Slow motion

Na De Val In De Sneeuw kwam het leven als een pruttelende brommer zonder benzine tot stilstand. Wat kan je doen met één hand? Met een naar voren gebogen nek letter voor letter op schoothoogte tikken, televisie kijken, voor je uit staren en boeken lezen. Geen echte boeken, deze zijn te zwaar. De e-reader is een uitkomst. Ik lees ‘Jasper en zijn knecht’ van Gerbrand Bakker. Over de schrijver zelf, zijn belevenissen in en rond zijn huis in de Eifel en zijn hond Jasper. 

                        *

Wekelijks schrijft Gerbrand Bakker een column in Trouw. Die ook gaat over belevenissen in en rond zijn huis in de Eifel en zijn hond Jasper. Alleen is Jasper een tijd geleden gestorven. In het boek is de hond nog springlevend. Gerbrand is open over zichzelf, zijn depressie, zijn schrijverschap. Mooi is het maar na weer een uitgegraven conifeer, een ontsnappende Jasper en klagende Duitse buurman leg ik Gerbrand opzij.

                       *

Wat kan je doen? Ik vraag mijn zoon mij in mijn jas te helpen. We vinden in huis een veiligheidsspeld. Daar maakt hij – nauwgezet gevolgd door mij – de jas om mijn schouder mee vast aan de brace. ‘Zo glijdt hij niet af’, zegt hij. Ik maak een ommetje. Onder de broeierige brace voel ik de gekwetste schouder licht bewegen. Ik trek met de linkerhand het klittenband van de brace om mijn middel los en zet kracht. Nu – met een geplet middenrif – moet het beter gaan met de schouder. Het is niet zo maar ik zet door. Het ommetje zal worden gemaakt.

                         *

De wereld zit vol nieuwe gevaren. Rennende schoolkinderen, langsrijdende fietsers, een busje dat groene afvalbakken schoonmaakt parkeert half op de stoep. Ik loop er met een grote boog omheen. ‘Groenfris’ staat met vrolijke letters op het busje. Ik wist niet dat er busjes waren voor het schoonmaken van groenbakken. Achter mij hoor ik het spuiten van water. 

                         *

Ik zie schapen in een weiland, een huis met een slinger van vlaggetjes – ‘Hulde aan het bruidspaar’, – een dame loopt mij tegemoet op het lege voet – annex fietspad. Bij het passeren kijk ik angstvallig achterom. ‘U kijkt goed uit, hè?’, vraagt de dame vriendelijk. Ik draai mij half om, de vrouw kijkt naar de brace, de speld en de afzakkende jas. ‘Ik brak mijn schouder’, zeg ik. ‘Ach, wat naar, beterschap voor u’, zegt de dame. Haar sjaaltje wappert in de wind.

                        *

‘Dank u’, zeg ik en ik vervolg mijn weg. Zometeen weer verder met Gerbrand, de Eifel en de hond. 

                        ***

Advertisements

Plantje

Dance Me to the End of Love

(…)

Dance me to the end of love
Dance me to the end of love
Dance me to the end of love

Leonard Cohen (1934-2016)
                          

‘Ik vind Gerbrand Bakker een geweldige schrijver’, zeg ik als ik zijn wekelijkse stukje heb gelezen in de krant.

‘Ik vind het helemaal niks’, zegt mijn man.

En dat begrijp ik niet. Hoe Bakker schrijft dat hij wandelt met zijn hond, kraanvogels ziet overvliegen en nog een groep lager vliegende kraanvogels en dat die vogels na een beetje passen, meten en door elkaar heen fladderen samen doorvliegen naar het zuiden.

                       *

Gerbrands nieuwe hond – met de geweldige naam Joop – blaft niet als de vogels weg zijn. En Gerbrand Bakker vindt dat jammer, het had zo mooi gepast in zijn stukje. Ik glimlach. Ik zie hem lopen met de niet-blaffende Joop en de vogels die over het dal in de Eifel vliegen in van dat grijze gehaktballenweer. Van dat weer dat wij ook hier hebben. Weer als een deken van grauw vocht.

                            *

Verderop in de krant lees ik een interview met Rutger Bregman. Rutger is 28 jaar en hij heeft al vier boeken geschreven. Hij citeert – als het over de liefde gaat – zijn moeder: ‘Ik word eigenlijk van iedereen moe, behalve van je vader.’ En ook dat is geweldig, zo’n definitie van liefde. 

                      *

En ik kijk naar mijn man die na het ontbijt stofzuigt – hij kondigde dat vóór het ontbijt reeds aan – en daarna alle was die wij laten liggen naar boven meeneemt en het maakt niet uit dat ik zeg dat ik zo een kerstboom koop waar weer rotzooi van komt, hij zuigt. Wel laat hij de stofzuiger liggen voor na de komst van de boom. Dan zuigt hij weer. Hij vraagt of ik nog wat heb voor de bonte was. En ik word er niet moe van.

                       *

En als ik vertel dat ik zaterdagochtend op het t.v.-tje van het fitness-apparaat een interview met de schrijfster A.S. Byatt zag dan weet hij wie dat is. ‘Vorige week werd er veel over haar geschreven in de krant’, zegt hij. En dat is zo.

‘Het is jammer dat ik niet de rust heb gewoon overdag eens te lezen’, verzucht ik en ook dat begrijpt hij. Hij las afgelopen donderdag overdag op de bank een boek maar greep toch vaak naar ‘dat ding’. Daar bedoelt hij de telefoon mee waar ik ook niet vanaf kan blijven.

                        *

Ook wordt hij niet moe van mij als ik zeg dat het plantje in de vensterbank zo leuk bloeit en ik vraag hoe we eigenlijk aan dat plantje komen. ‘Jezus, mam,’ zegt mijn zoon, ‘Dat heeft hij echt al een keer uitgebreid verteld.’ En opeens herinner ik mij dat mijn man dat vertelde. Het plantje waarmee hij op de foto stond in een boekje dat een kunstproject was met allemaal mensen met plantjes in hun handen. Dit was het plantje dat hij vast had. ‘Het bloeit nu zo mooi’, zeg ik. Maar ook dat scheen mijn man al een paar keer gezegd te hebben.

                          *

En zo gaat het, met het leven, de liefde. Soms raken sporen elkaar als twee zwermen vogels die over elkaar heen vliegen en met een beetje passen en meten en wat tijd samen doorvliegen naar het zuiden.

                         ***

De gids


Het is zomer. Columnisten die ertoe doen zijn op vakantie. Wim Boevink, Gerbrand Bakker, ze zijn er niet. Het is zomer en als ik mijn Ipad rechtop zet in het handige hoesje met opzetstuk krijg ik op het scherm te zien dat er 95% kans op neerslag is binnen vijftien minuten. Het klopt. 

                           *

Deze troosteloze dag biedt weinig keuzes. Op de fiets naar mijn vader wordt met de auto naar mijn vader. Daarna ligt een eindeloze middag – ga ik een boek lezen of voor de televisie hangen waarop de laatste stuiptrekkingen van de Spelen te zien zijn – voor me.

                          *

Olympische Spelen die verwachtingen over hoogvliegers niet inlosten maar onverwachte nieuwkomers brachten. Slechte en goede verliezers. Dafne die ‘kut’ zei en haar spikes weggooide en Churandy Martina die zijn stralende lach toonde met die glimmende, gouden tand in eindeloos vertrouwen, vrolijkheid en geloof in Zijn Heer. De Heer van optimisme, naïviteit en zorg om de medemens. ‘Ik hoop niet dat ik alle mensen die om drie uur vannacht voor mij de wekker zetten teleurgesteld heb.’ 

                          *

Ik ga maar naar mijn vader. Het is half elf. Als ik opschiet ben ik er voordat hij gaat eten. Dat is om twaalf uur, half een. Op de weg naar het verzorgingshuis sla ik af bij zijn flat. Ik haal beneden in de hal zijn post uit de brievenbus en aarzel: ga ik naar boven? Dat huis, de ruimte waarin alles staat, ruikt en voelt als mijn vader. Zijn stoel, de tafel met daarop de Telegraaf van 22 juni 2016 die hij niet opensloeg. Een vaas met water op het aanrecht waarin het laagje afwasmiddel is opgelost en dat nu troebel is geworden van het lange staan. De televisie waar ik de stekker uit trok, de vensterbank die steeds stoffiger wordt, mijn kinderen die mij toelachen vanuit zilveren lijstjes en mijn schoolfoto van de eerste klas op de middelbare school. Een verlegen lachend meisje met lange, ongekamde haren. 

                        *

De bakken op het balkon die mijn vader moeizaam vulde met aarde, plantjes erin plantte, ze water gaf. De bakken staan als gehavende soldaten in het gelid: alleen de geraniums bloeien, de rest haalde ik weg. Verpieterd en broos als beschuitjes verloor ik onderweg naar de prullenbak droge bloemetjes en dorre blaadjes. Ik veegde ze bij elkaar met een stoffer en blik dat ik uiteindelijk vond achter een trap in de rommelkast.

                           *

Ik klim met lichte tegenzin de trappen op naar boven. Als ik de flat binnenkom ruikt het naar oude man. Ik vul de gieter die in het kantoortje staat met water en loop naar het balkon. Drie geraniums bloeien uitbundiger dan ik verwacht. Ik moet ze water geven. Ik draai de sleutel van de balkondeur om in het slot, trek de hendels van de dievenklauwen naar beneden. Ik geef de plantjes water en pluk de uitgebloeide bloemetjes eruit, een illusie in stand houdend.

                          *

Als ik de gang inloop van het verzorgingshuis komt mijn vader mij tegemoet. Hij beweegt zijn voeten heen en weer terwijl hij met zijn handen de wielen van zijn rolstoel ronddraait. Het doet me  denken aan mijn zoon die zich als baby op zijn billen voortbewoog, zijn mollige beentjes duwden hem vooruit, zijn armpjes wiebelden mee, ooit, lang geleden.

                            *

‘He, ben je er al?’, vraagt mijn vader verrast. ‘Ik dacht, het regent zo, je zal wel niet komen.’

‘Natuurlijk kom ik’, zeg ik, ‘Ik heb toch een auto?’

In de kamer van mijn vader staat de televisie van zijn kamergenoot aan. Duitse schlagers tetteren door de ruimte.

‘Waar is je buurman?’, vraag ik terwijl ik discreet achter het gordijn tuur waar de kamergenoot altijd zit.

‘Tja, dat weet ik niet, misschien is hij beneden bij zijn vrouw.’

‘Of hij is even naar de w.c.’, opper ik en ik denk aan de dag ervoor toen ik de buurman trof op de w.c. terwijl ik mijn vader zocht. Ik krijg het beeld maar niet weg. Mijn vader bleek zich op het winderige balkonnetje verderop te bevinden om ‘even lekker in de zon te zitten.’ 

                          *

Terwijl de schlagers door de kamer schallen kijkt mijn vader de post door. ‘Ik heb maar even gekeken in je brievenbus; de nieuwe t.v. gids zit erbij. Dat is wel handig, toch?’ Mijn vader zegt niets. Hij bekijkt zijn post nauwkeurig. Eerst maakt hij de envelopjes open, rissend met de helft van een schaar, het papier haalt hij eruit met zijn dikke vingers. 

‘Zal ik het plastic van de gids erafhalen ?’, vraag ik.

Mijn vader zegt niets. Ik haal het plastic van de t.v. gids eraf. Ik kijk naar buiten. Regen slaat tegen de ruiten van dit huis. Het is zomer.

                           *

‘O, leuk’, zegt mijn vader, ‘De Ikea gids!’ Hij pakt de gids. Hij bladert en bekijkt alles wat hij nooit meer zal kopen. ‘Leuk’, zegt mijn vader nogmaals. Ik zeg niets.

                          ***

Dood

  
Jasper is dood, de hond van Gerbrand Bakker. Gerbrand Bakker, schrijver van ‘Boven is het stil’, schrijft een wekelijkse column in Trouw. Vaak vertelt hij over zijn huis en tuin in de Duitse Eifel. Jasper rent daar rond, snuffelt aan struiken en hekjes en houdt voornamelijk Gerbrand gezelschap.

                         *

En nu is Jasper dood. De hond was uit logeren en toen Gerbrand hem ophaalde was hij zo blij dat hij zijn baas begroette ‘uitzinnig van vreugde, met gejank en gepiep, rare sprongen, waardoor hij zijn kop stootte, want hij was al sinds twee weken blind.’

                         *

Elke avond zei Gerbrand tegen Jasper ‘Lekker maffen’ en daarna ‘Welterusten jongen.’ 

                         *

Bij ons wonen twee poezen. Broer en zus, Moos en Saar. Hun namen kloppen niet met hun verschijning. Het zijn Siberische boskatten, Saar gedistingeerd als een dame uit Amsterdam-Zuid met haar pink omhoog aan de thee in een sjieke tent in de van Baerle-straat. Moos, een witte tijger met de kop van het meest fotogenieke mannelijke model uit de catalogus van ‘Cat-models.’ 

                         *

Hun namen, geschreven in van die kroontjespenletters op de officiële stamboom-formulieren luiden Bijoux en Balthasar. Hun doopnamen passen beter bij hun voorname voorkomen, maar we zagen en vooral hoorden het niet voor ons, ‘s avonds roepend: ‘Bijoux, Balthasar!’ En dan maar rammelen met de rood-blikken pot met droge brokjes. 

                        *

Dus werd het Saar en Moos. Op een gewone dag, werkend aan de eettafel, laat ik ze naar binnen en naar buiten. Voortdurend sta ik op als Saar krabbelt aan de glazen schuifpui, Moos je mistroostig aankijkt. Als ze naar buiten willen miauwen ze beiden luid en zetten ze hun klauwen in het kleed dat bij de achterdeur precies in de rechthoek, uitgesneden in de houten vloer, past. Het ruwe kleed is in de loop der tijd nog ruwer geworden door het getrek van de nagels aan de krullerige structuur. 

                          *

‘s Avonds zitten ze bij ons op de bank. Wie het eerst komt zit het lekkerst. Meestal wint Moos de wedstrijd. Languit ligt hij te spinnen en laat hij met zich sollen, want vaak moet hij zijn comfortabele lighouding wijzigen met drie personen op de bank. Het maakt hem niet uit. Hij krimpt in, schuift op, maar blijft liggen, naast of op de lichamen met warme handen die hem aaien. 

                        *

Saar ligt elders. Zij wil niet naast haar dominante broer liggen. Meestal ligt zij op het nep-bontje dat ik ooit kocht bij de Action. Een groezelig bontje op de Barcelona-voetenbank. Verprutst design.

                        *

Soms ligt Saar eerder op de bank dan Moos. Gisteravond was dat het geval. Moos nam beledigd plaats op de Barcelona-stoel. Hard leer in plaats van een zachte bank en warme handen. 

                         *

Als we gaan slapen vraag ik: ‘Kom, ga je mee?’ Braaf lopen ze mee. Saar op het bontje, Moos in zijn mandje waar hij half uit valt omdat het mandje te klein is voor zijn grote lijf. Als ik de kamerdeur dichttrek zeg ik: ‘Slaap lekker, tot morgen.’ Dan kijken ze mij aan en verbeeld ik mij dat ze hun ogen toeknijpen.

                        *

En nu is Jasper dood. Gerbrand Bakker gaat slapen zonder ‘Lekker maffen’ en ‘Welterusten, jongen.’ 
Ik moet er niet aan denken.

                       ***

Alle dagen feest

 Gekleurde vlaggetjes bewegen in de wind. Kleurige vierkantjes en driehoekjes met kwastjes aan de onderkant. Sommigen hebben een ingenaaid spiegeltje in het midden of, nee, een beetje aan de onderkant.
                         *

De slinger als een geheugensteuntje voor de middag en avond ervoor. Met eten en drinken, gelach en gepraat, twee poezen die kroelend hun weg zoeken tussen aaigrage handen. 

                          *

Nu is het stil op het zoemen van de ijskast na. Koud geworden etensresten en overblijfselen liggen als kleine lijkjes naast elkaar in dozen, afgesloten met een onverbiddelijk deksel. Geur en kleur gestold in kou.

                          *

Voor mij liggen plastic glazen, half ingepakt nog in strak plastic folie. In een vrolijk met bloemetjes bezaaide slabak. Ik voel aan de plastic zak die er ook in ligt. Plastic vorkjes en messen rammelen op mijn op-en-neer-bewegen.

                         *

In de krant lees ik mooie verhalen van columnisten als Gerbrand Bakker en Marjolein van Heemstra. Zij schrijven over alledag. Kleine gebeurtenissen waar je met belangstelling kennis van neemt. Het regelen van een internet-aansluiting in Duitsland, de laatste borstvoeding van een boze baby. Wat doet je verder lezen? Het gewone, het dagelijkse dat mooi beschreven tot je komt. In letters, woorden en zinnen. Herkenning: een internetaansluiting in een nieuw huis. Altijd iets om tegenop te kijken. Hoe zal het aflopen bij Gerbrand, daar in zijn Duitse huis?

                       *

Een eisende baby die zijn moeder opeet, energie uit haar laat vloeien maar haar laat inslapen als hij nog een keer mag drinken. Bij haar. Onwillekeurig gaan de gedachten uit naar de eigen baby. Zacht en warm, op de gekste momenten van dag en nacht bij je. De baby van Marjolijn is zes maanden. Die van mij bijna achttien jaar.

                         *

Opeens tikken zachte druppels op het doek van de parasol. Ik red de klapstoelen, de friteuses, de barbecues en de krat met lege pilsflesjes. Ik til ze naar binnen, in de gang tegen de muur, op het aanrecht, lukraak in de schuur. Ik ben te laat voor de parasol. Het doek is al nat. Ook de vlaggetjes worden nat. 

                         *

Zachtjes bewegen ze in de wind. De natte vlaggetjes. Alle dagen feest.

                         ***

 

Geen kat op de zolder

 

Mijn man zuigt. Het geluid klinkt van ver en dat is gek want hij zuigt rondom mij, langs en onder de tafel, de stoelen, de bank. Ik lees de krant, gegrepen door mooie schrijfsels van anderen in de bijlage Tijd van Trouw. Voor mij staat de theepot en een glas met thee tot de rand gevuld, daarachter een groot glas water. De kruimels van het ontbijt op tafel, een paar maar, worden niet opgezogen. 

                        *

‘Ik vind de tulpen in deze vaas niet mooi’, zegt mijn man.
En inderdaad, de verse tulpen uit de Zilk (‘vers van de grond, mevrouw!’) staan op elkaar gepakt in de vaas. Het water troebelt door het glas heen.
‘Ik verdeel ze over twee’ en even later zijn de bloemen verdeeld. Hoe grappig, de vazen staan precies in het verlengde van mijn blik: vanaf mijn plek zie ik vaas één. Daarachter schemert vaas twee.
                          *
Ik staar naar ons boompje in de voortuin. Als je goed kijkt heeft het de vorm van een driehoek. Er komen rode blaadjes aan, één blaadje wappert verloren heen en weer, een verdord blad. De drie net-geplante cipressen groeien fier en strak richting hemel. Beneden is het opeens stil. Een paar buitengeluiden dringen vaag tot mij door. ‘Papa’, roept een meisje een paar tuinen verder. Boven hoor ik voetstappen. Mijn man heeft gedoucht.
                          *
Vanochtend sportten wij samen. De buitenlucht was koud, maar de lucht boven ons blauw, tintelfris. Het is vijf minuten fietsen naar de fitnesszaal. Mijn linkerhand kon ik zo nu en dan in de zak van mijn jas steken. Daarna de rechter. Zo bleven ze toch een beetje warm.
                         *
Na sport en ontbijt zit ik aan tafel. Beland bij pagina 22 van Tijd, de column van Gerbrand Bakker over zijn tuin in de Eifel. Ooit schreef Gerbrand Bakker een wonderschoon boekje, ‘Boven is het stil’, nu schrijft hij voor de zaterdag een column in Trouw.
                         *
De bel gaat en mijn man is naar de buurvrouw om een fiets te bekijken. Ik zit nog in mijn sportoutfit het fleece joggingpak dat ik ooit kocht voor 
€ 9,99 bij een Action-achtige winkel. Het pak bracht zijn geld ruimschoots op want het is een warm ontspanpak en na-het-sport-pak.
                         *
Aan de deur staat een buurvrouw van om de hoek. Ik ken haar van buurtbijeenkomsten, een vriendelijke vrouw. 
‘Hebben jullie een witte kat? Die zit waarschijnlijk bij mij op zolder en ik durf hem niet te pakken.’ Wij hebben een witte kat, hij is een zwerver en een beetje brutaal, dus dat kan.
                           *
Ik loop met haar mee, we bekijken de zolder, alle kamers, het balkon. Geen kat. ‘Moos’, roep ik een paar keer, maar dat klinkt mal, zo in een vreemd huis. 
Ik beloof de terugkeer van de kat in de gaten te houden. Moos wipt regelmatig bij ons aan. Voor eten, aaien, in de zon liggen. Op de terugweg naar huis passeer ik bekenden met hun hond. Ik maak een praatje. Kinderen, gezondheid, sporten.
                         *
En nu zit ik weer. Bij pagina 22. Onze boom in de achtertuin draagt opeens tere, witte bloesem. Mijn zoon slaapt. Mijn man fietst. Mijn dochter reist. Ik ga verder met Gerbrand Bakker, ‘Geen Hund op het Friedhof.’ Gerbrand heeft een hond, daar zal het verhaal over gaan. Onze kat is nog niet in beeld. De stilte duurt voort. Ik drink mijn lauwe thee. Op zaterdagochtend. 
                         ***