Henk & Harry

Handeling: conversatie in de infinity pool

Plaats: Willemstad, Curacao

Tijd: 7 april 2018

Harry

We sijn naar het netjonel park gewees, nou dat was niet echt bijsonder. Er stoan een poar flamingo’s in het water

Henk

We hebben ook de flamingo’s bekeken, de Aloë Vero-plantage én de struisvogels op één dag…., vink, vink, vink!

Harry

We werde gistere langs drie lekkere strandjes gebroch met de bus, lekker makkelijk, overal een uurtje sitte en met de luns werden we bij een restaurantje gedropt, ook lekker makkelijk

Henk

We zijn in dat park geweest, dat natuurpark, Christoffel geloof ik, nou, dat was ook niet veel bijzonders. Heuvel op, heuvel af, het was maar goed dat ik geen automaat gehuurd had, daar kom je die hellinkies niet mee op, man!

Harry (ziet een voorbijvarend cruiseschip)

Das ook lekker, so’n croes…. Lekker ete, op s’n tijd eruit en dan weer lekker fare…Op die schepen werken trouwes alleen maar Filipijnen, joh

Henk

In mei gaan wij altijd naar Griekenland, daar is de zee net zo blauw als hier. En het eten is ook veel goedkoper. Nou hebben we daar als Nederland natuurlijk flink aan meebetaald destijds

(…) Korte stilte

Henk

Wij wonen zelf in een dorp in Twente, lekker rustig. Wij hadden in dit hotel zo’n kamer aan de voorkant, wat een herrie. Dus ik heb het meteen maar even geregeld, de kamer omgeboekt. Een upgrade was het, het kostte wel wat geld, maar dat heb ik ervoor over. Wat een herrie ‘s nachts. Waar woon jij?

Harry

Wij wone an de kust.

Henk

Nou, dat is lekker wonen, zo dicht bij het strand

Harry

In Nederland regent het altijd, nooit ken je naar het strand om effe fijn te sitte.

Henk

Weet je waar het duur wonen is? In Zwitserland! Dat komt door de huizenprijzen, die zijn enorm hoog daar.

Harry

Dat stucwerk hier op die huise.., mot dat nou zo? Je ken toch beter met bakstene werke? Wat een ferstand…

Henk

Tja, dat heb je in dit soort apenlanden

Advertisements

Witte orchidee

 Als ik kom aanrijden, mijn fiets neerzet, op slot doe en naar de toegangsdeur van de flat loop zie ik mijn vader in de hal staan. Hij heeft een envelop in de hand, kijkt op en ziet mij.
                         *

Wat wordt hij klein! Zijn stok klemvast in de rechterhand, de envelop in de linker, zegt hij mij blij gedag. Ik was een week op vakantie. Dus hij is blij me te zien. Samen lopen we door de tweede toegangsdeur naar de lift. 

‘Mijn voordeur heb ik openstaan’, zegt hij in de lift.

‘O ja?’ 

‘Ja, ik ben toch zo weer boven.’

                         *

We zijn er. Samen lopen we de gang door naar de openstaande deur.

Hij hijgt vreselijk.

‘Ik heb het bloedheet’, zegt hij.

‘Ga maar even lekker zitten’, zeg ik, bang dat hij ter plekke instort. Zo hijgt hij. Zijn gezicht is rood. Maar hij luistert niet. 

‘Jij moet even wat voor mij doen’, zegt hij.

De irritatie bedwingend vraag ik vriendelijk: ‘o ja, wat kan ik doen voor je?’

‘Ik heb die schilderijtjes opgehangen, dat was me een klus. Ik ben er de hele middag mee bezig geweest. Ik moest ook nog pluggen kopen’, zegt hij geïrriteerd. ‘En ik heb natuurlijk zat pluggen, maar die kon ik niet vinden.’ Hij kijkt mij aan. 

                         *

Drie jaar geleden heb ik allerhande klusspullen die in twee ruime kamers in zijn oude huis lagen in dozen geruimd: schroefjes, pluggen, spijkers. Gereedschap: hamers, beitels, schroevendraaiers. Een koffer met een elektrische boor. Sigarendoosjes met gebruikte schroeven, spijkers en pluggen. Touw, hout, een workmate. Dat laatste, de workmate, zo’n typisch-jaren-zeventig werkbank, paste trouwens niet in een doos. Een vies glas met oude tandenborstels. Blikken met restjes verf. Onaangebroken blikken verf. Wasbenzine, onbestemde voorwerpen en vloeistoffen in flesjes. Alles pakte ik in. Ik had het hart niet iets van deze rommel weg te gooien. Het waren bij elkaar wel twintig dozen. De verhuizers vloekten bij het optillen van enkelen daarvan. Ze waren zwaar.

                         *

Alle dozen met gereedschap plus de ingeklapte workmate staan opgestapeld in de berging naast zijn flat. Een doorn in zijn oog is het. Al zijn in mijn ogen verzamelde rotzooi -maar in de zijne kunstschatten – slecht bereikbaar in kartonnen dozen. En ja, die pluggen (‘gloednieuwe!’) kon hij niet vinden.

                         *

Met zijn roodaangelopen gezicht loopt hij naar een schilderijtje toe en pakt het van de muur.

‘Maar pa, het hing toch prima zo?’ zeg ik.

‘Nee, jij moet kijken, de schroef moet precies in dit gaatje vallen.’ Twee keer ‘moeten’ en eentje daarvan is voor mij. Hij wijst naar een metalen constructie met een opening waarin de schroef die uit de muur steekt hoort te vallen.

                         *

‘Als ik het nu ophang, kijk jij of het erin valt’, stelt hij voor.

Maar dat lukt niet. Hij staat wankelend zonder stok te hannesen met het schilderij dat veel te dicht langs de muur gehouden wordt om te kunnen zien of de schroef in het gaatje valt.

‘Geef mij maar even’, zeg ik kortaf en ik probeer het schilderij op te hangen op de voorgeschreven wijze. Maar het lukt mij niet. Ik kan onmogelijk zien of dat schroefje in het gat valt en ik voel het ook niet. Uiteindelijk hangt het schilderij zoals het daarvoor hing.

‘We laten die andere maar zitten’, zegt mijn vader, mijn gevloek en gezucht bij dit klusje aanhorend.

‘Ja, laat maar hangen zo. Het hangt toch prima?’

                        *

We gaan zitten op het balkon. Twee plastic stoeltjes met een kussentje staan klaar. De zon schijnt uitbundig. Was het op de fiets nog fris, nu is het erg warm in mijn spijkerbroek, t-shirt met lange mouw, leren jasje, dikke sokken in laarsjes.

‘Kijk, het is 12.00 uur, nu komen er veel auto’s langs’. Mijn vader wijst naar de rotonde voor zijn huis waar inderdaad veel auto’s hun halve en driekwart rondjes draaien.

‘Altijd zondag. 12.00 uur. Dan wordt het opeens druk. Door de week begint het om 7.00 uur, om 9.00 uur is de drukte voorbij. Dan om 12.00 uur begint het weer, waarschijnlijk gaan ze dan eten. En vanaf 17.00 uur tot 19.30 uur, dan gaan ze weer naar huis.’

Je maakt wat mee in de flat aan de Scholtenlaan in Heemstede, met uitkijk op de rotonde.

                         *

Opeens zegt mijn vader:’ wil jij een kopje koffie of wat anders?’ En hij staat op, zo snel als hij kan en dat is langzaam en moeizaam. Zijn wangen zijn frisrood, nu van de zon.

‘Oei, wat is het warm’, zegt hij en hij stapt de hoge drempel op van het balkon naar de huiskamer. Dan begint het ritueel van de geschilde appel, het koffiezetten, het opwarmen van een saucijzenbroodje. Dat neemt zeker twintig minuten in beslag.

‘Wat ruikt het lekker’, zeg ik. Ik ruik het broodje dat warm wordt in het kleine elektrische oventje dat op zijn volle aanrecht staat. Maar hij hoort het niet of is te geconcentreerd bezig met het zetten van de koffie.

                         *

Even later neemt hij plaats in zijn stoel bij het raam. ‘Je gaat niet meer buiten zitten?, vraag ik. De zon schijnt nog heerlijk op zijn balkon.

‘Nee, het is me te warm. Maar ga jij daar lekker zitten!’

‘Nee, natuurlijk niet, ik zit hier ook prima.’ En ik neem plaats op de bank met de rechte rugleuning. Na wat gekeuvel wil hij me wat laten zien. Een map met lege diavellen. Moeizaam peutert hij een velletje eruit waarin je dia’s’ kan opbergen.

                         *

‘Dit zijn ze, die vellen waar je dia’s in kan opbergen’, zegt hij.

‘Maar waarom laat je mij dit zien?, vraag ik.

‘Jij hebt al die dia’s van mij gekregen. Toen ik nog in Haarlem-Noord woonde’, zegt mijn vader.

‘Ik weet niet waar je het over hebt. Ik heb echt geen dia’s van jou.’ Maar mijn vader houdt vol. 

‘Jij had die film gemaakt van Max. Die film was mislukt. Ik gaf je toen die vellen met dia’s om foto’s eruit te halen van Max.’

‘Maar jij hebt toch helemaal geen foto’s van Max gemaakt?’, vraag ik verbaasd. Nooit heeft mijn vader mijn zoon gefotografeerd, op een Kerst-etentje na misschien.

‘Ja, ik heb heel veel foto’s van hem gemaakt! En ik gaf de vellen aan jou.’ 

                         *

Ik zucht en ik denk aan de vreselijke ontdekking jaren geleden dat de films van Max’ babytijd verprutst waren doordat mijn vader’s oude videocamera ‘die is nog heel goed!’ waardeloos bleek te zijn. De beelden van twee jaar babytijd waren op het volgeschoten bandje niet meer te zien of terug te halen. Met tranen in mijn ogen keek ik bij de fotograaf naar de mistige waas die de winkelier nog met veel kunst-en vliegwerk tevoorschijn had getoverd. Maar geen beelden van de vrolijke baby. Het deed me veel verdriet en ik denk niet graag terug aan de zogenaamde goed-werkende video-camera van mijn vader. Ik ben ook nog steeds kwaad op mijzelf dat ik hem geloofde. Maar als armlastige jonge ouders konden wij niet zomaar zelf zo’n duur apparaat aanschaffen en maakte ik graag gebruik van de zijne met de verzekering dat het nog ‘een prima apparaat’ was. Ik heb er van geleerd en heb nooit meer wat van hem overgenomen of gebruikt.

                        *

Ik geef maar toe dat ik naar de zoekgeraakte dia-velletjes zal kijken. Maar ik weet zeker dat ik ze niet heb. 

                         *

Als ik wegga verplaats ik op zijn verzoek nog wat planten en gooi ik een halve liter water uit de plantenbak waarin zijn gekoesterde witte orchidee staat.

‘Hij blijft maar groeien’, zeg ik.

Trots zegt mijn vader ‘Ja, hij gaat maar door. Kijk daar verschijnen nieuwe knoppen.’ En het is waar. Ik zie nieuwe knoppen aan de plant die ik niet mooi vind maar hij wel.

                         *

As ik wegga zegt hij: ‘leuk dat je er weer was. En zo lang dit keer!’ Ja, ik was lang gebleven vanwege die vakantieweek en omdat ik dinsdag niet kan komen. Nu blijkt dat hij dat goed in de gaten heeft. De tijd die ik bij hem doorbreng. Misschien voelt hij wel dat ik soms stiekem op mijn horloge kijk om te zien of ik al met goed fatsoen kan gaan. En ik voel me schuldig.

                         *

Als ik wegfiets staat de orchidee fier in de vensterbank. Wit en bloeiend. In de knop, gericht naar de warme zon. De werkweek begint morgen. Ik kijk naar de helblauwe lucht, fiets langs de Heemsteedse gazons, zo keurig gemaaid, langs de bermen met klaprozen en wilde bloemen waarvan ik de naam niet ken. En ik vraag me af:
hoe lang zal die orchidee nog bloeien?
                       ***

 

Slow Motion

 

In de haast ben ik de sleutel vergeten. Ik bel beneden aan: op het naamplaatje naast 152 staat keurig A.S. Jonquiere. Zwart op wit. Staat het er nu met of zonder streepje op de e? Ik herinner het me niet. Een oude dame wacht op iemand in de hal naast de buitendeur. 

‘Goedemiddag’, zeg ik vriendelijk.
‘Goedemiddag’, zegt ze.
                         *
Het duurt lang voordat ik wat hoor. Ik weet wat er gebeurt: opstaan, lopen, de telefoonhaak pakken, zijn naam zeggen. Ik hoor niets en voel de ogen van de dame in mijn rug prikken. Of is dat verbeelding en interesseert het haar geen klap dat ik daar sta? Ik kijk naar mijzelf: een vrouw, donker haar, leeftijd tussen de 45 en 55, een wit zakje in haar hand. Ze wacht, de vrouw.
                         *
Ja, ik hoor gekraak en het slot van de deur klikt open. Geen ‘hallo’ door de luidspreker, alleen de klik van het slot klinkt door de hal. Ik roep, geheel overbodig, naar de speaker: ‘ik ben het! Annelie!’ Nu weet de dame dat ik bekend ben en niet oude mensen in de flat beroof van geld en sieraden.
                          *
Na de klik ben ik in de gang en open ik de glazen deur rechts. Ik loop de twee trappen op naar boven. Nog een deur. De gang is verlaten. Het is stil.
                         *
De voordeur van het appartement staat op een kier en naast de deur-telefoon (hoe noem je zoiets?) staat mijn vader. Hij ziet er goed uit. Lacht mij toe. En ik zie hoe mooi de bordeauxrode bloes kleurt bij zijn getinte huid. Zijn broek zit losjes om de benen. 
                         *
‘Sleutel vergeten?’
‘Ja, suf hè?, en ik trek mijn jas uit, sjaal af. Ik drapeer ze over een stoel. Het zakje met de twee haringen leg ik op het aanrechtblad.
                         *
‘Heerlijk weer is het, hè? Mijn vader staat in de keuken. Ik zie dat hij zijn boterhammen roostert met boter erop. Boter in het broodrooster! Ik zeg niks. Hij pakt een stuk kaas uit de ijskast.
‘Dit is heerlijke kaas’, en hij schaaft er drie, vier plakjes af.
‘Boerenkaas. Heb ik op de markt gekocht. Ik ben er helemaal naar toe gelopen.’ De kaasboer op de markt staat halverwege de markt. Dat is een eind lopen. 
‘Zo’, zeg ik, ‘dat is best een eind lopen.’
‘Ja, ik ben bijna de hele markt afgelopen vorige week.’
‘Zo, prima, zeg. Ik kocht daar bij die kaasboer eens graskaas, pa, als ze dat hebben mag je een stuk voor me meenemen.’
                         *
Dat vindt hij geweldig. Hij, oud en slecht ter been, kan wat doen voor zijn dochter. Ik zie het aan zijn ogen. Hij heeft nog waarde, een functie. 
                           *
De keukenrituelen, wat gaan ze langzaam en precies. Ik bedwing mijn ongeduld. Meestal loop ik tussendoor naar de kamer. Dan pak ik mijn telefoon en ik check de mail, de whats app, alles om de tijd door te komen.
                         *
Nu blijf ik staan. Boterham twee, weer met boter, in het broodrooster. Haring erop. Snijden. Kleine stukjes, geen uitje wordt verspild. Netjes in het gelid liggen de stukjes brood. Zuur ernaast. Appel. Schillen. Op het bordje. Koffie. Water. Melk. Suiker. Op mijn horloge zie ik dat ik er al twintig minuten ben. 
                         *
‘Ik zat net lekker buiten, het is heerlijk op het balkon.’ Na wat geschuif met een bijzettafeltje en twee stoelen zitten we vijfentwintig minuten later samen op het balkon. Een klein randje zon schijnt op de voorkant van de balkonleuning. Ik heb op een tafeltje naast zijn stoel alles klaargezet. Brood, koffie, appel. We kijken samen naar de rotonde, recht tegenover zijn huis.
                         *
‘Wat een grote wagen!’ Een enorme oplegger met twee liggende kranen neemt de rotonde en rijdt de buurt in.
Mijn vader vertelt over de hijskranen die ooit in de flat van mijn moeder (mijn vader werd in die tijd nog gedoogd als huisgenoot en financier) ook nodig waren.
                         *
‘Voor de schuifpuien in Zandvoort gebruikten ze toen ook zo’n kraan. Dat moet wel op vijftien hoog.’
Ik heb dat verhaal al twintig keer gehoord. Na het plaatsen van de peperdure puien wilde mijn moeder scheiden. Na meer dan dertig jaar min of meer getrouwd zijn. Maar daar hebben we het niet over.
                         *
Er is veel te zien. Op het plein voor de kerk, die statig achter de rotonde opduikt, staan veel mensen. De klokken luiden indringend. Ik heb mijn bril niet op. ‘Kijk, een trouwerij of een begrafenis’, zeg ik.
                         *
‘Een begrafenis’, zegt mijn vader. En ja, nu zie ik een blankhouten kist met bloemen erop, gedragen door zes, acht, mensen. En ik denk aan de kist waarachter wij ooit liepen. Naar deze kerk, met net zo’n kist. We liepen met ons allen op de weg waar ik nu op uitkijk. Het was een treurige tocht. Mijn gedachten dwalen af naar die tocht, die dag. Mijn zoon en zijn vader droegen met vier anderen de blankhouten kist. De klokken luidden indringend. 
                          *
Mijn zoon droeg zijn oom, mijn man droeg zijn broer, mijn neef droeg zijn vader.
                         *
Na een uur zeg ik dat ik weg moet. Ik kus mijn vader. Hij bedankt mij voor de haring. En ik vertrek. Langzaam fiets ik naar huis. Mijn vader heeft gelijk. Het is schitterend weer.
                         ***

 

In gesprek

2015/01/img_5355.png
‘Hallo met mij!’
‘O hoi, hoe gaat het?’
‘Ja, goed wel hoor.’

‘Is Julia thuis? Zij zou vandaag bij mij komen om te strijken.’
‘Ja, zij is beneden, ik loop wel even naar haar toe.’

‘O, ja, als je mij wat wil geven voor mijn verjaardag, dan weet ik wel wat. Ik weet niet of je iets wil geven? Je hoeft eigenlijk niets te geven.’
‘Natuurlijk krijg je een cadeau. Je hebt ook nog wat te goed van Sint. Die friteuse vond je te groot, die hebben wij nu.’

‘Het gaat om twee kussens. Nee, ik bedoel twee kussenovertrekken. Wacht, ik heb hier een krantje, ik kijk even…’
(…)

‘Hier heb ik het: kussenovertrekken bij de Action, allemaal kleuren.’
‘Wat voor een maat kussens heb je nodig? Bedoel je die platte kussens op de bank?’
‘Ja, wacht even, ik kijk naar de maat.’
(…)

’50 bij 50 centimeter zijn ze’
‘Oké, dat lukt wel. Ik heb laatst voor Julia bij de Hema leuke kussenovertrekken gekocht, grijs fluweel, lekker zacht. Is zoiets goed?’

‘Eh, ja, maar ze hebben dus bij de Action kussens in allerlei kleuren. Ik bedoel overtrekken!’
‘Ik kom er wel uit, hoor. Heb je verder nog wensen? Een boek, iets van kleding, een lekker luchtje?’

‘Nee. Nou ja, ik gebruik wél als de douchehulp komt, die douchegel die ik van je kreeg.’
‘Die van Rituals? O, dat vind ik leuk om te geven, ik kijk er naar.’

‘Ja, maar geen drie hoor!’
‘?’ (…)

‘Ik hoef eigenlijk niets voor mijn verjaardag. Je hoeft niets te geven.’
‘Het komt wel goed, ik kijk zondag naar je kussens. Ik geef je nu Julia. Tot zondag!

‘Ja, daag!’