Stijl

Iemand die je niet goed kent

Gedag zeggen

Haar blik vangen

Aarz’lend gaat mijn hand omhoog

Die wat haren voor mijn oog

Nog zou kunnen wegstrijken

Met een achteloos gebaar

Maar ze knipoogt

En ik zwaai

Ooit gaf ik een presentatie. Vóór mij was een collega aan de beurt. Ik kende haar niet zo goed. Ze was lang en had een mooie glimlach. Zij zat tegenover mij, aan de andere kant van de zaal. Naast mij zat een andere collega. Zij was hoogzwanger maar zou toch wat vertellen over haar nieuwe afdeling.

Wij allen hadden te horen gekregen dat het vooral ‘kort’ moest zijn. ‘Niet meer dan tien minuten’, was ons verteld. En het gehoor was sceptisch. Dat zagen en hoorden we voordat wij wat mochten zeggen.

‘Ik ben blij dat Roos eerst moet’, fluisterde ik mijn collega in het oor. Zij knikte. En wij gingen door met luisteren.

Toen Roos achter het spreekgestoelte plaatsnam en de powerpoint geïnstalleerd was startte zij met haar verhaal. Het ging over huisstijl. Dia’s met gekleurde letters buitelden over elkaar heen en zij vertelde daarover kort en bondig wat er over te vertellen viel. Binnen de tijd was zij klaar.

‘Heeft u misschien een vraag?’, vroeg zij. Haar lange haar schoof zij met een elegant gebaar uit haar gezicht. De muur van scepsis had zeker een vraag.

‘Hoeveel heeft dit gekost?’, was de vraag. Het woord ‘grapje’ werd niet aan de vraag toegevoegd maar dat dachten wij er allemaal zelf bij.

‘Weet u dat?’, was de vervolgvraag. Zij wist het. Bijna onmerkbaar knikte zij even naar de achterban voor bevestiging.

Ik weet niet meer precies wat het bedrag was. Maar het was lachwekkend weinig voor de professioneel vormgegeven letters en woorden waar wij jaren onze identiteit aan konden ontlenen en plezier van zouden hebben. Het antwoord kwam zo netjes, zo mooi getimed, zo zonder triomf.

En toen was ik aan de beurt. Achter de door Roos half afgebroken muur kon ik in de verte kijken. Ook ik was binnen de tijd klaar en beantwoordde netjes alle vragen.

Mijn zwangere collega sprak als laatste tot een gehoor dat oprecht geïnteresseerd luisterde en vragen stelde. Zij nam en kreeg meer tijd. De muur was gevallen.

En nu rest alleen nog de knipoog die we gaven aan elkaar, die avond over de mensen in de zaal heen, over die afgebroken muur.

Eén van ons drieën is er niet meer. Wij beklimmen nu zelf alle muurtjes.

Dag Roos.

Advertisements

Blog of vlog

De ene tel

Toen mijn vader bijkwam uit de coma

volgend op gestorven zijn

en weer pneumatisch teruggebeukt (…)

heeft hij mij tijdens een bezoekuur

plotseling verteld dat daar, (…)

dat daar een koor geklonken had

Willem Jan Otten

*

Vannacht droomde ik over mijn vader. Hij was broodmager en wilde wegrijden in zijn auto. Ik wilde hem tegenhouden, ik dacht ‘Dit wordt zijn einde, hij is te oud, hij kan niet meer rijden’, maar hij reed weg. Toen ik wakker werd was hij allang dood.

*

Laatst vroeg een vriend, nou, meer een kennis:

‘Hoe gaat het met schrijven nu je vader dood is? Je schreef toch over hem? In blogjes of vlogjes?’

Hij lachte een scheef lachje en ik dacht: ‘Hij neemt mij niet serieus.’ Dat nam ik al vaak genoeg mijzelf niet maar dat hij het niet deed vond ik lastig.

‘Eh ja, ik schrijf nog wel zo nu en dan’, antwoordde ik luchtig. ‘En een vlog is heel wat anders dan een blog.’

Het gesprek was voorbij, opgelost in een wolk van genadeloze desinteresse.

*

En nu droomde ik over mijn vader. Ooit lag hij een paar dagen en nachten hulpeloos in zijn slaapkamer, gevallen na zijn nachtelijke plas, te ver van de telefoon om alarm te slaan, de muren te dik om zijn steeds zwakker wordende geroep door te laten.

*

Later, in het ziekenhuis sprak hij over zijn hallucinaties in die telkens licht en donker wordende slaapkamer.

‘Ik wist opeens hoe de tablet werkte…Ik had niet eens de handleiding nodig.’

Mijn vader had na veel wikken en wegen een tablet gekocht. Voor de val was hij begonnen met het lezen van de handleiding. Onder belangrijke woorden had hij bibberige streepjes getrokken. Hij was tot de helft van pagina 2 gekomen.

*

In sterk ruikende nachtkleding lag mijn keurige vader onder een dun, wit laken in een ziekenhuisbed te wachten op een foto van zijn gekwetste heup, een slokje water (‘Ik web zo’n dojst’) en de jonge dokter die dacht dat hij een lichte beroerte had gehad en daarom gevallen was.

‘Ik web gee bejoejte gewad’, zei mijn vader ferm, ‘Ik ben wegoon gesjtuikel.’

Ik trok het dunne, witte laken dat telkens van hem afgleed recht.

‘We zullen toch een foto maken van uw hoofd’, zei de jonge dokter. Mijn vader kreeg gelijk. Er was geen spoor van een beroerte in het hoofd van mijn vader te vinden. Dat rare praten kwam door zijn uitgedroogde mond en verwarring na al die prettige dromen.

*

En vanochtend las ik het gedicht van Willem Jan Otten over zijn vader die bijna dood ging.

Zelfs hij, die alle muziek

bij naam en toenaam kende,

wist niet wie zongen,

noch de componist

Toch kende hij het stuk (…)

Het dringt tot mij door dat tussen hier en daar het weten van alles wacht. De werking van een tablet, de noten van een gezang. Hier weten wij niks. Ja, dat mijn vader dood is. En dat ik blogjes schreef, over hem.

Aller ogen, zei hij,

waren nu op mij gericht,

ik kende de muziek

en voelde hoe de ene tel

mij naderde – de ene rust

waarin mijn inzet werd verwacht,

en ja, ik deed het niet – (…)

Mijn vader zong na die ene rust in een koude novembernacht wel mee. En ik denk aan hem, prutsend met zijn dikke vingers op die tablet waarop Nu Alles Lukt.

***

Het bureau

Toen ik begon te schrijven

Woonde ik in een dorp

Met vuilwit zonlicht in mijn mond

Alom vrede

Ik trapte naar de zon

En wist niet hoe te leven

(…)

Uit: Slordig met geluk door Menno Wigman (1966-2018)

Weer is een dichter dood. Kind van de jaren tachtig, een gymnasiumleerling met liefde voor taal en een leraar Nederlands die dat zag. Het zijn bekende flarden herinnering. Alleen wist ik na enig trappen naar de zon wél hoe te leven. Zoals gisteren, toen we op zoek gingen naar een bureau.

*

Onze dochter huist sinds een week weer in de kamer die ooit haar kinderkamer was. Voordat zij kwam ruimde ik haar kamer op. Ik verplaatste dozen, stofte de bovenkant van de kledingkast die jarenlang niet beroerd was. Plukken grijs kleefden aan mijn doekje als plakkerige asresten van verbrande kinderjaren. Ik heette met iedere veeg over een plank mijn terugkerende kind welkom. De beer die ze van opa kreeg plaatste ik op het voeten-eind van het zorgvuldig opgemaakte meisjesbed. Met domme ogen keek hij mij aan.

*

‘Eigenlijk heb ik een bureau nodig’, zei ons kind een tijdje later, peinzend rondkijkend in haar schone kamer.

Omdat ze geen nieuw bureau wilde – ‘Dat kost mij weer €70,-‘ – stelde ik voor naar een tweedehands-winkel in de buurt te gaan.

*

‘Zo, het is druk hier’, constateerde mijn kind bij het binnenstappen van de magazijn-achtige ruimte. Pensionado’s snuffelden rond, vrijwilligers in blauwe fleece-truien liepen af en aan met dozen en sorteerden alle ingeleverde waar.

*

Achter de kasten met boeken en tafels vol prullen stuitten we op een houten bureautje met drie laden. Op iedere la zat een ronde knop.

‘Die wil ik’, zei mijn kind, ‘Kijk, mam, hij kost maar €12,50.’

*

‘Kunnen de poten eraf geschroefd worden?’, vroeg ik aan niemand in het bijzonder en ik dook onder het bureaublad. Vier ijzeren plaatjes met onwrikbare schroeven – onder iedere poot één, – lachten mij uit.

‘Nee, dat wordt niks’, zei ik. ‘Laten we vragen of ze het kunnen bezorgen.’

*

Een aardige jongen vertelde ons dat de dag-coördinator ‘Nog even in gesprek was.’ ‘Kijkt u rustig rond’, zei hij vriendelijk. Ook hij droeg een blauwe fleece-trui.

We keken rond. Een corpulente dame nam plaats op een rode bureaustoel. De stoel zakte met een diepe zucht tien centimeter naar beneden. Onverstoorbaar zat de vrouw daar, middenin de ruimte, op de rode bureaustoel. Toen ze uitgerust was kwam de stoel langzaam omhoog. Met het hydraulisch systeem was niks mis.

*

Ik vroeg mijn dochter die klaar was met rondkijken of zij geen bureaustoel nodig had. Ik wees haar op de flexibele rode.

‘Nee, dat is een afschuwelijk-lelijk ding’, zei ze. En toen zag ik het ook.

*

De jonge vrijwilliger kwam na tien minuten aanlopen met de dag-coördinator. Wij hoorden haar al van verre aankomen. Een zwaar-doorrookte stem snelde op de eigenaresse vooruit, over de rotan-stoelen, langs de boekenkasten, onder de tafels met prullaria door.

‘Om welk bureautje gaat het?’, hoorden wij haar aan de jongen vragen. De stem hoorde bij een tanige, zonnebank-bruine dame. Diepe rimpels verdeelden haar gezicht in kabbelende golfjes.

‘Is het mogelijk dit bureau te laten bezorgen?’, vroeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat kan’, zei de vrouw. Ze keek mij aan. ‘Dat kost €15,-‘ Ik zag dat ze maar wat zei. De jongen keek haar verbaasd aan, maar richtte snel zijn blik op de betonnen vloer.

‘Kunnen we het bureau reserveren? We moeten opmeten of het past in de draai van de trap.’

‘O, u woont klein?’, vroeg de doorrookte stem.

‘Ja, de trap maakt een flinke draai’, antwoordde ik.

‘Aan reserveren beginnen we niet’, zei de vrouw op ferme toon. ‘Daar hebben we heel slechte ervaringen mee.’

Een beetje sip verlieten we het magazijn.

‘Ik vind het een leuk bureau’, zei mijn kind.

‘Vraag papa of hij het trapgat op wil meten’, adviseerde ik haar. En dat deed ze.

‘Het past!’, zei ze. En we keerden terug. We stuitten direct op de jonge vrijwilliger.

‘We willen het kopen’, zei ik en ik wees op het bureau.

‘Een moment alstublieft’, zei hij, ‘De dag-coördinator regelt de verkoop.’

*

Na het invullen van wat papierwerk en een afspraak voor de bezorging liep de doorrookte stem met ons mee naar de kassa.

‘Reken jij €22,50 af met deze klant?’, riep ze tegen een oudere dame bij de kassa.

‘Mam, ze vergist zich met de bezorgkosten’, zei mijn kind, toen we naar buiten liepen. ‘Nu betalen we maar €10,- bezorgkosten in plaats van €15,-.

Heel gelukkig reden wij naar huis.

Wetend hoe te leven.

***

Hommage

‘Enseigner, c’est ma vie’

Omdat ik ziek was las ik drie kranten op één dag. Eén krant las ik – onhandig in bed – op papier. De zachte, bijna vloeibare krantenflappen eindigden in ongelijke stukken met een scheve vouw in het midden. De andere kranten las ik, onderbroken door koortsdromen die afnamen en opkwamen als eb en vloed, op de iPad.

*

In de tweede krant viel mijn oog op een overlijdensadvertentie. Ik zag een bekende naam. Ik las door maar swipete terug. Boven de advertentie stond in schuine letters: ‘Enseigner, c’est ma vie’. Mijn grieperige hersens herinnerden zich dat woord – ‘enseigner’ – betekende dat niet ‘lesgeven’? Ik zocht het op. ‘Lesgeven’ was het. En toen wist ik het. Mevrouw de Buck was dood, mijn lerares Frans op de middelbare school.

*

Aan de advertentie kon ik zien dat deze met liefde was opgesteld. Ik las haar voornaam – die had ik nooit geweten – en haar bijnaam. Alsof zij een mens was, gewoon met familie, een huis, een leven. Voor mij was zij mijn juf. Mentor van klas 1 c, dat heette destijds klassenleraar. Ik herinner mijn teleurstelling dat wij haar kregen als klassenlerares. De andere leraren zagen er spannender uit. Jonger. Hipper. Baardjes, lang haar. Wijde jurken. Mevrouw de Buck droeg een rechte jurk tot boven de knie met een riempje om de taille. Zij had een smal, driehoekig gezicht. Ietsje vooruitstekende tanden, een kittige pas. 23 onzekere twaalfjarigen liepen in de zomer van 1974 achter haar aan naar lokaal 13.

*

Door de hoge ramen van lokaal 13 viel zonlicht als engelenglijbanen naar binnen. Wij stonden op de drempel van dat nieuwe leven zoals alleen twaalfjarigen dat kunnen. Onbevangen en leergierig. Mevrouw de Buck legde ons uit hoe wij onze agenda moesten gebruiken.

*

Ik had een Rijam-agenda met een onwillige kaft. We schreven het rooster in onze agenda’s op de pagina waarboven stond ‘Rooster’. Tijdens het schrijven drukte ik mijn rechterarm op de kaft om deze plat op tafel te krijgen. Met mijn linker-wijsvinger en duim hield ik de linkerkaft in bedwang. Geheimzinnige lokaalnummers, namen van leraren, het adres van de gymzaal in de stad, de uren gym in de zomer op een sportveld buiten de stad vulden de lijntjes op de witte, licht-gebogen pagina’s.

*

Daarna kregen wij een stencil met een plattegrond van de school. We vouwden het stencil netjes op, in een vierkantje, en schoven het in de agenda. ‘Goed bewaren’, adviseerde mevrouw de Buck ‘Hiermee kan je je weg vinden in de school.’

*

Mevrouw de Buck gaf Frans, in lokaal 13. Wij leerden heel veel woordjes. Op een dag klapte mevrouw de Buck het bord open met de Franse werkwoord-vervoeging. Thuis huilde ik. Ik snapte er niets van.

Een paar jaar later sprak ik voor mijn examen met mevrouw de Buck over ‘Les miserables’ en de schrijver Victor Hugo. Ik mocht er van alles over vertellen. Mevrouw de Bucks ogen glommen van plezier. Ik kreeg een 9.

*

‘Mevrouw de Buck, Ingrid, Itid, ook voor ons was u zorgzaam. Toen zag ik alleen dat riempje om uw ietwat uitdijende taille. Nu denk ik aan onze ontmoeting in de plaatselijke kroeg waar ik u tegenkwam met mijn eerste, echte vriendje. Het was nog geheim. U zat daar met mevrouw B., de juf Duits. In de kroeg…! Weet u nog wat u zei?

‘Ik wist dat jullie samen iets hadden, ik heb het gelezen in de Franse brief van Mark aan jou!’ Schalks keek u mijn geheime vriendje aan.

‘Mark vroeg in de brief die hij aan jou richtte ”Comment ca va avec Annelie?” En toen wist ik het!’ U en mevrouw B. lachten. Wij schoven bedeesd aan een ander tafeltje.

*

En nu bent u dood. ‘Na een liefdevolle verzorging in de Houttuinen.’ Ik had wel eens bij u langs kunnen gaan. Dan had ik het u gewoon kunnen zeggen.

*

Dank u wel mevrouw de Buck. Voor het mooie gesprek over Victor Hugo, de 9, uw milde lach in die kroeg.

En ik ken nog zoveel Franse woorden. Ook de werkwoorden kan ik vervoegen. Zonder tranen.

*

”Enseigner, c’etait votre vie”.

C’est vrai.’

***

Grijs

Door het raam zie ik een klant met daarachter kapster Kirsten. Bedrijvig beweegt zij met de schaar in de hand om de klant heen als een bij om een geurige bloem. Met de deurkruk in mijn hand wacht ik even. De kilte van de dichte mist legde een laagje druppels over mijn jas, mijn handschoenen, mijn haar. En voordat ik de deur van de zaak open ruik ik al de zoete geur van kapper, die mengeling van shampoo, föhn, afgeknipte haren en een vleugje koffie.

*

Tijdens het ophangen van mijn jas komt kapster Carola mij tegemoet, een slanke vrouw in een zwarte coltrui op een zwarte broek. Een kek schortje zit om haar middel geknoopt. ‘Die maak ik zelf’, vertelde zij een keer trots aan mij. ‘Gezellig toch?’ Carola vindt veel dingen gezellig.

*

Ik kom voor het knippen van mijn haar. Nou ja, eigenlijk meer voor het kleuren. Zo lang als de kapperszaak in dit dorp bestaat kom ik hier en de perioden tussen mijn bezoekjes in worden steeds korter. Dat komt door de grijze haren die ik tien jaar geleden zelf nog kon weghalen. Staande voor de spiegel, met duim en wijsvinger, een stevige greep op de dikke haar en een forse ruk. Het deed best zeer. ‘Ja, ze zijn stug en stevig, die grijze haren’, beaamde Carola destijds en zij legde mij uit waarom. Ik ben het vergeten. Het was iets met pigment.

*

Nu ben ik er weer. ‘Even een blaadje pakken’, zeg ik tegen Carola die mijn verfje gaat maken en ik loop met mijn kapperscape om richting de Libelle.

‘Dezelfde kleur?’ vraagt Carola en ik knik. Kirsten vraagt aan de vrouw naast mij of zij ‘Een roddeltje wil.’ Even spits ik mijn oren – voor roddeltjes ben ik altijd in – maar Kirsten bedoelt met een roddeltje het blad Privé of de Story. ‘Ja, doe maar’, zegt de klant van Kirsten. Carola roert in een potje mijn verf en Kirsten veegt de op de grond gevallen haren van de klant naast mij op.

*

Een vijfde vrouw zit in de hoek van de ruimte achter een tafel met flesjes nagellak. Haar lange, geblondeerde haren hangen futloos om haar brede gezicht. Dat is de nieuwe nagel-styliste die sinds kort in de zaak werkzaam is. ‘Heel gezellig’, volgens Carola.

*

Als mijn haren door Carola vakkundig zijn bewerkt met de verf die nog het meeste lijkt op stopverf, zet zij het wekkertje op 30 minuten en ik reik naar de Libelle die voor mij ligt op het plankje onder de spiegel. Dan wordt de nagel-styliste gebeld. Ze antwoordt met ‘Ja’ en ‘Wat vervelend’ op de stem die wij niet kunnen horen. Maar opeens horen wij de stem wel want de nagel-styliste zet haar telefoon op de luidspreker.

‘Ik ben het helemaal vergeten, maar ik zit ook zo in de stress’, horen wij.

‘Ik kijk even in de agenda’, zegt de styliste. ‘Nee, ik heb echt geen ander moment meer vrij.’

‘Nou, dat is jammer’, horen wij en daarna wordt het stil. Het gesprek wordt zonder luidspreker afgerond. Lusteloos hangt de styliste in haar stoel achter de vrolijke kleurtjes.

‘Gaat de afspraak niet door?’, vraag ik.

‘Nee, en ik heb me nog zo gehaast’, zucht de styliste, ‘En dit was een dubbele afspraak dus nu heb ik twee uur niets te doen.’ Ik kijk naar mijn hand, mijn vingers en nagels.

*

Onwennig zit ik even later met mijn stopverf-haren achter de flesjes, kwastjes en droog-apparaten voor nagels. ‘De lak blijft zeker drie weken zitten’, vertelt de styliste terwijl ze zachtjes mijn handen vastpakt, mijn nagels vijlt en de nagelriempjes voorzichtig naar achteren duwt. Ook vertelt ze dat ze sinds kort dit werk weer doet.

‘Ik had een eigen nagel-salon’, vertelt ze trots, ‘Tot het noodlot toesloeg’. Ze praat verder maar in mijn oren blijft Het Woord hangen. Als ze me vraagt om mijn andere hand vraag ik wat het noodlot inhield.

*

‘Mijn vriendin waarmee ik de zaak had is vermoord’, vertelt ze. ‘Haar ex-vriend die ze pas vier maanden kende heeft haar vermoord.’ Haar ogen dwalen weg. ‘Ze had een dochtertje van 8 en hij had ook een gezin’, gaat ze verder. ‘Maar dat is allemaal kapot. Hij zit in de cel, mijn vriendin is dood en de kinderen, ach…’

‘Waar woont haar dochter nu?’, vraag ik, ‘Bij haar vader?’

‘Eerst wel, maar ja, hij had ook een gezin met kleine kinderen, dat was wel wat druk voor haar, ze was natuurlijk lang alleen met haar moeder’. De ogen zijn nu heel ver weg. Teruggegleden in een donkere tijd.

‘Nu woont ze bij haar oma. ‘Haar ogen lichten op. ‘Dat is ook fijn voor oma, dan heeft zij weer een doel in haar leven.’

*

‘En, welke kleur wil je er zo op?, vraagt ze. Ze legt drie waaiers voor mij neer met alle kleuren van de regenboog.

‘Doe maar die rode’, zeg ik.

*

Ik kijk naar de stoel voor de spiegel met daaronder het plankje waarop mijn bril ligt, de lege kop koffie – met schuim als viezige zilt-vlokken op het strand, vastgeplakt aan het glas – het glimmende papiertje van het koekje dat ik gedachteloos in mijn koffie had gedoopt en had opgegeten. Het wekkertje. En de Libelle. Ongelezen.

*

Het alarm gaat af. Carola komt eraan en ik sta op. ‘Kom je bij deze wasbak zitten?’, vraagt Carola en ik neem plaats in de stoel onder de wasbak. Ik leg mijn hoofd in de uitsparing van de bak die koel aanvoelt. Een steeds warmer wordende straal water verwarmt mijn hoofd.

‘En?’, zegt Carola, ‘Je hebt ook je nagels laten doen?’ Ik steek mijn hand omhoog. ‘Nou, dat ziet er gezellig uit, zo voor de Kerst!’, roept Carola enthousiast. En ik wil knikken maar dat lukt niet. Mijn nek zit gevangen in die uitsparing. En ik sluit mijn ogen.

***

Zwart als roet

Het is zaterdag en ik hoef alleen maar bij de groenteboer vier citroenen, vijf bananen (niet al te rijpe), een stuk of zes mandarijnen en tien eieren te halen. Dat een groenteboer eieren verkoopt is gek. Maar hij heeft ze en ze zijn lekker. ‘Direct van de boer’ staat op het kaartje naast de eieren en ik geloof het.

*

Als ik de winkel binnen kom zie ik een klant en twee Pietjes. En ik denk ‘O ja’, want de groenteboer doet ieder jaar aan Pietjes. Zijn hulpjes worden in de weekenden voor het Sinterklaasfeest geschminkt en aangekleed als Zwarte Pietjes. De groenteboer zelf is niet verkleed en dat is jammer want hij zou een goede, bedachtzame Sint zijn.

*

Het is altijd weer een kleine hik-up, geholpen worden door Pietjes terwijl je zo volwassen – zeg maar oud – bent, het vroeg in de ochtend is en je alleen maar komt voor vier citroenen, vijf bananen, een stuk of zes mandarijnen en tien eieren. Ik zie dat alle klanten dezelfde hik-up hebben in de vorm van een terughoudende glimlach.

*

‘Kan ik u helpen?’, vraagt Pietje 1. En ik begin. ‘Doe maar een trosje honingtomaatjes’, zeg ik. Ze staan niet op mijn lijstje maar ze glimmen zo rood en passen zo mooi bij de kaasfondue. Pietje 1 houdt het trosje omhoog, ik knik en de tomaatjes glijden in een plastic zakje.

*

De deurbel klingelt en een oudere heer stapt de winkel in. Ook hij kijkt even verschrikt maar glimlacht al gauw.

‘Zo, Pietjes’, zegt hij, ‘Wat zijn jullie zwart.’

Mijn Pietje, die naast de kisten vol perssinaasappelen staat, antwoordt ferm:

‘Ja, zo zien wij eruit en ik ben boos op Sinterklaas dat hij allemaal gekleurde Pietjes in dienst neemt. Sint gaat zelf in de zak mee terug naar Spanje als hij zo doorgaat.’

*

Ik staar naar de avocado’s. Zouden ze rijp zijn? Dat zie je nou nooit aan die harde, bruinzwarte schil. En dan zeg ik:

‘Ik vind het juist leuk, al die gekleurde Pieten, wat maakt het uit, de kinderen vinden alle Pietjes prachtig.’

*

Het wordt stil. Pietje 2 helpt de andere klant met een kilo geschilde aardappels. Mijn hulp-Piet staat nog steeds naast de sinaasappelen. Appeltjes van oranje. Een paar blonde piekjes steken onder haar baret uit. Het oude heertje staat naast mij.

‘Doe mij nog maar vier citroenen’, zeg ik.

*

Als ik wegga, de deur van de winkel zachtjes achter mij dichttrek, het tasje dat ik zo braaf van huis meenam met de citroenen, bananen, mandarijnen, eieren en de honingtomaatjes in mijn fietstas stop en naar huis fiets is de wereld niet veranderd. De straat ligt er druilerig bij. In de viswinkel die als een aquarium in een donkere kamer oplicht wachten klanten rustig op hun beurt.

*

Even flitsen de roe, de zak en het glimmend-zwarte gezicht van Piet van vroeger voorbij. De zwaai van een witte handschoen met die golf van keiharde pepernoten. Mijn hand voor mijn betraande gezicht. Een bang meisje in een geruite overgooier en een rood maillootje.

*

Misschien word ik volgende week wel in die lege aardappelenzak gestopt en meegenomen. Door die goede, beste Sint.

***

Foto

                                                                            
Twee discjockey’s vullen de ruimte met loze praat. Hun stemmen gaan tegen elkaar in als pingpongballen van tafeltennissers die wild om zich heen slaan. Heel soms slaan ze een balletje over het net. 

Op een bordje voor mij staat in keurige letters:

Koffiepauze 10.30-10.45 uur

Lunchpauze 12.30-13.15 uur

Theepauze 15.00-15.15 uur.

                                                         *

Met een schuin oog kijk ik naar buiten door de glazen deur naar mijn auto. Deze staat netjes geparkeerd voor de bus waar ik zojuist inklom. Ik zit braaf op een bankje tegenover het bordje. Vaag hoor ik geluiden die van achter komen, mijn oren spitsen zich, ik hoor een lepeltje dat tikt tegen een kopje en zacht lachen. Ik kijk op mijn horloge. Het is 13.13 uur. Mijn afspraak is om 13.25 uur. Dat is zo’n rare precieze tijd dat ik ervoor zorgde – geheel tegen mijn gewoonte in (‘Mam, jij bent altijd te laat’) – ruim voor 13.25 uur aanwezig te zijn.

                                                        *

Het erge is dat ik de afspraak die ik eigenlijk had – een paar weken geleden – geheel vergeten was. Het was de eerste maandag na terugkeer van onze reis naar China, dat leek mij handig. Ik was nog vrij en had dan alle tijd. De maandag ging voorbij en een paar dagen later dacht ik opeens aan de afspraak. Schuldbewust wilde ik bellen, uitleggen dat ik het vergeten was door mijn vakantie, maar het bandje verwees mij naar de site. Ja, de site. Dat ontsloeg mij van het maken van excuses. Ik maakte zelf een nieuwe afspraak via de site, vandaag om 13.25 uur op een plek die ik niet kende. Ik dacht dat het Haarlem-Noord was maar het bleek Schalkwijk te zijn. 

                                                       *

‘Het is daar bij dat winkelcentrumpje, vlakbij de Haarlemmerweg’, zei mijn man behulpzaam. Hij tuurde op het schermpje op zijn telefoon en ik verbaasde mij erover dat hij wist hoe dat werkte met het kaartje.

‘Zie je er tegenop?’, vroeg mijn zoon.

‘Ach, fijn is het niet’, antwoordde ik. Ik zei er niet bij dat ik er geen zin in had en er wel tegenop zag. Het doet ook pijn, nou ja, pijn, lekker is het niet. En het confronteert mij met dat waar ik liever niet aan denk. Mijn moeder, mijn schoonmoeder, mijn schoonzus. Ik denk aan de woorden van mijn broer: ‘Een bult zo groot als een tennisbal’ en ik zie de lieve Cootje voor mij in de zachte schemer van de ziekenhuiskamer. Ik ruik de lucht van ziekenhuis, adem het in. ‘Zorg je goed voor mijn zoon?’, vroeg ze. Een dag later was ze dood. 

                                                       *

Het is 13.15 uur. Ik hoor gestommel. Een dame van middelbare leeftijd neemt plaats achter het bureautje waarop het bordje met de pauzetijden staat. 

‘Goedemorgen’, zegt ze, ‘O nee, goedemiddag al.’

‘Goedemiddag’, zeg ik. Ik houd het ingevulde formulier zichtbaar vast en mijn rijbewijs trek ik uit het hoesje van mijn telefoon. Ik overhandig beide bewijsstukken van mijn komst en bestaan aan de dame. Achter haar staat een jong meisje. Ze lacht vriendelijk.

‘Uw huisarts heet dokter Prinsen?’, vraagt de vrouw.

‘Ja’, zeg ik.

‘Weet u ook hoe de praktijk heet?’

‘Eeeh, nee’ en ik pijnig mijn hersens. Hoe heet de praktijk? 

‘Ik kom er bijna nooit’, zeg ik verontschuldigend.

‘Ik heb het al’, zegt de vrouw. Het meisje stapt naar voren en geeft mij een hand. 

‘U kunt zich hier omkleden, u doet de deur achter u op slot, alle bovenkleding mag uit.’  

                                                          *

Even later sta ik weer in het nauwe gangetje van de bus. ‘U krijgt binnen twee weken de uitslag’, zegt de dame vriendelijk. Met een raar soort opluchting verlaat ik de bus, loop het ijzeren trappetje af, naar mijn auto. 

                                                           *

‘Hoe ging het?’, informeerde mijn zoon ‘s avonds. Hij nam een hap pompoensoep. Zijn lippen kleurden een beetje oranje.

‘Ja, het ging’, zei ik. 

‘Wanneer krijg je de uitslag?’, vroeg mijn man.

‘Over twee weken’, zei ik. 

                                                            *

En dan kan ik het allemaal weer vergeten. Twee hele jaren lang.
                                                          ***