Over


Het is zomer. De dag die het jaar in tweeën snijdt is alweer voorbij. De tijd vliegt. Het schijnt iets te zijn in het brein waardoor deze voorbijsnelt. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië. Maar nee. Kerst is een half jaar geleden, acht maanden geleden stierf mijn vader en Indonesië bezochten we in 2014, eeh, nee, 2013.
                          *

Het is zomer. De laatste tentamens zijn gemaakt en proefwerkweken zijn gestart. Bijna komt de voortsnellende tijd knarsend als een roestige locomotief op hete rails tot stilstand in sissende worstjes op de barbecue, rosé op een terras en fietsen naar het werk door de kale bollenvelden met je mond dicht vanwege de vliegjes.

                        *

‘Ik heb een voldoende voor Politicologie’, meldde onze zoon eergisteravond, tussen neus en lippen door.

‘O, mooi!’, zeiden wij.

‘Zijn jullie nu niet blij?’, vroeg de zoon.

Dat zijn we. Echt wel. Hij gaat over naar het tweede jaar. 58 van de 60 eerstejaars HBO-punten zijn binnen. 

                      *

‘Mijn P ga ik niet halen’, mompelde hij een paar weken geleden, ook tussen neus en lippen door. P staat voor propedeuse, het eerste behaalde studiejaar. We hadden het over de universiteit. Zijn vriendin maakt volgend schooljaar de overstap van het HBO naar de universiteit en gezien zoons geringe zichtbare inzet versus verrassende ruime voldoendes kregen we het erover. Over een overstap. Misschien. Hoeft niet. Maar kan. Eventueel.

                       *

Bekwaam smoorde hij het idee van een overstap naar de universiteit met de melding dat hij zijn ‘P niet ging halen omdat x zich niet aan de afspraak had gehouden met dat ene onderzoek en er niks van had gebakken.’

‘Wat raar dat jij niet een voldoende kan halen’, meende ik, ‘Als een ander het niet goed doet.’ 

‘Tja, dat heb je met al die groepsopdrachten’, zei de zoon, kauwend op een stuk tosti nadat hij deze met een geconcentreerde blik gedoopt had in een flinke plas curry. 

‘Toch gek. Kan je daar niet eens achteraan gaan? Een gesprek met je mentor?’ Onverschillig keek hij naar zijn bord met curry-strepen die als bruin-rode riviertjes over het bord kronkelden. 

                        *

‘Nee, eh, je moet het gewoon halen’. De tosti was bijna op.

‘Nou, ik vind het raar en jammer. Nu haal je je propedeuse niet door iemand anders..of eh, had je er zelf ook een aandeel in?’

                         *

Hij keek mij aan. Met overbekende ogen. 

‘Ik heb het zelf ook niet goed gedaan’, zei hij. En ik dacht opeens aan het kind dat altijd een van zijn twee wantjes verloor. Hoe boos ik daarover kon zijn. Hoe zijn hoofd naar beneden boog. Tranen druppelden uit bruine ogen. 

                       *

‘Jammer’, zei ik nu en daar lieten we het bij. Gisteren verloor hij zijn wantje. Vandaag haalde hij net niet zijn propedeuse.

                        *

‘Maar ik ben wel over naar het tweede jaar’, grijnsde hij, ‘Ben je niet blij?’ Ik zag een mond vol kruimels, zachte draden gesmolten kaas en bruin-rode saus.

                        *

‘Ja, ik ben blij’, zei ik. Ik keek naar buiten. De hortensia stond in bloei. Witte bollen in het groen. Gisteren was het Kerstmis, eergisteren overleed mijn vader, twee jaar geleden bezochten we Indonesië en vroeger verloor hij altijd dat ene wantje. 

                         *

Nu is het zomer. Is hij over naar het tweede jaar. En ik ben blij.    

                       ***

Vader en zoon


Dit keer kom ik aanfietsen van de andere kant en ik kijk omhoog naar mijn vaders balkon. Ik zie de bloembakken die hij in etappes vulde – ‘ik kan niet meer zo lang bukken’ – en de plantjes die als kleurige gevangenen achter de tralies van het balkonhek staan. Twee bloeiende orchideeën staan voor het raam. 

                          *

Ik rijd langs mijn vaders keukenraam. Als ik naar boven kijk zie ik zijn bewegende hoofd in de zilverkleurige omlijsting. Een levend schilderij, ‘Grijze man achter glas’. Nu smeert hij zijn boterham en zet hij koffie. Hij weet dat ik kom. 

                          *

De twee wekelijkse haringen stinken in mijn tas. Een van de twee gaat zo op de boterham die hij zorgvuldig besmeert met margarine of halvarine. In ieder geval is het boter uit een kuipje. ‘Zalf’, zoals wij thuis dit soort boter noemden.

                           *

En ja, als ik binnenkom is de boterham besmeerd met zalf, staat de koffie koud te worden op het aanrecht en kleuren de geschilde appelpartjes langzaam bruin.

                             *

‘Hier zijn de haringen!’ en ik haal het smalle pakje met vis uit mijn tas. 

‘Dank je’, zegt mijn vader.

‘Goed je weer te zien’, zegt hij, ‘Dat is alweer lang geleden.’

‘Een week, pa’, antwoord ik, ‘Een week geleden was ik hier.’

Maar hij hoort het niet. Geconcentreerd snijdt hij de haring en het brood in gelijke blokjes. De uitjes verdeelt hij over de vis, het zuur wordt plakje voor plakje op het bord gevleid.

                              *

Ik draag alles naar binnen. Mijn vader volgt, moeizaam lopend, dit keer met zijn stok. Als we zitten vraagt hij hoe het was in Parijs. Daar was ik een paar dagen. 

‘Het was erg leuk’, vertel ik, ‘We hebben heel veel gezien.’

Gretig eet mijn vader zijn brood met haring. 

‘Wat voor een foto stuurde je eigenlijk?’, vraagt hij. Ik mailde een foto van mij en mijn dochter uit Parijs. Allebei staan we op het dakterras van warenhuis Lafayette. Met op de achtergrond de Opera en de Eiffeltoren.

                           *

Ik vertel mijn vader dat het een foto is vanaf het dak van Lafayette. Ik laat hem de foto op mijn telefoon zien.
‘Als je voorzichtig veegt over het scherm kan je alle foto’s zien’, zeg ik.

Hij veegt zo hard over het scherm dat het beeld verandert en er opeens honderd miniatuur-foto’s te zien zijn.

‘Wat gebeurt er nu?’, vraagt mijn vader.

‘Je drukt te hard op het schermpje’, zeg ik en ik haal de foto weer tevoorschijn die hij aan het bekijken was.

Een voor een bekijkt hij de foto’s.

‘Het zijn er 140 pa, scroll maar lekker door!’ Maar dat doet hij niet. Hij bekijkt de foto’s zorgvuldig.

                             *

We praten over Parijs, reizen, verre landen. 

‘Ik spaar voor een reis naar Zuid-Afrika’. 

‘Daar ben ik niet geweest’, zegt mijn vader, die bijna overal geweest is, spijtig. We springen over naar een ander onderwerp. 

‘Ik heb gisteren drie uur in de keuken gestaan’, vertelt mijn vader. ‘Ik heb paella gemaakt, er liggen nu zes doosjes paella in de vriezer.’ 

‘Lekker hoor!’, antwoord ik. 
Verder is er niks gebeurd. 

                             *

En ik vertel over het prachtige museum in het Bois de Boulogne. Tijdens het vertellen wordt zijn linkeroog kleiner. Hij wrijft erin. Ik vertel over de onverwachte Rembrandts in het Louvre. En weer zie ik zijn oog klein worden. Wordt hij moe? Onder zijn bruine huid schemert een witte waas.

                              *

Als ik wegga staat hij heel langzaam op uit zijn stoel. Hij blijft even staan om zijn stijve ledematen te laten wennen aan de verticale stand. 

                              *

Ik open de voordeur terwijl mijn vader naar de keuken loopt.

‘Moet ik deze brieven nog posten?’

‘O ja, graag! Ik ben trouwens bezig om alles op papier te zetten voor als ik er niet meer ben.’

Mijn hand rust op de deurkruk.

‘Heb je plannen, pa?’, vraag ik. 

Hij lacht een dof lachje en strompelt de keuken in.

‘Je weet nooit’, zegt hij, ‘Fijn dat je er was. Ik vind het altijd leuk om je te zien.’

                              *

Ik fiets terug naar huis. De lucht is grijs, het is warm, benauwd. Ik zie de vermoeide ogen van mijn vader, zijn moeizame tred. Ik kijk omhoog naar de gevangen plantjes en de orchideeën, als tropische wachters voor het raam.
Halverwege fietst aan de overkant van de weg een man mij tegemoet. De man zwaait en lacht. Even staat de tijd stil. De man is mijn zoon. Ik zwaai terug. 

                        ***

Sloom

  
Na een comateuze wintersport-slaap zie ik door de open streep tussen de gordijnen een strookje berg met besneeuwde dennen, daarboven een diepblauwe lucht. Kaiserwetter in Les portes du soleil. Het uitzicht dwingt tot handelen, dat is waar een wintersportvakantie sowieso uit bestaat: veel, heel veel handelingen. 

                         *

Ook afzien, – soms een beetje, soms wat meer, – is een ingrediënt. Dit keer bestaat het afzien uit een verrekte spier in het onderbeen, veroorzaakt door een buiteling op de eerste ski-dag in de poedersneeuw na een overmoedige aanzet tot een snelle afdaling. 

                         *

‘Gaat het?’, vraagt de zoon die lacht om zijn besuikerde moeder die hij nog nooit zag vallen maar die nu zelfs haar ski kwijtraakt en nog een keer onhandig wegglijdt op één ski en één schoen. ‘Ja hoor!’, roep ik blijmoedig en ik voel mij als het schoolkind dat ooit op haar knie viel, om zich heen keek of iemand de val had gezien en manmoedig opstond. ‘Niks aan de hand!’ En met een bebloede knie liep het kind verder, de pijn verbijtend tot thuis, tot na de dichtgeslagen voordeur.

                         *

En alles leek verder goed te gaan na de val op twee beknelde grote tenen na, maar de lieve man in de sportwinkel had onze voeten opgemeten en daar was toch echt deze maat schoen uitgekomen. Doorzetten maar.
                           *

‘s Avonds blijkt de schade een manke tred vanwege de verrekte spier en twee blauw-kleurende grote-teennagels. ‘Mijn schoenen zijn te klein’, mopper ik en mijn zoon trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Altijd wat’, zeggen de wenkbrauwen en ik houd op met zeuren. De wintersport-coma slaat toe en ondanks de verrekte spier en blauwe tenen slaap ik diep en droom ik mooie dromen. 

                         *

Ik ga over tot handelen, de dag is te mooi. Ik strompel naar de badkamer en weer terug naar de kledingkast voor het aantrekken van alle laagjes: hemd, shirt, trui, skisokken en de skibroek. Ik pak de rugzak in: zonnebrand, handschoenen, water, een skibril en een boek want met die tenen en de onwillige spier…wellicht is even lezen op een terras vandaag zo gek nog niet.

                          *

In het wonderschone ski-gebied van Pré la joux is het mooi maar koud: we rillen in de stoeltjeslift ondanks al onze laagjes. Het vriest en een snijdende wind waait door al onze hemdjes en shirtjes heen. We zitten doodstil in de zwevende stoeltjes. Van de reuzendennen waait een mist van sneeuw het dal in. Een mager zonnetje probeert de wolken te verdrijven en ik moedig haar aan. Met zon zal de bittere kou beter te verdragen zijn. 

                         *

Nu is het van belang warm te worden door vlot naar beneden te skiën en dat doen we. Iets voorzichtiger door de val, de onwillige spier en de blauwe tenen ski ik naar beneden. Zo nu en dan sta ik stil. Dan staar ik naar de dennen met de dikke lagen sneeuw. De zon die nu echt doorkomt en het oudere echtpaar dat rustig voorbij skiet. Hij wacht halverwege de berg op zijn vrouw, ik zie het. Dan skiën ze samen verder. Lief.

                         *

De fel-oranje broek van mijn kind is uit het zicht. Ik moet gaan. En rustig ski ik naar beneden. ‘Mam, wat ski je sloom. Ik wacht hier al heel lang.’ Ik kijk hem aan. Slungel van 18. Zijn ogen staan helder in zijn nog wat bleke gezicht. Hij geniet van het skiën, het buiten zijn. Thuis ligt hij veel en graag op bed. Hier is hij actief en fanatiek. Thuis is hij langzaam en…eh sloom. Maar dat zeg ik niet. Dat denk ik.

                        *

‘Ik ga zo even op een terras zitten lezen’, zeg ik. ‘Dan ga je even alleen skiën in je eigen tempo.’ Op het terras zit ik met mijn boek uit de wind in de winterzon. Ik lees. En ik kijk. Op het hek landt een vogeltje. Een kwiek geval, het hipt heen en weer, net naast de sneeuwlaag op het hek. Ja, ik word sloom met skiën. Langzamer. Meer spierpijn. Blauwe tenen. 35 jaar verschil, het is niet te ontkennen, het lijf wordt ouder. Ik denk aan mijn vader. Een jonge geest in een 94-jarig lichaam. Hij wil veel en doet veel. Ik wil ook veel en doe veel. Maar toch.., het wordt anders. Minder. Niet minder goed, maar anders goed. Een ouder echtpaar op ski’s. Een vogeltje op een besneeuwd hek. Zon op de reuzendennen. 
                         *

Sloom. Het is even wennen.
                        ***

Wie sjoen

  
Blaosmeziek op eine sjone zóndigmorge

Blaosmeziek bleust mich ómver

Mit toeters en bellen ‘n sjoon verhaol vertelle

Zondigmorge blaosmeziek blaos mich riek’ *
                         *

Lang geleden woonde er een meisje in Zuid-Limburg. Een meisje, nee, dat was het niet meer, het was een jonge vrouw met donkere haren die op haar smalle schouders vielen. Vol verwachting was ze hierheen gekomen. Meer dan drie uur reizen in de trein die als een geel slangetje het land door kronkelde. 

                         *

Langs weiden met zwart-witte koeien, rivieren van gladde glinsteringen. Door steden met grote en kleine huizen, kerktorens: hoge, spitse en vierkante, robuuste. Langs dorpjes, weggescholen achter bomenrijen en hagen, of juist open en bloot, met tingelende spoorbomen over de weg, daarachter fietsers die geduldig wachtten, auto’s die stilstonden.

                        *

Ze keek naar buiten terwijl ze wegreed uit de jaren ervoor: rusteloze jaren. Jaren van wachten op, ja op wat eigenlijk? Ze rustte met haar kin op de holte van haar hand. De elleboog op het formica-tafeltje. 

                       *

Ze zag haar ogen weerspiegeld in de vieze ruiten van de trein. Ze keek naar zichzelf alsof ze een vreemde was. Een meisje, op de splitsing van jong naar oud. Op weg naar iets dat in de verte lonkte. Ze kon het ruiken, het rook naar gras – versgemaaid – naar frisse wind en heldere lucht. Naar heuvels en dalen, een beekje dat zich erdoorheen kronkelt, vissen die vrolijk naar lucht happen in het zoete water. 

                         *

De reis was een lange zucht naar vrijheid, naar ruimte en leven. Weg van beklemming, schuld en schaamte. Haar gedachten liepen op zaken vooruit, richtten zich naar voren en kwamen los naarmate ze dieper het zuiden in zakte.

                         *

Niet dat het gemakkelijk was of werd. O nee, zeker niet. Veel zwarigheden zouden overwonnen moeten worden, ze zou zich eenzaam voelen, alleen zou ze zijn met zichzelf. 

                         *

Ze liep met haar tas de trein uit, het station in. Ongure types staarden haar aan, tenminste dat dacht ze. Haar tas klemde ze dicht tegen zich aan. Haar zou niets overkomen. Je zag het aan het doelbewuste kijken, de stevige stappen. De stad verwelkomde haar en pakte haar op, de toekomst in. 

                          *

Ze werd wakker en hoorde in de verte, achter in de wijk, muziek. Dat hoorde bij het zuidelijke puntje van dit land. Hier hielden ze van fanfare, blaasmuziek. Een kleine optocht liep door de straten van Welten, Heerlen, Limburg. Ze liep naar het raam en wist niet of ze het droomde of dat het echt was. Een processie kwam langs, kleine misdienaartjes, de pastoor voorop. Daarachter de fanfare, de blazers.

                        *

Blaosmuziek op eine sjone zóndigmorge

Blaosmuziek bleust mich nao hoes

Mit toeters en belle ‘n pracht verhaol vertelle

Zóndigmorge blaosmuziek blaos mich riek’ *

                       *

En ze leefde nog lang en gelukkig. 

                      ***
*Ge Reinders, zanger, musicus, schrijver (1953, Helden, Limburg)

Een dagje aan het strand

  
Het is zo heerlijk onduidelijk wie iedereen is, wat de bezoekers hier doen, willen of denken. Op dit terras met veel dad-body’s, een bar inclusief barkeeper van zo’n jaar of zestien, met zeezoutchips en gratis te verkrijgen water met drijvende munt en citroen, te jonge meisjes met grote zonnebrillen, van alles is hier te zien.

                         *

Mij passeert een mokka-bruin jongetje met blond touwhaar, een felblauwe bermuda strak om zijn achtjarige billen, een piepjonge serveerster balanceert met haar blad vol glazen muntthee.

                         *

Achter mij zit een stelletje: hij van onbestemde leeftijd, zij begin twintig. Ze spreken Algemeen Beschaafd Nederlands, ze zeggen: ‘super!’ en ‘top!’ als de ice-tea respectievelijk het gestylede taartje worden gebracht.

                         *

Vroeger, en dan spreek ik over heel vroeger kwam ik hier ook wel eens. Zo ongelukkig als ik mij toen voelde voel ik mij nooit weer. Bij deze strandtent ontmoetten destijds de young & beautiful people elkaar. Als gevulde bak onzekerheid zat ik ertussen. Ongelukkig te zijn, in mijn ogen absoluut niet beautiful genoeg. 

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg, niet zeker genoeg. Ik werd alleen snel bruin. Dat was mijn enige pluspunt. 

                         *

Nu zit ik hier, na 35 jaar. Op het terras, – de relaxte muziek omhult mij en de onduidelijken -, zak ik weg op de loungebank, hang in twee kussens en zit ik alleen met mijn boek dolgelukkig te zijn. 

                           *

Tussen mijn donkerbruine haren glinsteren de grijze. De buik, goed gevuld deze zomer met van alles dat veel te lekker is, piept over het korte broekje heen. Wel is tie lekker bruin, de piepende buik.

                         *

Tegenover mij zit een klein meisje dat de kaart leest, op haar manier, – deze driejarige, – haar ijsje lekt gekleurde draden op haar strandjurkje. In haar bruine, korte haar steekt een roze speldje. Haar ouders knuffelen elkaar op de bank naast de mijne. Lief.

                         *

De muziek gaat harder, er staan twee gasten klaar achter twee hoge tafels met apparatuur, ongetwijfeld geht die party snel richtig los hier. De zon schijnt minder fel, verstopt zich achter streperige wolkjes.

                         *

Ik stap maar weer eens op. Ik pak mijn tijdschrift in, mijn boek, de iPhone en fiets naar huis.

                         *

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg en zeker niet jong genoeg maar gelukkig domweg gelukkig.

                       ***

Een dagje aan het strand

  
Het is zo heerlijk onduidelijk wie iedereen is, wat de bezoekers hier doen, willen of denken. Op dit terras met veel dad-body’s, een bar inclusief barkeeper van zo’n jaar of zestien, met zeezoutchips en gratis te verkrijgen water met drijvende munt en citroen, te jonge meisjes met grote zonnebrillen, van alles is hier te zien.

                         *

Mij passeert een mokka-bruin jongetje met blond touwhaar, een felblauwe bermuda strak om zijn achtjarige billen, een piepjonge serveerster balanceert met haar blad vol glazen muntthee.

                         *

Achter mij zit een stelletje: hij van onbestemde leeftijd, zij begin twintig. Ze spreken Algemeen Beschaafd Nederlands, ze zeggen: ‘super!’ en ‘top!’ als de ice-tea respectievelijk het gestylede taartje worden gebracht.

                         *

Vroeger, en dan spreek ik over heel vroeger kwam ik hier ook wel eens. Zo ongelukkig als ik mij toen voelde voel ik mij nooit weer. Bij deze strandtent ontmoetten destijds de young & beautiful people elkaar. Als gevulde bak onzekerheid zat ik ertussen. Ongelukkig te zijn, in mijn ogen absoluut niet beautiful genoeg. 

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg, niet zeker genoeg. Ik werd alleen snel bruin. Dat was mijn enige pluspunt. 

                         *

Nu zit ik hier, na 35 jaar. Op het terras, – de relaxte muziek omhult mij en de onduidelijken hier, – ik zak weg op de loungebank, hang in twee kussens, zit ik alleen met mijn boek dolgelukkig te zijn. 

                           *

Tussen mijn donkerbruine haren glinsteren de grijze. De buik, goed gevuld deze zomer met van alles dat veel te lekker is, piept over het korte broekje heen. Wel is tie lekker bruin, de piepende buik.

                         *

Tegenover mij zit een klein meisje dat de kaart leest, op haar manier, – deze driejarige, – haar ijsje lekt gekleurde draden op haar strandjurkje. In haar bruine, korte haar steekt een roze speldje. Haar ouders knuffelen elkaar op de bank naast de mijne. Lief.

                         *

De muziek gaat harder, er staan twee gasten klaar achter twee hoge tafels met apparatuur, ongetwijfeld geht die party snel richtig los hier. De zon schijnt minder fel, verstopt zich achter streperige wolkjes.

                         *

Ik stap maar weer eens op. Ik pak mijn tijdschrift in, mijn boek, de iPhone en fiets naar huis.

                         *

Niet mooi genoeg, niet slank genoeg, niet sportief genoeg en zeker niet jong genoeg maar gelukkig domweg gelukkig.

                       ***

Uitje

 Vandaag zouden mijn vader en ik op pad gaan met onze nieuwe auto. Naar de nieuwe kamer van zijn oudste kleindochter, mijn kind, in Amsterdam. Daar drinken we een kopje thee. En dan rijden we weer terug.

                         *
Het regent hard. Het is weer om binnen te blijven. Lekker met de krant bij de kachel. Zo nu en dan kijk je naar buiten: nee, het druipt nog steeds. Druppels vallen langzaam vanaf de pergola naar beneden, van die grote verzameldruppels. De takken van de druif liggen kaal en triest bovenop de vierkante staaldraden tussen de pergola-palen. De loungebank wacht tevergeefs op haar kussens. Een plasje water verzamelt zich op het smalle bovendeel van de bank. Bij iedere regendruppel spat het water lichtjes op.

                         *
Zojuist belde ik mijn vader, het was door de plotselinge zomertijd opeens half één. Direct neemt hij de telefoon op.
‘Hallo, met mij’, zeg ik, ‘jij neemt snel op!’
‘Ja, ik pakte net de telefoon uit het basisstation want ik dacht wel dat je rond deze tijd zou bellen.’
‘Zal ik je zo komen halen? We zouden vandaag een tochtje maken, toch?’
Ik hoor aarzeling in zijn stem: ‘ja, eh, kom je en gaan we dan meteen weg?’
‘Ja’, antwoord ik, ‘Julia komt ook mee, dan breng ik haar gelijk naar huis. Wil je liever een andere keer afspreken? Het is ook zulk rotweer…’
‘Eh, nee, maarre.. heb ik dan nog tijd om te lunchen..?’
                         *
O, dat is het. Ik haal hem met mijn snelle actie volledig uit zijn ritme. Om half één eet hij altijd een krentenbolletje, zorgvuldig besmeerd met een laagje margarine, een geschilde appel en drinkt hij een kopje koffie. Ik drink altijd rustig een kopje met hem mee op zondag. We praten over alles en niets en dan ga ik weer. 
                         *
En nu schop ik alles in de war met mijn directe komst, mijn gelijk-weg-willen en mijn dochter in de auto die naar Amsterdam moet.
‘O, eet gerust eerst wat. Hoe laat zullen we afspreken? Kwart over één?
‘Kan het ook wat later? Half twee?’
‘Ja, natuurlijk’ en ik denk aan mijn kind dat een paper moet schrijven. ‘Mam, of we moeten vroeg gaan dan kan ik in Amsterdam wat doen, of laat, dan schrijf ik thuis dat paper. Nu wordt het dus een half-half-oplossing. Maar zij is eenentwintig en flexibel, mijn vader drieënnegentig en gehecht aan appel en krentenbol. Dus zij begint thuis en schrijft het werkstuk maar in Amsterdam af.
‘Ja hoor, ik kom om half twee. Rustig aan’, zeg ik nogmaals.
                         *
Als we in de stromende regen komen aanrijden bij het flatgebouw waar mijn vader woont, vraag ik aan mijn kind: ‘en, staat hij al klaar?’ Vanaf de rotonde tegenover zijn flat kan je hem soms zien zitten. Meestal zie je een grijs koppie net boven het raam uitsteken. Dan zit hij op zijn gemakkelijke stoel. ‘s Avonds zie je het licht van de televisie blauwig tegenover hem flikkeren.
                         *
‘Ja, mam, hoe schattig, hij staat met zijn jas aan voor het raam te wachten.’ Ik draai om de rotonde heen, strek mijn nek en zie inderdaad een glimp van een grijze jas en bruine sjaal.
‘Hij loopt weg van het raam, hij heeft ons vast gezien’, zegt mijn dochter.
                          *
‘Haal jij hem even op, dan parkeer ik de auto voor de deur.’ Heerlijk dat ik er niet uit hoef. De regen slaat woest tegen het raam, de ruitenwissers zwaaien wild heen en weer. Mijn kind rent met haar hoofd tussen de schouders de hal van de flat in. De overijverige onderbuurvrouw van mijn vader heeft daar een paastafereeltje gecreëerd met een uit de krachten gegroeide paastak, eitjes hangend aan gekleurde touwtjes, een paaskleedje en twee paashazen. Eén paashaas heeft een groen tuinbroekje aan.
                           *
Daar komt mijn vader aan met mijn kind: oud en jong. Gelukkig heeft ze eraan gedacht twee kussentjes mee te nemen. Met moeite laat mijn vader zich zakken in de lage autostoel op de twee kussens. ‘Kan ik mij nergens aan vastpakken?’ vraagt hij mij tijdens het zakken. Ik ken mijn nieuwe auto nog niet goed genoeg. ‘Ik weet het niet, maar hou mij maar goed vast.’ En ja, daar zakt hij weg in de comfortabele stoel. Met zijn beide handen grijpt hij zijn rechterbeen vast en legt deze in de auto. Ik sluit de deur en loop om naar de bestuurderskant.
‘Mooi hè, opa?’, hoor ik mijn kind zeggen,’van binnen is de auto ook mooi, hè?’ Mijn kind spreekt hij nooit tegen dus hij zegt: ‘ja, heel mooi!’ En dat houdt hij de hele rit naar Amsterdam vol. Ik krijg weinig kritiek op deze aankoop. 
                        *
Het is grappig hoe de oude man, moeizaam lopend met zijn stok, contrasteert met het hippe complex waarin zijn kleinkind woont. In de binnentuin staan groepjes studenten, pratend en rokend. Een eetkarretje, feloranje, met verantwoorde falafel, café latte en smoothies dat vlak voor de ingang van het gebouw staat, heeft weinig klandizie. ‘Helaas geen pin vandaag’ staat op het krijtbordje in grote, ronde letters. 
                         *
We lopen de hal in. De receptie, loungeplekken met heerlijke banken en zachte poefjes glimmen ons tegemoet onder de zachte klanken van laid-back muziek.
‘Mooi hè, pa?’, vraag ik en ja, hij vindt het mooi. Voorzichtig lopen we naar de lift, zorgvuldig een opgerubbelde mat en verraderlijke drempeltjes vermijdend. Ik draag een pakket met zware gordijnen, mijn kind sjouwt drie tassen met zich mee, dus hij moet vooral zelf goed uitkijken. ‘Pas op, kijk uit’, liggen in mijn mond bestorven. Ik lijk mijn moeder wel.
                         *
Aangekomen in de flat van ons kind drinken we thee. Ze pakt een bakje, gevuld met paaseitjes en stroopwafels. Ze zet thee. Ze heeft in een mum van tijd haar zachte slofjes aan. Ze is thuis.
                         *
Ik hang met kunst en vliegwerk de gordijnen op. Ze zijn prachtig en passen precies. ‘Dat heb je goed gedaan, meid’, zeg ik, ‘het is zo’n mooie kleur en ze passen precies.’
Mijn vader mompelt nog iets over ‘te lang’ en ‘ze nemen volledig de warmte van de verwarming weg.’ Maar zij negeert en ik ook. Geen tegenspraak vandaag.
                         *
En ik overdenk hoe prachtig het is dat mijn drieënnegentigjarige vader de kamer van zijn eenentwintigjarige kleinkind bezoekt. Hoe geweldig het is dat zij thee voor hem inschenkt in een mok van Blond. Hem een paaseitje aanbiedt: ‘opa, jij houdt toch van puur?’ Hij drinkt haar thee, bewondert haar kamer, smikkelt van de stroopwafel. ‘Wat een mooie theepot!’, zegt hij.
‘Ja, deze is heel handig: het is een waterkoker en theepot inéén’, legt mijn dochter uit.
                         *
Ik geniet. Dit uitje is eigenlijk mijn uitje. En opeens dringt het tot mij door. Besef ik opeens: mijn vader bewondert niet haar kamer, maar mijn kind in haar kamer. En na al die tijd waarin directe bewondering voor mij uitbleef krijg ik via mijn dochter dat kleine beetje erkenning, dat ik het best goed gedaan heb, goed doe, -dit kind, ons gezin, het huis, studie, carrière, ons leven,- waar ik altijd zo naar verlangde. Verlang, Annelie, verlang.
                        ***