen. Ik knip heel voorzichtig een paar haartjes weg.

‘Zo kan je weer goed kijken’, zeg ik.

‘Dank je wel’, zegt hij, ‘En bedankt dat je er was.’ 

‘Tot zondag!’, zeg ik,’ en als er wat is dan hoor ik het, he?!’ 

                            *

Ik ga weg en ik laat de man die ooit naar Parijs fietste alleen. 

                           ***

‘Dag Puck’

  
Mijn sleutel hapert. Ik krijg de voordeur niet open dus moet ik aanbellen. Van verre hoor ik: ‘ik kom eraan!’ En ik roep door de deur: ‘Ja, oké!’

                         *

Het duurt even. Als ik met de auto aan kom rijden bij de flat zie ik mijn vaders grijze hoofd net uitsteken boven de vensterbank. Hij zit in zijn luie stoel. Daar komt hij nu met moeite uit, langzaam loopt hij naar de voordeur. Ja, daar is hij.

                          *

‘Waarom doet de sleutel het niet?’

‘Ja, dat weet ik ook niet, pa’ en ik probeer en probeer. Ik draai de sleutel een paar keer rond. ‘Ja, nu doet hij het wel. Het is raadselachtig.’ Ik loop naar binnen en kus mijn vader op zijn zachte wang. Hij is inmiddels van mijn lengte, zeker zo’n tien centimeter kleiner dan vroeger. Ik denk aan mijzelf. Hoe klein zal ik dan wel niet worden over 40 jaar? Ik grinnik en denk aan een grijs dametje van 1.50 meter dat zich met moeite uit haar luie stoel bij het raam hijst om de deur te openen. 

                            *

‘Ik heb een stuk appeltaart voor je meegenomen’ zeg ik en ik leg de taart op het aanrecht. ‘O, lekker’ zegt mijn vader, ‘wil je koffie?’

Ja, ik wil wel koffie. En nadat hij de Senseo aanzet waar mijn beker al onder klaar staat, pakt hij de taart uit het folie. ‘Ik neem zo mijn koffie’ legt hij uit. Ja, dat klopt. Vandaag ben ik vroeger dan gewoonlijk. Zijn koffie drinkt hij rond twaalf uur en het is nu pas tien uur. Het taartje vindt hij te lekker om te laten staan dus dat neemt hij wel. ‘Heb je suiker en melk in je koffie?’ ‘Ja, een heel klein beetje suiker en een scheut melk. Wacht, ik doe het zelf wel.’ 

‘Deze doet het weer, ik heb hem helemaal schoongemaakt’ en mijn vader geeft de suikerpot aan die ik ken uit mijn jeugd. Een zilverkleurige, gesloten pot met een lus waar je wijsvinger doorheen gaat. Je drukt met je duim kort het knopje in. Snel heen en terug. Een scheutje suiker ontsnapt aan het tuitje. En ik voel mij het kind dat ik ooit was.

                        *

In de kamer vertelt Viggo Waas over zijn dwangneuroses. Zijn stem schalt door de kamer. ‘Ja, dat kijk ik altijd ‘s ochtends. WNL. Dat is een heel interessant programma’, zegt mijn vader. We kijken samen even door. Het programma is afgelopen en de reclame tettert door de kamer. ‘Ik zet hem maar uit’, zegt mijn vader en plotseling is het stil. Buiten valt de zoveelste hagelbui. We staren beiden door het betraande raam naar de overkant.

                          *

‘Ze zijn nu allemaal met de auto’, zegt mijn vader. Even weet ik niet waar hij het over heeft. Ik volg zijn blik. De bezoekers van de kerk. Zij zijn met de auto. ‘Ja, het weer is te slecht om te lopen. Iedereen gaat nu met de auto.’

‘Er kan ook een begrafenis zijn. Kijk eens hoe druk het is. Jij bent nu toch ook met de auto?’

‘Ja, ik ben ook met de auto.’

                         *

En opeens schiet mij mijn droom van vannacht te binnen. Ik ben op bezoek bij mijn vader. Hij loopt mij in de huiskamer tegemoet. Hij zegt wat, ik antwoord en hij valt. Hij valt zomaar op de grond. Op de nephouten marmoleumvloer. Ik ren naar hem toe. Ik kniel, pak zijn hand en vraag aan hem: ‘pa, wat wil je? Wil je gaan? Of wil je dat ik 112 bel?’ Hij kijkt mij met grote ogen aan. Bruin zijn ze, net als die van mij. Wijdopen. Hij geeft geen antwoord maar kijkt. Naar mij. Zijn hand vast en droog in de mijne. 

                         *

‘Nu wil ik wakker worden.’ Mijn wil wijzigt de droom naar halfslaap die snel verandert in klaarwakker zijn. Mijn ogen zijn wijdopen, het is warm. Mijn lijf is warm, weg het dekbed, mijn vader, wat wil hij?

                           *

In de krant las ik een interview met schrijfster Annejet van der Zijl. Zij schreef dit jaar een biografie over een pittige dame, ‘De Amerikaanse prinses’, – een vrouw die vijf mannen en drie kinderen verloor, – en zij zelf verloor dit jaar haar vader. ‘Aan het einde van zijn telefoontjes zei mijn vader altijd ‘dag poppie’. En dan zei ik: ‘dag pappie.’ Dat is weg.’ 

                             *

‘Dag Puck’, zegt mijn vader bij het weggaan, ‘gezellig dat je er was.’

‘Dag pa, tot dinsdag’, zeg ik.

                         ***

Witte orchidee

 Als ik kom aanrijden, mijn fiets neerzet, op slot doe en naar de toegangsdeur van de flat loop zie ik mijn vader in de hal staan. Hij heeft een envelop in de hand, kijkt op en ziet mij.
                         *

Wat wordt hij klein! Zijn stok klemvast in de rechterhand, de envelop in de linker, zegt hij mij blij gedag. Ik was een week op vakantie. Dus hij is blij me te zien. Samen lopen we door de tweede toegangsdeur naar de lift. 

‘Mijn voordeur heb ik openstaan’, zegt hij in de lift.

‘O ja?’ 

‘Ja, ik ben toch zo weer boven.’

                         *

We zijn er. Samen lopen we de gang door naar de openstaande deur.

Hij hijgt vreselijk.

‘Ik heb het bloedheet’, zegt hij.

‘Ga maar even lekker zitten’, zeg ik, bang dat hij ter plekke instort. Zo hijgt hij. Zijn gezicht is rood. Maar hij luistert niet. 

‘Jij moet even wat voor mij doen’, zegt hij.

De irritatie bedwingend vraag ik vriendelijk: ‘o ja, wat kan ik doen voor je?’

‘Ik heb die schilderijtjes opgehangen, dat was me een klus. Ik ben er de hele middag mee bezig geweest. Ik moest ook nog pluggen kopen’, zegt hij geïrriteerd. ‘En ik heb natuurlijk zat pluggen, maar die kon ik niet vinden.’ Hij kijkt mij aan. 

                         *

Drie jaar geleden heb ik allerhande klusspullen die in twee ruime kamers in zijn oude huis lagen in dozen geruimd: schroefjes, pluggen, spijkers. Gereedschap: hamers, beitels, schroevendraaiers. Een koffer met een elektrische boor. Sigarendoosjes met gebruikte schroeven, spijkers en pluggen. Touw, hout, een workmate. Dat laatste, de workmate, zo’n typisch-jaren-zeventig werkbank, paste trouwens niet in een doos. Een vies glas met oude tandenborstels. Blikken met restjes verf. Onaangebroken blikken verf. Wasbenzine, onbestemde voorwerpen en vloeistoffen in flesjes. Alles pakte ik in. Ik had het hart niet iets van deze rommel weg te gooien. Het waren bij elkaar wel twintig dozen. De verhuizers vloekten bij het optillen van enkelen daarvan. Ze waren zwaar.

                         *

Alle dozen met gereedschap plus de ingeklapte workmate staan opgestapeld in de berging naast zijn flat. Een doorn in zijn oog is het. Al zijn in mijn ogen verzamelde rotzooi -maar in de zijne kunstschatten – slecht bereikbaar in kartonnen dozen. En ja, die pluggen (‘gloednieuwe!’) kon hij niet vinden.

                         *

Met zijn roodaangelopen gezicht loopt hij naar een schilderijtje toe en pakt het van de muur.

‘Maar pa, het hing toch prima zo?’ zeg ik.

‘Nee, jij moet kijken, de schroef moet precies in dit gaatje vallen.’ Twee keer ‘moeten’ en eentje daarvan is voor mij. Hij wijst naar een metalen constructie met een opening waarin de schroef die uit de muur steekt hoort te vallen.

                         *

‘Als ik het nu ophang, kijk jij of het erin valt’, stelt hij voor.

Maar dat lukt niet. Hij staat wankelend zonder stok te hannesen met het schilderij dat veel te dicht langs de muur gehouden wordt om te kunnen zien of de schroef in het gaatje valt.

‘Geef mij maar even’, zeg ik kortaf en ik probeer het schilderij op te hangen op de voorgeschreven wijze. Maar het lukt mij niet. Ik kan onmogelijk zien of dat schroefje in het gat valt en ik voel het ook niet. Uiteindelijk hangt het schilderij zoals het daarvoor hing.

‘We laten die andere maar zitten’, zegt mijn vader, mijn gevloek en gezucht bij dit klusje aanhorend.

‘Ja, laat maar hangen zo. Het hangt toch prima?’

                        *

We gaan zitten op het balkon. Twee plastic stoeltjes met een kussentje staan klaar. De zon schijnt uitbundig. Was het op de fiets nog fris, nu is het erg warm in mijn spijkerbroek, t-shirt met lange mouw, leren jasje, dikke sokken in laarsjes.

‘Kijk, het is 12.00 uur, nu komen er veel auto’s langs’. Mijn vader wijst naar de rotonde voor zijn huis waar inderdaad veel auto’s hun halve en driekwart rondjes draaien.

‘Altijd zondag. 12.00 uur. Dan wordt het opeens druk. Door de week begint het om 7.00 uur, om 9.00 uur is de drukte voorbij. Dan om 12.00 uur begint het weer, waarschijnlijk gaan ze dan eten. En vanaf 17.00 uur tot 19.30 uur, dan gaan ze weer naar huis.’

Je maakt wat mee in de flat aan de Scholtenlaan in Heemstede, met uitkijk op de rotonde.

                         *

Opeens zegt mijn vader:’ wil jij een kopje koffie of wat anders?’ En hij staat op, zo snel als hij kan en dat is langzaam en moeizaam. Zijn wangen zijn frisrood, nu van de zon.

‘Oei, wat is het warm’, zegt hij en hij stapt de hoge drempel op van het balkon naar de huiskamer. Dan begint het ritueel van de geschilde appel, het koffiezetten, het opwarmen van een saucijzenbroodje. Dat neemt zeker twintig minuten in beslag.

‘Wat ruikt het lekker’, zeg ik. Ik ruik het broodje dat warm wordt in het kleine elektrische oventje dat op zijn volle aanrecht staat. Maar hij hoort het niet of is te geconcentreerd bezig met het zetten van de koffie.

                         *

Even later neemt hij plaats in zijn stoel bij het raam. ‘Je gaat niet meer buiten zitten?, vraag ik. De zon schijnt nog heerlijk op zijn balkon.

‘Nee, het is me te warm. Maar ga jij daar lekker zitten!’

‘Nee, natuurlijk niet, ik zit hier ook prima.’ En ik neem plaats op de bank met de rechte rugleuning. Na wat gekeuvel wil hij me wat laten zien. Een map met lege diavellen. Moeizaam peutert hij een velletje eruit waarin je dia’s’ kan opbergen.

                         *

‘Dit zijn ze, die vellen waar je dia’s in kan opbergen’, zegt hij.

‘Maar waarom laat je mij dit zien?, vraag ik.

‘Jij hebt al die dia’s van mij gekregen. Toen ik nog in Haarlem-Noord woonde’, zegt mijn vader.

‘Ik weet niet waar je het over hebt. Ik heb echt geen dia’s van jou.’ Maar mijn vader houdt vol. 

‘Jij had die film gemaakt van Max. Die film was mislukt. Ik gaf je toen die vellen met dia’s om foto’s eruit te halen van Max.’

‘Maar jij hebt toch helemaal geen foto’s van Max gemaakt?’, vraag ik verbaasd. Nooit heeft mijn vader mijn zoon gefotografeerd, op een Kerst-etentje na misschien.

‘Ja, ik heb heel veel foto’s van hem gemaakt! En ik gaf de vellen aan jou.’ 

                         *

Ik zucht en ik denk aan de vreselijke ontdekking jaren geleden dat de films van Max’ babytijd verprutst waren doordat mijn vader’s oude videocamera ‘die is nog heel goed!’ waardeloos bleek te zijn. De beelden van twee jaar babytijd waren op het volgeschoten bandje niet meer te zien of terug te halen. Met tranen in mijn ogen keek ik bij de fotograaf naar de mistige waas die de winkelier nog met veel kunst-en vliegwerk tevoorschijn had getoverd. Maar geen beelden van de vrolijke baby. Het deed me veel verdriet en ik denk niet graag terug aan de zogenaamde goed-werkende video-camera van mijn vader. Ik ben ook nog steeds kwaad op mijzelf dat ik hem geloofde. Maar als armlastige jonge ouders konden wij niet zomaar zelf zo’n duur apparaat aanschaffen en maakte ik graag gebruik van de zijne met de verzekering dat het nog ‘een prima apparaat’ was. Ik heb er van geleerd en heb nooit meer wat van hem overgenomen of gebruikt.

                        *

Ik geef maar toe dat ik naar de zoekgeraakte dia-velletjes zal kijken. Maar ik weet zeker dat ik ze niet heb. 

                         *

Als ik wegga verplaats ik op zijn verzoek nog wat planten en gooi ik een halve liter water uit de plantenbak waarin zijn gekoesterde witte orchidee staat.

‘Hij blijft maar groeien’, zeg ik.

Trots zegt mijn vader ‘Ja, hij gaat maar door. Kijk daar verschijnen nieuwe knoppen.’ En het is waar. Ik zie nieuwe knoppen aan de plant die ik niet mooi vind maar hij wel.

                         *

As ik wegga zegt hij: ‘leuk dat je er weer was. En zo lang dit keer!’ Ja, ik was lang gebleven vanwege die vakantieweek en omdat ik dinsdag niet kan komen. Nu blijkt dat hij dat goed in de gaten heeft. De tijd die ik bij hem doorbreng. Misschien voelt hij wel dat ik soms stiekem op mijn horloge kijk om te zien of ik al met goed fatsoen kan gaan. En ik voel me schuldig.

                         *

Als ik wegfiets staat de orchidee fier in de vensterbank. Wit en bloeiend. In de knop, gericht naar de warme zon. De werkweek begint morgen. Ik kijk naar de helblauwe lucht, fiets langs de Heemsteedse gazons, zo keurig gemaaid, langs de bermen met klaprozen en wilde bloemen waarvan ik de naam niet ken. En ik vraag me af:
hoe lang zal die orchidee nog bloeien?
                       ***

 

Slow Motion

 

In de haast ben ik de sleutel vergeten. Ik bel beneden aan: op het naamplaatje naast 152 staat keurig A.S. Jonquiere. Zwart op wit. Staat het er nu met of zonder streepje op de e? Ik herinner het me niet. Een oude dame wacht op iemand in de hal naast de buitendeur. 

‘Goedemiddag’, zeg ik vriendelijk.
‘Goedemiddag’, zegt ze.
                         *
Het duurt lang voordat ik wat hoor. Ik weet wat er gebeurt: opstaan, lopen, de telefoonhaak pakken, zijn naam zeggen. Ik hoor niets en voel de ogen van de dame in mijn rug prikken. Of is dat verbeelding en interesseert het haar geen klap dat ik daar sta? Ik kijk naar mijzelf: een vrouw, donker haar, leeftijd tussen de 45 en 55, een wit zakje in haar hand. Ze wacht, de vrouw.
                         *
Ja, ik hoor gekraak en het slot van de deur klikt open. Geen ‘hallo’ door de luidspreker, alleen de klik van het slot klinkt door de hal. Ik roep, geheel overbodig, naar de speaker: ‘ik ben het! Annelie!’ Nu weet de dame dat ik bekend ben en niet oude mensen in de flat beroof van geld en sieraden.
                          *
Na de klik ben ik in de gang en open ik de glazen deur rechts. Ik loop de twee trappen op naar boven. Nog een deur. De gang is verlaten. Het is stil.
                         *
De voordeur van het appartement staat op een kier en naast de deur-telefoon (hoe noem je zoiets?) staat mijn vader. Hij ziet er goed uit. Lacht mij toe. En ik zie hoe mooi de bordeauxrode bloes kleurt bij zijn getinte huid. Zijn broek zit losjes om de benen. 
                         *
‘Sleutel vergeten?’
‘Ja, suf hè?, en ik trek mijn jas uit, sjaal af. Ik drapeer ze over een stoel. Het zakje met de twee haringen leg ik op het aanrechtblad.
                         *
‘Heerlijk weer is het, hè? Mijn vader staat in de keuken. Ik zie dat hij zijn boterhammen roostert met boter erop. Boter in het broodrooster! Ik zeg niks. Hij pakt een stuk kaas uit de ijskast.
‘Dit is heerlijke kaas’, en hij schaaft er drie, vier plakjes af.
‘Boerenkaas. Heb ik op de markt gekocht. Ik ben er helemaal naar toe gelopen.’ De kaasboer op de markt staat halverwege de markt. Dat is een eind lopen. 
‘Zo’, zeg ik, ‘dat is best een eind lopen.’
‘Ja, ik ben bijna de hele markt afgelopen vorige week.’
‘Zo, prima, zeg. Ik kocht daar bij die kaasboer eens graskaas, pa, als ze dat hebben mag je een stuk voor me meenemen.’
                         *
Dat vindt hij geweldig. Hij, oud en slecht ter been, kan wat doen voor zijn dochter. Ik zie het aan zijn ogen. Hij heeft nog waarde, een functie. 
                           *
De keukenrituelen, wat gaan ze langzaam en precies. Ik bedwing mijn ongeduld. Meestal loop ik tussendoor naar de kamer. Dan pak ik mijn telefoon en ik check de mail, de whats app, alles om de tijd door te komen.
                         *
Nu blijf ik staan. Boterham twee, weer met boter, in het broodrooster. Haring erop. Snijden. Kleine stukjes, geen uitje wordt verspild. Netjes in het gelid liggen de stukjes brood. Zuur ernaast. Appel. Schillen. Op het bordje. Koffie. Water. Melk. Suiker. Op mijn horloge zie ik dat ik er al twintig minuten ben. 
                         *
‘Ik zat net lekker buiten, het is heerlijk op het balkon.’ Na wat geschuif met een bijzettafeltje en twee stoelen zitten we vijfentwintig minuten later samen op het balkon. Een klein randje zon schijnt op de voorkant van de balkonleuning. Ik heb op een tafeltje naast zijn stoel alles klaargezet. Brood, koffie, appel. We kijken samen naar de rotonde, recht tegenover zijn huis.
                         *
‘Wat een grote wagen!’ Een enorme oplegger met twee liggende kranen neemt de rotonde en rijdt de buurt in.
Mijn vader vertelt over de hijskranen die ooit in de flat van mijn moeder (mijn vader werd in die tijd nog gedoogd als huisgenoot en financier) ook nodig waren.
                         *
‘Voor de schuifpuien in Zandvoort gebruikten ze toen ook zo’n kraan. Dat moet wel op vijftien hoog.’
Ik heb dat verhaal al twintig keer gehoord. Na het plaatsen van de peperdure puien wilde mijn moeder scheiden. Na meer dan dertig jaar min of meer getrouwd zijn. Maar daar hebben we het niet over.
                         *
Er is veel te zien. Op het plein voor de kerk, die statig achter de rotonde opduikt, staan veel mensen. De klokken luiden indringend. Ik heb mijn bril niet op. ‘Kijk, een trouwerij of een begrafenis’, zeg ik.
                         *
‘Een begrafenis’, zegt mijn vader. En ja, nu zie ik een blankhouten kist met bloemen erop, gedragen door zes, acht, mensen. En ik denk aan de kist waarachter wij ooit liepen. Naar deze kerk, met net zo’n kist. We liepen met ons allen op de weg waar ik nu op uitkijk. Het was een treurige tocht. Mijn gedachten dwalen af naar die tocht, die dag. Mijn zoon en zijn vader droegen met vier anderen de blankhouten kist. De klokken luidden indringend. 
                          *
Mijn zoon droeg zijn oom, mijn man droeg zijn broer, mijn neef droeg zijn vader.
                         *
Na een uur zeg ik dat ik weg moet. Ik kus mijn vader. Hij bedankt mij voor de haring. En ik vertrek. Langzaam fiets ik naar huis. Mijn vader heeft gelijk. Het is schitterend weer.
                         ***

 

Lot uit de loterij

IMG_5189.PNG
In de gang met de vele deuren ruikt het naar stoofpeertjes. Stoofpeertjes met gehakt om precies te zijn. ‘Ha, dat ga ik ook weer eens maken’, denk ik bij mezelf. Wat een heerlijke geur.

Ik draai de sleutel om in het slot van mijn vaders flat. Hij weet dat ik kom, ik bel hem altijd van te voren op.
‘Ben je thuis?’, stel ik de immer-overbodige vraag.
‘Ja’, luidt steevast het antwoord.
‘Dan kom ik even bij je langs voor een kopje thee, komt het uit?’
‘Ja, gezellig’, zegt mijn vader.

In de flat van mijn vader ruikt het naar vis. Kibbeling. ‘Hallo, ik ben er!’ roep ik luid. Ik wil hem niet laten schrikken.
Mijn vader zet thee in de keuken. Hij draagt een mooi bordeaux-rood overhemd, een afzakkende bruine broek. ‘Het ruikt lekker hier, eet je vis?’
‘Vis?!’ zegt mijn vader, ‘welnee het ruikt hier helemaal niet naar vis!’
Ik steek mijn neus nogmaals in de lucht. Het is geen doordringende lucht maar het ruikt ontegenzeggelijk naar vis.

Ik til brutaalweg de deksels op van twee pannetjes, die al klaar staan op het fornuis. In het eerste zit, ja, wat is het? Een soort gestold vet met iets ondefinieerbaars erin. In het tweede pannetje zie ik…een visje! ‘Hé, dan ruik ik het toch goed!’ , zeg ik triomfantelijk.
‘Dat kan je niet ruiken’, houdt mijn vader vol,’ ik heb het gisteren al klaargemaakt.’

Ik heb geen zin in discussies over het wel of niet ruiken naar vis. En ik schakel over naar wat anders.
‘Ik neem de thee wel mee!’
‘Wat wou ik ook al weer doen?’
Mijn vader scharrelt nog steeds rond bij het aanrecht en draait zich om.
‘O ja, melk in mijn koffie.’
Ik neem mijn theekopje mee. Op tafel staat een geschild appeltje klaar.
‘Het was een joekel van een appel’, vertelt mijn vader, die achter mij aan loopt met zijn kopje koffie. ‘Kijk eens, hoeveel parten er af kwamen!’

Ik kijk. Ja, het was een grote appel. Wel tien blote partjes liggen op een bordje langzaam bruin te verkleuren.
‘Neem lekker een part!’ biedt mijn vader aan. En ik neem er één.

We nemen de week samen door. Er is niets bijzonders gebeurd, maar we hebben elkaar toch best wat te vertellen. Mijn vader ging woensdag naar een etentje bij de Chinees in Schalkwijk. Met ‘het bataljon.’ Geen idee wat dat precies is, maar het gaat om een jaarlijks terugkerend diner met soldatenmakkers van vroeger. ‘Heerlijk eten’, volgens mijn vader, ‘kijk, ik heb het menu voor je meegenomen.’ Ik kijk niet direct, vergeet het daarna. Mijn vader vertelt verder. ‘Er is altijd een loterij’

‘En, heb je wat gewonnen, pa?’
‘Nee, maar mijn buurman wel. Hij won een fles advocaat. Hij gaf die aan mij, want hij lust het niet.’
‘Jij dan wel?’, vraag ik verbaasd. Mijn vader drinkt geen druppel alcohol en ik heb hem nog nooit gezien met een glaasje advocaat. Hij kijkt mij een beetje betrapt aan. ‘Ik drink nooit, maar advocaat vind ik wel lekker’, bekent hij.
‘Je moet dat toch oplepelen?’ vraag ik hem. Maar mijn vader is al weer verder met zijn verhaal. De fles advocaat krijgt een vervolg.

‘Ik kwam gisteren mijn onderbuurvrouw tegen. Ik heb haar verteld van de loterij. Zij vroeg ook of ik wat gewonnen had. Ik zeg: ‘ja, een heerlijke fles advocaat! Ik kom binnenkort bij je of jij komt bij mij! Nemen we samen lekker een kopje advocaat!’ Mijn vader toch! Mijn 92-jarige vader flirt met zijn onderbuurvrouw!

Toen hij in deze flat kwam te wonen moesten de muren geverfd worden. Ik deed dat, ieder vrij uurtje in de week. Op enig moment werd er aangebeld. Het was zo’n doordringende bel en het gebeurde zo onverwacht dat ik bijna van de wankele ladder viel, met verf en al. Het bleek de onderbuurvrouw te zijn. ‘Niet om het één of ander, maar kunt u andere schoenen aantrekken? Ik hoor u telkens lopen.’ Ze keek misprijzend naar mijn oude laarsjes. Huh? Andere schoenen ? Tachtig procent van de tijd stond ik op een ladder. Had ze last van de twintig procent dat ik naar de keuken liep voor een doekje? Wat een warm welkom. En ik werd boos.

De onderbuurvrouw zag het en zei: ‘u hoeft niet boos te worden, ik meen het niet onaardig.’ Maar het kwaad was al geschied. ‘Nou, ik moet zeggen dat ik dit geen aardig welkom vind, hier in deze flat. Ik hoop dat mijn vader prettiger ontvangen wordt.’ Ik sloeg nog net niet de deur dicht voor haar neus, maar het scheelde niet veel.

De weken daarop kwam ik haar meer tegen dan me lief was. Ze groette altijd en minzaam knikte ik terug. Soms droeg ik mijn tikkende laarsjes, soms liep ik op aftandse gympen in verband met het sjouwen en schoonmaken.

Mijn vader ontving ze later zeer vriendelijk. Hij vond haar direct aardig. Een paar maanden na mijn vaders komst in de flat verloor de onderbuurvrouw plotseling haar man. Mijn vader was ontstemd over het onverwachte overlijden van zijn onderbuurman, die zeker zo’n vijftien jaar jonger was dan hij zelf. Toen ik de onderbuurvrouw weer tegenkwam en haar condoleerde zei ze dat mijn vader moest huilen toen ze hem vertelde van het overlijden van haar man. Mijn vader? Die nooit huilt? Het deed hem kennelijk nogal wat.

En ik had al direct gemerkt dat hij haar leuk vond. De bijdehante onderbuurvrouw met haar keurige tuintje, dat zij zelfs soms stofzuigt.

Ik knipoog naar mijn vader en zeg: ‘nou, gezellig hoor! Heb je eigenlijk wel van die kleine glaasjes?’
‘Nee, die heb ik gisteren bij je broer gehaald. Twee van die glaasjes,’ En hij lacht een beetje.

Binnenkort geniet hij van een advocaatje. Met de onderbuurvrouw. In zijn flat, die niet naar vis ruikt. Of in haar flat met uitzicht op de gestofzuigde tuin.

Het is vermakelijk.