Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***

Advertisements

Schoenenkast


 Wat een vader doet

(…)

Elke keer als jij verdwaalt,
elke keer dat je valt,
verdwaalt/valt een vader
tienduizend keer harder,
totdat het overal in hem schroeit

Totdat jij 

groot,

groter,

allergrootst,

voorgoed

boven zijn hoofd groeit

Benny Lindelauf

Uit: Er zit een feest in mij, Querido’s poëziespektakel 5, 2012


Op een mooie winteravond fietste ik naar de stad. Muts op, warme jas, handschoenen aan. Bergjes bladeren versierden de zijkanten van het pad, de straatlantaarns deden de blaadjes oplichten als een hoop bijeengewaaide sterren. Er stond geen zuchtje wind.
                       *

En langs het huis van mijn vader, bij de rotonde tegenover de kerk fietste ik. Mijn hoofd draaide naar links en ik zag een zwart gat. Het raam. Aan weerszijden hingen witte gordijnen, door mij half gesloten alsof mijn vader er nog was. Zijn grijze haren door het raam, blauw opflikkerend door de televisie die zo vaak aanstond. ‘We doen de gordijnen gezellig half dicht, pa, dan heb je een beetje privacy’ en zo langsfietsend – de geraniums liggen in gesloten vuilniszakken, de orchideeën branden in het vuur – kriebelde mijn neus. 

                        *

Ik hoefde de dag erop niet langs, geen haring, geen appeltje, geen Senseo koffie met ‘Ik laat het lekker nog een keer doorlopen anders is hij te sterk.’ Ik hoefde niet te vertellen over mijn werk, de fusie ‘Is dat nou nog niet klaar?’, mijn dochter, mijn zoon. Niets meer over eten bij oude vrienden, een uitje, de veteranen. Over en sluiten.

                         *

En daar, op dat pad bij de rotonde langs de kerk kriebelde het. Na weken van rondrennen en regelen bevroor zout op mijn wang. 

                         *

Daarbij gooide ik een leven weg: een leven van werken, vakanties, brieven, oorkondes, agenda’s, plaquettes. Ik zocht foto’s uit, Amerika, véél Amerika, Korea, Mexico, Taiwan. Foto’s van mensen die ik niet ken, bloemententoonstellingen. Mijn vader maakte foto’s van interieurs, kamers waarin hij sliep, een vakantiehuisje op Long Island, mijn vader onder een solar shower, een zak heet water opgewarmd door de zon, daar in het huisje op Long Island met zijn broer – die ook dood is.

                         *

We ontvingen een kaart van mijn Amerikaanse tante: in hoekige letters vertelt ze over mijn vader en zijn broer. Dat ze kattenkwaad uithaalden met zijn tweeën, ‘despite they were already old men’.

                          *

Ik vind een plaquette en nog één met in het Koreaans een opschrift. Eronder staat in het Engels een dankwoord voor Mr. A.S. Jonquiere voor zijn werk in Korea. 

                            *

Ik zie een foto van zijn vriendin Liz die zo gek was op mijn vader: achterop de foto van hen tweeën staat geschreven in vrouwenletters: ‘Toen ik zo blij was dat ik je kende.’ 

                           *

Ik gooi zijn leven in een vuilniszak. 

                       *

Kleine boekjes en envelopjes met foto’s: Italië, Rusland, Frankrijk, Cyprus, de Cariben, mijn God waar was mijn vader niet? China, Spanje, ik scan feestelijke optochten, marktjes, straten en gebouwen. 

                            *

Ik gooi een leven weg.

                        *

Mijn broer en ik verkopen en schenken meubels aan kringloopwinkels: boekenkasten, een bankje, zijn luie stoel, het televisie-tafeltje. Oude fototoestellen, lenzen, gereedschap, tien dozen vol. Er komt een man voor mijn vaders seniorenbed: ‘Het bed is voor mijn vrouw. Ze heeft te horen gekregen dat ze kanker heeft. Het bed komt in de kamer te staan.’ De potige man loopt om het bed heen, tilt het matras op. ‘Ik denk niet dat mijn vrouw blij wordt van het bed.’ En ik denk ook niet dat ze er blij van wordt. Ik wens de man sterkte toe met zijn vrouw en ik zie hem weglopen, de gang door. Een grote, geslagen man.

                        *

Een andere man neemt het schoenenkastje mee. ‘Misschien bel ik nog voor de tafel en stoelen. Ik wacht op een nieuw huis. Volgende week weet ik meer.’ En ik loop mee naar beneden met de plankjes van het schoenenkastje – ik zie de schoenen van mijn vader erop staan, en ik leg de planken in een Renault Kangoo vol rotzooi. ‘Tot ziens!’

                            *

De vloer die ik samen met mijn vader kocht – ‘Vind je dit een mooie kleur?’ ‘Ja, prachtig pa, daar past alles op!’, moet eruit. Ik trek aan een hoekje en het marmoleum laat los. 

                          *

Als ik wegga sluit ik de gordijnen. Die moeten ook weg. Maar nu sluiten ze het zwarte gat af, een paar dagen nog.

                           *

Ik gooi een leven weg. Nog even en we zijn klaar. 

                            *

Het laatste dat ik in mijn doos stop – de doos die ik meeneem, is een witte envelop. Er staat op geschreven: ‘Ansichten van alle bezienswaardigheden in Parijs van de fietstocht met drie vrienden, 1949.’ Ik stop de envelop in mijn doos, sluit deze, vouw de kartonnen flappen dicht, eerst de korte zijde, dan de lange, kort, lang. Dicht.

                         ***