Happy Christmas

Het is tijd voor de kerstboodschappen. Dit jaar knipten we ze op in drieën.

Mijn man fietste op zijn vrije dag naar de stad om alvast twee kilo patat-aardappelen te halen bij de ecologische supermarkt.

‘Neem je gelijk twee van die lekkere broden mee?’, vroeg ik. En dat deed hij. Ook kocht hij alvast foelie, piment en gist. Dat laatste zat in kleine zakjes met een Frans opschrift. Hij stuurde een foto of het goed was. En het was goed.

*

De dag erop zou hij voor werktijd met onze zoon naar de supermarkt gaan, een dorp verderop.

‘Ik doe het eigenlijk liever zelf, maar een keer in het jaar kan hij wel wat doen’, zei mijn man.

‘Ik ga om half negen morgen weg’, waarschuwde hij ‘s avonds onze zoon. Er kwam geen geluid uit de slaapkamer.

‘Hij zal het wel gehoord hebben, toch?’, vroeg mijn man en ik knikte.

*

Maar omdat ik vrij was ondernam ik de tweede tocht, naar de gewone supermarkt.

‘Het is toch te gek dat jij dat moet doen’, zei ik.

‘Ik ben vrij en ik maak hem zo wel wakker.’ Ik bleef lekker lang liggen. Half negen was ook mij te vroeg. En ik twijfelde. Ook ik deed liever zelf de boodschappen. Maar omdat een kind een keer per jaar wel wat mocht doen, opende ik zachtjes de deur van zijn slaapkamer en zei ik, anticiperend op een levensgroot ochtendhumeur dat onder de kier van de slaapkamerdeur als dunne, witte rook omhoog kringelde, kort en bondig dat ik boodschappen ging doen. Met hem.

*

Even later hoorde ik gestommel. Eenmaal beneden werden twee zwijgzame boterhammen geroosterd, pindakaas werd erop gesmeerd. Ik pakte de tassen, de portemonnee, de sleutels en vroeg: ‘Kom je?’

‘Waar gaan we heen?’

‘Naar Heemstede.’

‘Waarom?’

‘Dat vind ik een prettige Albert Heijn.’

*

In de auto keek hij in het spiegeltje van de zonneklep. Zijn haar viel half over zijn ogen. ‘Shit’, zei onze zoon.

‘Wat is er mis?’

‘Ik zie er niet uit. Ik hoop niet dat ik iemand tegenkom.’

We kwamen niemand tegen.

*

‘J. kan veel eten’, zei hij. J. is een van onze Kerstgasten.

‘O, dan neem ik nog een extra zak afbakbroodjes mee’, zei ik.

Hij stopte een literfles vers sap in de kar.

‘Dat is gezond’, zei hij.

*

En zo vulde ons karretje zich. Op de terugweg naar huis was het stil. Ik dacht aan de derde tocht naar nog een dorp verderop waar ik de bestellingen moest ophalen bij de slager, de groenteboer en de poelier. Zouden alle boodschappen passen in de ijskast en vriezer? Ook moest ik nog even voor het werk inloggen, een collega terugbellen en was ik vergeten mijn afwezigheid-assistent in te stellen.

*

Naast mij keek onze zoon weer in het spiegeltje van de zonneklep. Zijn hoofd hield hij schuin naar voren.

‘Ik ga zo nog even naar de kapper’, zei hij, ‘Ik zie er niet uit.’

Ik keek opzij, zag de zware lok, half over zijn wang, mijn haar, donker en dik.

‘Joh, je ziet er prima uit! Leuk juist, dat wat langere haar.’

*

Thuis pakten we alles uit. En het paste.

***

Advertisements

Spijt 


‘Je weet het niet, je weet het niet.’ Ik loop achter de oude man aan. Waar is Riet? Meestal doet zij de deur open. Een dame van 85 met een bob-kapsel en zware bril. Klein van stuk. Kwikzilverig. ‘Jouw papa, he? Die mag ik zo graag!’ 

                        *

Nu loop ik achter haar man aan het huis binnen. Een oude-mensen-huis met kleden op de vloer, een vaasje op de tafel en foto’s in de vensterbank. Zware meubels met daartussen potten met planten. Het grote raam biedt uitzicht op het bos. ‘Ik noem het mijn voortuin’, zei hij ooit trots tegen mij. 

                         *

Hij schuifelt naar de zacht-leren bank in de erker en gaat zitten. Ik neem ook plaats op het puntje. 

‘Je weet het niet’, zegt hij nogmaals. En hij drukt mij een lichtgele kaart in mijn hand. Ik zie een bob-kapsel, een zware bril. 

‘Is ze overleden?’, vraag ik tegen beter weten in. En ik denk aan mijn man die een paar weken geleden zei ‘Moet je niet eens langsgaan?’ En mijn antwoord ‘Na onze vakantie ga ik.’

                          *

En nu is Rietje dood. De vriendin van mijn vader die hem altijd uitnodigde voor haar Indische rijsttafel. De wijn die haar man Daan voor mijn vader – die nooit dronk – tevoorschijn haalde uit de wijnkelder. ‘Ik neem altijd wel een glaasje’, vertelde mijn vader die niet durfde te weigeren. ‘Hij heeft er veel verstand van’, voegde hij er altijd bewonderend aan toe.

                       *

Tien maanden geleden schuifelden Rietje en Daan samen over het middenpad van de gedenkruimte naar de kist van mijn vader. Zij, die moeilijk liep – ‘Ik heb een klapvoet, lastig hoor!’ – hield Daan, die bijna niets zag door een voortschrijdende oogziekte – stevig vast. Een gekrompen echtpaar op weg naar weer een verdwenen vriend.

                          *

Ik zit naast Daan die vertelt over de operatie van Rietje en alles wat daarna misging. Haar optimisme ‘Laten we een paar weken naar de zon gaan’, afgewisseld door sombere buien: ‘Ik ga de pijp uit.’ 

                         *

‘Ik heb je nog gebeld maar ik kreeg heel iemand anders aan de lijn’, beweert de bijna blinde. Hij laat mij mijn telefoonnummer zien in het oude klappertje. Het klappertje heeft een stoffen omslag.

‘Dat is mijn nummer’, zeg ik. 

                          *

Maar Daan vertelt verder. Hij praat over Rietje, over zijn interessante werk-leven, over Trump, Indie, wijn. Hij praat en hij praat. Ik denk aan Rietje, ik probeer zijn verhalen te volgen en op de juiste momenten in te hummen. In mijn ooghoek zie ik de lichtgele kaart als een wazige vlek op tafel liggen. Daans verhaal wordt eenmaal onderbroken door zijn zoon die op deze dag het huis schoonmaakt. ‘Ze zorgen goed voor mij’, zegt Daan. 

                         *

Als de zoon na een tijd weer verschijnt stap ik op. Daan legt zijn hand op mijn schouder. Zijn ogen zijn vochtige streepjes. ‘Ze was erg op je gesteld’, zegt hij.

                         *

Buiten schijnt de zon. Daans voortuin – het bos achter de vijver – is nog uitbundig groen. Kroos ligt op het water. Ik fiets langs de vijver waar Rietje vorig jaar met de auto in terecht kwam ‘Geen idee hoe dat nu ging. Ik ben zo geschrokken!’ 

                             *

Ik wist het niet, ik wist het niet.

                            ***

Alarm


Door het raam zie ik ze staan: twee stevige geranium-stengels met roze kopjes. Fier rechtop, ondanks de zomerwind die ze omver probeert te blazen. 

                              *

Daarboven zwaait een uitloper van de druif heen en weer. ‘Die moet ik afknippen’, denk ik terwijl mijn pyjama, ongekamde haren en de playlist ‘Lazy sunday afternoon’ wat anders zeggen. 

                             *

De viooltjes staan er zielig bij. Sommigen met wat tere velletjes paars en oranje. Drie geduldige geraniums wachten op de achterste tuintafel op een grote pot met verse aarde. Ik moet ze omwisselen.

                             *

De huistelefoon doorbreekt mijn gemijmer. Ik ren er naar toe want de huistelefoon staat voor onze twee oude vaders. Het is de mijne. 

                             *

Mijn vader valt met de deur in huis.

‘Met mij. Vanmiddag ga ik naar de veteranen-dag’, zegt hij.

‘Leuk’, antwoord ik. Iets beters kan ik niet verzinnen.                

‘Het is hier in Heemstede’, vervolgt hij, ‘Een luitenant geeft een speech en je kan nieuwe, Hollandse haring happen.’

‘Lekker’, zeg ik. 

‘En als het regent gaan ze naar binnen, in het gemeentehuis.’

                            *

‘Ga je met de auto?’, vraag ik.

‘Ja’, zegt mijn vader, ‘Ik parkeer de auto voor het gemeentehuis.’

‘Er is genoeg plek’, antwoord ik, ietwat wezenloos.

‘Er is ook een invaliden-plek.’

‘Ja’, zeg ik.
Het gesprek stokt.

‘Ga je alleen?’, vraag ik.

‘Nee, een vriend uit Heemstede komt ook’, antwoordt hij. ‘En die armband hoef ik buiten niet om. Er zijn genoeg mensen.’

                         *

Mijn vader kreeg een alarm-armband toegestuurd. Deze bestelde hij via internet. De vorige keer toen ik hem bezocht lag de armband, licht gekruld – alsof hij nog om mijn vaders pols zat – op tafel.

‘He, draag je de armband niet?’, vroeg ik.

‘Nee, nu even niet. Hij is zo groot. Onhandig ding’, mompelde mijn vader. 

‘Als je hem niet draagt dan zou ik hem terugsturen’, zei ik geprikkeld. 

                             *

Ik hoopte dat de armband een blijvertje was. Hij had de armband zelf besteld. En het werkte. We moesten samen lachen toen hij de zwarte bovenkant – ‘Knop? Ik zie geen knop!’ – vier seconden lang indrukte en even later mijn telefoon ging. Ik belde vervolgens de armband terug waarin hij kon praten. We vonden het een wonderbaarlijke uitvinding. We reageerden beiden alsof we uit het stenen tijdperk kwamen. Even waren we van dezelfde generatie, de generatie van carbon-papier en typemachines. Mijn vader had nu een armband om die achter elkaar vijf telefoons kon bellen. Mij – mijn broer – mijn man – mijn zoon – mijn dochter. Allemaal installeerden we de alarm-app.  

                              *

‘Heb je die armband nu om?’, vraag ik aan mijn vader die ik nog steeds aan de telefoon heb.

‘Ja’, zegt hij.

‘En vannacht?’, vraag ik.

‘Nee, hij valt steeds af’, zegt mijn vader. 

‘Hij ligt dan naast je?’, vraag ik.

‘Eh, ja, vlakbij’, mompelt mijn vader.

                            *

‘Ik moet vier keer erop drukken toch?’, vraagt hij.

‘Nee, vier seconden ingedrukt houden’, antwoord ik.

‘O ja’, herhaalt hij, ‘Vier seconden ingedrukt houden. We moeten ook eens ermee oefenen’, vervolgt mijn vader.

‘Maar dat deden we toch al?’, vraag ik verbaasd, ‘Hij doet het!’

‘O ja?’, zegt mijn vader vragend. Hij is het vergeten.

                              *

‘Maar goed, ik ben er vanmiddag niet tussen een en vijf uur’, zegt hij.

‘Nee, wij zijn ook weg’, en ik vertel hem over een uitje van het werk.

‘Dan zijn we er allebei niet’, constateert mijn vader.

‘Nee’, zeg ik, ‘maar veel plezier vanmiddag!’

‘Ja, jij ook’, zegt mijn vader.

                             *

Het klaart op buiten. Het lijkt iets minder hard te waaien. Ik ga me maar eens aankleden.

Ik kijk nog even door de glazen pui naar buiten. Er is opeens een donkerroze geranium-knop bijgekomen. 

                         ***

Gebak

 Keihard slaat regen tegen de ruiten. De poes ligt opgekruld in het mandje bovenop het opengewerkte rooster met verwarming. Het heeft een naam, zo’n rooster, maar daar kom ik niet op.                          *

Maandenlang keek de poes – een damesachtig, eigenzinnig geval -niet om naar het mandje, zacht van fluwelig bont. Ze lag op de harde eettafelstoelen van Friso Kramer, in de vensterbank tegen het kille raam of heel ongemakkelijk op de radiator onder de vensterbank. Zo’n ouderwetse radiator als lomp uitgevallen tralies. Maar nu ligt ze heerlijk in het mandje van zacht, fluwelig bont. Terwijl de regen tegen de ruiten slaat.

                          *

Bij mijn vaders flat slaat ook de regen tegen de ruiten. Grote ramen die uitkijken op de kerk, de rotonde en de Shell-pomp. 

‘De hele ochtend stond er een vrachtwagen bij de pomp. Geen auto kon tanken. Ze waren heel lang bezig en waarmee?’ Puffend laat mijn vader zich zakken in zijn stoel-bij-het-raam. Venijnige haaltjes water slaan tegen het glas. Binnen is het warm. 

                         *

Ik kijk naar buiten. Zonder bril zie ik vaagjes de contouren van de Shell-pomp. Geel en rood. ‘Het is daar anders druk hoor, niet te geloven’, vervolgt mijn vader zijn verhaal. ‘De tankwagen rijdt voortdurend af en aan. Maar vandaag kon niemand erbij. De hele ochtend waren ze bezig. En waarmee?’ Mijn gedachten dwalen af. Naar wat ik gisteren en vandaag deed en naar alles wat ik vandaag en morgen moet doen. Werken, een ski-les op een rollend tapijt, boodschappen doen, mijn kind vragen hoe haar tentamen ging, bij het andere kind informeren hoe het gesprek met de studie-adviseur verliep. 

                         *

‘Bij de kerk was het ook druk gisteren, ik weet niet waarom, het was gewoon…eh..’

‘Maandag’, vul ik aan. Soms is mijn vader in de war met dagen. Niet altijd maar soms. Hij schrijft alles wat hij gedaan heeft in steekwoorden op in zijn agenda. ‘Verjaardag Hidde. Gebakje gegeten’ staat op vrijdag 22 januari. ‘Naar Blokker. Extra kastje gehaald.’ Dat was ook vorige week. 

‘He, de agenda ligt nog open bij de vorige week. Zal ik even de bladzijde omslaan?’ En ik sla de bladzijde van de kantooragenda om. Zes lege dagen staren mij aan. 

Alleen op de donderdag is een ballon getekend met daarboven, in de ronde meisjesletters van mijn dochter, ‘JARIG!’

                       *

Mijn vader is donderdag jarig. Hij wordt 94 jaar.

‘Vandaag kocht ik gebak’, vertelt hij. ‘Maar je moet tegenwoordig een plastic tas meenemen, dat wist ik niet. Ik liep dus met twee dozen naar de auto en dat ging niet.’ Nee, dat gaat niet, twee gebaksdozen, een stok en een ooit met-stalen-pin-gerepareerde heup. 

‘Je bent op tijd, met het gebak’, zeg ik. Het is dinsdag. Donderdag is hij jarig. ‘Verwacht je veel bezoek?’

‘Nee, alleen Hidde en Willem. En zij nemen nooit gebak. Hidde heeft diabetes en Willem is op dieet, geloof ik.’ Dat laatste klinkt een beetje narrig. Willem is een jaar jonger en net als mijn vader zeer kras. Willem hijst zich in en uit een stokoude Saab met zijn stramme lijf en volgens mijn vader ‘denkt hij dat hij alles nog kan. Maar dat is niet zo.’

                           *

Het regent maar door. En weer denk ik aan alles wat ik nog moet doen. We keren echter terug naar het gebak.

‘Ik werd heel vriendelijk met die dozen geholpen door een mevrouw. Zij droeg de dozen naar de auto voor mij. Heel aardig! Zij vroeg aan mij hoe oud ik ben. En ik zeg: ‘u mag het raden.’ Mijn vader geniet want nu nadert zijn ‘finest hour’. ‘Zij zegt: ‘ik denk 80 jaar.’ Olijk kijkt mijn vader mij aan. ‘Dat heb ik nu altijd. Altijd schatten ze mij jonger.’

‘Ja pa, maar je ziet er ook echt niet uit als een 94-jarige.’

‘Nee he?’ Hij glundert. ‘Ze was verbaasd, die mevrouw! 94 jaar! Dat had ik niet gedacht!’, zei ze.

                         *
Mijn vader pakt – als ik even op mijn telefoon kijk – een schrift uit de vensterbank. Hij strijkt liefdevol een vergeeld los blad glad en zegt: ‘kijk, wat interessant. Dat schreef ik allemaal op vroeger. Ik las Amerikaanse en Engelse tijdschriften en daar schreef ik van alles uit over.’ Ik kijk mee en zie kleine priegelletters in een schema. ‘Wat is dat?, vraag ik. 

‘Dit zijn allemaal scheikundige formules. Kijk, hier staat een formule voor een crème voor de droge huid.’ Ooit studeerde mijn vader scheikunde: ‘technisch chemicus’ stond op zijn kaartje. Nooit begreep ik wat dat inhield. Ook heb ik niets met scheikunde. Maar door Breaking Bad, een Netflix serie over een sullige scheikundeleraar die zich verrassend ontwikkelt, ben ik anders gaan aankijken tegen de saaie chemie. 

‘Wil jij nog Netflix op je tv, pa? We zagen laatst een serie over een scheikundeleraar die het verkeerde pad op gaat. Dat is een heel goede serie, echt iets voor jou.’ En ja, de bijna 94-jarige wil best Netflix uitproberen. 

                        *

Als ik wegga, stiekem keek ik op de klok – ik was er al iets langer dan een uur – zeg ik: ‘vrijdag komen we je om 17.30 uur ophalen!’ Vrijdag, de dag na zijn echte verjaardag, gaan we uit eten. Ter ere van zijn 94-jarig bestaan. Hij komt overeind en loopt langzaam een stukje mee naar de voordeur.

                         *

‘Kijk! Ik kocht ook een nieuw kastje, dat heb ik daar neergezet.’ En ik loop mee, kijk en bewonder het kastje. Een wankel, plastic ladenkastje van de Blokker.
‘Ik zal Max vragen of hij wil kijken of Netflix op je tv geïnstalleerd kan worden.’ 

‘Ja, dat zou leuk zijn’, zegt mijn vader, ‘vraag het maar.’

‘Doe ik. Tot vrijdag!’

‘Ja, tot vrijdag!’

              

                         *

Bij het teruglopen door de gang naar het trappenhuis denk ik aan de lege dagen in de kantooragenda. Ik vraag me af wie al dat gebak opeet deze week. 

                           *

Buiten regent het nog steeds. En bij de Shell-pomp kan je weer tanken.

                          ***

Witte orchidee

 Als ik kom aanrijden, mijn fiets neerzet, op slot doe en naar de toegangsdeur van de flat loop zie ik mijn vader in de hal staan. Hij heeft een envelop in de hand, kijkt op en ziet mij.
                         *

Wat wordt hij klein! Zijn stok klemvast in de rechterhand, de envelop in de linker, zegt hij mij blij gedag. Ik was een week op vakantie. Dus hij is blij me te zien. Samen lopen we door de tweede toegangsdeur naar de lift. 

‘Mijn voordeur heb ik openstaan’, zegt hij in de lift.

‘O ja?’ 

‘Ja, ik ben toch zo weer boven.’

                         *

We zijn er. Samen lopen we de gang door naar de openstaande deur.

Hij hijgt vreselijk.

‘Ik heb het bloedheet’, zegt hij.

‘Ga maar even lekker zitten’, zeg ik, bang dat hij ter plekke instort. Zo hijgt hij. Zijn gezicht is rood. Maar hij luistert niet. 

‘Jij moet even wat voor mij doen’, zegt hij.

De irritatie bedwingend vraag ik vriendelijk: ‘o ja, wat kan ik doen voor je?’

‘Ik heb die schilderijtjes opgehangen, dat was me een klus. Ik ben er de hele middag mee bezig geweest. Ik moest ook nog pluggen kopen’, zegt hij geïrriteerd. ‘En ik heb natuurlijk zat pluggen, maar die kon ik niet vinden.’ Hij kijkt mij aan. 

                         *

Drie jaar geleden heb ik allerhande klusspullen die in twee ruime kamers in zijn oude huis lagen in dozen geruimd: schroefjes, pluggen, spijkers. Gereedschap: hamers, beitels, schroevendraaiers. Een koffer met een elektrische boor. Sigarendoosjes met gebruikte schroeven, spijkers en pluggen. Touw, hout, een workmate. Dat laatste, de workmate, zo’n typisch-jaren-zeventig werkbank, paste trouwens niet in een doos. Een vies glas met oude tandenborstels. Blikken met restjes verf. Onaangebroken blikken verf. Wasbenzine, onbestemde voorwerpen en vloeistoffen in flesjes. Alles pakte ik in. Ik had het hart niet iets van deze rommel weg te gooien. Het waren bij elkaar wel twintig dozen. De verhuizers vloekten bij het optillen van enkelen daarvan. Ze waren zwaar.

                         *

Alle dozen met gereedschap plus de ingeklapte workmate staan opgestapeld in de berging naast zijn flat. Een doorn in zijn oog is het. Al zijn in mijn ogen verzamelde rotzooi -maar in de zijne kunstschatten – slecht bereikbaar in kartonnen dozen. En ja, die pluggen (‘gloednieuwe!’) kon hij niet vinden.

                         *

Met zijn roodaangelopen gezicht loopt hij naar een schilderijtje toe en pakt het van de muur.

‘Maar pa, het hing toch prima zo?’ zeg ik.

‘Nee, jij moet kijken, de schroef moet precies in dit gaatje vallen.’ Twee keer ‘moeten’ en eentje daarvan is voor mij. Hij wijst naar een metalen constructie met een opening waarin de schroef die uit de muur steekt hoort te vallen.

                         *

‘Als ik het nu ophang, kijk jij of het erin valt’, stelt hij voor.

Maar dat lukt niet. Hij staat wankelend zonder stok te hannesen met het schilderij dat veel te dicht langs de muur gehouden wordt om te kunnen zien of de schroef in het gaatje valt.

‘Geef mij maar even’, zeg ik kortaf en ik probeer het schilderij op te hangen op de voorgeschreven wijze. Maar het lukt mij niet. Ik kan onmogelijk zien of dat schroefje in het gat valt en ik voel het ook niet. Uiteindelijk hangt het schilderij zoals het daarvoor hing.

‘We laten die andere maar zitten’, zegt mijn vader, mijn gevloek en gezucht bij dit klusje aanhorend.

‘Ja, laat maar hangen zo. Het hangt toch prima?’

                        *

We gaan zitten op het balkon. Twee plastic stoeltjes met een kussentje staan klaar. De zon schijnt uitbundig. Was het op de fiets nog fris, nu is het erg warm in mijn spijkerbroek, t-shirt met lange mouw, leren jasje, dikke sokken in laarsjes.

‘Kijk, het is 12.00 uur, nu komen er veel auto’s langs’. Mijn vader wijst naar de rotonde voor zijn huis waar inderdaad veel auto’s hun halve en driekwart rondjes draaien.

‘Altijd zondag. 12.00 uur. Dan wordt het opeens druk. Door de week begint het om 7.00 uur, om 9.00 uur is de drukte voorbij. Dan om 12.00 uur begint het weer, waarschijnlijk gaan ze dan eten. En vanaf 17.00 uur tot 19.30 uur, dan gaan ze weer naar huis.’

Je maakt wat mee in de flat aan de Scholtenlaan in Heemstede, met uitkijk op de rotonde.

                         *

Opeens zegt mijn vader:’ wil jij een kopje koffie of wat anders?’ En hij staat op, zo snel als hij kan en dat is langzaam en moeizaam. Zijn wangen zijn frisrood, nu van de zon.

‘Oei, wat is het warm’, zegt hij en hij stapt de hoge drempel op van het balkon naar de huiskamer. Dan begint het ritueel van de geschilde appel, het koffiezetten, het opwarmen van een saucijzenbroodje. Dat neemt zeker twintig minuten in beslag.

‘Wat ruikt het lekker’, zeg ik. Ik ruik het broodje dat warm wordt in het kleine elektrische oventje dat op zijn volle aanrecht staat. Maar hij hoort het niet of is te geconcentreerd bezig met het zetten van de koffie.

                         *

Even later neemt hij plaats in zijn stoel bij het raam. ‘Je gaat niet meer buiten zitten?, vraag ik. De zon schijnt nog heerlijk op zijn balkon.

‘Nee, het is me te warm. Maar ga jij daar lekker zitten!’

‘Nee, natuurlijk niet, ik zit hier ook prima.’ En ik neem plaats op de bank met de rechte rugleuning. Na wat gekeuvel wil hij me wat laten zien. Een map met lege diavellen. Moeizaam peutert hij een velletje eruit waarin je dia’s’ kan opbergen.

                         *

‘Dit zijn ze, die vellen waar je dia’s in kan opbergen’, zegt hij.

‘Maar waarom laat je mij dit zien?, vraag ik.

‘Jij hebt al die dia’s van mij gekregen. Toen ik nog in Haarlem-Noord woonde’, zegt mijn vader.

‘Ik weet niet waar je het over hebt. Ik heb echt geen dia’s van jou.’ Maar mijn vader houdt vol. 

‘Jij had die film gemaakt van Max. Die film was mislukt. Ik gaf je toen die vellen met dia’s om foto’s eruit te halen van Max.’

‘Maar jij hebt toch helemaal geen foto’s van Max gemaakt?’, vraag ik verbaasd. Nooit heeft mijn vader mijn zoon gefotografeerd, op een Kerst-etentje na misschien.

‘Ja, ik heb heel veel foto’s van hem gemaakt! En ik gaf de vellen aan jou.’ 

                         *

Ik zucht en ik denk aan de vreselijke ontdekking jaren geleden dat de films van Max’ babytijd verprutst waren doordat mijn vader’s oude videocamera ‘die is nog heel goed!’ waardeloos bleek te zijn. De beelden van twee jaar babytijd waren op het volgeschoten bandje niet meer te zien of terug te halen. Met tranen in mijn ogen keek ik bij de fotograaf naar de mistige waas die de winkelier nog met veel kunst-en vliegwerk tevoorschijn had getoverd. Maar geen beelden van de vrolijke baby. Het deed me veel verdriet en ik denk niet graag terug aan de zogenaamde goed-werkende video-camera van mijn vader. Ik ben ook nog steeds kwaad op mijzelf dat ik hem geloofde. Maar als armlastige jonge ouders konden wij niet zomaar zelf zo’n duur apparaat aanschaffen en maakte ik graag gebruik van de zijne met de verzekering dat het nog ‘een prima apparaat’ was. Ik heb er van geleerd en heb nooit meer wat van hem overgenomen of gebruikt.

                        *

Ik geef maar toe dat ik naar de zoekgeraakte dia-velletjes zal kijken. Maar ik weet zeker dat ik ze niet heb. 

                         *

Als ik wegga verplaats ik op zijn verzoek nog wat planten en gooi ik een halve liter water uit de plantenbak waarin zijn gekoesterde witte orchidee staat.

‘Hij blijft maar groeien’, zeg ik.

Trots zegt mijn vader ‘Ja, hij gaat maar door. Kijk daar verschijnen nieuwe knoppen.’ En het is waar. Ik zie nieuwe knoppen aan de plant die ik niet mooi vind maar hij wel.

                         *

As ik wegga zegt hij: ‘leuk dat je er weer was. En zo lang dit keer!’ Ja, ik was lang gebleven vanwege die vakantieweek en omdat ik dinsdag niet kan komen. Nu blijkt dat hij dat goed in de gaten heeft. De tijd die ik bij hem doorbreng. Misschien voelt hij wel dat ik soms stiekem op mijn horloge kijk om te zien of ik al met goed fatsoen kan gaan. En ik voel me schuldig.

                         *

Als ik wegfiets staat de orchidee fier in de vensterbank. Wit en bloeiend. In de knop, gericht naar de warme zon. De werkweek begint morgen. Ik kijk naar de helblauwe lucht, fiets langs de Heemsteedse gazons, zo keurig gemaaid, langs de bermen met klaprozen en wilde bloemen waarvan ik de naam niet ken. En ik vraag me af:
hoe lang zal die orchidee nog bloeien?
                       ***

 

Slow Motion

 

In de haast ben ik de sleutel vergeten. Ik bel beneden aan: op het naamplaatje naast 152 staat keurig A.S. Jonquiere. Zwart op wit. Staat het er nu met of zonder streepje op de e? Ik herinner het me niet. Een oude dame wacht op iemand in de hal naast de buitendeur. 

‘Goedemiddag’, zeg ik vriendelijk.
‘Goedemiddag’, zegt ze.
                         *
Het duurt lang voordat ik wat hoor. Ik weet wat er gebeurt: opstaan, lopen, de telefoonhaak pakken, zijn naam zeggen. Ik hoor niets en voel de ogen van de dame in mijn rug prikken. Of is dat verbeelding en interesseert het haar geen klap dat ik daar sta? Ik kijk naar mijzelf: een vrouw, donker haar, leeftijd tussen de 45 en 55, een wit zakje in haar hand. Ze wacht, de vrouw.
                         *
Ja, ik hoor gekraak en het slot van de deur klikt open. Geen ‘hallo’ door de luidspreker, alleen de klik van het slot klinkt door de hal. Ik roep, geheel overbodig, naar de speaker: ‘ik ben het! Annelie!’ Nu weet de dame dat ik bekend ben en niet oude mensen in de flat beroof van geld en sieraden.
                          *
Na de klik ben ik in de gang en open ik de glazen deur rechts. Ik loop de twee trappen op naar boven. Nog een deur. De gang is verlaten. Het is stil.
                         *
De voordeur van het appartement staat op een kier en naast de deur-telefoon (hoe noem je zoiets?) staat mijn vader. Hij ziet er goed uit. Lacht mij toe. En ik zie hoe mooi de bordeauxrode bloes kleurt bij zijn getinte huid. Zijn broek zit losjes om de benen. 
                         *
‘Sleutel vergeten?’
‘Ja, suf hè?, en ik trek mijn jas uit, sjaal af. Ik drapeer ze over een stoel. Het zakje met de twee haringen leg ik op het aanrechtblad.
                         *
‘Heerlijk weer is het, hè? Mijn vader staat in de keuken. Ik zie dat hij zijn boterhammen roostert met boter erop. Boter in het broodrooster! Ik zeg niks. Hij pakt een stuk kaas uit de ijskast.
‘Dit is heerlijke kaas’, en hij schaaft er drie, vier plakjes af.
‘Boerenkaas. Heb ik op de markt gekocht. Ik ben er helemaal naar toe gelopen.’ De kaasboer op de markt staat halverwege de markt. Dat is een eind lopen. 
‘Zo’, zeg ik, ‘dat is best een eind lopen.’
‘Ja, ik ben bijna de hele markt afgelopen vorige week.’
‘Zo, prima, zeg. Ik kocht daar bij die kaasboer eens graskaas, pa, als ze dat hebben mag je een stuk voor me meenemen.’
                         *
Dat vindt hij geweldig. Hij, oud en slecht ter been, kan wat doen voor zijn dochter. Ik zie het aan zijn ogen. Hij heeft nog waarde, een functie. 
                           *
De keukenrituelen, wat gaan ze langzaam en precies. Ik bedwing mijn ongeduld. Meestal loop ik tussendoor naar de kamer. Dan pak ik mijn telefoon en ik check de mail, de whats app, alles om de tijd door te komen.
                         *
Nu blijf ik staan. Boterham twee, weer met boter, in het broodrooster. Haring erop. Snijden. Kleine stukjes, geen uitje wordt verspild. Netjes in het gelid liggen de stukjes brood. Zuur ernaast. Appel. Schillen. Op het bordje. Koffie. Water. Melk. Suiker. Op mijn horloge zie ik dat ik er al twintig minuten ben. 
                         *
‘Ik zat net lekker buiten, het is heerlijk op het balkon.’ Na wat geschuif met een bijzettafeltje en twee stoelen zitten we vijfentwintig minuten later samen op het balkon. Een klein randje zon schijnt op de voorkant van de balkonleuning. Ik heb op een tafeltje naast zijn stoel alles klaargezet. Brood, koffie, appel. We kijken samen naar de rotonde, recht tegenover zijn huis.
                         *
‘Wat een grote wagen!’ Een enorme oplegger met twee liggende kranen neemt de rotonde en rijdt de buurt in.
Mijn vader vertelt over de hijskranen die ooit in de flat van mijn moeder (mijn vader werd in die tijd nog gedoogd als huisgenoot en financier) ook nodig waren.
                         *
‘Voor de schuifpuien in Zandvoort gebruikten ze toen ook zo’n kraan. Dat moet wel op vijftien hoog.’
Ik heb dat verhaal al twintig keer gehoord. Na het plaatsen van de peperdure puien wilde mijn moeder scheiden. Na meer dan dertig jaar min of meer getrouwd zijn. Maar daar hebben we het niet over.
                         *
Er is veel te zien. Op het plein voor de kerk, die statig achter de rotonde opduikt, staan veel mensen. De klokken luiden indringend. Ik heb mijn bril niet op. ‘Kijk, een trouwerij of een begrafenis’, zeg ik.
                         *
‘Een begrafenis’, zegt mijn vader. En ja, nu zie ik een blankhouten kist met bloemen erop, gedragen door zes, acht, mensen. En ik denk aan de kist waarachter wij ooit liepen. Naar deze kerk, met net zo’n kist. We liepen met ons allen op de weg waar ik nu op uitkijk. Het was een treurige tocht. Mijn gedachten dwalen af naar die tocht, die dag. Mijn zoon en zijn vader droegen met vier anderen de blankhouten kist. De klokken luidden indringend. 
                          *
Mijn zoon droeg zijn oom, mijn man droeg zijn broer, mijn neef droeg zijn vader.
                         *
Na een uur zeg ik dat ik weg moet. Ik kus mijn vader. Hij bedankt mij voor de haring. En ik vertrek. Langzaam fiets ik naar huis. Mijn vader heeft gelijk. Het is schitterend weer.
                         ***

 

Zomaar geluk op het Gelderlandplein

 

Een tijd geleden, toen wij na rijp beraad besloten samen met ons kind dat zij een kamer ging huren in een nieuw te bouwen complex bij de Boelelaan, lichtte een lampje op in mijn hoofd.

                         *
Was daar vlak bij niet het Gelderlandplein? Het plein waar de topcrimineel, God-hoe-heet-hij-ook-alweer?, werd neergeschoten? Een winkelcentrum vlakbij Amstelveen, Amsterdam-Zuid, nogal sjiek.
                         *
Deze week kreeg ik een whatsapp over het Gelderlandplein: ‘ik heb het gevonden, het Gelderlandplein is hier vlakbij. Het is nog erger dan Heemstede! Allemaal kakkers. Vooral veel oude dametjes met te veel make-up en bontjassen.’
                         *
Dat moet ik zien. Dus rijden wij naar het Gelderlandplein in onze nieuwe auto, een glanzende, wijnrode bolide. Gelderlandpleinwaardig, dacht ik zo.
                         *
De nieuwe navigatie, nog niet geüpdatet, leidt ons naar Schiphol. Daar draaien we een rondje, we negeren verder de navigatie en rijden richting Amsterdam.
                         *
Op 400 meter van de Boelelaan, naar rechts, de van Leijenburghlaan op. Heel voorzichtig, let wel: een nieuwe auto, rijden we de parkeergarage in. 
                           *
We hebben een doel: twee verjaarscadeautjes. De eerste zoeken we in de Douglas: een strenge, strak-opgemaakte dame komt op ons af. Samen met haar komen we uit op een peperdure lipgloss. Maar, wat een doddig doosje, wat een glanzend pakje en wat een strak strikje! Proefmonsters erbij, het eerste cadeautje is daar. 
                         *
Opeens horen wij de val van een.., ja, wat is het? Ik draai me om en ik zie de scherven van een dure parfum op de grond uiteenspatten. Een vrouw, die niet eens zo heel erg schrikt, staat ernaast. Zij liet het flesje overduidelijk op de grond vallen. 
                         *
Tegenover mij huppelt een meisje, blond met een lange paardenstaart in een tijgerbontjasje en tijgermaillootje, op knalroze halfhoge lakgympen. Haar hoogblonde moeder draagt ook een tijgerbontjas. Wij staren allen naar de scherven. De huppels stoppen. De strak-opgemaakte dame kijkt streng. Maar een jongen van de Douglas, zwarte kleding, strak kuifje redt de situatie: ‘aaach, dat kan gebeuren, hoor’, roept hij op de manier waarop alleen in het zwart geklede, strakgekuifde jongens van de Douglas dat kunnen roepen.
                         *
Wij rekenen de te dure lipgloss af en ik koop er voor mijzelf een te duur lippotlood bij. We zien een kitscherige kledingzaak met de naam Beverly nog-wat. Een verschrikkelijke kinderkledingzaak. Veel tijgerprints. 
                         *
Maar ook een Hema, de oeroude schoenenzaak Zwartjes (sinds 1883) en in de XL Albert Heijn doen we boodschappen. Ach, het valt best mee, met de kakkers. Misschien wel bij de verse-sushi-winkel of de net-geopende Coffee Company. 
                         *
Maar ik ben blij met mijn tweede cadeautje, een kinderboek. Blij met mijn lippotlood (‘zelfslijpend mevrouw’) en wat is het toch leuk een kind te verwennen met nieuwe gympen. In, eeeh, een tijgerprint.
                         *
Hoe heette die man toch ook al weer? Voor zijn flat neergeschoten. Op het Gelderlandplein. Klepper! Sam Klepper!
                         *
En wat het mooiste is: na twee keer het parkeerkaartje uit de automaat teruggespuwd te krijgen: ‘mevrouw, het is hier de eerste anderhalf uur gratis parkeren’, in onvervalst Amsterdams.
                         *
Gewoon gelukkig op het Gelderlandplein. Dat klinkt als een gedicht. Maar één lettergreep te veel.
                        ***