Over


Het is zomer. De dag die het jaar in tweeën snijdt is alweer voorbij. De tijd vliegt. Het schijnt iets te zijn in het brein waardoor deze voorbijsnelt. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië. Maar nee. Kerst is een half jaar geleden, acht maanden geleden stierf mijn vader en Indonesië bezochten we in 2014, eeh, nee, 2013.
                          *

Het is zomer. De laatste tentamens zijn gemaakt en proefwerkweken zijn gestart. Bijna komt de voortsnellende tijd knarsend als een roestige locomotief op hete rails tot stilstand in sissende worstjes op de barbecue, rosé op een terras en fietsen naar het werk door de kale bollenvelden met je mond dicht vanwege de vliegjes.

                        *

‘Ik heb een voldoende voor Politicologie’, meldde onze zoon eergisteravond, tussen neus en lippen door.

‘O, mooi!’, zeiden wij.

‘Zijn jullie nu niet blij?’, vroeg de zoon.

Dat zijn we. Echt wel. Hij gaat over naar het tweede jaar. 58 van de 60 eerstejaars HBO-punten zijn binnen. 

                      *

‘Mijn P ga ik niet halen’, mompelde hij een paar weken geleden, ook tussen neus en lippen door. P staat voor propedeuse, het eerste behaalde studiejaar. We hadden het over de universiteit. Zijn vriendin maakt volgend schooljaar de overstap van het HBO naar de universiteit en gezien zoons geringe zichtbare inzet versus verrassende ruime voldoendes kregen we het erover. Over een overstap. Misschien. Hoeft niet. Maar kan. Eventueel.

                       *

Bekwaam smoorde hij het idee van een overstap naar de universiteit met de melding dat hij zijn ‘P niet ging halen omdat x zich niet aan de afspraak had gehouden met dat ene onderzoek en er niks van had gebakken.’

‘Wat raar dat jij niet een voldoende kan halen’, meende ik, ‘Als een ander het niet goed doet.’ 

‘Tja, dat heb je met al die groepsopdrachten’, zei de zoon, kauwend op een stuk tosti nadat hij deze met een geconcentreerde blik gedoopt had in een flinke plas curry. 

‘Toch gek. Kan je daar niet eens achteraan gaan? Een gesprek met je mentor?’ Onverschillig keek hij naar zijn bord met curry-strepen die als bruin-rode riviertjes over het bord kronkelden. 

                        *

‘Nee, eh, je moet het gewoon halen’. De tosti was bijna op.

‘Nou, ik vind het raar en jammer. Nu haal je je propedeuse niet door iemand anders..of eh, had je er zelf ook een aandeel in?’

                         *

Hij keek mij aan. Met overbekende ogen. 

‘Ik heb het zelf ook niet goed gedaan’, zei hij. En ik dacht opeens aan het kind dat altijd een van zijn twee wantjes verloor. Hoe boos ik daarover kon zijn. Hoe zijn hoofd naar beneden boog. Tranen druppelden uit bruine ogen. 

                       *

‘Jammer’, zei ik nu en daar lieten we het bij. Gisteren verloor hij zijn wantje. Vandaag haalde hij net niet zijn propedeuse.

                        *

‘Maar ik ben wel over naar het tweede jaar’, grijnsde hij, ‘Ben je niet blij?’ Ik zag een mond vol kruimels, zachte draden gesmolten kaas en bruin-rode saus.

                        *

‘Ja, ik ben blij’, zei ik. Ik keek naar buiten. De hortensia stond in bloei. Witte bollen in het groen. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië en vroeger verloor hij altijd dat ene wantje. 

                         *

Nu is het zomer. Is hij over naar het tweede jaar. En ik ben blij.    

                       ***

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

De engel


Op een Frans terras in Bergerac is het vinden van schaduw, de l’ombre, van het grootste belang. Een vrouw achter mij is in mijn persoonlijke ruimte minutenlang bezig een vierkante parasol zo te draaien dat deze alle gasten aan de tafel achter mij schaduw verschaft.

Tegenover mij staan dicht tegen elkaar aan middeleeuwse huizen. Bakstenen muren rechts, links glad gestucte, de gevel vergeeld en roetig. De smalle luikdeuren naar het balkon staan half open. Ik fantaseer over de bewoner van de kamer erachter. Een Franse baron van oude, verarmde adel. Een Chinese studente, zo een als we gisteren zagen op een terras in Saint Emilion, geplakt aan haar iPhone. Een oudere dame, denkend aan vroeger tijden, nippend aan haar ‘verre de rosé.’

Een wit kledingstuk, – een onderbroek, een hemd? -, hangt aan de linker balkonrand te wapperen in de wind als een misplaatst spookje. Geen knijpers zo te zien.

Links op de kleurige stoeltjes met dito kussentjes zit een gezin: man, vrouw, meisje en jongetje. Het jongetje is een aanbiddelijk cherubijntje met zachte, blonde krullen. Hij blaast bellen in zijn melk. De ouders vermaken de jonge kinderen met een prentenboek tot het eten arriveert. Ze blijven rustig onder het blazen van hun cherubijntje en het duwen van het meisje tegen de stoel waar haar wankele broertje tegenaan leunt.

De kinderen zitten. En eten gedisciplineerd hun bordje leeg. Met tussendoor een beetje blazen in het melkglas. We spitsen onze oren: spreken ze Frans? Nederlanders zijn het niet ondanks hun blonde voorkomen. De kinderen zijn te rustig. Te lief. Denen? Bij het nader spitsen van de oren blijken het Amerikanen te zijn. Hoe bijzonder: een Amerikaans gezin, dun en blond, op een Bergeracs terras.

Naast ons zit een stel dat voortdurend converseert. Op zachte en beschaafde toon. Kom daar eens om in Nederland. Beschaving op een zonnig terras.

De serveerster bedient in haar eentje de vele, gekleurde tafeltjes. ‘Que est-ce que ce’st votre prenom?’ vraagt ze. En verontschuldigend vervolgt ze: ‘Nous n’avons pas des numeros pour les tables.’ Ook dat is beschaving: wij gasten hebben namen, geen nummers.

Het cherubijntje eet, intussen kleine kreetjes uitslakend van iets willen – de melk, het water, zijn tuitbeker – of gewoon van genot. Het meisje hangt over haar bordje en wrijft in haar ogen. Cherubijntje gooit wat eten op de oeroude Franse pleintegels.

Het meisje staat op en loopt op blote voetjes een rondje om het tafeltje van haar ouders. Zij draagt een spierwit jurkje. Haar blonde haar wappert in het Zuidfranse windje. Het haar waait ondanks het roze speldje in haar gezichtje. Een engeltje.

Tegenover mij zit mijn kind.

Eenentwintig jaar en ook zij, een engel. Een blonde engel met een zwart flaphoedje. Een klein, zwierig zwart rokje om de slanke benen, een shirt met mouwtjes, ze zakken wat af. Een ragdun kruisje van fijne glinstertjes aan een zilveren kettinkje om haar hals. Haar haren waaien, ondanks het hoedje, in haar gezicht. Rustig eet zij haar eten. Zij drinkt haar drinken zonder bellen te blazen in het heldere water.

Comme un ange.

Bikkel

IMG_5426
Hard lopend op het cardio-apparaat, -twee pedalen waar je je voeten in plaatst en aan de zijkanten heen en weer bewegende handvaten,- kijk ik t.v. Op het piepkleine scherm zoek ik naar een zender die wat fatsoenlijks uitzendt. Het is zondagochtend, tien uur. Via devoot-zingende mensen in een kerk, langs een keizersnede in een Amerikaans ziekenhuis beland ik bij Zapp.

Een meisje van een jaar of elf leest haar zusje voor uit een Gouden Boekje. Het gaat over de wolf en de zeven geitjes. Het kleine meisje ligt in een verhoogd bed dat dichtgemaakt wordt met twee spijlen-deurtjes. Naast het bed staat een ingewikkeld apparaat. Het blijkt een pomp te zijn. Het kleine meisje is ziek.

Wat ze heeft, daar kom ik niet achter. Maar gebiologeerd kijk ik naar het verhaal van de 11-jarige Vera en haar twee kleine zusjes. ‘Ik heb ook nog een grote zus van 21. Zij heeft een actie gevoerd waarmee we een sprookjestuin maken voor Iris.’ Iris is het schattige, vierjarige, zieke zusje. De tuin wordt een zwakke replica van de sprookjestuin van de Efteling. Mannen met zagen maken een gezicht in een boom. Kitscherige sprookjesfiguurtjes krijgen een plekje in de nieuwbouwtuin.

Over de situatie thuis vertelt Vera nuchter: ‘mijn moeder moet er ‘s nachts soms wel vijf keer uit voor Iris. Dan piept de pomp. Overdag is ze dan best wel moe.’ En ik zie een moeder van drie jonge meisjes zorgen en redderen. Waar is de vader? ‘Mijn vader is er niet meer.’ Waar en hoezo is geen issue. We horen er niks meer over.

Mijn 15 minuten cardio zijn eigenlijk voorbij. Maar ik staar gefascineerd naar het scherm. Ik zie Vera spelen: een kind op een speelplein, lachend, met een bal. Een bonte legging om de dikke benen. Sandalen eronder. Een dikke winterjas aan. De kinderen zien eruit als kinderen. Maar ze zorgen en hebben zorgen.

‘Als Iris dood gaat zal ik haar missen; haar lieve lachje vooral. Ze lacht zo lief.’ En dat is zo. Iris is een aanbiddelijke kleuter, een mooi kind. De mooiste van de drie meisjes. Maar ziek. Heel ziek. Nog steeds is het me niet duidelijk wat ze heeft. Maar het meisje en haar ziekte vergen zeer veel aandacht en zorg.

Als ze met zijn vieren in de Efteling zijn krijgt Iris pijn en gaan ze spoorslags weg. Moeder is in de weer met slangen, apparatuur en medicatie. De twee andere meisjes laten niet eens hun teleurstelling zien. Het is zo. Alles wat leuk is kan worden verstoord. Wordt verstoord. Door dat lieve zusje.

‘Ik wil graag eens wat doen met jou, mam. Alleen,’ zegt Vera tegen haar moeder. Ze spelen een potje ganzenbord. Moeder heeft een half-huilende Iris op schoot. ‘Dat kan niet, Vera. Trouwens ik doe nu toch iets samen met jou?’
‘Ja, maar ik wil iets doen met jou alleen.’
‘Je weet dat dat niet kan, meis. Ik kan Iris niet alleen laten.’

Wat een leven is dit. Drie meisjes en hun moeder. Zo veel zorg. Maar zo veel liefde ook. Een beetje perplex zet ik de koptelefoon af. Ik loop naar het eerste apparaat. 60 keer de benen omhoog en omlaag met een gewicht.

Ik denk aan mijn gezin. Twee gezonde kinderen. Werk. Een man die ook zorgde en zorgt.

Thuis kijk ik in de gids wat voor een programma dit was. ‘Veel kinderen helpen thuis mee met de zorg voor een gehandicapte of zieke vader, moeder, broer of zus. ‘Bikkels’ duikt in hun leven vol verantwoordelijkheden.’

Ik cardio-de 25 minuten in plaats van de gebruikelijke 15.
Maar Vera de Bock. Een ware bikkel.

Empty nest

IMG_0972.JPG
There was a child went forth every day,
And the first object he look’d upon, that object he became,
And that object became part of him for the day or a certain part of the day,
Or for many years or stretching cycles of years.

The early lilacs became part of this child,
And grass and white and red morning-glories, and white and red
clover, and the song of the phoebe-bird,
And the Third-month lambs and the sow’s pink-faint litter, and the
mare’s foal and the cow’s calf,

(…)

The horizon’s edge, the flying sea-crow, the fragrance of salt marsh
and shore mud,
These became part of that child who went forth every day, and who
now goes, and will always go forth every day.

Walt Whitman (1819-1892)

‘Wat doe jij eigenlijk zo de hele dag?’

Het is 17.00 uur, zaterdagmiddag. We zitten aan tafel met toastjes, een heerlijkheidje erop gesmeerd van de plaatselijke delicatessenwinkel en een drankje. Verspreid over de tafel liggen twee zaterdagkranten, een studieboek met de afschrikwekkende titel: ‘Applied statistics for the behavioral sciences’, een roze schriftje, vrolijk-gekleurde memostripjes en een roze markeerstift. Multomap-papiertjes.

Mijn 17-jarige zoon zit naast mij en eet een bananensoesje. Vanmiddag was hij om een uur of één op. Gedoucht, donkerblauwe polo, een beige broek om zijn smalle heupen. Een lekker luchtje zweeft achter hem aan en zijn haren zitten strak van nattigheid en flink veel gel. Gisteravond was hij uit. Een vriend van hem werd 18 jaar.
‘Hoe was het gisteren?’ vraag ik.
‘Leuk.’
‘Was iedereen er?’ Dat is een rare vraag. Wie is iedereen? Maar goed.
‘Ja.’
‘Waren er ook meisjes?’
‘Vier meiden maar, het was een worstenfeest.’

Ik kijk hem aan. Hij neemt net een flinke hap van zijn soesje. Witte room zit in zijn mondhoek. Ik denk na en hij lacht mij vriendelijk toe. ‘Een worstenfeest?’ herhaal ik. Zijn vader aan de overkant van de tafel lacht. En dan valt ook bij zijn naïeve moeder een kwartje.

Laatst vertelt hij, ook aan tafel, tussen neus en lippen door dat hij misschien weet wat hij wil gaan doen. Met een mond vol brood zegt hij:
‘Ik wil misschien wel naar de Hogere Hotelschool in Maastricht.’
Het min of meer taboe-onderwerp ‘school’ en zeker ‘wat na school?’ is zo lang geleden ter sprake gekomen dat ik niet meteen dit onderwerp kan plaatsen.

‘Hoe ben je op dat idee gekomen? vraag ik.
‘Nou, gewoon, ik had het erover met Sam, je kan er veel dingen mee doen en het lijkt mij echt vet: ze hebben een campus, je krijgt je eigen kamer!’
Dat lijkt mij ook erg tof: met je neef samen in één van de mooiste steden van Nederland, in een eigen kamer.
‘Maar wat heb jij met horeca, het is daar wel op gericht, toch?’ probeer ik nog met een serieuze vraag. En ik denk aan de krap vier weken dat hij afwasser is bij bakkerij annex tearoom van M. te H.
Zijn zus doet ook een gezellige duit in het zakje: ‘het is een heel zware toelatingsprocedure.’
Zijn ogen dwalen weg. ‘Je moet ook een speciale messenset kopen..’ En hij neemt een flinke slok Vifit.

Later bedenk ik mij, fietsend naar het werk, dat wij ineens volgend jaar weer met ons tweeën zouden kunnen zijn. Ik dacht dat ons jongetje, altijd zo aan thuis hangend, hier nog wel even zou blijven. Maar misschien is dat een illusie. Ik probeer mij ons en vooral mijzelf voor te stellen zonder studieboeken op tafel, zonder samen theedrinken, zonder lege zakken chips onder het bed, zonder onverwachte knuffel van dikker wordende jongensarmen en zonder huiveringwekkende t.v.- of game-geluiden uit de jongenskamer. Het is even wennen. Maar het is goed.

‘Wat ik zoal deed vandaag, Max? Een verhaal schrijven, ruim een uur sporten, douchen, boodschappen doen, ontbijt maken, twee kranten lezen en de eerste aflevering van de Amerikaanse Killing kijken.’
‘En jij?’ vraagt zijn vader.

Maar hij is al op weg naar boven. Zich klaarmaken voor de volgende verjaardag. Hutje mutje hebben ze bij elkaar gelegd. Er komt vanavond een vrouwelijke stripper. Op dit…eh… worstenfeest.