Koker


Wanneer de tienduizend dingen gezien zijn in hun eenheid, keren wij terug tot in het begin en blijven waar wij altijd geweest zijn

Ts’ên Shên 岑參 (715-770)


Op de zolderkamer staan dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Op de strijkplank ligt een stapeltje schone was. Daarbovenop liggen twee deksels van schoenendozen ter ontmoediging van poes Saar die graag op schone, ongestreken was ligt. 

                           *

De kamer met het moeilijke want schuine wandje – verfraaid met liefdevol behang van vogels en bloemen en kleur – is een rommelkamer geworden. Ooit sliep onze dochter hier. Ze kan er nog wel slapen. Er staat een bed met daarop het dekbed met het dekbedovertrek-van-duizenden-bloemetjes. Maar ook zij beseft dat de jaren van weleer niet terugkeren. Zij slaapt er niet meer.

                            *

Naast het bed staat de koker met de as van mijn vader. De as verhuisde van het kantoortje naar de kamer met dozen, een bureau dat bijna uit elkaar valt, een wasrek, de strijkplank. Ik denk dat de as zich thuis voelt in de oude kamer van de kleindochter. De rommel spreekt de as aan. Bij hem thuis was het ook rommelig. Een strijkplank in de zijkamer, een gammel bureau, dozen, een wasrek, ja, ik weet het zeker: die zolderkamer is een prima plek.

                             *

Er komt een dag dat de koker met as vertrekt. Op een mooie dag in juni maakt de as een korte reis in een fietstas. De fietster fietst voorzichtig – denkend aan de koker in haar tas – naar het strand, de zee. In de vroege ochtend verzamelen negen mensen zich met slaap-ogen aan de vloedlijn. Iemands broek en schoenen zullen nat worden. 

                            *

Als ik naar beneden loop van de zolderkamer, de trap af denk ik aan de maanden die zijn verstreken. De maanden zonder mijn vader. Maanden waarin ik niets kon vertellen, niets kon doen.

                            *

‘Maar volgend jaar/als jij in duizenden grijze stukjes/meegevoerd door stromingen/door het water bent opgenomen/opgelost als suikerkristallen in thee/dan zijn de dozen opgeruimd/de strijkplank ingeklapt/het wasrek verplaatst/Je herkent die kamer/dan niet meer terug/pa’

                          ***

Inclusief


Omdat het tijd werd voor een uitje boekte ik een hotel in het onderste stukje Nederland, linksonder, bijna in België. Daar, in het verre Zeeuws-Vlaanderen lag een hotel in een oud vestingstadje. Het eten was inclusief en dat had een teken moeten zijn.

                      *

Vroeger gingen wij naar Zeeuws- Vlaanderen met onze peuter en kleuter. De rit was net ver genoeg om onze zoon drie uur lang te horen huilen ondanks het feit dat zijn vader telkens het woedend-weggegooide speentje terugstopte in zijn mondje vol traan, snot en slijm.

                      *

Aangekomen in een dijkhuisje in Cadzand of slecht schoongemaakt arbeiders-huisje in het dorpje Retranchement vierden wij onze verregende vakanties. Wij zochten in weer en wind haaientandjes op het strand, zweetten in de zo dikwijls bezochte vlindertuin dat de vlinders ons herkenden en sjokten met vele Belgische stelletjes door het stadje Sluis met haar drogisterijen. 

                        *

‘Kijk, daar heb je de kleine zeemeermin’, wees onze dochter. Haar vingertje prikte naar de beeltenis van een pikante, roodharige dame op een gevel met een etalage waarin de seksspeeltjes hoog opgestapeld lagen. Dikke, Vlaamse mannen lieten steels hun oogje op de etalage vallen, hun arm stevig om de schouder van hun pronte vrouwen. 

                        *

We bewaarden mooie herinneringen aan Zeeland: bakkerij Leurgans, de vette klei natgeregend en omgeploegd als dikke hopen stront naast kaarsrechte wegen met knotwilgen aan weerszijden. Een land zo gestructureerd en symmetrisch dat zelfs ik de weg altijd kon vinden. 

                        *

We arriveerden in het hotel terwijl een schraal zonnetje de meeste zon-uren van Nederland probeerde waar te maken. Een stugge Zeeuw bij de receptie meldde ons dat we pas vanaf 15.00 uur konden inchecken. ‘Kunnen we onze koffertjes hier wel neerzetten?’, vroegen wij netjes. Dat kon. En wij reden verder, of eigenlijk, terug naar voorbijgaande jaren en herinneringen in zand, klei en zee.

                        *

Wij stuurden naar de huilende peuter- en kleuter-van-destijds fotootjes: van de speelgoedwinkel waar we de regenachtige dagen mee goedmaakten: ‘Zoek maar wat moois uit.’ Van Knokke met haar hoge appartementen en de Vlaamse chic met kleine hondjes aan dure riempjes. Van de prijzige kledingwinkel waar we toch gewoon kleren kochten. 

                         *

En daarna keerden we terug naar het hotel. We kregen een bandje om. De muziek stond hard. Het ging over de Zeeuwse kust. De barman gooide bij ieder glas all-inclusive-wijn de fles even op die hij dan speels overpakte in zijn andere hand. Een andere ober kwam de lege koffiekopjes halen zoevend op een zelfrijdend skate-board. Iedere avond hoorden wij de dame in het restaurant achter de plakkerige bar met gratis glazen bier en wijn vertellen dat ze uit Iran kwam. En tegen 22.30 uur zong iedereen mee met de muziek. Hard.

                        *

Morgen gaan we weer naar huis.    

                        ***

De voltooiing 


Ik zoek het woord

Onmachtig is onze taal,

haar toon plotseling – armzalig.

Met alle kracht van mijn gedachten,

zoek ik dat ene woord –

maar kan het niet vinden.

Het lukt me niet.

Wislawa Szymborska (1923-2012)

De zon scheen, de hemel lichtte blauwig op. Wolkenflarden als langgerekte rookslierten versierden het blauw. En het was warm, 11 graden. Niet zo koud en somber als de dag waarop we afscheid namen van mijn vader. Toen keken we fronsend naar boven: zou het gaan regenen? Het ging niet regenen. 

                         *

Op deze warme februari-dag haal ik de as mijn vader op. In de auto luister ik naar Franse chansons, gezongen door Wende Snijders, op haar manier, – poëtisch en rauw, zacht en hard. Het is – geloof ik – dat wat ik voel.

                        *

Mijn vader, fietsend met zijn vrienden naar Parijs. Enkele herinneringen, rauw als wondjes met geel-witte randjes om de korst. Even pulken en het ettert. Zachter de laatste jaren en boterzacht de laatste dagen met zijn handen open op zijn schoot en zijn lijf, ineengedoken in de stoel tussen het bed en het tafeltje met die onsamenhangende brij van spullen: een week-agenda, de t.v.-gids, een puzzelboekje, scheerspiegel, een doos met watten, plastic handschoentjes. Alsof zijn leven al in losse brokjes uiteen gevallen was. 

                        *

Hard was de kist waar ik mijn hand op legde de laatste keer, die avond waarop vrienden en kennissen kwamen om afscheid te nemen. In de ruimte die vol liep en rook naar natte jas.  

                        *

Ik draai de auto het crematorium-terrein op. Het is druk. Groepjes mensen lopen richting de afscheidsruimte. Een man in een zwarte jas regelt de bezoekerstroom. Het is alsof het Keukenhof-seizoen al weer begonnen is. Ik doe mijn raampje open. ‘Ik kom de as van mijn vader halen’ zeg ik en met een armzwaai word ik doorgelaten.

                          *

In mijn ooghoek zie ik de menigte bij de afscheidsruimte groeien. Ik ben nieuwsgierig maar ik kom de as van mijn vader halen. Bij de balie van het huisje met het rode dak meld ik mij. 

‘Het is druk’, zeg ik. De receptionist kijkt naar buiten en zegt: ‘We hebben een afscheid van een jong meisje, erg triest. We verwachten wel 700 bezoekers.’ Hij leidt mij een schemerige ruimte binnen. Ik neem plaats aan een ronde tafel. 

‘Wilt u wat drinken?’, vraagt hij en dat wil ik. Ik krijg thee met een koekje. ‘Mijn collega komt zo bij u’, zegt hij en hij sluit zachtjes de deur. 

                         *

Ik drink mijn thee, doop het spritsje erin. Zacht-zoete kruimels smelten op mijn tong. Een dame komt binnen en geeft mij een hand. 

‘Had mijn collega verteld dat de as van uw vader daar staat?’ Ik volg haar blik en ik zie een koker op een halfrond tafeltje staan. Een bibberig waxinelichtje staat ernaast. ‘Nee, dat had hij niet gezegd’, antwoord ik. De dame gaat zitten en ik zet mijn handtekening op een aantal papieren. 

‘Ik zal u nu de koker laten zien’, zegt ze. ‘Hier ziet u het plaatje met het nummer, dat correspondeert met het nummer op deze brief.’ Ik staar naar het nummer, de koker, het flikkerende lichtje werpt bevende schaduwen op de muur. 

                         *

‘Ik plak de koker dicht’, gaat de vrouw verder, ‘Wilt u de as zien?’

‘Ja’, zeg ik.

Voorzichtig trekt ze de deksel draaiend omhoog. Ik ga staan.

‘Het is gewoon grijs’, zegt ze. En ik zie fijn, grijs as als het zwart-witte-poederdrop van vroeger dat je van je natte vinger likte. 

‘Het weegt al met al 2 à 3 kilogram’, zegt de dame. ‘Ik zeg altijd: ‘Men keert weer terug naar zijn geboortegewicht’. 

                         *

‘Mijn vader had nog zijn horloge om, mag ik vragen of dat er ook in zit?’, vraag ik.

‘Ja, natuurlijk mag u dat vragen, ehh, het klinkt gek maar het metaal dat achterblijft filteren we en halen we eruit.’ 

‘O’, zeg ik. 

‘Wordt iedereen eigenlijk direct na het afscheid gecremeerd?’, vraag ik. 

‘Ja, in de regel wel’, vertelt de dame, ‘U kunt ervan uitgaan dat – als u met uw gasten in de koffiekamer bent voor de condoleance – het lichaam gecremeerd wordt.’

‘O’, zeg ik.

                         *

Als ik met de koker in een langwerpige tas naar buiten loop komen twee volkswagenbusjes aangereden met hartjes en ‘Love’ erop gespoten in zachte hippie-kleurtjes. Daarachter rijdt een sliert lage, open autootjes die ik ken van het surf-eiland Fuerteventura. Daar sjezen de autootjes over de zand-en lavavlakten. Toeristen zitten erin, met sjaals om hun mond vanwege opstuivend stof en zand.

                         *

De busjes en autootjes staan stil voor de grote menigte. Ik zie meisjes met bloemen in hun armen.

                        *

Thuisgekomen zet ik de tas met as op de grond naast de tafel. ‘Het lijkt wel een fles wijn’, zegt mijn man. Als ik vertel over de menigte mensen, het jonge meisje en de hippie-busjes zegt hij: ‘Ik las laatst een advertentie over een jong meisje dat overleed.’ 

                         *

Ik zoek de advertentie op en ik vind een kleurrijk bericht over de dood van een meisje. Ze werd vijftien jaar. Er is een condoleance-pagina op Facebook aangemaakt. Ik zie een plaatje van een meisje met een surfplank op haar hoofd. ‘Gone surfing’.

                         *

Ik kijk naar de tas met de koker die op een fles wijn lijkt. En ik denk aan de ouders van het meisje die zo in de koffiekamer staan. 

                        ***

Scheur


Het huis van mijn vader is leeg. In de gang hangt een lucht van niet-doorgespoelde douche. Een geur van verrotte aarde die in je neus blijft hangen als de gore uitlaat-lucht in je auto van een oud barrel dat vóór je rijdt. Ik sprenkel wat schoonmaakmiddel op de tegels en ik zet de douche aan. De rotte geur vermengt zich met de frisheid van limoenen. 

                           *

In de woning strekt een zee van zandkleurig marmoleum zich als een gladde woestijn voor mij uit en ik wandel over de vlakte naar de ramen in de woonkamer. Ze zijn vies. Zwart fijnstof hecht zich aan het glas. Lichtjes van auto’s en vrachtwagens bibberen door de schemer van de namiddag en bewegen zich over de rotonde als slangetjes Dinkey-Toys, de kleine autootjes waar mijn broertje vroeger altijd mee speelde. Hij had er zelfs een lichtblauw koffertje van plastic voor, met zo’n gespje. Daar zaten de autootjes netjes geordend in. De randen van het koffertje krulden een beetje om van het vele gebruik, het open en dichtdoen. 

                           *

In de keuken staan nog wat schoonmaakspullen: een stofzuiger, een stoffer en blik met kleine puntjes aarde aan de uiteinden van de stoffer, geranium-aarde van het balkon. Een paar vieze doeken hangen slap over de rand van een oranje afwasteiltje. 

                           *

Het is koud. Het wachten is op de man die de laatste inspectie van de flat uitvoert. Daarna komen de ‘potentiële huurders’, zoals de dame van de vastgoed- en verhuur-maatschappij ze noemt. ‘Zij willen misschien de vloer overnemen, de gordijnen, de rol-gordijntjes en de luxaflex’, aldus de dame. Ik staar naar de gordijnen die in zachte plooien voor het raam naar beneden vallen. Geheel tegen zijn gewoonte in kocht mijn vader – zonder eerst alle consumentengidsen uit te pluizen – alles voor de nieuwe flat bij een gerenommeerde woning-inrichting-zaak. Ik nam hem daar mee naar toe. ‘Je mag nu wel eens iets goeds voor jezelf kopen’, had ik hem gezegd. En: ‘Deze zaak verleent goede service. Als er wat is kan je ze altijd bellen en komen ze direct.’ Met mijn kreupele vader – hij brak een paar maanden voor de koop van de vloer zijn eerste heup – hobbelde ik de gerenommeerde zaak binnen. Een verkoper schoot op ons af. 

                          *

Na veel wikken en wegen koos mijn vader een zandkleurige vloer, roomwitte gordijnen, twee rolgordijntjes-op-maat en een luxaflex voor de slaapkamer. Het was een rib uit zijn lijf. Hij streelde met zijn vinger over de staal van de vloer: ‘Heb ik nu de goede kleur gekozen?’, aarzelde hij. En ik bevestigde dat het de goede kleur was. ‘En fijn zo’n gladde vloer, pa, dan kan je niet meer vallen. Gemakkelijk schoon te maken ook.’ Hij zuchtte en zwichtte. 

                         *

Ik zit voorzichtig in de koude vensterbank, bang dat deze op het laatste moment nog zal doorbuigen. Ik wacht en het wordt donkerder buiten. Het is koud. Ik ril.

Misschien is het toch beter de verwarming aan te zetten, dat voelt behaaglijker en wellicht leidt dat tot een goede stemming onder de potentiële huurders. Ik draai de verwarming open in de kamer en het naastgelegen kamertje. 

Bijna direct voel ik warmte de kamers binnen stromen en ik denk eraan hoe mijn vader hier zat, al die zondagen, kijkend naar Buitenhof en dat ik tegen de verwarming aan ging staan, de palmen van mijn handen eraan warmend waarop mijn vader binnenkwam met koffie, een appel in partjes en een geroosterde boterham. 

‘Wat is het hier toch heerlijk warm!’, merkte ik dan op. Waarop mijn vader zei dat het kwam doordat ‘s ochtends de zon in de flat scheen en dat hij daardoor bijna altijd pas ‘s middags de verwarming hoefde aan te zetten.

                       *

De bel gaat. Ik loop naar de telefoon in de gang, druk op het spreek-knopje, daarna op het open-de-deur-knopje. Vaag hoor ik door de hoorn beneden in de hal de zoemer van de deur. Ik wacht in het halletje van de flat en ik ruik nog maar een klein zweempje aarde-geur. De inspectie kan beginnen.

                        *

Een energieke dertiger met een beugel – ‘Ik ben Benno’ – loopt de flat door, betast de muren, kijkt naar de woestijn die ik zo netjes heb gezogen. 

‘De spullen in de keuken nemen we nog mee’, zeg ik, die een beetje verloren achter hem aanloop. Benno knikt, schrijft iets op papier dat op een houten plankje bevestigd is. Hij wrijft met zijn hand over de keukenkastjes. Een grote scheur loopt over het fineer van het bovenkastje van links-beneden naar rechts-boven. ‘Was dit al?’, vraagt Benno. ‘Geen idee’, antwoord ik, ‘Maar mijn vader kon er niet eens bij en heeft zeker niet deze scheur veroorzaakt.’ Benno knikt en schrijft weer iets op. Mijn oog valt op de plint van de keuken. Tussen de deur en het oventje lag het hoofd van mijn vader. Bij zijn tweede val was hij daar tegenaan gekomen. En nu zie ik heel vaag drie donkerrode streepjes op de beige muur-tegels. Ik post mezelf tegen de plint in de hoek. 

‘Bent u het rooster tegengekomen van de magnetron?’, vraagt Benno, ‘Zo’n rooster op pootjes?’ ‘Nee’, zeg ik. En ik denk aan al die vuilniszakken en dozen vol met keuken-rotzooi. Benno schrijft.

                         *

‘Het ziet er verder netjes uit’, zegt Benno genadig. En toen ging de bel. Het zijn de potentiële huurders. Twee jonge mensen uit Zwolle. 

‘Mijn vriendin heeft een baan gekregen hier, in het ziekenhuis’, verklaart de jongen. Hij heeft een open gezicht met grote, groene ogen. Het meisje draagt een legging in warme laarsjes. Ze lacht verlegen. ‘Mogen we wat foto’s maken?’, vraagt de jongen. En dat mag. 

‘Mogen we er nog even over nadenken?’, vraagt de jongen. Benno kijkt bedenkelijk. Dat kan eigenlijk niet. 

‘En mevrouw wil ook graag weten of jullie de vloer overnemen anders moet deze er nog uit’, zegt Benno streng. 

‘Als we het huren willen we de vloer graag overnemen’, zegt de jongen. ‘Maar we hebben nog twee andere bezichtigingen.’ Benno aarzelt. ‘Oké’, zegt hij narrig. ‘Dan krijgen jullie de tijd tot maandag vijf uur.’ 

Hij krabbelt wat op een blaadje en geeft het aan de jongen. ‘Voor die tijd moeten we het weten. Anders redt mevrouw het niet de vloer er op tijd uit te halen.’

                        *

Benno beent weg. Ik laat de potentiële huurders de bergingen zien, boven en beneden. ‘Is het strand dichtbij?’, vraagt het meisje.

‘O ja, dat is twintig minuutjes fietsen’, antwoord ik. 

                        *

Maandag om vijf uur krijg ik een belletje. Ze huren het. We worden het eens over de vloer, de roomwitte gordijnen, de rolgordijnen en de luxaflex. Ik ontvang een berichtje op mijn telefoon: ‘Kunnen we elkaar vinden in € 80,-?’ Ik tik terug: ‘Ja, is goed’. En hiermee verkoop ik mijn vaders rib en eindigt het avontuur door de woestijn met de zon die ‘s ochtends zo lekker scheen, de behaaglijke middagwarmte en het lichte bewegen van de roomwitte gordijnen door de onzichtbare, zich omhoogwerkende stroom van warme lucht langs het koele glas.
                       ***

Schoenenkast


 Wat een vader doet

(…)

Elke keer als jij verdwaalt,
elke keer dat je valt,
verdwaalt/valt een vader
tienduizend keer harder,
totdat het overal in hem schroeit

Totdat jij 

groot,

groter,

allergrootst,

voorgoed

boven zijn hoofd groeit

Benny Lindelauf

Uit: Er zit een feest in mij, Querido’s poëziespektakel 5, 2012


Op een mooie winteravond fietste ik naar de stad. Muts op, warme jas, handschoenen aan. Bergjes bladeren versierden de zijkanten van het pad, de straatlantaarns deden de blaadjes oplichten als een hoop bijeengewaaide sterren. Er stond geen zuchtje wind.
                       *

En langs het huis van mijn vader, bij de rotonde tegenover de kerk fietste ik. Mijn hoofd draaide naar links en ik zag een zwart gat. Het raam. Aan weerszijden hingen witte gordijnen, door mij half gesloten alsof mijn vader er nog was. Zijn grijze haren door het raam, blauw opflikkerend door de televisie die zo vaak aanstond. ‘We doen de gordijnen gezellig half dicht, pa, dan heb je een beetje privacy’ en zo langsfietsend – de geraniums liggen in gesloten vuilniszakken, de orchideeën branden in het vuur – kriebelde mijn neus. 

                        *

Ik hoefde de dag erop niet langs, geen haring, geen appeltje, geen Senseo koffie met ‘Ik laat het lekker nog een keer doorlopen anders is hij te sterk.’ Ik hoefde niet te vertellen over mijn werk, de fusie ‘Is dat nou nog niet klaar?’, mijn dochter, mijn zoon. Niets meer over eten bij oude vrienden, een uitje, de veteranen. Over en sluiten.

                         *

En daar, op dat pad bij de rotonde langs de kerk kriebelde het. Na weken van rondrennen en regelen bevroor zout op mijn wang. 

                         *

Daarbij gooide ik een leven weg: een leven van werken, vakanties, brieven, oorkondes, agenda’s, plaquettes. Ik zocht foto’s uit, Amerika, véél Amerika, Korea, Mexico, Taiwan. Foto’s van mensen die ik niet ken, bloemententoonstellingen. Mijn vader maakte foto’s van interieurs, kamers waarin hij sliep, een vakantiehuisje op Long Island, mijn vader onder een solar shower, een zak heet water opgewarmd door de zon, daar in het huisje op Long Island met zijn broer – die ook dood is.

                         *

We ontvingen een kaart van mijn Amerikaanse tante: in hoekige letters vertelt ze over mijn vader en zijn broer. Dat ze kattenkwaad uithaalden met zijn tweeën, ‘despite they were already old men’.

                          *

Ik vind een plaquette en nog één met in het Koreaans een opschrift. Eronder staat in het Engels een dankwoord voor Mr. A.S. Jonquiere voor zijn werk in Korea. 

                            *

Ik zie een foto van zijn vriendin Liz die zo gek was op mijn vader: achterop de foto van hen tweeën staat geschreven in vrouwenletters: ‘Toen ik zo blij was dat ik je kende.’ 

                           *

Ik gooi zijn leven in een vuilniszak. 

                       *

Kleine boekjes en envelopjes met foto’s: Italië, Rusland, Frankrijk, Cyprus, de Cariben, mijn God waar was mijn vader niet? China, Spanje, ik scan feestelijke optochten, marktjes, straten en gebouwen. 

                            *

Ik gooi een leven weg.

                        *

Mijn broer en ik verkopen en schenken meubels aan kringloopwinkels: boekenkasten, een bankje, zijn luie stoel, het televisie-tafeltje. Oude fototoestellen, lenzen, gereedschap, tien dozen vol. Er komt een man voor mijn vaders seniorenbed: ‘Het bed is voor mijn vrouw. Ze heeft te horen gekregen dat ze kanker heeft. Het bed komt in de kamer te staan.’ De potige man loopt om het bed heen, tilt het matras op. ‘Ik denk niet dat mijn vrouw blij wordt van het bed.’ En ik denk ook niet dat ze er blij van wordt. Ik wens de man sterkte toe met zijn vrouw en ik zie hem weglopen, de gang door. Een grote, geslagen man.

                        *

Een andere man neemt het schoenenkastje mee. ‘Misschien bel ik nog voor de tafel en stoelen. Ik wacht op een nieuw huis. Volgende week weet ik meer.’ En ik loop mee naar beneden met de plankjes van het schoenenkastje – ik zie de schoenen van mijn vader erop staan, en ik leg de planken in een Renault Kangoo vol rotzooi. ‘Tot ziens!’

                            *

De vloer die ik samen met mijn vader kocht – ‘Vind je dit een mooie kleur?’ ‘Ja, prachtig pa, daar past alles op!’, moet eruit. Ik trek aan een hoekje en het marmoleum laat los. 

                          *

Als ik wegga sluit ik de gordijnen. Die moeten ook weg. Maar nu sluiten ze het zwarte gat af, een paar dagen nog.

                           *

Ik gooi een leven weg. Nog even en we zijn klaar. 

                            *

Het laatste dat ik in mijn doos stop – de doos die ik meeneem, is een witte envelop. Er staat op geschreven: ‘Ansichten van alle bezienswaardigheden in Parijs van de fietstocht met drie vrienden, 1949.’ Ik stop de envelop in mijn doos, sluit deze, vouw de kartonnen flappen dicht, eerst de korte zijde, dan de lange, kort, lang. Dicht.

                         ***

Mikado

Meteen had ik moeten opschrijven hoe het was, hoe het is. Maar de dagen vielen over elkaar heen als mikadostokjes op een gladde tafel: niet van elkaar te peuteren zonder de lichtste beweging. Dus liet ik ze maar liggen, de over elkaar getuimelde houtjes. 

                        *

Uit alle hoeken en gaten dwarrelden kaarten, berichten, telefoontjes, zoveel liefde en hartelijkheid als een mens maar kan verdragen. Was ik zelf ook zo attent en meelevend? Ik nam me voor dat altijd te zijn, vanaf nu, meteen, direct. 

                         *

De dood van mijn vader ritste de jas van mijn jeugd in één ruk open. De zelfgebreide trui van mijn moeder zat onder die jas: een precies-gebreide trui, witte figuurtjes erin verweven als dartele vlinders in een onbedorven lichtblauwe lucht. Maar onder de trui zweette ik in mijn witte hemdje met kanten bandjes: de trui kriebelde, was te warm, de dwingende liefde drong door tot in de vezels van dat hemdje, mijn huid, zo via de bloedbaan het hart in.

                       *

Met het afscheid van mijn vader zei ik ook haar gedag, dat wat ik nooit had kunnen doen. Via mijn oude vader – zijn hijgen deed mijn adem stokken – zei ik gedag, dag, dag, dag, mama. 

                       *

Ik was elke keer áf: bij het optillen van de dagen als stokjes bewoog toch elke keer er weer één. Dan wachtte ik. Ik keek het draaiboek van de plechtigheid na, sorteerde de foto’s, zwart-wit van weleer, kleur van vroeger en nu. Mijn kind zei: ‘Ik ken opa alleen met grijs haar, hier heeft hij zwarte haren’. En verbaasd keek ik opnieuw naar de foto’s, naar het zwarte, gladde haar, op zijn plaats gehouden met vet. Een jonge, slanke man met hoop en verwachting in zijn ogen. Bruine ogen achter ronde brillenglazen. Verlegen ogen, fluwelig bruin als die van een paard in de wei, onbedorven, zoekend naar contact.

                          *

De lichte jaren, gelardeerd met de klanken van bandrecorder en pick-up, beverige 8-millimeter-filmpjes van jong en jeugd, kinderstemmen en plezier. Daarna de donkere jaren in het grote huis met al die kamers waar ‘s nachts in mijn dromen zwarte vleermuizen rondspookten die overdag opeens verdwenen waren. Ik keek dan uit het raam, over de bomen naar het spoor. Je kon altijd weg met de trein, reizen naar iets vers, iets warms, iets van vroeger of later.

                          *

Tussen de klanken door van zachte vioolmuziek op de lichte zondagen rook ik de geuren uit de rantangs van mijn tantes en oma. De kruidige geuren kriebelden mijn neus in, beweeglijke kinderen krioelden door elkaar in de nauwe gangen van het Haagse huis van een van de vele tantes.

                       *

Niks geen zuilengalerij met de koel-marmeren vloer waarop de schommelstoel lichtjes bewoog nadat mijn oma deze had verlaten om in de pannen te roeren en te ruiken, te snoepen van al het lekkers dat de kok klaarmaakte. Ik zie haar loom schuifelen door het huis, de statige Soendanese met de mooie, bruine ogen als van een paard in de desa op zoek naar contact.

                         *

Mijn opa in zijn witte kostuum komt aanlopen en twee jongetjes op blote voeten rennen op hem af. Hij tilt ze een voor een op en drukt de smalle lichamen tegen zijn koele pak. Daaronder zit de hitte van de dag, de tropenzon, het harde werken op het land. Mijn oma schenkt uit een kan koele limonade en plaatst de bekers op het rotan tafeltje met de ronde glasplaat. De beelden in sepia vertellen hun verhaal van vrijheid, blote voeten, kruidige geuren, groen in alle kleuren en warmte zo veilig en vertrouwd als de holte van je moeders arm.                    

                          *

De week van de mikado-stokjes is voorbij, warme sepia-tijden, de zacht-oranje kleuren van de jaren zestig en later de koele bergen en die lichtblauwe trui met witte figuurtjes als dartele vlinders in een onbedorven lichtblauwe lucht. Het laatste stokje ligt op tafel. Ik ben aan de beurt, pak het op en ik tel ze. Ik heb gewonnen.

                       ***

De etage 

Zaterdag liep ik in de stad. Het was zonnig maar koud. Mensen zaten optimistisch met hun jassen aan op de terrassen net te doen of het voorjaar was. 

                           *

Donderdag meldde onze dochter dat zij een etage mocht bezichtigen in Haarlem op de Riviervischmarkt. De gekte op de koop- en huurmarkt waart in Amsterdam lustig in het rond. Zij gaf de zoektocht naar een Amsterdamse etage op. Een huur van meer dan € 1500,- voor 50 vierkante meter is voor twee studenten te hoog gegrepen. Dus laten ze hun oog vallen op Haarlem, mijn dochter en haar vriend. 

                             *

‘OMG, we zijn de eersten!’ appt ze donderdagochtend opgetogen, ‘We gaan meteen kijken!’ Ik krijg een linkje toegestuurd met daarop piepkleine foto’s van een zolderetage met veel balken. Maar ook zie ik uitzicht op de Grote of Sint Bavo-kerk, het licht dat door een schuifraam valt, een aparte slaapkamer en een badkamer met douche en toilet. 

‘€ 825,- maar!’ 

‘Succes!’, app ik terug en ik ga aan het werk.

                             *

Gedurende de dag word ik op de hoogte gehouden. Ze zijn de eerste kijkers en moeten aantonen dat ze de huur kunnen betalen ‘Gelukkig telt de studiefinanciering ook mee!’ Even lijkt er nog een kink in de kabel te komen als een tweede kijker ook mee mag doen met de race om De Etage. ‘Maar dat is toch niet eerlijk? Ik heb de makelaar een mail gestuurd waarin ik hem aangeef dat hij ons de toezegging deed dat hij ons ging voordragen als we alles vandaag inleverden. Hij mailde terug dat ik gelijk heb. Nu zijn we gelukkig nog steeds de eersten!’

                             *

Mijn dochter en haar vriend zeggen de huur van hun Amsterdamse kamers op ‘We zijn er toch in juli en augustus niet, dat scheelt twee maanden huur, dat is € 2400,-!’ Beiden betalen € 600,- per maand voor hun kamer, een astronomisch bedrag. In een volgend leven word ik huisjesmelker. 

                             *

Op vrijdagochtend word ik gebeld:

‘Mam, kunnen jullie garant staan en het formulier invullen dat ik je toestuurde?’ 

Ik zeg dat wij dat doen en bekijk het formulier: het gaat om een ‘Akte van borgtocht’. Daar heb ik nog nooit van gehoord. Ik mail mijn man en vraag of hij de akte uitdraait. Ik mail hem foto’s toe van onze paspoorten en kopieën van onze salarisstroken. Mijn man mailt terug: ‘Doe ik, maar wat een onzin dat wij ons hele doopceel moeten lichten voor die kamer!’ Ja, dat is zo, maar koortsachtig werken we toch mee aan het verkrijgen van De Etage, ‘Ze zijn eindelijk eens de eersten !’, mail ik terug.

                             *

Tussen de middag vullen we de ‘Akte van borgtocht’ in, mijn man fietst terug naar het werk en stuurt alle formulieren, foto’s en stroken toe aan ons kind. ‘Ik heb alles, mam, nu moeten we afwachten!’

                             *

Zaterdag lopen wij in de stad, mijn man en ik. We kijken op de Riviervischmarkt naar boven: en ja, als je goed kijkt zie je bovenop het oude pand een zolderetage. Met een schuin dakraam. De klokken van de kerk tingelen er op los.

                             *

‘Het lijkt precies op onze etage in de Smedestraat’, zeg ik en we denken beiden terug aan de etage waar wij ooit samenwoonden, een straatje verderop. Ik tel terug. Meer dan 30 jaar geleden klommen wij drie trappen op en duwden we een luik open. De trap en het luik waar mijn lieve schoonmoeder altijd van zei: ‘Wat is de trap toch smal en dat luik …onhandig hoor..!’ Ik denk aan de feestjes, de kou in de winter, de hitte in de zomer. Wij trokken ons daar niks van aan. In de winter zetten we de verwarming hoger, ‘s zomers fietsten we naar het strand.

                             *

Op Facebook zie ik een filmpje. Barbara Streisand luistert naar de uitvoering van ‘The way we were’, prachtig gezongen door een beeldschone Beyoncé. Ik pink een traantje weg. 

                              *

Vandaag horen we of het is gelukt met de etage. 
                             ***