De gekleurde inktvis


Een meisje van een jaar of tien met een blauwe paardenstaart en een hippe, enkellange jurk zit schuin voor mij. Ze heet Vlinder. Dat weet ik omdat haar moeder haar naam al vele keren noemde: ‘Vlinder, wil jij aan de raamkant zitten?’, ‘Wil je nu de iPad Vlinder?’, ‘Nee, Vlinder, ik vind het geen probleem om van plek te wisselen’. 

                             *

Ik kijk uit op het profiel van Vlinders moeder: de scherpe neus die alert alle kanten opdraait als de snavel van een bemoeizieke havik. Ze praat via het gangpad van de Thalys met de moeder van het meisje waar ik de naam niet van weet. De moeder van dit onbekende meisje zie ik niet, ik hoor haar alleen. Een zwaar doorrookt stemgeluid dat zinnen eruitgooit als: ‘Dat is toch dat pandje in de Jordaan? Dat doet toch maar mooi €1.000,- per maand!’ Vlinders moeder vult aan dat ‘Dat toch geen geld is voor een A-locatie.’ DDS (DeDoorrookteStem) vindt dat ook.

                      *

We hobbelen achterstevoren in een koele Thalys van het bloedhete Parijs naar het warme Amsterdam. De hitte in Parijs was alleen te trotseren door het inlassen van veel drink- en rustpauzes, een zen-boottocht in Canal St. Martin die tweeëneenhalf uur duurde vanwege de vele sluizen die we moesten passeren, het opzoeken van alle schaduwzijden van de Parijse trottoirs en het neerstrijken op terrassen onder bomen.

                         *

Het was fijn in Parijs, ondanks de hitte. Fijn om tijd te hebben voor de dochter die binnenkort een half jaar weggaat. Fijn om door de mooie stad te wandelen, musea te bezoeken, op gezellige terrassen te zitten. 

                         *

De hippe meisjes zitten nu naast elkaar. Ze tetteren er vrolijk op los. Over de gekleurde inktvis die eerst wel en later niet uit het raam wil kijken. Zo nu en dan verschijnt de gekleurde knuffel op de smalle rand van de stoelleuning. De stoel zwaait heen en weer, het MacBook van de man erachter beweegt lustig mee. De dametjes hebben doordringende stemmen. DDS en de havik horen we niet meer. 

                       *

Opeens vraagt iemand of de meisjes wat stiller kunnen zijn. De dappere vrouw verwoordt het keurig netjes: ‘Ik wil vragen of de kinderen wat zachter kunnen praten. Ik kan alles woordelijk verstaan. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen maar ik irriteer mij eraan. Je mag hier ook niet bellen en ik vind dat het daarop lijkt. Ik heb er last van.’ Het is opeens doodstil. Mijn dochter die zich net als allen in deze coupe zwaar irriteert aan de stemmetjes schuift naar voren. Vlinders moeder is het niet eens met de dappere vrouw. ‘Het lijkt niet op bellen’, vindt ze. ‘Dit is iets heel anders, ze praten gewoon.’ Ik zie de blauwe paardenstaart langzaam omhoogkomen. Ze hebben alle vier schijt aan de dappere vrouw. Het gebabbel gaat gewoon door. Het lijkt wel of ze zelfs wat harder zijn gaan praten. Ruim anderhalf uur genieten wij van de avonturen van de inktvis, de mening van de dames over Katy Perry, de punten die zij behalen bij het spel dat zij spelen.

                        *

Weemoedig denk ik terug aan Parijs. Aan de schoolklas met tienjarigen die lief en geïnteresseerd luisterde naar de uitleg van de leraar in Versailles. De groep van 40 kleuters – allen met petjes op – die aan boord van onze boot klom en op hun stoeltjes genoten van alle sluizen die tergend langzaam open en dicht gingen. De hilariteit toen het water zich wat harder door de sluis perste en ze allemaal nat werden. 

                          *

Het inktvismeisje, dochter van DDS, heet Bellefleur. DDS noemt haar ‘Bel’. En ik schaam me. Ik had De Dappere Vrouw moeten steunen. En dan – onder forse aanmoediging van mijn dochter – onderneem ik actie. Ik loop naar de meisjes toe en ik vraag: ‘Kunnen jullie alsjeblieft wat zachter met elkaar praten? Jullie spelen heel lief maar we genieten nu al twee uur met jullie mee. Denk je dat dat lukt?’ Twee paar ogen kijken mij aan: twee donkerbruine en twee blauwe. De bruine ogen lachen mij toe. Vlinder knikt, ze snapt het. Voor de zitplaatsen van de meisjes draait een hoofd zich om. Ik gok dat het het hoofd is van De Dappere Vrouw. Ik loop terug. Na 1 stille, verontwaardigde minuut haalt de havik bij mij verhaal: ‘U vroeg net aan de kinderen om wat stiller te zijn. Een van de meisjes is mijn dochter. Ik begrijp het maar het is toch openbaar vervoer, dat is voor iedereen.’ Ik kijk haar aan. Achter haar zie ik grote, bruine ogen en een meisje dat roept: ‘Mam, laat maar!’ 

‘Ik probeer het te begrijpen, dat wat u vraagt, maar ik weet niet of ik het ermee eens ben, ik moet erover nadenken’ vervolgt ze. Ze kijkt mij boos aan. Zij begrijpt het niet en ze is het zeker niet met me eens.

‘Volgens mij begrijpt uw dochter het goed’, antwoord ik. In de bruine ogen van het meisje zie ik schaamte. Vlinders moeder keert – ik vrees boos – terug naar haar zitplaats.

                        *

De inktvis luistert naar de naam Wally en het is een vrouwelijke inktvis. Ze fluistert het laatste uurtje, de inktvis. Niet de hele tijd, soms vergist ze zich. 
We zijn bijna thuis. 

                        ***

Kapper


In de tuin zit mijn man op een stoel. De stoel is ontworpen door Friso Kramer, het is een Revolt, grijs. 

                       *

‘Ik moet naar de kapper’, zei mijn man zojuist aan tafel. Wij zitten. Ik met de krant, mijn man met een kop koffie, onze zoon met een syllabus. Op de syllabus staat ‘Wat komt ervan terecht? Zicht op beleidsevaluatie.’ Volgende week heeft onze zoon tentamens. In de tekst zie ik hier en daar geel gemarkeerde alinea’s. 

                        *

‘Ik ben nu toe aan pauze’, zegt de zoon die al een paar minuten onrustig op zijn stoel schuift, starend naar de syllabus, het uiteinde van een pen in zijn mond. 

                         *

‘Je moet zo even dit stuk lezen’, zeg ik tegen mijn man. ‘Het gaat over een neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor.’ En zo hebben we alledrie wat op deze trage zaterdagochtend. Te lang haar – ook al ben je kalend -, zicht krijgen op beleidsevaluatie en de krant met een mooi interview.

                       *

‘Ik heb nog een gek verhaal’, begin ik en ik kijk beide mannen aan. Ze twijfelen of ze het willen horen. Ik zie twee paar ogen een beetje dromerig naar mij kijken. Maar ook welwillend. Dus ik vertel.

                       *

‘Gisteren bij het bedrijfsuitje kwam ik na de stadswandeling wat eerder aan bij het restaurant in Utrecht waar alle collega’s zich verzamelden. Een mooi restaurant met een binnentuin. Er was nog een plekje in de zon. Daar zat ik met een collega. Het was kwart voor vier. Toen wij wat wilden drinken zei de ober dat we de drankjes zelf moesten betalen. Pas na vier uur waren ze gratis. Ik heb €4 betaald voor mijn witte wijntje. Om precies drie minuten voor vier zette hij de drankjes op ons tafeltje.’

                         *

De ogen tegenover mij staan nu alert en ik word met hoon overladen.

‘Dat doe je toch niet?’, zegt de zoon

‘Heb je dat echt betaald?’, vraagt de man. 

                       

Ik knik schaapachtig. ‘Iedereen deed dat, ik vond het te kinderachtig om te wachten’, zeg ik. ‘En wat kan mij die €4 schelen?’
Maar daar ging het niet om, vinden beide heren. ‘Het gaat om het principe.’ 
‘Ach, ik heb daarna nog een gratis jus gedronken’, zeg ik zachtjes maar daar wordt niet naar geluisterd. 

                        *

Besloten is dat onze zoon de te lange haren van zijn kalende vader gaat scheren.

‘Ga lekker in de tuin zitten’, zeg ik, denkend aan al die onmogelijk-kleine haartjes in de badkamer. En dat doen ze. Daar zit mijn man. Zijn zoon scheert hem. Als hij met het scheren van een baantje klaar is, houdt hij zijn hoofd schuin om te kijken of het goed is. Daarna veegt hij voorzichtig de haartjes van zijn vaders schedel. Dat gebaar, daar kan ik mijn ogen niet vanaf houden. 

                         *

Ik staar naar het interview met de neuroloog die op jonge leeftijd zijn vader verloor. ‘In het gezicht van mijn opleider herkende ik de ongeschoren wangen van mijn vader. Ik wilde hem kussen, zo blij was ik om hem te zien. Toen wist ik dat ik niet meer verder kon.’  

                        *

Ik kijk naar buiten. Naar de stoel. De vader. De zoon. Het gebaar. Het ontroert me meer dan ik kan zeggen.

                     ***

Een warme dag


Er liggen plassen naast het zwembad van ons Griekse huisje. Niet van het plonzen in het zwembad want daarvoor is het water te koud. Op de warmste dag in Nederland regent het op Lefkas. Uit een van de plotseling opdoemende dikke wolken storten dikke druppels op het golfplaten dak van ons huisje. Het heeft iets gezelligs.

                        *

Zodra de plassen opdrogen en in de hete zon slinken alsof onzichtbaar keukenpapier het vocht rap opzuigt springt ons Duitse buurmeisje in het ijskoude water van hun zwembad. Haar dappere vader springt ook en samen maken ze plezier. Ik hoor de plons waarmee ze lachend in het water valt nadat haar vader haar hoog optilt en teruggooit.

                       *

Ook wij gooiden ooit kinderlijfjes hoog de lucht in die dan lachend terugplonsten in het water. Natte haren, warrig voor hun gezicht. De hand, waarmee ze de haarslierten naar achteren duwden en vroegen: ‘Nog een keer!?’ 

                       *

Die glibberige lijfjes droogden wij later af en koud vel vleide zich tegen het jouwe aan. Huid op huid. Koud op warm. Die lijfjes zijn lijven geworden, kippenvel krijgen we niet meer.

                       *

Het bijna-volwassen lijf belt ons met de vraag hoelang de lasagne in de oven moet en op welke stand. Ook wil hij weten waar de teken-tangetjes liggen ‘Want Moos heeft een teek. Ja, die heb ik niet ontdekt hoor, dat ontdekte S.’ S. is zijn vriendin die onze poezen liefdevol aait. 

                       *

Gisteravond lagen wij in ons Griekse bed toen de telefoon ging. 

‘Met mij, stoor ik?’

‘Nee hoor, we lagen net in bed’

(…)

Het blijft even stil en ik voel dat onze zoon op zijn horloge kijkt. Het is hier 22.30 uur. In Nederland is het een uur vroeger. Hij slikt van alles in en vraagt: ‘Zeg, welke fles rode wijn mag ik openmaken? J. en S. zijn hier en we willen wat drinken maar ik weet niet welke fles ik mag openmaken.’ J. en S. zijn vrienden die gezellig bij hem langskomen als wij er niet zijn.

‘O joh, dat maakt niet uit. Pak er maar een.’

Achter mij hoor ik zijn vader slaperig mompelen ‘Op het aanrecht staat een goede.’

‘Er staat nog een lekkere op het aanrecht’, herhaal ik. 

‘Oké, hoe is het verder?’ Ik zie zijn ogen gericht op de fles die hij open gaat maken. ‘Het gaat goed hoor, het is hier heerlijk!’ Mijn enthousiasme smoort in het (…) van onze zoon. Ik voel dat hij kijkt naar de fles rode wijn op het aanrecht. In zijn ooghoek zitten zijn vrienden.

‘Nou, prettige avond he?!’, zeg ik. ‘We zien elkaar zaterdag weer.’ 

‘Ja’, zegt hij. ‘Tot zaterdag!’ 

                    *

We worden nog maar een keer door hem gebeld. Over het zonnescherm dat niet meer omhooggaat. 

‘Ik bel wel even met de zaak van het scherm’, zeg ik, ‘Kan gebeuren joh. Het zal de motor wel zijn, dat gaat een keer stuk.’

‘Is goed, mam’, zegt hij mak, bezorgd om de reactie van zijn vader die niet houdt van kapotte zonneschermen. Ik bel met de leverancier.

‘Ik houd het kort want ik bel vanuit Griekenland.’ En ik leg uit wat er aan de hand is.

‘Geeft u maar het nummer van uw zoon, dan bel ik hem’, zegt de vriendelijke zonneschermenman. Ik app onze zoon dat hij gebeld wordt. Vier minuten later belt ons kind.

‘Mam, het was gewoon de stekker’, zegt hij beschaamd. ‘Ik had gefrituurd en dat wilde ik buiten doen. Toen heb ik de stekker van het scherm eruit gehaald en dat was ik vergeten.’ 

Ik lach. ‘Mooi dat dat het was! Tot gauw!’ 

                       *

Als ik neerleg denk ik aan de twee zachte lijfjes van toen. De lachende gezichten, het plezier, en de vele plonzen in het water. Naast ons hoor ik het buurmeisje. Ze lacht en springt weer in het zwembad. 

                        *

In de krant zie ik foto’s. Meisjes, ouders, vriendinnen. Een buurvrouw die de kinderen zou ophalen. Saffie Rose, Georgina en Olivia springen niet meer. Niet in koud water, niet in warm. Geen gelach, geen plons na het teruggooien van het kind in het zwembad, geen handdoek, geen opwarmend kindervel op ouderhuid.

                      *

De plassen naast het zwembad zijn weg. De zon schijnt. Het belooft weer een warme dag te worden.

                    ***

Een goed gesprek


‘Mis jij opa?’ Mijn zoon en ik zitten in de auto. We rijden ergens naar toe. Weerloos zit ik daar, mijn handen geklemd om het stuur. Ik tuur door de koude voorruit naar verre verten. Huizen links en rechts schieten aan ons voorbij, een park, bomen, kaal als lege kapstokken na een feestje.
                     *

Eerder al vonden belangrijke gesprekken in de auto plaats. Voor ons uitkijkend – rijdend door een eindeloos polderlandschap – bespraken mijn man en ik ons huwelijk ‘We zouden eens kunnen gaan trouwen?’ en een paar jaar later op de terugweg van Frankrijk naar Nederland bedachten we de naam van ons oudste kind ‘Ja, dat klinkt goed, Julia, naar de lieve, Russische tolken in Suzdal en de zus van Sebastian in Brideshead Revisited.’ We proefden de klank, prevelden de naam in alle talen en het klopte.

                        *

Het was mijn dochter die op de achterbank van de auto vertelde dat er ‘slechte rekengroepjes’ in de klas waren ‘en een slecht taalgroepje, maar daar zit ik niet in’ en dat was de druppel die ons deed besluiten de kinderen naar een school te laten gaan waar ze sommen op het plein huppelden, verfden, viltten en geen leerlingen diskwalificeerden. 

                        *

En nu de vraag of ik mijn vader mis. Ja, ik beken, ik mis hem en de vraag van mijn kind werpt mij terug op de dinsdagen met koffie en appelpartjes, de zondagen met Buitenhof en geroosterde boterham met zorgvuldig uitgesmeerde halvarine en plakjes kaas. Verhalen over oude kennissen, sport en werk. Onderwerpen van gesprek die er niet waren, over vroeger, oude koeien, die we met rust lieten. Liever praten over reizen, de politiek, de kinderen. 

                      *

En rijdend van dorp naar dorp schiet mijn hoofd vol door de vraag of ik hem mis, mijn vader. Ik zie de tere orchidee in de vensterbank van zijn kamer in het verzorgingshuis, het zware lijf, stil in het hoge bed. Het laken strak om zijn borst, zijn handen. En ik bedenk mij hoe mooi het is dat mijn zoon deze vraag stelt. Niet bang voor verdriet, geen angst voor emotie. Ik kan nog wat van hem leren.

                        *

‘Ja, ik mis opa’, zeg ik.

                       ***

Pardon 

Het is warm op het Place des Vosges. Het plein van fijngemalen kiezels licht op als een vanille-ijsje in de zon. Zachte lijnen van licht schijnen door de platanen en trekken brede strepen op het grind. 

                            *

Deze Hemelvaartsdag brengt ook in Frankrijk mooi weer met zich mee. Stelletjes, groepen jongeren en ouders met kinderen bivakkeren op het grasveld midden op het plein. In de vijver spelen kinderen met hoog opgetrokken broekspijpen, de randen van jurkjes worden nat.

                             *

Wij zitten op een bankje in de schaduw van de bomen. Voor ons loopt een tweejarig jongetje. Een compact lijfje, zijn rode haar steekt af tegen zijn witte gezicht. Hij schopt het grind voor zich uit dat opstuift voor zijn voeten. Hij pakt een handje van het spul en gooit het in de lucht. Het fijne stof komt tegen ons aan. Mijn dochter trekt haar benen op en zegt: ‘Gatver’. 

                            *

Achter het jongetje lopen zijn vader en zusje. De vader heeft van dat brosse haar, roodblond. Zachte ogen kijken door een rond brilletje. Hij grijpt in.

‘Dis pardon’, zegt hij tegen het kind, terwijl hij ons verontschuldigend aankijkt. Het kind kijkt op. ‘Dis pardon’, herhaalt de man, dwingender nu. Het kind kijkt naar de grond en naar zijn hand waar zojuist dat mooie, stoffige gruis uit viel. 

‘Non’, zegt het jongetje ferm.

Wij moeten lachen. Maar we kijken het jongetje aan, de vader netjes bijstaand in de opvoeding.

                           *

Het kind kijkt op naar zijn vader. Zijn zusje kijkt vol spanning toe. Een smal lachje op haar gezicht. Zou haar broertje luisteren? 

De zoon ziet dat het zijn vader ernst is. Hij komt er niet mee weg. We kijken elkaar aan, de stilte wordt groter en groter.

                             *

‘Pardon’, horen wij heel zacht maar hoorbaar in het vacuüm tussen ons en het jongetje. Het kind kijkt naar de grond en heel even, onder zijn oogharen door, naar ons.

‘Tres bien’, zegt de vader opgelucht en wij lachen hen hartelijk toe. Het zusje lacht ook. Ze huppelt verder. Even later zien we het jongetje, geholpen door zijn vader, lopen op de ijzeren boogjes die het gras afscheiden van het grind. Zijn witte beentjes geven licht in de middagzon. 

                             *

Als we teruglopen naar het hotel constateert mijn kind met enige verbazing: ‘Franse kinderen worden nog gewoon opgevoed. In Nederland zegt nooit iemand tegen zijn kind dat het sorry moet zeggen. Ik heb zo vaak zand over mij heen gegooid gekregen op het strand. Nooit zei iemand er wat van.’

                          *

We lopen langs een speelpleintje. Kinderen spelen onder het oog van hun ouders op de verouderde klimrekken. 

‘Je hoort ze ook niet gillen en schreeuwen’, zegt mijn dochter. ‘Ze spelen gewoon.’

                            *

Franse kinderen spelen. Ze hebben plezier. Ze blijven tijdens het eten zitten op hun stoelen in het restaurant bij de botanische tuin. Ze tekenen op een placemat en kijken om zich heen. Ze eten hun eten op alsof het lekker is. Hun ouders converseren en eten zelf ook. Ze hebben aandacht voor hun kinderen – ze voeren hen hapjes en spreken tegen ze – maar ze hebben ook oog voor elkaar. 

                           *

Het is wonderlijk maar fijn. Waar we thuis kinder-restaurants vermijden vinden we het hier geen probleem dat er kinderen zijn. Ze gillen niet, schreeuwen niet, ze rennen niet rond, maar ze tekenen en eten en zitten. En dit geldt voor alle Franse kinderen: zwart, lichtbruin, donkerbruin en wit. We zagen zelfs twee flirtende baby’s, – een witte prinses Charlotte en een half-Afrikaanse schoonheid – op een zonnig terras in Quartier Latin.

                            *

Place des Vosges. Jardin des Plantes. Overal lieve kinderen. Sommigen bieden na enig aarzelen zelfs excuses aan voor wat omhooggegooid gruis.

                             *

Ik denk aan een programma waar ik laatst in zapte, over opvoeden in Nederland. Een echtpaar vertelt over hun puberzoon die verveeld op de achtergrond hangt, zijn benen half op de grond, zijn lijf op de bank.

‘Wat voor een straf geven jullie dan, als hij de regels overtreedt?’, is de vraag van de interviewer.

De ouders kijken elkaar aan. Je ziet dat ze het niet weten. Hun prinsje ligt op de achtergrond te chillen. 

‘Tja,’ zegt de vader. ‘Laatst heb ik zijn auto verkocht. Hij kan nu dus niet meer rijden en moet alles op de scooter doen.’

De moeder kijkt verlegen naar haar man, dan naar de camera. 

‘Maar meestal straffen we niet. Liever niet’, zegt ze.

                             *

Gauw deed ik de televisie uit. 

Het geheim van opvoeden werd daar ontsluierd, op het Place des Vosges. Omhooggegooid gruis, ‘Dis pardon’ en daarna over ijzeren boogjes lopen met jouw hand in de stevige hand van je vader. C’est ca. 

                           ***

CITO

  
Gisteren zag ik tweets voorbijkomen over de CITO-toets. Iedere basisschool is vanaf dit schooljaar verplicht een eindtoets af te nemen. De school kan kiezen uit drie toetsen. En good old CITO is daar één van. Eenenveertig jaar geleden maakte ik zelf de CITO-toets. Voordat mijn gedachten  – als snelstromend water in een Alpenbeekje – afglijden naar de voorbijvliegende tijd duw ik ze terug naar de CITO in 1974.

                               *

Van de toets zelf herinner ik mij niet veel. Was ik nerveus? Vast. Ik wilde om onduidelijke redenen – noem het intuïtie, een gevoel – naar het categoriale gymnasium in mijn geboortestad. En ik wist dat ik daar een goede score voor moest halen.

                           *

Het hoofd der school, de gewichtige meneer K., sprak Frans op z’n Ollie B. Bommels: ‘Henrrrri esttt uuuun garzzzzon de diezzzzze aaaaans’. Zo begon hij de facultatieve Franse les in de zesde klas. Meneer K. stond niet op goede voet met mijn moeder. Zij gaf les op mijn lagere school als invalster en van de bombastische heer K. had zij geen hoge pet op. Dat droeg niet bij aan mijn populariteit bij de directeur, tevens leerkracht van de zesde klas. Meneer K. gaf trouwens maar een dag les. Ik herinner mij er niet veel van. Alleen die Franse les waar ik mij op verheugd had maar na één les al genoeg van had, staat mij bij. De bombarie die meneer K. om de tienjarige Henri maakte was afschrikwekkend. Het is een wonder dat ik van de Franse taal bleef houden. 

                             *

De uitslag van de CITO herinner ik mij goed. We kregen een envelop mee naar huis met daarin de uitslag. Ook het schooladvies zat erbij. Thuis maakte mijn moeder de envelop open. De buikpijn van toen voel ik bij deze woorden opborrelen, nu, ruim veertig jaar later. Meneer K.’s advies luidde ondanks de goede CITO en al mijn mooie schoolresultaten van de jaren ervoor HAVO/VWO. Het gymnasium smolt in mijn gedachten weg als een schuimpje in de zon. Bittere tranen weende ik. Maar het kwam goed. Ik doorliep het gymnasium en ja, ook mijn studies daarna verliepen voorspoedig. Ik kwam goed terecht. 

                             *

Mijn oudste kind werd veertien jaar geleden door juf B. op de Christelijke dorpsschool in het ‘slechte rekengroepje’ geplaatst. ‘Falco zit in het slechte reken- én taalgroepje, hij moet steeds wisselen van plaats’, aldus mijn achtjarige kind. Ik ziedde van woedde die middag, rijdend in de auto met achterin mijn argeloze kind. Zij veranderde van school. En na een waanzinnige eindspurt in de twee laatste klassen van de Vrije School behaalde zij haar VWO-diploma. Met wiskunde. Vorig jaar startte zij met haar tweede studie, naast de eerste wel te verstaan. Voor de statistiekvakken haalt ze ruime voldoendes.

                             *

Ik lees een oude column van Wim Boevink over zijn dochter en de CITO. De titel luidt: ‘Een punt in een tabel’. 

“Als jij dit zwarte puntje bent”, zei de meester en wees met zijn pen een punt aan op een lijn, “dan hebben vijftien kinderen gemiddeld over het hele land genomen lager gescoord dan jij. En vierentachtig kinderen hebben hoger gescoord.”

Dat was haar percentiel.

Vierentachtig kinderen hadden hoger gescoord. En het meisje dat acht jaar lang in dit gebouw had lesgehad, had geknipt en geplakt en getekend, en werkstukken gemaakt en taakjes volbracht, en spreek- en boekenbeurten gehouden, over Bibi Dumon Tak en Neil Gaiman – dat meisje was een kleine, zwarte punt in een tabel geworden.’
                             *

Hoe mooi is het al dat meten en weten? Hoe betrouwbaar zijn grafieken, tabellen en testen? Wat zeggen deze over inzet, plezier, doorzettingsvermogen en ambitie?

Wijzelf en onze kinderen zijn geen punt in een tabel maar sterren die hoog aan de hemel stralen. Soms vallen ze in een boog schuin naar beneden en laten ze een oplichtende streep na in de oneindigheid.
                             *

Laat sterren stralen, vallen en weer opstaan. En laten we een lange neus maken naar de CITO, alle meneren K. en juffen B. 

                           ***

Room

  
Een jongetje woont in Kamer. Hij slaapt in Bed en soms, als old Nick komt, slaapt hij in Kast. Het jongetje heet Jack en hij krijgt voor zijn vijfde verjaardag een zelfgemaakte taart. Een ‘5’ staat in het glazuur geschreven. 

                       *

‘Waarom staan er geen kaarsjes op de taart?’ vraagt Jack. 

‘Ik heb geen kaarsjes’, antwoordt zijn moeder.

‘Je had kaarsjes moeten vragen in plaats van een spijkerbroek!’, houdt Jack aan. Hij kijkt met grote ogen naar zijn moeder. Zij ziet er moe uit. Wallen onder haar ogen. Wit. Pukkeltjes op haar huid. 

‘Jack, je had een nieuwe broek nodig. Volgend jaar krijg je kaarsjes.’ 

‘IK WIL NU KAARSJES!’, schreeuwt Jack. 

                        *

De camera draait weg. De kamer is klein: een bed, een bad, een tafel met twee stoelen en een kast. Door een klein dakraam valt daglicht naar binnen. Moeder en zoon zitten opgesloten in Room. En alleen old Nick kent de code.

                       *

Het is stil in de bioscoop. We zitten allemaal in Room. Soms liggen we in Wardrobe. We kijken door de spleten van Wardrobe naar old Nick en luisteren naar zijn stem, de geluiden die hij maakt. We knutselen een slang van lege eierdoppen, we kijken t.v. En ons overvalt dezelfde moedeloosheid als die we zien in de ogen van Jacks moeder. Ogen als knikkers die te lang in de knikkerzak tegen elkaar aan schudden en butsten.

                       *

Ruim twee uur leven wij mee met Jack en zijn moeder. Overdonderd lopen we de filmzaal uit. Meegesleurd door de liefde tussen moeder en zoon, weergaloos acteerwerk en een uitzonderlijke cameravoering. 

                         *

Het is Goede Vrijdag. Over twee dagen is het Pasen. In de stad waar veel mensen zijn wandelt de afgelopen week als een schaduw achter ons aan. 

                         *

De week die ervoor zorgt dat mijn dochter en ik in de bioscoop praten over de kans dat hier iets gebeurt. De week die je in de filmzaal even doet zoeken naar de nooduitgang. Het besef dat we wel heel erg op de achterste rij zitten en er geen andere mogelijkheid is dan – als zich iets voordoet – diep weg te duiken achter de stoelen voor ons. 

                         *

De week die tot gevolg had dat tijdens het tentamen Bestuursrecht – voor zoveel studenten dat de universiteit een zaal huurde in de RAI – gezegd werd dat iedereen rustig moest blijven zitten terwijl politieagenten met honden de tafeltjes langsliepen en de honden alle tassen lieten besnuffelen. ‘Ach, mam, als er echt iets was hadden ze ons wel weg laten gaan.’ 

                         *

De week die tot gevolg heeft dat een Maastrichts ouderpaar de paasdagen doorbrengt in de wetenschap dat hun zoon en dochter – twintigers – dood zijn, een dertienjarig meisje nooit haar moeder terugziet en een peutertweeling alleen met hun vader eieren zoekt in de tuin. 

                        *

We leven net als Jack en zijn moeder in Room. Er zijn old Nicks maar ook is er Liefde. Vrolijke onbezorgdheid in de stad voor een paasweekend. Eten in een nieuw restaurant met een gekke naam. Een verjaardag: ‘Mam, ik kocht zoiets schattigs voor Lin: ik kan het bijna niet weggeven, zo leuk is het.’ 

                         *

Deze week overleed Johan Cruijff. De verlosser. Als er iemand is naar wie we willen luisteren is hij het:

‘Als je niet ken winnen, moet je zorgen dat je niet verliest.’ 

En zo is het.

                      ***