Een lieve stad


Bij ons in huis staan opeens twee zwarte laarsjes. Halfhoog zijn ze, maat 35, hooguit 36. Ze staan fier rechtop. De laarsjes zijn van onze dochter.

‘Ik werk tot en met vandaag’, zei mijn dochter zaterdagochtend, ‘Dan kan ik volgende week nog even rustig aan doen.’

‘Ja, prima’, zei ik.

‘Kan je al mijn gespaarde geld voor China binnenkort aan mij overmaken?’, vroeg ze

‘Ja, natuurlijk’, antwoordde ik.

‘Mooi’, zei ze en ze ging naar beneden. 

                         *

Ik vind zodirect in de badkamer een paar lange, blonde haren, dacht ik slaperig. Ik droomde die nacht over haar. Dat ze haar vliegtuig in Guilin, een stad in Zuid-China, miste ‘Daar moet ik al om 5.00 uur ‘ s ochtends zijn als ik terugkom uit Yangshuo, hoe ga ik dat regelen?’, zei ze onlangs, meer tegen zichzelf dan tegen mij. Ik weet het ook niet. Wel weet ik dat ik wakker lag van de gedachte dat zij daar liep, ‘s ochtends vroeg in die Zuid-Chinese stad met zoveel inwoners, Chinese karakters, Chinese klanken, niemand die Engels spreekt. Ik moet uiteindelijk weer ingeslapen zijn ondanks de harde wind die onze slaapkamerdeur deed piepen en de gordijnen liet opwaaien, zachtjes als de ruisende rokken van een pirouettes-draaiende dame. 

                    *

Onze dochter vertrekt over een week naar China. Ze gaat daar een half jaar studeren maar eerst nog even reizen. In haar eentje. Met treinen, vliegtuigen en taxi’s. Naar miljoenen-steden, grillige gebergten, meren, rivieren en pandaberen. 

‘Ik ben daar toch een paar weken te vroeg, ik heb tijd zat om te reizen’, zegt ze. Samen zoeken we hostels, boeken we vliegtuigen, sturen we kopieën op van haar paspoort naar Chinese dames die in steenkolen-Engels mailtjes sturen met verzoeken om meer informatie. ‘Klopt dat wel?’, vraag ik mijn dochter. ‘Ja, ik krijg van mijn verhuurder ook dat soort vage mails’, zegt ze. En we sturen de paspoortgegevens maar door aan Chinese dames die Sue of Nikki heten.

                        *

‘Zullen we nog een keer naar de Dubuffet-tentoonstelling in het Stedelijk Museum gaan?’, vraagt mijn man.

‘Ja’, zeg ik, ‘Dinsdag ben ik vrij.’ 

                      *

‘Ons huis is per 1 augustus onderverhuurd, dus ik kom nog een weekje naar huis’, meldde onze dochter een tijdje geleden. Dus kwam ze thuis. Met acht dozen, zeven volle tassen, een koffer en een reistas. 

‘Ik ga mee naar de tentoonstelling van Dubuffet’, zegt ze. 

‘We kunnen met de auto, die zetten we dan in de Apollolaan’, stel ik voor. ‘Dat doe ik ook altijd als ik Barry bezoek. Dat gaat prima. Ruim plek, het is vlakbij het Museumplein en parkeren daar kost € 3,- per uur.’ 

‘O prima’, zegt mijn man, ‘Dan lopen we daar vandaan naar het Stedelijk.’ 

                          *

Op de Apollolaan zijn veel lege plekken. Ik parkeer de auto, ik activeer de handige parkeer-app en we lopen richting het Museumplein. Op de Apollolaan staan in de middenberm sculpturen, het is een beeldenroute, Art Zuid. En we zien Rudi Fuchs. Langzaam steekt hij over bij het zebrapad. Een zwarte bloes draagt hij en een zwarte, hoog opgetrokken broek die om zijn bolle buik spant. Wilde, grijze krullen. Een oude man. ‘Daar loopt de oud-directeur van het Stedelijk Museum’, zeg ik tegen mijn dochter.

‘He, wat?’, zegt zij en ze kijkt een man na op een opoefiets.

‘Nee, de man die nu oversteekt’, wijs ik haar op de gebogen, oude heer.

‘O’, zegt ze.

                        *

De tentoonstelling van Dubuffet is klein maar prachtig. In de tuin van het Rijksmuseum staan ook nog een paar sculpturen van Dubuffet. We wisten niet dat er een tuin was bij het Rijksmuseum. Maar die is er: met een fontein vol spelende kinderen, een vijver met lelies, perkjes gevuld met kleurrijke bloemen en stukjes gras met beelden van Dubuffet. Langzaam lopen we terug door Amsterdam- Zuid, via de Jacob Obrechtstraat, de Cornelis Schuytstraat. Langs het Hilton. 

                      *

‘De auto staat daar’, zeg ik en ik wijs naar een omhoogstaande, ijzeren knoop in de middenberm. Een sculptuur. Maar de auto staat er niet. 

‘Hier stond hij’, zeg ik en ik wijs naar de lege plek. Achter de lege plek staat een auto die wordt opgeladen. Een geel snoer kringelt van de auto naar een laadpaal. 

‘Ik weet het zeker’, herhaal ik, ‘Hier stond ie.’ Verbouwereerd staren we alledrie naar de lege plek. 

‘Gestolen?’, vraagt mijn dochter. 

‘Ja, ik denk gestolen’, zeg ik. Een piepklein autootje draait om ons heen. Het raampje gaat open.

‘You parked here?’, vraagt een donkere man, zijn elleboog ligt op de onderrand van het raampje. 

‘Yes’, stamel ik.

‘He was moved a while ago’, zegt de man. ‘This place is for electric cars’, vertelt de man en hij wijst op de lege plek en de auto die achter ons staat met de gele draad. ‘I didn’t know this was also a place for electric cars.’ zeg ik. Woede maakt zich van mij meester.

                        *

‘Wat doen we nu?’, vraagt mijn man.

‘We bellen parkeer-beheer’, zeg ik. De Amerikaan zet zijn mini-autootje op de stoep voor zijn huis. 

‘I live here, if you need anything, I’m in the house.’ 

‘Thank you’, zeggen we. Verslagen nemen we plaats op een bankje in de tussenberm van de Apollolaan. Met uitzicht op de ijzeren knoop.

                          *

Een dame van de gemeente Amsterdam die ik aan de telefoon krijg vertelt me dat onze auto is weggesleept en op de Daniël Goedkoopstraat 9 staat.

‘Goedkoopstraat?’, herhaal ik, ‘Is dat in Zuid?’

‘Ja, ergens in Suid’, zegt de vrouw. ‘U moet dat maar efe opsoeke op uw telefoon. De kosten bedragen trouwens €373.’ 

‘€373?’, herhaal ik.

‘Ja, €373, dat sijn de kosten voor het wegslepen. Dese moet u direct betalen.’ 

‘Maar ik heb het niet gezien, die plek, dat deze voor een elektrische auto was. Er waren zat parkeerplekken op de Apollolaan. Ik had best ergens anders kunnen staan. En ik heb de parkeer-app aangezet.’ 

‘Tja, toch mag u daar niet staan’, zegt de vrouw. Het gesprek is afgelopen. ‘Fijne dag’, wenst ze ons toe.

                         *

We nemen de tram, de metro en lopen over een desolaat bedrijventerrein waar parkeerbeheer huist. Een flinke dame achter een beveiligde balie beaamt dat het wegslepen van onze auto ‘belachelijk’ is. Maar dat in heel Amsterdam alle verkeerd geparkeerde auto’s worden weggesleept. 

‘Dat is het beleid mevrouw.’ Ik pin €373,-. 

‘Amsterdam is toch een iets minder lieve stad dan meneer van der Laan laatst op televisie vertelde’, zeg ik. 

                         *

Thuis staan de zwarte, halfhoge laarsjes midden in de kamer. Over een paar dagen gaat onze dochter weg. Naar China. Voor haar rechtenstudie. ‘Mam, ik zoek de jurisprudentie op.’ Ze tikt driftig op haar computer. 

‘Morgen schrijf ik een brief en daarna kan jij die in jouw woorden overschrijven. Daar kan je dan mee in bezwaar gaan.’ Ik kijk naar de laarsjes en die ene lange blonde haar op de rand van het tafelblad. Ik pak de haar op en laat deze langzaam op de vloer vallen.

                          *

Ik zal haar missen.

                          ***

De winkelier van Damascus

  
Droombeeld

Vanmorgen toen ik nog niet wakker was

maar al niet meer sliep sloop onzichtbaar

op gehoefde sokken het onheil binnen

in mijn bed, vlijde zich tegen mij aan

en fluisterde om mij niet te wekken mijn naam.


Terwijl ik mijn ogen niet opende zag ik

dat hij naar mij keek met ook zijn ogen dicht

het kussen streelde dat hij voor mijn lippen aanzag

en dat hem zoende zoals ik zou hebben gekust.

Wij omhelsden in de veronderstelling van elkaar.

Hagar Peters

                         *

In de hal staat een man, klein, pezig. Soepeltjes beweegt hij zich langs en door de – op gekruiste poten – geschraagde planken. IJverig en geconcentreerd legt hij hemd bij hemd, broek op broek. Stapeltjes T-shirts, wit, groen, zwart, hij vouwt zorgvuldig de shirtjes op: de mouwtjes naar binnen, zijn vingers strijken als vanzelf de zachte stof glad. 

                         *

De zijkanten vouwt hij naar binnen, twee kaarsrechte streepjes. Kleine shirts een keer overdwars dubbelvouwen, wat grotere twee keer. Liefdevol stapelt hij de kleding op. Wit bij wit, klein bij klein, groot op groot, van links naar rechts liggen de shirts overzichtelijk op de ruwe planken van klein naar groot. Zijn ogen trekken langs de shirtjes als die van een generaal langs zijn troepen. 

                         *

Hij kijkt door de half geopende deur naar de ruimte erachter. Het voortdurende geroezemoes klinkt vertrouwd. De meesten hebben gedoucht, zijn geschoren, ze hebben vannacht geslapen. 

                         *

Sommigen sliepen, ondanks dat ze moe waren, moeilijk in. Draaiend op het veldbed dat kraakte en bewoog bij iedere beweging, kwam de slaap niet. Maar zelf sliep hij ondanks de vreemde ruimte, het gekraak, zuchten en snurken en hier en daar kindergehuil, in.

                         *

De kleinste kinderen slapen. Ze doen een middagdutje. Baby’s slapen ‘s middags, ze slapen veel. Zijn baby’s sliepen ook ‘s middags. Daar, in zijn huis in Damascus. Boven het bedje draaide de witte ventilator zijn rondjes. De warme lucht streelde de babyhuid, het regelmatige gezoem liet het kind inslapen. Als hij voor het slapen gaan nog even buiten stond, rook hij de geur van zijn tuin, hij zag de sterren fel oplichten tegen de zwarte hemel. 

                         *

Hij denkt aan de aankomst, de avond ervoor. Met een bus kwamen ze hierheen. Hij tuurde door de ramen van de bus naar buiten maar hij keek in een donker gat. Het gat waar hij al jaren in keek. De lange busrit eindigde bij een grote hal. Het plotselinge licht van de hal deed hem knipperen met de ogen. 

                        *

Mensen drongen zich murw van vermoeidheid, hun kleding vies plakkend tegen hun lichaam aan, de bus uit naar buiten. De nachtlucht in dit land was koel. Oktoberkoelte. Zijn leren tas tegen zich aangedrukt, zijn plastic tas in de andere hand liep hij met de stroom mee. Aardige mensen lachten naar hem.

                         *

Een vrouw met een groen hes over haar kleding wees hem de weg. Ze gaf hem een papier. Nog steeds knipperend met zijn ogen liep hij de hal in. Het harde licht bescheen meedogenloos de grote ruimte. Rijen bedjes, vier aan vier met tussenruimten. Op een van de bedjes ging hij zitten. Zijn leren tas naast hem, de plastic tas schoof hij onder het bed. Hij pakte het papier, het was een beetje gekreukt. Hij las. 

                        *

Welcome to Voorhout!

 We will do our best to make your stay as comfortable as possible while you recover from your long and tiring journey.

House Rules:

– RESPECT other people around you

– All food is Halal

– Food must not be eaten in the dormitory

– Tap water is safe to drink

– NO SMOKING in the building

– NO DRUGS or ALCOHOL

– You must stay in the building between 10.00 PM and 07.00 AM

– You may leave the building between 07.00 AM and 10.00 PM

– When you leave the building you must check out and when you enter the building you must check in!

– Always wear your given wristband

– For any questions, please ask a member of the Red Cross Team.

                         *

Hij begreep dat hij ergens was. 

                         *

En nu staat hij hier. Tijdens het vouwen ordent hij naast de kleding zijn gedachten. Vrouw, kinderen, huis, winkel, reis, hier. Hij had een huis in Damascus, een vrouw, twee grote jongens en een meisje. Een huis met geurende tuin. Zijn winkel. Even knijpt hij zijn ogen dicht. Hij ziet achter zijn oogleden de kleurige kleding. Hangend op hangers, liggend op lange tafels. Een toonbank, de kassa. Door de ruiten ziet hij de straat. Er lopen mensen. Jong, oud, snelle en langzame. Hij maakt een praatje met de buurman, helpt zijn klanten, zet achterin het keukentje koffie. 

                         *

Als hij zijn ogen opent, ze waren maar even dicht, ziet hij de kleding hier, hangend op hangers, liggend op de schragen.

                         *

Hij loopt naar de deur, zet deze open. ‘You may come in.’ Zijn klanten komen binnen. Ze lijken op zijn zoons. Hij wijst hen op de shirts, de juiste maat. Broeken pakt hij op van de stapel. Dit is zijn winkel. Hij had een winkel in Damascus. Een vrouw, twee zonen, een dochter. Hij had een tuin. Hij had een huis. Een huis in Damascus.

                         ***
Nawoord

In de gemeenten Teylingen en Lisse ontvangen we dezer dagen een groep van 150 vluchtelingen 12 dagen op. In het persbericht van beide gemeenten staat het volgende:

‘Met de crisisopvang willen de gemeenten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. ‘We zijn er om onze medemensen te helpen. Het is onze menselijke plicht om voor mensen te zorgen die dat tijdelijk niet zelf kunnen’, aldus burgemeester Carla Breuer van Teylingen. ‘We zijn gevraagd deze mensen op te vangen en dat willen we ook graag. We zetten ons er voor in dat dit op een goede manier verloopt’, stelt burgemeester Lies Spruit van Lisse.’

Het vervulde mij de afgelopen dagen met trots om met een geweldig team bevolkingszorg een bijdrage te mogen leveren aan de opvang van deze mensen. We doen dit voor de hele groep vluchtelingen, maar in het bijzonder voor de kleine, grote winkelier uit Damascus. 

Annelie 

De circusklanten zijn weg

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5252.jpg
Je maakt wat mee op zomaar een über-druilerige dag in december. Mijn man had mij al gewaarschuwd: ‘onze auto’s moeten weg, morgen. Er staat een bord aan het begin van de straat.’ En wij speculeren over het onheil dat ons wacht.

‘Er komt vast zo’n gat in de weg als in de Krakeling’, sombert mijn dochter. ‘Iedere ochtend spring ik er overheen. Dat gat zit er al weken.’

Zelf heb ik ook visioenen van een (wederom!) wekenlang opgebroken straat, maar waarom? Alles is toch al gebeurd laatst? Aan het gezicht van mijn man zie ik dat hij nog rampzaliger scenario’s voor zich ziet.

Braaf verplaats ik ‘s avonds mijn auto. Deze staat nu voor één van de huizen uit het duurdere segment. In de Krakeling, het villawijkje dat zich inderdaad als een bros krakelingetje langs de Beukenvaart kronkelt.

Ik loop in het donker terug naar huis. ‘Heb ik de auto nu op slot gedaan?’ En ik loop weer terug. Mijn brein is een zeef met kleine gaatjes waar voortdurend kortdurende herinneringen doorheen vallen als fijn, zacht zand.

Ik kijk zowel bij het heen- als teruglopen bij iedereen naar binnen. Op de bank in het hoekhuis ligt een puber met een telefoon in de hand. Zijn vader doet de televisie aan. Zacht lamplicht verlicht de kamer. De twinkelende lichtjes van de kerstboom schitteren. Als ik mijn ogen dichtknijp zie ik kleine sterretjes.

Onze buurvrouw zit aan tafel en zij schrijft. ‘Vast de kerstkaarten’, denk ik. Nooit zit de buurvrouw aan tafel. En schrijven, dat zie ik haar nu voor de eerste keer doen. Even een straatje om en je ziet nog eens wat.

De volgende ochtend horen we in onze doodstille straat opeens een hoop lawaai. Om de hoek verschijnt een optocht van vier mannen in oranje hesjes. Zij blazen de blaadjes weg met een lawaaierige bladblazer.

Daarachter rijdt een blauw wagentje. Aan de zijkant roteren razendsnel, ja, wat zijn het? Ronddraaiende wieltjes. Zij pakken de blaadjes op en werken deze naar binnen, in de buik van de wagen. Achter het blauwe autootje rijdt een kleiner, wit wagentje. Dat ook veegt met ronddraaiende wieltjes.
Je maakt wat mee op een ochtend.

Ik sta zo te gapen voor het raam dat ik door mijn kind word gesommeerd daar weg te gaan. ‘Mam, dat kan echt niet, hoor. Zo stom staan kijken.’

Maar ik sta lang genoeg om te zien dat de wandelende bladblazer-formatie halt houdt. De wagentjes komen voor ons huis tot stilstand. Ik zie een dikke elleboog leunen op de binnenrand van het raampje.

Waarom staan zij stil? Ha, de bladblazers hebben onheil geroken en blazen de tuin van de vijf jaar geleden overleden meneer van Kessel schoon. Het huis staat treurig al vijf jaar leeg te zijn. En ja, bladeren hopen zich op in de tuin. Dat hebben de blazers goed gezien. Anders zou alles voor niets zijn. De van-Kessel-blaadjes waaien natuurlijk zo op en voor je het weet is het weer een rotzooi op straat.

Na drie minuten herstelt de optocht zich. Op de zijkant van het laatste autootje staat een zin. Ondanks de boze blikken van mijn dochter reik ik mijn hals om de letters te lezen:
‘De circusklanten zijn weg’, staat op de vuilwitte zijportier van de veegauto.

Tja, daar kan ik de rest van de dag mee door. Hoe raadselachtig.

Ik hoor een plof op de mat. Een kerstkaart. Van de buren. Ik ga zo maar eens de auto terugzetten.

Helden!

IMG_4713.PNG
‘Ook op kantoor kun je een held zijn’ is de titel van een artikel in De Volkskrant van 2 september. En in Trouw lees ik op dezelfde dag dat een theatermaker, Marcel Osterop, stage liep in Eindhoven in het artikel ‘Spelen met ambtenaren.’

We zijn weer allemaal aan het werk. Verhalen over vakantiezon, vakantieleed en zomerrampen maken in de krant plaats voor de sleur van alledag. En twee artikelen over werk. Het zal toeval zijn, twee verhalen over kantoorwerk op dezelfde dag. Ik lees er nooit wat over in de krant. Toch zijn er zo velen die werken ‘op kantoor.’ Zoals ik.

‘Het kantoor’ staat voor de microkosmos waarover de theatermaker zich oprecht verbaast. Waar hij zich na drie maanden stage bijna niet van los kan maken, zo leuk vindt hij het in het Eindhovense gemeentehuis. Welwillendheid valt hem ten deel. De mensen zijn aardig. Hij ziet passie. Het valt hem op hoe hard er gewerkt wordt door de ‘waterdragers’ zoals hij de Eindhovense ambtenaren betitelt: waterdragers omdat ze dienen. Maanden werken aan een stuk vol belangentegenstellingen, dat vervolgens door de raad verworpen wordt. Op de achtergrond voorbereiden, overleggen, terugkoppelen en weer inbrengen. Het is herkenbaar. Evenals de hartelijke sfeer, daar in het gemeentehuis: Marcel Osterop: (…) ‘na drie maanden moesten ze me met een stok van de afdeling af slaan.’

Natuurlijk wordt er gemopperd op kantoor. De politiek is ongeduldig. De bestuurder moet en wil resultaten laten zien. Daarom zit hij/zij op die plek. De ambtenaar draagt intussen emmers water aan. Overlegt, schrijft, overlegt , schrapt, herschrijft, legt voor en doet soms alles weer over. Maar de gedrevenheid verdwijnt niet. Blij- of zwaarmoedig begint men opnieuw.

Het tweede artikel, van David Brooks, heeft de prikkelende titel: ‘Ook op kantoor kun je een held zijn.’ Brooks vraagt zich af of je een held op kantoor kan zijn en ja, ‘(…)natuurlijk kan dat. Ook al zit je in je eentje op je werkplek, je denkt toch na. Goed blijven denken onder een stortvloed aan informatie is misschien een andere morele uitdaging dan goed vechten onder een kogelregen, maar je karakter wordt evengoed op de proef gesteld (…)’

Dan volgt een aantal intellectuele deugden waar de kantoorheld over moet beschikken.

De eerste is Leergierigheid, nieuwsgierig zijn en blijven. Wat er op je pad komt onderzoeken. Daar ben ik het volledig mee eens. Nieuwsgierig zijn en blijven is zo belangrijk. Of je 5 of 51 bent, goede en frisse ideeën krijg je door een verregaande leergierigheid en gretigheid om het nieuwe te ontdekken en uit te proberen.

De tweede deugd is Intellectuele Moed: ‘Intellectuele moed houdt (…) in dat je bereid bent er afwijkende denkbeelden op na te houden (…)’ Tja, dat zet aan tot denken. Dit heeft te maken met lef. Ben ik dapper genoeg? Hier kan ik zelf zeker nog wel aan werken.

De derde: Standvastigheid. ‘Je wilt niet iemand zijn die zijn overtuigingen bij de minste geringste tegenstand laat varen. Anderzijds wil je ook niet dogmatisch vasthouden aan een overtuiging als alles erop wijst dat die verkeerd is (…)’. Dit is een lastige. Je wil geen drammer zijn. Je wil luisteren. Je moet ook luisteren. Maar ja, de ander ook. Laten we maar zeggen dat dit een kwestie is van fingerspitzengefühl.

De vierde deugd is: Bescheidenheid. ‘De bescheiden mens strijdt tegen ijdelheid en eigendunk. Die schrijft niet van die heel fraaie zinnen alleen maar om te laten zien hoe slim hij is.’ Hm, die is wel confronterend. De strijd tegen ijdelheid is een oude: de Grieken noemden dit ‘hybris’. Daar komt nooit wat goeds van. Je dondert, gelijk Icarus, van de hoge rots af naar beneden. Dus pas op voor hoogmoed!

De vijfde deugd is Zelfstandigheid. ‘(…) zelfstandigheid is de middenweg van weten wanneer je moet buigen voor gezag en wanneer niet.’ Deze deugd lijkt op de derde: standvastigheid. Ik heb er niet veel meer over te zeggen dan dat het hierbij draait om dat fingerspitzengefühl.

En de laatste deugd is Kennis Delen: ‘Die deugd begint met de bereidheid kennis te delen en anderen de eer te geven die ze toekomt.’ Deze is echt belangrijk. En het is soms zo moeilijk. Maar niets is leuker dan anderen te zien stralen. Zelf heb ik het meeste geleerd van leidinggevenden die mij lieten zien hoe je iets aanpakt en mij daarna net iets te lastige dingen lieten doen. Ik zat als 23-jarige, in mijn eerste werkkring en eerste half jaar als juf, een vergadering voor. Zo griezelig, maar zo leuk. Vooral toen ik hoorde van de wijze directeur Henk P.: ‘Annelie, je was een heel goede voorzitter, mijn complimenten!’ Ik groeide toen zo’n 50 centimeter. En ik ben die opmerking nooit meer vergeten. Terwijl ik dit opschrijf denk ik: ‘is dit niet onbescheiden?’ Let op hybris! Ach, hoe lastig is het om deugdzaam te zijn…

David Brooks sluit zijn artikel af met een bespiegeling over goed denken. Dat zo moeilijk is ‘omdat we juist (daarmee) tegen de draad van onze natuur ingaan: tegen ijdelheid, tegen luiheid, tegen ons verlangen naar zekerheid, tegen ons verlangen pijnlijke waarheden uit de weg te gaan. Wijsheid is (…) de morele kwaliteit van weten hoe je met je beperkingen moet omgaan.’

En hoe waar is dat? Als kantoorhelden in het gemeentehuis boeken we zo graag snelle en goede resultaten. Dat lukt niet altijd omdat al die belangen bij elkaar brengen en afwegen zo ingewikkeld is. De raad wil dit, de bestuurder dat, de derde partij wil zus en jij? Jij raakt de weg kwijt in al deze meningen en wensen. Je wil ook nog graag eerst DENKEN voor te DOEN. Liefst met anderen. Maar daar neem je niet de tijd voor. Of je hebt het domweg niet.

Dan komen de deugden goed van pas: bescheiden maar standvastig schrijf je het voorstel. Moedig stap je naar de bestuurder en overtuigt hem/haar van jouw voorstel. Je vraagt om wat extra denktijd. Je luistert naar anderen en past hier en daar wat aan. Je bent niet hoogmoedig maar blijft nieuwsgierig. Later, in de raad, hoor je de wethouder jouw woorden herhalen. Je blijft bescheiden en denkt aan de laatste deugd: kennis delen en de ander de eer gunnen. Je bent trots. Jouw woorden…!

Het zijn ware helden, daar bij mij op kantoor.