Hommage

‘Enseigner, c’est ma vie’

Omdat ik ziek was las ik drie kranten op één dag. Eén krant las ik – onhandig in bed – op papier. De zachte, bijna vloeibare krantenflappen eindigden in ongelijke stukken met een scheve vouw in het midden. De andere kranten las ik, onderbroken door koortsdromen die afnamen en opkwamen als eb en vloed, op de iPad.

*

In de tweede krant viel mijn oog op een overlijdensadvertentie. Ik zag een bekende naam. Ik las door maar swipete terug. Boven de advertentie stond in schuine letters: ‘Enseigner, c’est ma vie’. Mijn grieperige hersens herinnerden zich dat woord – ‘enseigner’ – betekende dat niet ‘lesgeven’? Ik zocht het op. ‘Lesgeven’ was het. En toen wist ik het. Mevrouw de Buck was dood, mijn lerares Frans op de middelbare school.

*

Aan de advertentie kon ik zien dat deze met liefde was opgesteld. Ik las haar voornaam – die had ik nooit geweten – en haar bijnaam. Alsof zij een mens was, gewoon met familie, een huis, een leven. Voor mij was zij mijn juf. Mentor van klas 1 c, dat heette destijds klassenleraar. Ik herinner mijn teleurstelling dat wij haar kregen als klassenlerares. De andere leraren zagen er spannender uit. Jonger. Hipper. Baardjes, lang haar. Wijde jurken. Mevrouw de Buck droeg een rechte jurk tot boven de knie met een riempje om de taille. Zij had een smal, driehoekig gezicht. Ietsje vooruitstekende tanden, een kittige pas. 23 onzekere twaalfjarigen liepen in de zomer van 1974 achter haar aan naar lokaal 13.

*

Door de hoge ramen van lokaal 13 viel zonlicht als engelenglijbanen naar binnen. Wij stonden op de drempel van dat nieuwe leven zoals alleen twaalfjarigen dat kunnen. Onbevangen en leergierig. Mevrouw de Buck legde ons uit hoe wij onze agenda moesten gebruiken.

*

Ik had een Rijam-agenda met een onwillige kaft. We schreven het rooster in onze agenda’s op de pagina waarboven stond ‘Rooster’. Tijdens het schrijven drukte ik mijn rechterarm op de kaft om deze plat op tafel te krijgen. Met mijn linker-wijsvinger en duim hield ik de linkerkaft in bedwang. Geheimzinnige lokaalnummers, namen van leraren, het adres van de gymzaal in de stad, de uren gym in de zomer op een sportveld buiten de stad vulden de lijntjes op de witte, licht-gebogen pagina’s.

*

Daarna kregen wij een stencil met een plattegrond van de school. We vouwden het stencil netjes op, in een vierkantje, en schoven het in de agenda. ‘Goed bewaren’, adviseerde mevrouw de Buck ‘Hiermee kan je je weg vinden in de school.’

*

Mevrouw de Buck gaf Frans, in lokaal 13. Wij leerden heel veel woordjes. Op een dag klapte mevrouw de Buck het bord open met de Franse werkwoord-vervoeging. Thuis huilde ik. Ik snapte er niets van.

Een paar jaar later sprak ik voor mijn examen met mevrouw de Buck over ‘Les miserables’ en de schrijver Victor Hugo. Ik mocht er van alles over vertellen. Mevrouw de Bucks ogen glommen van plezier. Ik kreeg een 9.

*

‘Mevrouw de Buck, Ingrid, Itid, ook voor ons was u zorgzaam. Toen zag ik alleen dat riempje om uw ietwat uitdijende taille. Nu denk ik aan onze ontmoeting in de plaatselijke kroeg waar ik u tegenkwam met mijn eerste, echte vriendje. Het was nog geheim. U zat daar met mevrouw B., de juf Duits. In de kroeg…! Weet u nog wat u zei?

‘Ik wist dat jullie samen iets hadden, ik heb het gelezen in de Franse brief van Mark aan jou!’ Schalks keek u mijn geheime vriendje aan.

‘Mark vroeg in de brief die hij aan jou richtte ”Comment ca va avec Annelie?” En toen wist ik het!’ U en mevrouw B. lachten. Wij schoven bedeesd aan een ander tafeltje.

*

En nu bent u dood. ‘Na een liefdevolle verzorging in de Houttuinen.’ Ik had wel eens bij u langs kunnen gaan. Dan had ik het u gewoon kunnen zeggen.

*

Dank u wel mevrouw de Buck. Voor het mooie gesprek over Victor Hugo, de 9, uw milde lach in die kroeg.

En ik ken nog zoveel Franse woorden. Ook de werkwoorden kan ik vervoegen. Zonder tranen.

*

”Enseigner, c’etait votre vie”.

C’est vrai.’

***

Advertisements

Foto

                                                                            
Twee discjockey’s vullen de ruimte met loze praat. Hun stemmen gaan tegen elkaar in als pingpongballen van tafeltennissers die wild om zich heen slaan. Heel soms slaan ze een balletje over het net. 

Op een bordje voor mij staat in keurige letters:

Koffiepauze 10.30-10.45 uur

Lunchpauze 12.30-13.15 uur

Theepauze 15.00-15.15 uur.

                                                         *

Met een schuin oog kijk ik naar buiten door de glazen deur naar mijn auto. Deze staat netjes geparkeerd voor de bus waar ik zojuist inklom. Ik zit braaf op een bankje tegenover het bordje. Vaag hoor ik geluiden die van achter komen, mijn oren spitsen zich, ik hoor een lepeltje dat tikt tegen een kopje en zacht lachen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 13.13 uur. Mijn afspraak is om 13.25 uur. Dat is zo’n rare precieze tijd dat ik ervoor zorgde – geheel tegen mijn gewoonte in (‘Mam, jij bent altijd te laat’) – ruim voor 13.25 uur aanwezig te zijn.

                                                        *

Het erge is dat ik de afspraak die ik eigenlijk had – een paar weken geleden – geheel vergeten was. Het was de eerste maandag na terugkeer van onze reis naar China, dat leek mij handig. Ik was nog vrij en had dan alle tijd. De maandag ging voorbij en een paar dagen later dacht ik opeens aan de afspraak. Schuldbewust wilde ik bellen, uitleggen dat ik het vergeten was door mijn vakantie, maar het bandje verwees mij naar de site. Ja, de site. Dat ontsloeg mij van het maken van excuses. Ik maakte zelf een nieuwe afspraak via de site, vandaag om 13.25 uur op een plek die ik niet kende. Ik dacht dat het Haarlem-Noord was maar het bleek Schalkwijk te zijn. 

                                                       *

‘Het is daar bij dat winkelcentrumpje, vlakbij de Haarlemmerweg’, zei mijn man behulpzaam. Hij tuurde op het schermpje op zijn telefoon en ik verbaasde mij erover dat hij wist hoe dat werkte met het kaartje.

‘Zie je er tegenop?’, vroeg mijn zoon.

‘Ach, fijn is het niet’, antwoordde ik. Ik zei er niet bij dat ik er geen zin in had en er wel tegenop zag. Het doet ook pijn, nou ja, pijn, lekker is het niet. En het confronteert mij met dat waar ik liever niet aan denk. Mijn moeder, mijn schoonmoeder, mijn schoonzus. Ik denk aan de woorden van mijn broer: ‘Een bult zo groot als een tennisbal’ en ik zie de lieve Cootje voor mij in de zachte schemer van de ziekenhuiskamer. Ik ruik de lucht van ziekenhuis, adem het in. ‘Zorg je goed voor mijn zoon?’, vroeg ze. Een dag later was ze dood. 

                                                       *

Het is 13.15 uur. Ik hoor gestommel. Een dame van middelbare leeftijd neemt plaats achter het bureautje waarop het bordje met de pauzetijden staat. 

‘Goedemorgen’, zegt ze, ‘O nee, goedemiddag al.’

‘Goedemiddag’, zeg ik. Ik houd het ingevulde formulier zichtbaar vast en mijn rijbewijs trek ik uit het hoesje van mijn telefoon. Ik overhandig beide bewijsstukken van mijn komst en bestaan aan de dame. Achter haar staat een jong meisje. Ze lacht vriendelijk.

‘Uw huisarts heet dokter Prinsen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja’, zeg ik.

‘Weet u ook hoe de praktijk heet?’

‘Eeeh, nee’ en ik pijnig mijn hersens. Hoe heet de praktijk? 

‘Ik kom er bijna nooit’, zeg ik verontschuldigend.

‘Ik heb het al’, zegt de vrouw. Het meisje stapt naar voren en geeft mij een hand. 

‘U kunt zich hier omkleden, u doet de deur achter u op slot, alle bovenkleding mag uit.’  

                                                          *

Even later sta ik weer in het nauwe gangetje van de bus. ‘U krijgt binnen twee weken de uitslag’, zegt de dame vriendelijk. Met een raar soort opluchting verlaat ik de bus, loop het ijzeren trappetje af, naar mijn auto. 

                                                           *

‘Hoe ging het?’, informeerde mijn zoon ‘s avonds. Hij nam een hap pompoensoep. Zijn lippen kleurden een beetje oranje.

‘Ja, het ging’, zei ik. 

‘Wanneer krijg je de uitslag?’, vroeg mijn man.

‘Over twee weken’, zei ik. 

                                                            *

En dan kan ik het allemaal weer vergeten. Twee hele jaren lang.
                                                          ***

Sneeuw

Op de dag voordat de sneeuw valt fietsen mijn man en ik naar de stad. De kou die ik guur noem maar mijn man koud dringt door tot mijn huid. Ik draag een fijne maar te dunne broek. 

                         *

We brengen eerst wat boeken terug naar de bibliotheek. ‘Ga je mee naar binnen?’, vraag ik aan de man die wel leest maar geen boeken uit de bibliotheek leent. ‘Ja’, zegt hij, ‘ik moet even opwarmen.’ In het oude schoolgebouw waarin de dorpsbibliotheek is gevestigd is het warm. Moeders met dik-aangeklede kinderen staan boeken af te stempelen al is de stempel vervangen door een modern systeem met een glad vlak waar je de boeken op schuift. Daarna hoop je dat de titel op een scherm verschijnt. Als alle titels met een vinkje op het scherm staan druk je op een groene button waar einde op staat. Het geeft soms wat gedoe maar meestal werkt het en nu is er nog maar één bibliothecaresse nodig. 

                          *

Ik heb met boeken wat mijn moeder had met lapjes-van-de-markt en wat anderen hebben met tassen, schoenen of postzegels. Boeken dwingen mij tot kijken, kopen, verzamelen. Met een schuin oog kijk ik naar de plank waarop de boeken staan die teruggebracht zijn door de moeders met kinderen. Misschien zit er iets bij. Ik spreek mijzelf intussen streng toe want naast mijn bed liggen twee stapeltjes boeken die ik nog moet lezen. Twee bibliotheek-boeken en zes gekochte dan wel gekregen boeken. Mijn man die mij inmiddels kent staat bij de deur van de bibliotheek naar de gang. Zijn lichaam staat op weggaan. Dus we gaan. 

                         *

Het vervolg van de tocht naar de stad doet onze gezichten verstrakken. De vingerkootjes in het bont van de leren handschoenen voelen langzamerhand dood aan. Ik trek ze voorzichtig in de handschoen terug naar de warme holte van mijn hand zonder de macht over het fietsstuur te verliezen. Twee verstrakte vijftigers op de fiets op de dag voordat de sneeuw valt.

                         *

Het doel van de tocht is een film waar ik heen wil. Ik zag dat de film deze week voor het laatst draait in de stad. Het liefste bezoek ik met iemand films en nu strikte ik mijn man die ik ‘s ochtends op zijn werk een berichtje stuurde met de vraag of hij meewilde. En omdat hij niet altijd nee kan zeggen wilde hij mee. 

                         *

In de bioscoop die Filmschuur heet maar een architectonisch hoogstandje is tussen de oude huizen in het rosse randje van de binnenstad wemelt het van de vijftigers. De film is uitverkocht. En ondanks dat wij op rij 2 zitten, de film twee uur en zestien minuten duurt, de zaal vol zit en het buiten koud is verdwijnen ongemakken, verglijdt de tijd en nemen de beelden ons mee naar een onwerkelijke locatie (Boekarest), een carrière-dochter (die met haar gekwetste teennagel stoïcijns op hoge hakken loopt) en een ontregelende vader (met fopgebit). 

                     *

En laat u niet ontmoedigen door bovenstaande gegevens, dat deden wij ook niet. In een wereld vol geweld en gevaar is deze film er één van liefde, herinnering, troost en hoop. Gewoon gaan: Toni Erdmann. 

                         *

En…het gíng sneeuwen. 

                       ***

De etage 

Zaterdag liep ik in de stad. Het was zonnig maar koud. Mensen zaten optimistisch met hun jassen aan op de terrassen net te doen of het voorjaar was. 

                           *

Donderdag meldde onze dochter dat zij een etage mocht bezichtigen in Haarlem op de Riviervischmarkt. De gekte op de koop- en huurmarkt waart in Amsterdam lustig in het rond. Zij gaf de zoektocht naar een Amsterdamse etage op. Een huur van meer dan € 1500,- voor 50 vierkante meter is voor twee studenten te hoog gegrepen. Dus laten ze hun oog vallen op Haarlem, mijn dochter en haar vriend. 

                             *

‘OMG, we zijn de eersten!’ appt ze donderdagochtend opgetogen, ‘We gaan meteen kijken!’ Ik krijg een linkje toegestuurd met daarop piepkleine foto’s van een zolderetage met veel balken. Maar ook zie ik uitzicht op de Grote of Sint Bavo-kerk, het licht dat door een schuifraam valt, een aparte slaapkamer en een badkamer met douche en toilet. 

‘€ 825,- maar!’ 

‘Succes!’, app ik terug en ik ga aan het werk.

                             *

Gedurende de dag word ik op de hoogte gehouden. Ze zijn de eerste kijkers en moeten aantonen dat ze de huur kunnen betalen ‘Gelukkig telt de studiefinanciering ook mee!’ Even lijkt er nog een kink in de kabel te komen als een tweede kijker ook mee mag doen met de race om De Etage. ‘Maar dat is toch niet eerlijk? Ik heb de makelaar een mail gestuurd waarin ik hem aangeef dat hij ons de toezegging deed dat hij ons ging voordragen als we alles vandaag inleverden. Hij mailde terug dat ik gelijk heb. Nu zijn we gelukkig nog steeds de eersten!’

                             *

Mijn dochter en haar vriend zeggen de huur van hun Amsterdamse kamers op ‘We zijn er toch in juli en augustus niet, dat scheelt twee maanden huur, dat is € 2400,-!’ Beiden betalen € 600,- per maand voor hun kamer, een astronomisch bedrag. In een volgend leven word ik huisjesmelker. 

                             *

Op vrijdagochtend word ik gebeld:

‘Mam, kunnen jullie garant staan en het formulier invullen dat ik je toestuurde?’ 

Ik zeg dat wij dat doen en bekijk het formulier: het gaat om een ‘Akte van borgtocht’. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Ik mail mijn man en vraag of hij de akte uitdraait. Ik mail hem foto’s toe van onze paspoorten en kopieën van onze salarisstroken. Mijn man mailt terug: ‘Doe ik, maar wat een onzin dat wij ons hele doopceel moeten lichten voor die kamer!’ Ja, dat is zo, maar koortsachtig werken we toch mee aan het verkrijgen van De Etage, ‘Ze zijn eindelijk eens de eersten !’, mail ik terug.

                             *

Tussen de middag vullen we de ‘Akte van borgtocht’ in, mijn man fietst terug naar het werk en stuurt alle formulieren, foto’s en stroken toe aan ons kind. ‘Ik heb alles, mam, nu moeten we afwachten!’

                             *

Zaterdag lopen wij in de stad, mijn man en ik. We kijken op de Riviervischmarkt naar boven: en ja, als je goed kijkt zie je bovenop het oude pand een zolderetage. Met een schuin dakraam. De klokken van de kerk tingelen er op los.

                             *

‘Het lijkt precies op onze etage in de Smedestraat’, zeg ik en we denken beiden terug aan de etage waar wij ooit samenwoonden, een straatje verderop. Ik tel terug. Meer dan 30 jaar geleden klommen wij drie trappen op en duwden we een luik open. De trap en het luik waar mijn lieve schoonmoeder altijd van zei: ‘Wat is de trap toch smal en dat luik …onhandig hoor..!’ Ik denk aan de feestjes, de kou in de winter, de hitte in de zomer. Wij trokken ons daar niks van aan. In de winter zetten we de verwarming hoger, ‘s zomers fietsten we naar het strand.

                             *

Op Facebook zie ik een filmpje. Barbara Streisand luistert naar de uitvoering van ‘The way we were’, prachtig gezongen door een beeldschone Beyoncé. Ik pink een traantje weg. 

                              *

Vandaag horen we of het is gelukt met de etage. 
                             ***

De stad

  
 
Het Spaarne

Het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt voorbij.

                            *

Voorbij de stad waar niets meer wordt geladen,

er liggen voor de waag geen schepen meer.

Ze varen door want de bolders en de kaden

hebben plaatsgemaakt voor het verkeer.

                              *

En het Spaarne stroomt…

Zoals het steeds voorbij zal blijven stromen.

Het water gaat, wat blijft is de rivier.

En wat er ook voor andere tijden komen,

hij stroomt voorbij en blijft toch altijd hier.

                                 *

Het Spaarne stroomt…

Het Spaarne stroomt…

Voorbij de brug, voorbij de laatste huizen,

voorbij de werven en het stoomgemaal.

                              *

Het Spaarne stroomt, maar niet voorbij de sluizen,

het eindigt naamloos in een zijkanaal.
                          ***

Lennaert Nijgh (1945-2002)

Drie kussens steken boven de tuinbank uit. Ze staan fier rechtop en absorberen de zonnestralen met hun diepzwarte kleur. De poes kruipt op het kussen dat op de bank ligt. Hij krult zich op en zijn ogen gaan dicht. Het leven is verrukkuluk.
                         *

Vanochtend op de fiets was het snoeikoud: de aan mijzelf cadeau gegeven peperdure handschoenen hielden de snijdende wind niet helemaal tegen en mijn vingertopjes werden koud onder het zwarte bont dat zo haar best deed.

                         *

De tocht ging naar mijn geboortestad, Haarlem. In de veronderstelling dat ik daar ooit weer wil wonen fietsten we naar een appartement, gecreëerd in een voormalig RK-ziekenhuis. Het ziekenhuis waarin ons oudste kind geboren is, waar we een kaarsje in de kapel opstaken om de weeën te bespoedigen en waar een gezond, piepklein meisje werd geboren met een rood, rimpelig huidje en blond haar. 

Het kaarsje had niet zo goed geholpen maar de weeën- opwekkende middelen die langzaam uit de infuuszak door een doorzichtige slang mijn hand in druppelden deden hun werk. 

                           *

Met wangen, rood en ruwig door 12 kilometer noordenwind, komen we aan bij het nieuwbouwcomplex. Strak aaneengesloten staan de hoge en lage gebouwen tussen gifgroene gazons aan rechte straatjes haaks op elkaar. In de verte schittert het water van het Spaarne, het veroorzaakt goud-glinsterende vlekjes in onze ogen. We zetten onze fietsen in de stevige fietsenklemmen, in ieder straatje staat een rij klemmen, stil en recht als solide soldaten in het gelid.

                            *

Aan onze rechterhand zien we in onze ooghoeken het bordje ‘Open huis.’ Maar we zijn te vroeg. ‘Zullen we een rondje lopen?’, vraag ik en we lopen een rondje.

Aan het water ligt een mooie kade: de rivier glimt en glanst en stroomt langzaam langs de kademuren. Je ziet de stroom niet, maar je weet: er moet een stroming zijn, het is een rivier en rivieren stromen.

                           *

Het appartement hebben we gauw gezien: mooi, maar te klein en geen buitenruimte. ‘Leuk voor een persoon’, zegt mijn man. En ik ben het met hem eens. ‘Wel een persoon die €289.000,- kan betalen en dan heb je nog niet eens een garage erbij. Een garage kost €25.000,- extra’, zeg ik.

‘Zullen we nog even doorfietsen naar de stad?’, en dat doen we. 

                             *

Het is vroeg en de stad is stil. De fietsenstalling oogt leeg, is net open: vanaf 11.00 uur geopend staat met wit krijt geschreven op een bord. Van een 2 is een 1 gemaakt. Ooit was de stalling dus pas om 12.00 uur open. 

                             *

De stad is mooi, de zon schijnt en de wind lijkt hier minder guur. We eten een broodje, drinken koffie, bladeren in boeken en bekijken etalages. Bij de ecologische supermarkt kopen we frietaardappelen – de lekkerste – verse basilicum, tomaat en een bolletje Mozzarella. ‘Ik neem nog een pak mosselen mee en wat coquilles’, zeg ik tegen mijn man. Maar hij is op zoek naar het brood. Vanavond komt het rooiige baby’tje van weleer eten. 

                              *

We eten mosselen met frites en een knapperig stokbrood. ‘Even een kwartiertje op 200 graden in de oven, daarna een kwartier laten afkoelen. Dan heb je het knapperigste brood dat je ooit hebt gegeten’, zegt de aardige man in het Spaanse delicatessen-winkeltje.

‘Doet u ook maar een ons Spaanse ham, welke kan u ons aanbevelen?’ De man straalt en wijst ons op drie hammen. We kiezen de ‘hartige, pikante.’ 

                              *

Als we thuiskomen na weer een gure tocht zit ons jongste kind op de bank buiten in de zon. We pakken de boodschappen uit, het eten, de verse krant. Even later zit ik op de bank in de zon. Het is warm en stil. Naast mij krult de poes zich op en sluit zijn ogen.

                             *

Ooit gaan we in de stad wonen. Ooit.

                             ***

Smaak

  
Het is de eerste week van de Kerstvakantie. Ooit las ik over het lengen der dagen, zo mooi, dat ik niet wil weten wat het is. Lengen der dagen, woorden die een belofte inhouden.

                           *

Nu zijn de dagen kort. Ik schrijf in het donker met stilte om mij heen. Kinderen die geen kind meer zijn slapen. In mijn eerste halfslaap hoorde ik vannacht hun gestommel en heen-en-weer lopen. Het is vakantie. En we genieten van langzaam wakker worden, rustig beginnen en laat naar bed.

                           *

We kijken series op t.v., koken extra lekker want er is tijd. Tijd om na te denken, wat eten we? Waar hebben we zin in? En dan kiezen voor dikke ravioli’s, gevuld met spinazie. Truffelsaus en gewokte spinazie met knoflook erbij. Kleine plakjes knoflook sissen in de hete olie. De groente wordt lichtgroen en rul. De gladde ravioli, stugge vulling, zachte saus en rulle spinazie. Structuren en smaken als strelingen over de tong.

                         *

Het kind dat ‘s avonds in de keuken rommelt: ‘hier pap, mam, een kaneelbroodje!’ En het zachte deeg met kruidig kaneel ploft in de mond als eetbaar, roze bellenblaas-kauwgom dat naar vroeger smaakt. 

                          *

Overdag lachen we in de brillenwinkel om brillen waarmee je verandert van nerd in hippie, van schooljuffrouw in ‘hey, deze staat je echt leuk!’ Maar we kopen geen bril, we kijken alleen maar. We bezoeken een film in de Filmschuur. Dat prachtige gebouw in een van de oudste Haarlemse buurten. Oud- en nieuwbouw: glas en beton, baksteen en stucwerk. In zaal 2 moeten wij zijn. Het is druk. Groepjes vrouwen, mannen. 

                         *

Een paar donkere mannen krijgt uitleg in het Engels. Ik blijf even staan. Ik moet wachten op het kind. De mannen luisteren aandachtig naar de enthousiast-sprekende dame. Zij legt iets uit over het gebouw, de voorstellingen, de films. De mannen luisteren en kijken om zich heen. Ook in Haarlem worden vluchtelingen opgevangen. Is dit een groepje geïnteresseerde Syrische architectuur-liefhebbers? Toneel- en filmbezoekers? Daar is mijn kind en we gaan naar boven. De zaal is half gevuld. De stoelen zijn zacht. Stof met een grijs-zwart patroontje. We zakken erin weg.

                          *

En we worden meegenomen naar de jaren vijftig. Een warenhuis met liftboy. Een speelgoedafdeling met echte poppen: poppen met oogleedjes die op-en neergaan. Poppen met harde huidjes, deukjes onder de wangen, een poppenmondje. Een dame met kalfsleren handschoentjes koopt een cadeau voor haar kind. Van een verkoopster met poppen-ogen, zacht bruin haar met een pony. De dame heeft oranje lippen. Zij is mooi en sterk. 

                           *

Er is liefde. Liefde tussen de dame met de mooie, oranje mond en het poppenmeisje dat een baret draagt. Hoe kan je de liefde filmen? Nou, zo. 

                           *

Stil lopen we na afloop door een natte en winderige stad. ‘Wat een mooie film’, zegt mijn kind. ‘Ja, prachtig’, antwoord ik. En we denken aan het warenhuis, het bloesje van Therese met een driehoekige uitsparing op het borstbeen. De oranje mond en smalle, blauwe ogen van Carol. Zo kan de liefde zijn.

                         *

Smaakvol. 

                         ***

Poortje

  
Het was groot nieuws. Van een geheel andere orde dan het nieuws van de afgelopen dagen. Het straatje van Vermeer is gevonden. In Delft in de De Vlamingstraat 40-42. Mijn gedachten gaan uit naar de familie die er nu woont. Op nummer 42, want dat huis staat bijna in zijn geheel op het schilderij. 

                            *

In Trouw staat dat Gijs Withagen woont in het huisje van Vermeer. Eigenlijk het huisje waar ooit de tante van Vermeer woonde. Gijs vindt het geen probleem dat het huis hordes toeristen gaat trekken. Vooral Japanners zijn dol op Vermeer en zullen in grote getale langs zijn huis trekken. En omdat Japanners altijd zichzelf fotograferen met op de achtergrond de plek die zij bezoeken, zal het een Japans selfie-huisje worden. Ik vraag me af wat Vermeer daarvan zou hebben gevonden.

                           *

Gijs van nummer 42 vindt het geen probleem: ‘Een beetje levendigheid in de straat is juist gezellig.’ Ik moet er niet aan denken. Ik vind het al vervelend dat een keer per jaar de avondvierdaagse langs ons huis trekt. Joelende kinderen, hun wangen bol van snoep, die hier en daar aan een struikje trekken en belletje lellen. Hun ouders die zogenaamd niets zien en al netwerkend en babbelend door ons stille straatje lopen. Vreselijk. 

                            *

Ik kijk naar de foto van het huisje van Vermeer. De poort naast het huis doet mij denken aan de geheimzinnige poort van vroeger bij ons huis. Een eindje verderop van nummer 22 – wij woonden in een twintiger-jaren huis in een Haarlems stadspark – was een poort. Deze was afgesloten. Maar je kon erachter komen. Dan moest je er ongezien overheen klimmen. Ik pijnig mijn hersenen: hoe ben ik daar ooit gekomen in die geheimzinnige achterom? Zo’n durfal was ik niet en klimmen over zo’n hoge poort? Maar ik ben er geweest. In de nauwe gang. Vol met rottende bladeren en vol spanning. Als ik eraan denk voel ik weer de druk op mijn blaas. Een beetje krom loop ik door het vieze gangetje. Als ik krom loop plas ik niet in mijn broek. 

                              *

Het eerste huis achter een krakkemikkige schutting is van de twee ‘zusters’: zuster van Hemert en zuster Timmermans. Twee oude dametjes, lief en rimpelig als de appeltjes die zieltogen op het gras in onze tuin. Daarnaast liggen het huis en de tuin van mijn tante. Ik vind mijn tante eng. Zij is streng en cynisch. Ik mag hier vast niet lopen. Ik zie haar ijsblauwe ogen vanonder haar nepblonde pony waarvan altijd een paar haartjes eigenwijs rechtop staan. Naast het huis van mijn tante ligt het huis van onze buren. De familie D. die vier zonen heeft. De jongste zoon heet Mark, hij is van mijn leeftijd. Mijn tante noemt Mark ‘Rukkie’. Ik snap het niet. Maar zij legt het uit. ‘Die jongens roepen altijd ‘Marruk! Hoor je het? Marruk in plaats van Mark.’ Mijn tante spreekt geaffecteerd. Zij denkt dat zij heel wat is. En ik begrijp dat zij haar en onze buren veracht. Marruk. Rukkie.

                              *

Het huis van Vermeers tante is symmetrisch: net als dat van ons: hoge ramen, twee beneden, twee daarboven en boven de deur het kleinere raam van de badkamer.

                             *

Ik droom weg bij het schilderij: het schrobgootje waaruit de deskundigen opmaakten dat het huisje van Vermeer aan een gracht lag. Ik stel mij voor dat via het gootje het vieze schrobwater uit huis de gracht in liep. 

                             *

Het huis van Gijs aan de De Vlamingstraat 42 lijkt qua vorm – robuust en rechthoekig – op het huis van Vermeers tante Ariaentgen. Maar het is zichtbaar van een latere datum. Ons huis leek sprekend op dat van mijn tante Jenny.

                             *

Later, in de auto mijmer ik voort over straatjes, huizen, grachten, schrobgootjes en spannende poortjes met rottende bladeren. Het is weer eens wat anders dan de gedachten aan de man die met een Kalasjnikov nog even terugkeert om twee vrouwen onder een Parijs terrastafeltje af te maken. Het wapen weigert. De vrouwen rennen weg, ze grissen in een reflex hun handtassen mee. Ze rennen hun eigen poortje in. Een poortje van angst. En ik hoop dat ze eruit klimmen. Ooit. Net als ik. Toen. En dat ze ooit weer, zomaar op een ochtend in november, in alle rust en met plezier kijken naar een schilderij met daarop een straatje, een huis, een schrobgootje en een poort. Met in de poort de hulp van tante Ariaentgen die een stuk wasgoed schrobt met zo’n ouderwetse plank. Het vuile waswater laat zij zo dadelijk weglopen in het gootje. Het schrobgootje.

                            ***