Een warme dag


Er liggen plassen naast het zwembad van ons Griekse huisje. Niet van het plonzen in het zwembad want daarvoor is het water te koud. Op de warmste dag in Nederland regent het op Lefkas. Uit een van de plotseling opdoemende dikke wolken storten dikke druppels op het golfplaten dak van ons huisje. Het heeft iets gezelligs.

                        *

Zodra de plassen opdrogen en in de hete zon slinken alsof onzichtbaar keukenpapier het vocht rap opzuigt springt ons Duitse buurmeisje in het ijskoude water van hun zwembad. Haar dappere vader springt ook en samen maken ze plezier. Ik hoor de plons waarmee ze lachend in het water valt nadat haar vader haar hoog optilt en teruggooit.

                       *

Ook wij gooiden ooit kinderlijfjes hoog de lucht in die dan lachend terugplonsten in het water. Natte haren, warrig voor hun gezicht. De hand, waarmee ze de haarslierten naar achteren duwden en vroegen: ‘Nog een keer!?’ 

                       *

Die glibberige lijfjes droogden wij later af en koud vel vleide zich tegen het jouwe aan. Huid op huid. Koud op warm. Die lijfjes zijn lijven geworden, kippenvel krijgen we niet meer.

                       *

Het bijna-volwassen lijf belt ons met de vraag hoelang de lasagne in de oven moet en op welke stand. Ook wil hij weten waar de teken-tangetjes liggen ‘Want Moos heeft een teek. Ja, die heb ik niet ontdekt hoor, dat ontdekte S.’ S. is zijn vriendin die onze poezen liefdevol aait. 

                       *

Gisteravond lagen wij in ons Griekse bed toen de telefoon ging. 

‘Met mij, stoor ik?’

‘Nee hoor, we lagen net in bed’

(…)

Het blijft even stil en ik voel dat onze zoon op zijn horloge kijkt. Het is hier 22.30 uur. In Nederland is het een uur vroeger. Hij slikt van alles in en vraagt: ‘Zeg, welke fles rode wijn mag ik openmaken? J. en S. zijn hier en we willen wat drinken maar ik weet niet welke fles ik mag openmaken.’ J. en S. zijn vrienden die gezellig bij hem langskomen als wij er niet zijn.

‘O joh, dat maakt niet uit. Pak er maar een.’

Achter mij hoor ik zijn vader slaperig mompelen ‘Op het aanrecht staat een goede.’

‘Er staat nog een lekkere op het aanrecht’, herhaal ik. 

‘Oké, hoe is het verder?’ Ik zie zijn ogen gericht op de fles die hij open gaat maken. ‘Het gaat goed hoor, het is hier heerlijk!’ Mijn enthousiasme smoort in het (…) van onze zoon. Ik voel dat hij kijkt naar de fles rode wijn op het aanrecht. In zijn ooghoek zitten zijn vrienden.

‘Nou, prettige avond he?!’, zeg ik. ‘We zien elkaar zaterdag weer.’ 

‘Ja’, zegt hij. ‘Tot zaterdag!’ 

                    *

We worden nog maar een keer door hem gebeld. Over het zonnescherm dat niet meer omhooggaat. 

‘Ik bel wel even met de zaak van het scherm’, zeg ik, ‘Kan gebeuren joh. Het zal de motor wel zijn, dat gaat een keer stuk.’

‘Is goed, mam’, zegt hij mak, bezorgd om de reactie van zijn vader die niet houdt van kapotte zonneschermen. Ik bel met de leverancier.

‘Ik houd het kort want ik bel vanuit Griekenland.’ En ik leg uit wat er aan de hand is.

‘Geeft u maar het nummer van uw zoon, dan bel ik hem’, zegt de vriendelijke zonneschermenman. Ik app onze zoon dat hij gebeld wordt. Vier minuten later belt ons kind.

‘Mam, het was gewoon de stekker’, zegt hij beschaamd. ‘Ik had gefrituurd en dat wilde ik buiten doen. Toen heb ik de stekker van het scherm eruit gehaald en dat was ik vergeten.’ 

Ik lach. ‘Mooi dat dat het was! Tot gauw!’ 

                       *

Als ik neerleg denk ik aan de twee zachte lijfjes van toen. De lachende gezichten, het plezier, en de vele plonzen in het water. Naast ons hoor ik het buurmeisje. Ze lacht en springt weer in het zwembad. 

                        *

In de krant zie ik foto’s. Meisjes, ouders, vriendinnen. Een buurvrouw die de kinderen zou ophalen. Saffie Rose, Georgina en Olivia springen niet meer. Niet in koud water, niet in warm. Geen gelach, geen plons na het teruggooien van het kind in het zwembad, geen handdoek, geen opwarmend kindervel op ouderhuid.

                      *

De plassen naast het zwembad zijn weg. De zon schijnt. Het belooft weer een warme dag te worden.

                    ***

Finale


Als een machtig zweefvliegtuig hangt boven de Griekse broccoli-bergen een roofvogel. Statig en stil zweeft hij door ons uitzicht. Uitzicht op een strookje zee tussen het groen van olijfbomen en het geel van bloeiende bloemen. Een zwart-witte vlinder landt naast mij op het strookje droge aarde waarin dennetjes staan. Nerveus trillen de vleugeltjes. Op en neer gaan ze, met kleine bewegingen.
                       *

Naast ons hoor ik de schoonmaakster van dit complex-met-vijf-huisjes het terras vegen. De bewoners – onze buren links – gingen zojuist op pad: hij met een hoedje tot over zijn ogen, beige broek en sokken in de sandalen. Zijn vrouw zag ik niet, ik hoorde haar alleen gisteren, toen ze naast ons zaten bij hun eigen zwembad, afgescheiden door de rij dennetjes.

‘Kom je ook zwemmen?’, vroeg ze als de man net lekker zat of ‘Ik lees eerst mijn boek uit dan kom ik’ als hij vroeg of ze kwam. Ik leer uit de conversaties dat de twee elkaar nog niet hun hele leven kennen. Zo ving ik op:

Hij; ‘Ik bel zo Max nog even.’

Zij: ‘Waarom?’ 

Hij: ‘Woensdag speelt Ajax en ik wil hem vragen hoe ik dat hier kan zien.’

Zij: ‘Is dat zo belangrijk dan?’ 

Hij: ‘Nou, ze spelen de finale Europa-leage.’

                          *

Ik hoor geen zucht maar kan het gezicht van de vrouw raden. 

Zij: ‘Ik wil niet pinnig doen maar we zijn nu op vakantie. Hebben we niets anders te doen?’

                         *

Ik twijfel of ik binnen in ons huisje muziek ga halen en oortjes waarmee ik mij kan afsluiten. Maar ik ben lui. Ik lig op het ligbedje met zo’n handig zonnekapje te lezen. Ik lees over de vader van Alfred Birney die de politionele acties in Indonesië voortzette door zijn vrouw en kinderen in Nederland zodanig te terroriseren dat de kinderen voor de puberteit uit huis geplaatst werden. Geen vrolijke kost. Wel goed geschreven. Muziek en zo’n boek lezen gaan voor mij niet samen.

                        *

Een citroenvlindertje fladdert vrolijk voor mijn neus en opeens is het stil. Mijn boek leg ik naast mij neer. Ik sluit mijn ogen en ik denk aan de roofvogel die als een drone het landschap beziet vanaf grote hoogten. Een vrouw op een ligbed met zonnekapje, een huisje, een zwembad, bergen vol broccoli, de zee. Geen vaders die hun kinderen vuistslagen verkopen, geen pinnige conversaties, geen, gewoon niks.

                         *

Vanavond gaan we eens op zoek naar een mogelijkheid Ajax-Manchester te zien, hier in Griekenland. Ik ken mijn man al jaren.

                      ***

Wim is weg

  
Zaterdagochtend dacht ik aan Wim Boevink. Wim, vaste columnist bij dagblad Trouw, is weg. Naar Griekenland meen ik, zijn grote liefde. Nu is Griekenland ook een van mijn grote liefdes: het land met haar beschaving, mythes, droge heuvels, de azuren zee. 

                            *

Zoveel prachtige plekken met zoveel herinneringen: een peuter die wandelt op zijn sandalen met tinkelende gespjes op oeroude overblijfselen, omringd door knalrode klaprozen. Een schoolkind met strakgedraaide vlechtjes, zegenende handen van een Grieks-orthodoxe kloosterling zweven boven haar hoofd. De kippen in de hof die tokken of hun leven ervan afhangen. De kapel behorende bij het klooster, stil en sereen. Verhalen van Icarus, Hera, Zeus, Leda en de zwaan die je voelt overal, rondom je. Land vol verhalen, orakels, zon en licht.

                            *

Ik mis Wim. Zijn verhalen, zo mooi van taal. Ik mis ze. Zijn vervanger heet Maaike en ook haar verhalen lees ik. Maar deze ontberen dat wat Wim’s verhalen zo prachtig maakt. Ik kan mijn vinger er niet opleggen. Is het de taal? Is het de inhoud? Is het de combinatie van beiden? Ja, ik denk dat laatste.

                            *

Ik kijk naar buiten. De wind waait de vacht van onze poes alle kanten op. Haar witte haren staan rechtop. Er bloeien nog drie rozen aan de stakerige takken van de rozenstruik. Op de voorpagina van onze krant staat geen beeldvullende foto. Een paar woorden maar: ‘Veel doden bij aanslagen in Parijs.’ Vannacht is in alle haast deze kop op de voorpagina geplaatst. Er waren nog geen foto’s, het nieuws was vers, het moest erop. Op de voorpagina.

                            *

Zaterdagochtend om half negen zit ik op de bank voor de t.v. ‘Er is iets vreselijks in Parijs gebeurd’, zegt mijn man. Ik zie hem de t.v. aanklikken, ik zie zijn pyjamabroek, het witte koord dat loshangt, zijn jasje dat hij over zijn slaapshirt aantrok. De katten, weer binnen en aangenaam verrast door onze vroege zit op de bank, kruipen er gezellig bij.

                          *

En net zoals jaren geleden, toen vliegtuigen zich boorden in twee enorme gebouwen, kijken wij stilletjes en met ongeloof naar beelden van verlaten straten, mensen op een voetbalveld die vragend, nee verschrikt, om zich heen kijken, een meisje gehuld in goudfolie, met angst in haar wijd opengesperde ogen. Zij luisterde in het donker naar muziek, om haar heen vielen vrienden en muziekliefhebbers neer. Eagles of death metal. Daar luisterden ze naar.

                           *

Een tijdje later sla ik de krant open. Wim is nog steeds weg. Laat Wim terugkeren. Cultuur, taal, bespiegelingen, gedachten. Beelden van oeroude overblijfselen van beschaving op een zonnige heuvel onder een blauwe lucht. Een kind tussen knalrode klaprozen. Zegenende handen. Wij zetten deze op de voorpagina. Wim is weg maar hij komt terug. 

                        *

Beschaving zal overwinnen. 

                       ***

Nai e Oxi

  
De zon in het Zuiden verschijnt achter de wattige wolken in het blauw. Een zachte wind doet de hoge bomen ruisen, de haan van de overbuurman kukelt er op los. Vandaag horen wij of het ja of nee wordt voor de Grieken. Ambtenaren zijn druk aan het rekenen, Dijsselbloem bereidt zich voor op de belangrijkste vergadering van zijn voorzitterschap. Op de hielen gezeten door zijn rivaal, de Spanjaard De Guindos, die ook zo graag voorzitter wil zijn van de Eurogroep. Het is een warme zomer. 

                         *

Duitsland steunt de kandidatuur van de Spanjaard. ‘Dat is niets persoonlijks’, zoals gisteravond een Spaanse politicoloog uitlegde op het Nederlandse journaal dat wij in ons Franse huisje gewoon kunnen kijken. ‘Spanje heeft nog geen belangrijke Europese post binnen Europa en vindt, met Duitsland, dat het daar tijd voor wordt.’ Daarbij komt dat de Spanjaard als minister van Economische Zaken flink bezuinigd heeft in Spanje dat ook op het randje van de Europese afgrond bungelde. Een beloning waard, solidariteit uitbetaald in erebaantjes.

                         *

Tijdens het debat in het Europese parlement waarbij Guy Verhofstadt Tspiras als een kleine jongen de les leest, zie ik een glimlach op het gezicht van laatstgenoemde. Hij heeft een koortslip, Alexis Tspiras. Links, een beetje naar het midden toe, zit op zijn volle onderlip een rooiig blaasje dat ongetwijfeld hindert bij het eten, drinken en glimlachen. Hij zal lange dagen hebben gemaakt, deze rebelse premier. Sjors van de rebellenclub. 

                          *

De nog grotere rebel, Varoufakis, was te brutaal. Deze reed op zijn motor met zijn blonde Griekse schone uit het zicht van de camera’s. Ons achterlatend met het gevoel: ‘was dit alles nu gepland?’ Is het geniale strategie? Een ‘bad’ en een ‘good guy’, een razendsnel georganiseerd referendum, opnieuw voorstellen indienen – bijna dezelfde als die van de gehate trojka – maar nu met de trots van 61 % van de Grieken achter zich? 

                          *

Hij lijkt me slim, die Tspiras. Een linkse strateeg.

                         *

Uit de struiken kruipt voorzichtig, maar kwiek en zilverachtig, een hagedisje tevoorschijn. Even staat hij doodstil op de warme, zandkleurige stenen van het terras. Hij heeft een lange, spits toelopende staart. Bij de minste beweging aan de tafel schiet hij terug, de veilige struiken in. 

                          *

In de lavendeltakken die vlak boven de tegels hangen zoemen dikke bijen. Totaal gefixeerd op de paarse bloemen kruipen ze erop en zuigen ze zich vol.

                         *

Hier in het Zuiden, daar waar vele Noorderlingen dezer dagen naar afreizen in warme, volgeladen auto’s, jagend op de autoroute naar de warmte, is het leven verstild. Winkels in dit Zuid-Franse dorp zijn urenlang dicht, op de kapper, een bloemist en de bakker na. Er ontstaat pas reuring op de wekelijkse marktdag. Dan zijn opeens alle winkeltjes open. Men ontmoet elkaar, koopt een tomaat hier, een olijf daar. Men loopt rustig naar la voiture – niemand hier die fietst – en rijdt naar huis. Daar zit men veelal binnen, te warm om buiten te zijn. De turquoise luiken zijn gesloten.

                         *

Frankrijk en Italië steunen de Grieken. Duitsland en Nederland zijn streng. Estland, Letland en Litouwen balen ronduit van het rumoer rond en getreuzel van Griekenland. Zij bezuinigden dan wel hervormden zo streng dat hun bevolking 40% armer is dan de sneue Grieken. 

                          *

Europa balanceert op het touwtje tussen ijver en rust. Koude en warmte. Tempo maken en doorwerken versus de winkel dichtdoen om uitgebreid te lunchen. Een broodje kaas wegslikken achter de computer of twee, drie verrukkelijke gangen nuttigen in een van de vele restaurants of lekker thuis.

                           *

Wat is wijsheid? Het gevoel zegt dat wij elkaar moeten vasthouden. In het verenigde Europa verdienen wij – in ieder geval Duitsland en Nederland – domweg meer geld. Politieke eenheid zou op termijn de economische positie van Europa nog sterker maken dan deze nu al is. 

                         *

Aan de andere kant zien wij met lede ogen tientallen miljarden euro’s naar het Zuiden wegvloeien. Euro’s die wij ‘uitlenen’ maar waarvan wij diep in ons hart weten, vermoeden, dat wij deze niet terug zullen zien. Niet allemaal althans. 

                          *

‘Wat is een miljard eigenlijk?’, vragen wij ons af, hier in ons gerieflijke, Franse huurhuis. 

‘Duizend miljoen, negen nullen’, weet onze dochter.

‘Honderd miljoen’, denkt mijn man. Maar het is duizend miljoen. Negen nullen.

Nederland leende Griekenland twintig miljard waarvan – zo weet ook onze dochter – wij achttien miljard terug moeten krijgen. Achttien duizend miljoen euro. Achttien duizend winnaars van een miljoen euro in de Staatsloterij. Volgens ons kind moeten we stoppen met lenen. Volgens mijn man ook.

                          *

En ik? Ik twijfel. Ik ben voor het bundelen van de krachten. Voor politieke eenwording in Europa. Voor een duurzame toekomst. Soms een broodje kaas tussen de middag, maar nu twee verrukkelijke gangen in restaurant Cote-Bastide of Au fil de l’eau aan de oever van La Dordogne. Met een glaasje vin du Ste Foye-Bordeaux.

                         *

Bon appetit!

                          *

Nai!

                       ***

Verlaten land

 Het is stil. Doodstil. Het lijkt alsof zich in dit dorp geen mens bevindt. Vervallen huizen, afbladderend stucwerk, vale, verwassen deuren: mintgroen, bruin met strepen van oud en verwaarloosd. Het dorp van de vervallen huizen. 
                          *

Drie vale poezen, een lichtrode, een witte en een zwart-witte, hangen op kobaltblauwe vuilnisbakken, hopend op, ja waarop eigenlijk? Geen mens hier dat afval weggooit, er zijn hier geen sporen van beweging, reuring. Stil is het. Doodstil.

                          *

Het dorpje luistert naar de naam Koumaradei. Koumaradei, het rolt over de tong als een gerecht, gekruid met salie dat hier zomaar langs de kant van de weg groeit,-dikke struiken met taaie takken-, afgemaakt met citroen en dikke olijfolie. Rijpe tomaten, vol van smaak begeleiden de koumaradei, en dat is voldoende. Het sap van de tomaat smaakt vol, het vruchtvlees is zacht en stevig tegelijk. Een tomaat met betekenis.

                           *

Eten. Het eten van Bill and Salome, de lunch in Psili Ammos, Nick the Greek, Angelo en het eten van Anna. Eten van betekenis. Hier op een Grieks eiland in Griekse eilanddorpjes. Sommigen doodstil, in anderen dwalen enkele toeristen rond. Niet veel, rustige reizigers, veelal op leeftijd. Ze dragen verkreukelde bermuda’s, vale t-shirts met of zonder opdruk, ze dragen sandalen. Zoveel sandalen: bruin, bruin-groen, roze, stevige en slappe, gezonde en gehakte. Met sokken erin, meestal zonder. Weinig gelakte nagels, meestal oude, gelig, soms gebrokkeld. En allemaal even lelijk. Zowel nagel als sandaal.

                      *

Het eten van Anna. Ooit belandden we bij haar, gewoon omdat ‘Anna’s place’ zich bij ons om de hoek bevindt. Bij ons om de hoek betekent deze week tien minuten lopend bergafwaarts en dan bij de kustweg naar links. ‘Anna’s place’ staat op een pastelkleurig bord met lelijke, pastelkleurige illustraties. Het belooft niet veel goeds dit esthetische wan-begin. Maar het is zo lekker dichtbij, de tafeltjes onder de pergola met groen, lokkend en lonkend met hun dekjes van dun papier. Vroeger bedekte men in de Nederlands-Chinese restaurants ook de tafeltjes met dit dunne papier. De Chinees op het Haarlemse stationsplein, daar aten wij als kinderen een keer per jaar feestelijk met onze ouders. Precies van zulke dunne dekjes.

                            *

Wij nemen plaats aan een tafeltje voor twee. Een jonge ober schiet op ons af. Hij draagt een zwart t-shirt met opdruk. Vale spijkerbroek. Galant noemt hij vijf gerechten op die ‘Anna’s place’ serveert als lunch. ‘Fresh-made’. Alle vijf klinken ze even aantrekkelijk. We kiezen de koolrolletjes met gehakt en gevulde tomaten. Een witte wijn en een Mythos bier. En dan gebeurt er iets. 

                   *

Een smaaksensatie wordt op ons losgelaten. Smaak van boterzachte, dunne kool met stevig gekruid gehakt. Sappig. De gladde structuur van kool met het rulle van de gehakt. De gegrilde tomaat is gevuld met volle, romige rijst, en wordt begeleid door een gele saffraanjus met kleine stukjes aardappel. Lunchgerechten die hun weerga niet kennen. We kijken uit over zee en proeven. 

                        *

‘s Avonds keren wij terug en we belanden in Anna’s toneelstuk in drie bedrijven. Anna, the cook herself, staat in beige broekrok en felroze campinghemd met haar schort als beschermend harnas tegen alle gevaren van buitenaf, klaar. Een pollepel ontbreekt, deze zou haar houding en gedrag vervolmaken. 

                 *

Haar dunne witte benen, hier en daar bespataderd, steken fier uit onder de pijpen van de broekrok. Platte sandalen maken het plaatje af. Anna’s hoofd staat op negen dagen onweer. Een ontevreden streep als mond. Haar geblondeerde pagekapsel en priemende donkere ogen voorspellen niets goeds. Anna staat voor een muur met daarop schalen. Over de schalen is aluminiumfolie gedrapeerd. 

                          *

Anna knipt met haar vingers en geeft ons een kort knikje. Gedwee staan wij op. Wij lopen achter haar aan. Naar de schalenmuur. Een voor een tilt zij de aluminiumfolie op, net lang genoeg voor een korte blik op de gerechten die zich in de schalen bevinden. Zij dreunt op: stifado, white beans, moussaka, filled chicken with bacon, stuffed porc, rice. Dat laatste klinkt als een kanonschot over de idyllische binnentuin. ‘Rice!’ Met een krachtige sssss. Zij voegt eraan toe, zacht en onduidelijk: ‘we also serve fresh fish, grilled.’ Zij wijst met haar hand achteloos over haar schouder naar achteren. 

                            *

Een oude, dikkige man kijkt ons aan. Hij knikt vriendelijk. De fishgriller. Achter de man duikt de ober op van tussen-de-middag. Bedeesd kijkt hij ons aan, heel wat minder frank en vrij dan een paar uur ervoor. Alles en iedereen hier is in de ban van Anna, Her Majesty of the Wall of Fresh-made Dishes. ‘Authentic Greek’. Tenminste, dat vermeldt het krijtbordje naast het lelijke pastelbord voor de stenen trap naar de binnentuin. 

                              *

We kiezen de beans, de bifteki en de grilled fish. En het is ongelooflijk hoe heerlijk dit smaakt. Zacht visvlees met een korstje fijn gerookt vel. De lichte rooksmaak dringt net genoeg door tot het vlees. Malse, enorme, witte bonen, omringd door gele rijst, vol en dik en de zacht gegaarde tomaat. De stifado, stevig en wederom gekruid, begeleid door een jus met de smaak van Griekse kruiden. Dit alles is hemels, heerlijk.

                             *

We keren nog eenmaal terug: de moussaka van Anna verdween niet uit onze gedachten, evenmin als de bonen. Nooit een betere, romiger en toch stevige moussaka geproefd dan die van de norse Anna. 

                          *

Naast Anna waren wij bij de beminnelijke Bill van Salome met zijn onovertroffen kebab en piepende zwaluwnestje onder zijn open dak. We aten bij ‘Nick the Greek’ met zijn heerlijke salade, koele witte wijn, met uitkijk over strand en zee. Nick, tanige zestiger, overduidelijk goed boerend in het zich moeizaam-overeind houdende Griekenland, klagend over de economie, de euro (‘you can pay in guilders?’), zijn dure werkkrachten. En dan de stille, lieve dame, – haar naam is Maria, – van Psili Ammos met haar gegrilde vis, zacht-gestoomde courgette, aardappel en tomaat uit eigen tuin, de zelfgemaakte biologische wijn en haar oneindige uitzicht over het Egeïsche blauw.

                          *

Dorpen van verlatenheid, heimwee-eten, azuren zee en kiezelstrand. 

                          *

Onbetaalbaar.

                        ***

 

Leda en de zwaan

 Kijkend naar beneden, vanuit het restaurant gelegen op het puntje van een rots in het Griekse dorpje Psili Ammos, ligt daar de zee. Glad en turquoise strekt deze zich uit tot waar je kijken kan. Oneindig. 
                         *

Boven de vers gegrilde vis, vergezeld van twee partjes citroen en gestoomde groenten denk ik aan de Griekse lessen van meneer van Katwijk. De serieuze leraar die ons, leerlingen van het stadsgymnasium, zoveel jaren geleden Grieks leerde. Prepareren en repeteren, dat waren de sleutelwoorden. Twee keer twee en later drie keer twee uur ploeterden wij op het vertalen van een paar regels. 

                         *

Thuis bereidde je de lessen voor: met je aantekeningen, het woordenboek en wat spaarzame aanwijzingen op uitgedeelde stencils puzzelde je je door de woorden heen. Totdat je een zin had. En nog een. Zo’n vijftien, twintig, hooguit dertig zinnen per keer. Langzaam maar gestaag lazen wij de Odyssee, de gedichten van Sappho, een stukje nieuw testament (hè, is dat ook in het Grieks geschreven? Dat wisten wij niet!) en veel, heel veel andere teksten.

                         *

Ik kan het mij bijna niet meer voorstellen. Hoe brachten docenten en vooral leerlingen dit minutieuze gepuzzel week na week op? Wij waren veertien jaar. Pubers van onze tijd. Ook toen was er afleiding: sport, uitgaan, radio, televisie en ja, ik word thuis uitgelachen (‘mam, je was een nerd’): stiekem lezen met je leesboek verstopt onder je studieboeken. En toch vertaalden wij. En leerden wij Grieks van meneer van Katwijk.

                         *

Ooit liet meneer van Katwijk dia’s zien van zijn reis naar Griekenland. Daar moesten wij om lachen: de statige meneer van Katwijk in korte broek en met zo’n gek hoedje op, staand bij de Akropolis. Als een echte leraar met zijn vinger wijzend naar de bezienswaardige tempel, de zuil, het orakel. Wij proestten zachtjes om deze inkijkjes in het leven van de statige man, altijd netjes en formeel gekleed. Streng, rechtlijnig, kijkend over zijn bril met zwart montuur naar jou, nietige leerling.

                         *

Later, veel later, liep ik zelf in Griekenland. Ik wees mijn kinderen op de bezienswaardigheden, een tempel, een zuil, een orakel. Ons blonde meisje, sprieterig in haar zomerjurk, doodstil luisterend naar het vallende muntje in het midden van het theater van Epidauros: de akoestiek in dit eeuwenoude theater was zo goed dat je op de bovenste rij een muntje op het podium kon horen vallen. De vervoering op haar gezicht en haar stemmetje: ‘mam, ja, ik hoorde het! Echt!’

                         *

Onze zoon, vier jaar oud, liep op de overblijfselen van een Grieks tempelcomplex, gelegen op een glooiende heuvel, uitkijkend over het dal. Tussen de hoge grassen en felrode klaprozen liep de kleine jongen op de enorme, rechthoekige stenen. Korte, blauwe broek, een beige t-shirt, zijn sandaaltjes klepperden over de stenen. En daar voelde ik het. Ik zag het. De nietigheid van het bestaan. Het voortzetten van het leven. De eindigheid ervan. En dat wat blijft. Stenen. Herinnering. Tekst.

                          *

In de vierde klas las meneer van Katwijk een gedicht voor. Het gedicht ging over Leda en de zwaan. Leda, die zeer mooi was, werd begeerd door Zeus. Omdat zij haar man trouw wilde zijn of misschien het gewoon niet durfde ging zij niet in op Zeus’ avances. Maar Zeus, niet voor een kleintje vervaard, veranderde zichzelf in een zwaan en overweldigde Leda. Dat gedicht las meneer van Katwijk ons voor. Aan ons, pubers van zestien jaar. Het was stil in de klas. Wij keken elkaar aan. Maar wij lachten niet. Er stond iets te gebeuren, iets dat wij niet helemaal begrepen maar wel belangrijk was. Dus was het stil. Doodstil. De zon scheen door de hoge ramen van het klaslokaal. En hij droeg het gedicht voor, van Yeats.

Leda and the swan

A sudden blow: the great wings beating still

Above the staggering girl, her thighs caressed

By the dark webs, her nape caught in his bill,

He holds her helpless breast upon his breast.

How can those terrified fingers push

The feathered glory from her loosening thighs?

And how can body, laid in that white rush,

But feel the strange heart beating where it lies?

A shudder in the loins engenders there

The broken wall, the burning roof and tower

And Agamemnon dead.                               

Being so caught up, 

So mastered by the brute blood of the air

Did she put on his knowledge with his power

Before the indifferent beak could let her drop?

Meneer van Katwijk brak. De tranen stroomden over zijn wangen en hij liep, geheel overweldigd door emoties, de klas uit. Wij bleven stil zitten. Keken elkaar aan.
                         *

En nu, 37 jaar later denk ik zittend boven mijn visje, starend naar de Egeïsche zee terug aan meneer van Katwijk. Aan Leda en de zwaan, klapwiekend boven de zee, zo blauw. Ik denk aan vergankelijkheid, schoonheid van tekst en beeld, de kleine mens. De eeuwige waarden van mythen en geschiedenis.
                         *

Tien jaar geleden kwam ik meneer van Katwijk tegen op een reünie. Ik wilde hem vertellen dat ik het begreep. Dat mijn kinderen over de resten liepen van de klassieke oudheid. Over mijn wijzende vinger en zijn dia’s. Hij liep over het zonovergoten schoolplein aan de arm van zijn vrouw. 
                         *

Meneer van Katwijk herkende mij niet. Hij herkende niemand. Hij was dement geworden, gevangen in een verwarrend labyrinth van gedachten en vage, niet aan elkaar te knopen, herinneringen.

                         *

Maar, meneer van Katwijk, op dit zonovergoten Griekse eiland vertelt de leerling, die 37 jaar geleden van u Grieks leerde, dat uw lessen, uw inzet, uw emotie voor haar van grote waarde zijn geweest. Er zullen vast meer leerlingen zijn zoals zij. Maar van haar weet u het nu zeker. ευχαριστώ. 

                       ***