Grijs

Door het raam zie ik een klant met daarachter kapster Kirsten. Bedrijvig beweegt zij met de schaar in de hand om de klant heen als een bij om een geurige bloem. Met de deurkruk in mijn hand wacht ik even. De kilte van de dichte mist legde een laagje druppels over mijn jas, mijn handschoenen, mijn haar. En voordat ik de deur van de zaak open ruik ik al de zoete geur van kapper, die mengeling van shampoo, föhn, afgeknipte haren en een vleugje koffie.

*

Tijdens het ophangen van mijn jas komt kapster Carola mij tegemoet, een slanke vrouw in een zwarte coltrui op een zwarte broek. Een kek schortje zit om haar middel geknoopt. ‘Die maak ik zelf’, vertelde zij een keer trots aan mij. ‘Gezellig toch?’ Carola vindt veel dingen gezellig.

*

Ik kom voor het knippen van mijn haar. Nou ja, eigenlijk meer voor het kleuren. Zo lang als de kapperszaak in dit dorp bestaat kom ik hier en de perioden tussen mijn bezoekjes in worden steeds korter. Dat komt door de grijze haren die ik tien jaar geleden zelf nog kon weghalen. Staande voor de spiegel, met duim en wijsvinger, een stevige greep op de dikke haar en een forse ruk. Het deed best zeer. ‘Ja, ze zijn stug en stevig, die grijze haren’, beaamde Carola destijds en zij legde mij uit waarom. Ik ben het vergeten. Het was iets met pigment.

*

Nu ben ik er weer. ‘Even een blaadje pakken’, zeg ik tegen Carola die mijn verfje gaat maken en ik loop met mijn kapperscape om richting de Libelle.

‘Dezelfde kleur?’ vraagt Carola en ik knik. Kirsten vraagt aan de vrouw naast mij of zij ‘Een roddeltje wil.’ Even spits ik mijn oren – voor roddeltjes ben ik altijd in – maar Kirsten bedoelt met een roddeltje het blad Privé of de Story. ‘Ja, doe maar’, zegt de klant van Kirsten. Carola roert in een potje mijn verf en Kirsten veegt de op de grond gevallen haren van de klant naast mij op.

*

Een vijfde vrouw zit in de hoek van de ruimte achter een tafel met flesjes nagellak. Haar lange, geblondeerde haren hangen futloos om haar brede gezicht. Dat is de nieuwe nagel-styliste die sinds kort in de zaak werkzaam is. ‘Heel gezellig’, volgens Carola.

*

Als mijn haren door Carola vakkundig zijn bewerkt met de verf die nog het meeste lijkt op stopverf, zet zij het wekkertje op 30 minuten en ik reik naar de Libelle die voor mij ligt op het plankje onder de spiegel. Dan wordt de nagel-styliste gebeld. Ze antwoordt met ‘Ja’ en ‘Wat vervelend’ op de stem die wij niet kunnen horen. Maar opeens horen wij de stem wel want de nagel-styliste zet haar telefoon op de luidspreker.

‘Ik ben het helemaal vergeten, maar ik zit ook zo in de stress’, horen wij.

‘Ik kijk even in de agenda’, zegt de styliste. ‘Nee, ik heb echt geen ander moment meer vrij.’

‘Nou, dat is jammer’, horen wij en daarna wordt het stil. Het gesprek wordt zonder luidspreker afgerond. Lusteloos hangt de styliste in haar stoel achter de vrolijke kleurtjes.

‘Gaat de afspraak niet door?’, vraag ik.

‘Nee, en ik heb me nog zo gehaast’, zucht de styliste, ‘En dit was een dubbele afspraak dus nu heb ik twee uur niets te doen.’ Ik kijk naar mijn hand, mijn vingers en nagels.

*

Onwennig zit ik even later met mijn stopverf-haren achter de flesjes, kwastjes en droog-apparaten voor nagels. ‘De lak blijft zeker drie weken zitten’, vertelt de styliste terwijl ze zachtjes mijn handen vastpakt, mijn nagels vijlt en de nagelriempjes voorzichtig naar achteren duwt. Ook vertelt ze dat ze sinds kort dit werk weer doet.

‘Ik had een eigen nagel-salon’, vertelt ze trots, ‘Tot het noodlot toesloeg’. Ze praat verder maar in mijn oren blijft Het Woord hangen. Als ze me vraagt om mijn andere hand vraag ik wat het noodlot inhield.

*

‘Mijn vriendin waarmee ik de zaak had is vermoord’, vertelt ze. ‘Haar ex-vriend die ze pas vier maanden kende heeft haar vermoord.’ Haar ogen dwalen weg. ‘Ze had een dochtertje van 8 en hij had ook een gezin’, gaat ze verder. ‘Maar dat is allemaal kapot. Hij zit in de cel, mijn vriendin is dood en de kinderen, ach…’

‘Waar woont haar dochter nu?’, vraag ik, ‘Bij haar vader?’

‘Eerst wel, maar ja, hij had ook een gezin met kleine kinderen, dat was wel wat druk voor haar, ze was natuurlijk lang alleen met haar moeder’. De ogen zijn nu heel ver weg. Teruggegleden in een donkere tijd.

‘Nu woont ze bij haar oma. ‘Haar ogen lichten op. ‘Dat is ook fijn voor oma, dan heeft zij weer een doel in haar leven.’

*

‘En, welke kleur wil je er zo op?, vraagt ze. Ze legt drie waaiers voor mij neer met alle kleuren van de regenboog.

‘Doe maar die rode’, zeg ik.

*

Ik kijk naar de stoel voor de spiegel met daaronder het plankje waarop mijn bril ligt, de lege kop koffie – met schuim als viezige zilt-vlokken op het strand, vastgeplakt aan het glas – het glimmende papiertje van het koekje dat ik gedachteloos in mijn koffie had gedoopt en had opgegeten. Het wekkertje. En de Libelle. Ongelezen.

*

Het alarm gaat af. Carola komt eraan en ik sta op. ‘Kom je bij deze wasbak zitten?’, vraagt Carola en ik neem plaats in de stoel onder de wasbak. Ik leg mijn hoofd in de uitsparing van de bak die koel aanvoelt. Een steeds warmer wordende straal water verwarmt mijn hoofd.

‘En?’, zegt Carola, ‘Je hebt ook je nagels laten doen?’ Ik steek mijn hand omhoog. ‘Nou, dat ziet er gezellig uit, zo voor de Kerst!’, roept Carola enthousiast. En ik wil knikken maar dat lukt niet. Mijn nek zit gevangen in die uitsparing. En ik sluit mijn ogen.

***

Advertisements

Zwart als roet

Het is zaterdag en ik hoef alleen maar bij de groenteboer vier citroenen, vijf bananen (niet al te rijpe), een stuk of zes mandarijnen en tien eieren te halen. Dat een groenteboer eieren verkoopt is gek. Maar hij heeft ze en ze zijn lekker. ‘Direct van de boer’ staat op het kaartje naast de eieren en ik geloof het.

*

Als ik de winkel binnen kom zie ik een klant en twee Pietjes. En ik denk ‘O ja’, want de groenteboer doet ieder jaar aan Pietjes. Zijn hulpjes worden in de weekenden voor het Sinterklaasfeest geschminkt en aangekleed als Zwarte Pietjes. De groenteboer zelf is niet verkleed en dat is jammer want hij zou een goede, bedachtzame Sint zijn.

*

Het is altijd weer een kleine hik-up, geholpen worden door Pietjes terwijl je zo volwassen – zeg maar oud – bent, het vroeg in de ochtend is en je alleen maar komt voor vier citroenen, vijf bananen, een stuk of zes mandarijnen en tien eieren. Ik zie dat alle klanten dezelfde hik-up hebben in de vorm van een terughoudende glimlach.

*

‘Kan ik u helpen?’, vraagt Pietje 1. En ik begin. ‘Doe maar een trosje honingtomaatjes’, zeg ik. Ze staan niet op mijn lijstje maar ze glimmen zo rood en passen zo mooi bij de kaasfondue. Pietje 1 houdt het trosje omhoog, ik knik en de tomaatjes glijden in een plastic zakje.

*

De deurbel klingelt en een oudere heer stapt de winkel in. Ook hij kijkt even verschrikt maar glimlacht al gauw.

‘Zo, Pietjes’, zegt hij, ‘Wat zijn jullie zwart.’

Mijn Pietje, die naast de kisten vol perssinaasappelen staat, antwoordt ferm:

‘Ja, zo zien wij eruit en ik ben boos op Sinterklaas dat hij allemaal gekleurde Pietjes in dienst neemt. Sint gaat zelf in de zak mee terug naar Spanje als hij zo doorgaat.’

*

Ik staar naar de avocado’s. Zouden ze rijp zijn? Dat zie je nou nooit aan die harde, bruinzwarte schil. En dan zeg ik:

‘Ik vind het juist leuk, al die gekleurde Pieten, wat maakt het uit, de kinderen vinden alle Pietjes prachtig.’

*

Het wordt stil. Pietje 2 helpt de andere klant met een kilo geschilde aardappels. Mijn hulp-Piet staat nog steeds naast de sinaasappelen. Appeltjes van oranje. Een paar blonde piekjes steken onder haar baret uit. Het oude heertje staat naast mij.

‘Doe mij nog maar vier citroenen’, zeg ik.

*

Als ik wegga, de deur van de winkel zachtjes achter mij dichttrek, het tasje dat ik zo braaf van huis meenam met de citroenen, bananen, mandarijnen, eieren en de honingtomaatjes in mijn fietstas stop en naar huis fiets is de wereld niet veranderd. De straat ligt er druilerig bij. In de viswinkel die als een aquarium in een donkere kamer oplicht wachten klanten rustig op hun beurt.

*

Even flitsen de roe, de zak en het glimmend-zwarte gezicht van Piet van vroeger voorbij. De zwaai van een witte handschoen met die golf van keiharde pepernoten. Mijn hand voor mijn betraande gezicht. Een bang meisje in een geruite overgooier en een rood maillootje.

*

Misschien word ik volgende week wel in die lege aardappelenzak gestopt en meegenomen. Door die goede, beste Sint.

***

Zonder titel

Henry Heerup (1907-1993)

Heen naar Utrecht Centraal

Boven de huizen van de stad lichtten de daken op. De stralen van de zon piepten onder de wolken vandaan. Wolken die Iemand tekende boven de met liniaal getrokken streep. Zoals een kind de lucht tekent. Streep met wolk.

*

Ook was er een kanaal met water waar dampen als vochtige vlokken boven zweefden. In de verte stond een toren in de steigers.

Omdat mijn telefoon niet goed was opgeladen keek ik tijdens de treinreis naar buiten. En dat was wat ik zag.

*

In de trein was het druk maar iedereen had een plek. Alle hoofden bogen zich over schermpjes. Witte kabeltjes hingen uit oren en sloten alles en iedereen uit.

Drie mensen praatten wel.

‘Kijk, hier woonde tante Dientje’, wijst een oma haar kleinkind.

‘Ik ben jouw dochter’, zegt het kind.

‘Kleindochter’, verbetert opa.

‘O ja, kleindochter’, zegt het kind.

‘En hier woonden wij vroeger’, wijst oma. Het rijtje huizen glijdt voorbij.

‘Dat is wel heel lang geleden.’

We zijn er.

*

Terug naar huis

Het was druk op het perron. En het werd dringen en een beetje duwen voor een plek. Ik zat in het gangetje met naast mij een vrouw en een tas. Telkens als de jongen die naast mij stond plaats maakte voor een passant kwam zijn rugtas tegen mijn gezicht aan.

‘O, sorry’, zei hij.

Toen hij ging bellen hoorde ik vette w’s en rollende r-en.

‘Yo, dat is die eerstvolgende stationnetje’, zei hij.

‘De Sierstraat, voor jou is dat halte Lelylaan, man’, vervolgde hij.

‘Een kwartiertje max’, eindigde hij het gesprek.

*

Toen keek ik door het raam naar buiten. Rode strepen vielen schuin door het schemerige lichtblauw uit de hemel. En ik wist niet waarom maar er stonden tranen in mijn ogen.

*

‘s Avonds kwam er echt een traan. Dat kwam door de laatste zin in het boek dat ik las. Van een moeder over de liefde voor haar kinderen en dat ook zo graag hadden willen horen: ‘Ik altijd van jullie.’

***

Lotus


‘Vreemd om opeens hier te staan’, zegt mijn man. We wachten op de taxi. Voor ons speelt zich het tafereel af van alle luchthavens. Taxi’s, busjes, koffers, mensen. De warmte drukt op ons als een elektrische deken die de hele nacht op de hoogste stand heeft aangestaan. 
                              *
We zijn in Peking. Beijing. We ontmoeten hier onze dochter die de trein vanuit Shanghai neemt. ‘Ik ben er rond 13.00 uur’, appt ze. We spreken af bij ons hotel dat midden in een volkswijk van Beijing ligt. Hutong zeggen ze hier. De taxi brengt ons er naar toe.
                             *
De auto rijdt langzaam door de nauwe straatjes van de hutong. Een tafereel uit Kuifje en de Blauwe Lotus ontrolt zich voor onze ogen. Chinezen op fietsen, Chinezen met betjah’s en elektrische scooters, we zien springende honden en spelende kinderen. De chauffeur klapt zijn buitenspiegels dicht. Achter de taxi waaiert het tafereel weer uit als zand dat zich door de smalle hals van de zandloper wringt. Chinezen op fietsen, Chinezen met betjah’s en elektrische scooters, we zien springende honden en spelende kinderen.
                          *
Het Shadow Art Hotel bevindt zich midden in het nauwe steegje. Een modern gebouw, architectonisch perfect passend bij de lage bebouwing van de wijk. In de lobby staat een poppentheater waarin platte, fijnbewerkte figuurtjes achter een verlicht scherm met behulp van onzichtbare handen schaduwverhalen vertellen. Het wordt ons direct trots verteld: ‘Every saturday-evening shadow-art-performance. You must see!’ Jaja, knikken wij, verlangend naar een koele kamer, een bed na de lange vlucht en maar drie uurtjes slaap.
                         *
‘Ik loop haar zo tegemoet’, zeg ik tegen mijn man op het bed. ‘Maar van welke kant komt zij?’ Mijn man zegt dat ik ook hier kan wachten. Ik loop naar beneden.

Ik leg mijn hand tegen de zware voordeur van het hotel. De deur is bewerkt met houtsnijwerk. Het reliëf voelt zacht aan. Ik duw, maar de deur wijkt niet. ‘Push the button to open the door’ staat op een bordje en ik push. ‘Hallo!’, hoor ik achter de deur. ‘Hallo!’ En daar staat ze. Haar hand hangt in de lucht. ‘He, daar ben je al’, zeg ik.
                         *
Vier dagen trekken we door Beijing. Een jongen in onze straatje poetst zijn tanden, hij zit gehurkt boven het rooster in de weg en spoelt de tandpasta weg met water uit de lichtblauwe beker in zijn hand. Achter hem zie ik een gang volgepropt met meubels, dekens, pannen. Vochtige donkerte achter grijze muren. Bij het langslopen ruik ik een zurig vlaagje opgedroogde urine.
                            *
Met onze Nederlandse gids Inge fietsen we de volgende dag door de stad. Oud vermengt zich met nieuw. Een glimmend gebouw van Rem Koolhaas valt bijna op de vervallen straatjes met elektriciteitsdraden die als vrolijke straatversiering tussen de huizen hangen. ‘Deze wijk wordt binnenkort afgebroken’, wijst Inge. Een peuter met een van achteren opengewerkt broekje dat luiers bespaart klautert over de drempel van een huisje. Zijn dunne billetjes steken uit als twee kaneelkleurige halve maantjes.
                            *
In het complex van het keizerlijke zomerpaleis even buiten de stad schittert het water van het – door mensenhanden gegraven – meer in het vroege zonlicht. Chinese ouderen schuifelen achter elkaar aan door de overdekte en rijk beschilderde buitengang die een keizer voor zijn moeder liet bouwen. ‘For an excellent view on the lake’, aldus onze Chinese gids Bruce, wiens Engels wij nauwelijks verstaan. Het maakt de excursie vermoeiend. Bruce praat graag en veel.
                             *
Lotus-blad ligt verstild op het water. Sommige bladeren vergelen, de zaden van de uitgebloeide bloemen verspreidden zich al over het park, het paleis, het water.

‘Lotus’, zeg ik tegen mijn dochter die naast mij loopt, ‘Dat zou een mooie naam zijn voor een meisje.’
‘Wel een hoog Vlinder-gehalte’, zegt mijn kind en ik val van mijn Chinees-poëtische wolk af. ‘Ja’, beaam ik spijtig. Maar ik proef toch nog even de naam. Lotus.
                      ***

KL 897


Een vliegje in de herfst, 

vliegt tussen de takken van een berk- 

geur van bladeren, 

natte aarde- 

en tussen die takken is niets 

en tussen die en die, 

het vliegje denkt misschien: 

de spin is een verzinsel, het eerste web 

moet nog worden uitgevonden! 

Het wordt donker, 

de maan komt op, 

oud bos, 

slingerende paden, nauwelijks lanen, 

de moed om te verdwalen 

bijna gemist. 

Toon Tellegen 

Vannacht droomde ik over mijn moeder. Wij aten in een chic restaurant naast het station. Nooit at ik met mijn moeder in een chic restaurant naast het station. Mijn zoon kwam ook in de droom voor, hij was nog klein. Mijn moeder is dood, verloren uit hart en oog. Mijn zoon is groot.
                         *

Ik kijk naar boven. Er is veel hemel. Nazomerwarmte valt neer als een warme doek over een kil aanrecht. 

                         *

Spinnen die leep wachten in hun draden op schokkerig-bewegende vliegjes en muggen. Een draad spant zich vlak boven mijn hoofd alsof het mij de weg wil versperren en mij zal doorklieven als stiekem gespannen ijzerdraad op een stille landweg.

                          *

Over een paar dagen vliegen wij weg van dit alles. Ik weet niet goed wat ik moet verwachten, wat gek is want ik heb het reisplan goed bestudeerd. Beijing, Chengdu, Guilin, Yangshuo, Ping’an, Shanghai. Het doet mij denken aan de rijtjes die wij vroeger uit het hoofd leerden en waarvan we maar moesten raden wat het betekende. Mit, nach, nebst, samt – het was iets met een derde naamval.

                       *

De reis is iets met onze dochter. Zij is daar nu, in het abstracte China waar zij haar eigen lijn trekt. Wij trekken parallel aan haar lijn een paar streepjes en vertrekken daarna weer. 

                      *

Warme lucht met opgezogen vuil en stof zal daar op ons neerslaan. Volgens ons kind zijn er slangen en wilde honden in de bergen. De bergen hebben rare vormen en zijn bebost. Als harige pukkels steken ze uit in het dromerige landschap. Over spinnen hoorde ik haar niet. 

                       *

Nieuwe dromen vormen zich in ons onnavolgbare brein. Dromen over levende dochters en grote zonen, – uit het oog, in het hart.

                    ***

Mao’s massamoord


In het nauwe gangetje van het universiteitsgebouw stond ik te wachten. Wij, ouders, stonden geleund tegen afgebladderde muren. De verveloze deur was zachtjes gesloten door de hand van een onzichtbare docent. Onze kinderen zaten in het lokaal.
                        *

‘Ze kan al aardig Chinees’, hoor ik een man verderop in het gangetje vertellen, ‘Maar ja, ze is hoogbegaafd dus heeft ze vorig jaar zelf de taal opgepakt, naast haar schoolwerk.’ De ouder die naast de man staat luistert. Wij allen luisteren. Hier en daar knisperen wat folders en kopieën met plattegronden die wij van aardige studenten in onze handen gedrukt kregen. Het is warm in het gangetje. ‘Een lastige taal hoor’, oreert de vader, ‘Petje af voor haar, ze spreekt het inmiddels ook aardig.’ 

                        *

Alle studies die mijn dochter en ik tijdens de open dagen bekeken vond ik interessant. Maar zowel Taal en cultuur (‘Alleen maar meisjes hier’, fluisterde mijn dochter) als Politicologie (‘Dat ga ik zeker niet doen, wat een vreemde kinderen’) en Media en cultuur (‘Wat is dit een onzin-studie’) werden vakkundig door mijn achttienjarige dochter afgeserveerd.

                       *

Nu waren we beland bij China-studies in Leiden. Ouders mochten niet mee het lokaal in. Mijn dochter keek bij het binnengaan van het lokaal even naar mij om en zij trok een grimas. Ik lachte.

                         *

De trotse vader had inmiddels alle cijfers van zijn knappe dochter opgesomd. ‘Zij zal zeker cum laude slagen’, vertelde hij. Ik droomde weg en ik vroeg mij af wat er in dat lokaal gebeurde. Zou ze dit wat vinden? 

                         *

Toen de deur van het lokaal openging stroomden de kinderen eruit. ‘En?’, vroeg ik. 

‘Nou, dit kunnen we ook weer afstrepen’, zei mijn dochter. ‘Daar begin ik niet aan. Ik wist het al meteen toen ze vertelden dat we zeker veertig uren per week moeten studeren en misschien nog wel meer. Als je een woord weet en je verandert de toonhoogte betekent het weer wat anders. En daarbij staat mijn hele leven in het teken van China en Chinees leren. Nee, het lijkt mij niets.’ Ze babbelde nog wat door over het leuke meisje naast haar dat het ook niks vond en ‘Een verschrikkelijke nerd die beweerde dat ze al Chinees las en sprak.’ En ik lachte.

                        *

‘Nou ja, dan is dat ook weer duidelijk. Dan gaan we nu naar Criminologie’, zei ik opgewekt. En Godzijdank oordeelde ze uiteindelijk genadig: ‘Dat lijkt me wel leuk.’

                         *

We zijn drie jaar verder. Ze studeert nu ook Rechten: ‘Dat doen heel veel Criminologie-studenten en daarbij: Rechten vind ik veel interessanter.’ Vorig jaar kwam de buitenlandse minor aan de orde en nu gaat ze een half jaar naar Shanghai. 

‘Ik ga een paar rechtenvakken doen en ik denk ook een module Chinees.’ Ze duwt een boekje onder mijn neus: ‘Kijk, dit is een heel mooi boekje. Hiermee kan je alle karakters leren. Dit betekent ‘mens’ en zo’n streepje erbij betekent ‘groot’. Twee van die mensen betekent ‘volk”

                        *

‘Nou, dat is wel logisch’, zeg ik. Ze bladert verder. Ik kijk mee. Van de karakters zijn smaakvolle tekeningetjes gemaakt. Ik zie een verticale streep met twee stippen. Een snuitje. Eromheen is een hondenkop getekend. ‘Dat betekent dus ‘hond”, zegt mijn kind. Haar kleine vinger glijdt over het karakter in de vorm van een hondensnuit. Haar nagel is roodgelakt. 

                         *

‘Ik doe dit boek in mijn handbagage’, zegt ze en ze pakt het boek op als een kostbaar kleinood. ‘Het is een prachtig boek’, zeg ik. ‘Maar de taal lijkt me wel moeilijk.’

                         *

Op tafel ligt ook een ander boek. Ik haalde dat uit de bibliotheek. ‘Mao’s massamoord’ heet het. 

‘Dat boek is erg goed!’, zei ze een paar dagen geleden.

‘O, ben je er in gaan lezen?’, vraag ik verrast. 

‘Ja, het is gruwelijk maar wel echt mooi. Ik heb het boek gekocht bij Bol.com. Ik neem het mee.’

                          *

‘Dat lijkt me niet een goed idee’, zegt haar vader, ‘Mao’s massamoord’. Niet echt een titel om China mee in te komen.’

Ze vindt het onzin. Morrend gaat ze akkoord met het terugsturen van het boek.

‘Mam, ik zet het boek op je e-reader!’, zegt ze, ‘Dan lees ik het op mijn iPad.’ Door de wonderen der techniek synchroniseren meerdere apparaten waaronder haar iPad met mijn e-reader.

‘Dat lijkt mij ook niet verstandig’, val ik mijn man bij. ‘Lees gewoon dat boek van Carolijn Visser over China, dat is ook goed.’

‘Mam, je denkt toch niet dat ze mijn iPad gaan controleren?’, vraagt ze verontwaardigd. 

‘Het lijkt me niet verstandig. Ik zou dat risico niet lopen’, antwoord ik.

                      *

Ze is er niet meer over begonnen. En zometeen is ze weg. Met twee reistassen en een stuks handbagage. 

‘Ik neem als ik in Shanghai aankom een taxi naar het hotel’, zegt ze. ‘Het is 02.00 uur ‘ s nachts als ik aankom. Bussen rijden dan denk ik niet.’

                           *

Ik zeg niets. Haar Lange Mars begint. Ik denk aan de vader met zijn hoogbegaafde dochter. En hoe veel lof mijn kind verdient. De hoogste lof. Summa cum laude. 

                           *

Go girl & good luck! 福

                         ***

Buienradar


Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om

Bert Voeten (1918-1992)

Door een bui waar Buienradar niet over repte fiets ik naar het station. Grijze luchten in alle schakeringen schuiven over elkaar heen. Met een schuin oogje omhoog haast ik mij over het hobbelige fietspad. In de verte zie ik stukjes blauw tussen bolle, witte wolken. Een gifgroen grasveld eronder. Ik denk er een zwart-witte koe bij. Een Hollands Landschap.
                     *

Ik plaats mijn fiets in de stalling op het station en ik reis met de trein naar Amsterdam. Met mijn hand in de linkerzak van mijn regenjas houd ik mijn telefoon met mijn pasjes stevig vast, in mijn rechterzak weet ik mijn sleutels. Soms voel ik even of ze er nog in zitten. Geknauw van Amerikanen, het geknars van af- en aan rijdende trams, ik loop gestaag door met mijn handen in de zakken van mijn wapperende jas.

                       *

In de tram richting Artis kijk ik de volle stad in. Lange rijen voor Madame Tussauds. Een stelletje hangt verliefd in de enorme rij tegen elkaar aan. Ik zie een jongetje met een groen voetbal-shirtje: ‘Bale’ staat in witte letters op zijn smalle rug. Tegenover mij in de tram zit een heel donkere dame in een pauwblauw mantelpakje. Zij is zorgvuldig gekapt, haar lippen zijn rozerood gestift. En zij belt alsmaar. Bij de Hollandsche schouwburg stap ik uit. Daar tegenover is het Holocaust museum, in het gebouw van de vroegere Hervormde Kweekschool. 

                        *

Naast de Hervormde Kweekschool was een crèche. Een crèche waarin Joodse kinderen van 0 tot 12 jaar vanaf 1942 gescheiden van hun ouders verbleven. Ouders die gespannen, moe en radeloos in de tegenovergelegen schouwburg wachtten op verdere deportatie. ‘De avond voordat de ouders naar Westerbork vertrokken maakte ik het slapende kind wakker. Ik kleedde het aan en bracht het naar de overkant. Spierwitte ouders namen het kind van mij over. Ik zag ze nooit meer terug.’ Dit vertelt een van de verzorgsters die de oorlog overleefde. Ik lees het op een bord dat tegen de muur op de binnenplaats hangt. 

                         *

Achter die muur was de crèche. De muur was vroeger een heg. Over de heg gaf men kinderen over aan helpers in de kweekschool. Zij zorgden voor onderduikadressen. Ruim 500 kinderen zijn zo gered. 

                       *

Ik tuur over de muur maar ik zie alleen maar op elkaar gestapelde Amsterdamse huizen erachter. Met van die bruine en kotsgroene 70-er jaren kozijnen. De kweekschool zelf is nog wel echt een school: betegelde gangen, hoge plafonds, een beetje verwaarloosd. Geen gelikt museum. 

                        *

Ik kom naar het museum voor de tentoonstelling van Annemie Wolff. Ooit zag ik een documentaire over haar. Annemie was fotografe en zij was getrouwd met de Joodse Helmuth. Beiden deden een zelfmoordpoging in de oorlog. Die van Helmuth slaagde, die van Annemie niet. Helmuth en Annemie hielden van elkaar, van het werk in en rond de fotografie. Annemie ging verder met fotograferen. Zij fotografeerde Schiphol, de haven, Amsterdam, zij fotografeerde voor kookboeken, zij werkte voor tijdschriften als de Libelle. Prachtige foto’s maakte ze.

                        *

Maar het meest indrukwekkende van al haar werk zijn de foto’s van haar buurtgenoten in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Veel Joodse Amsterdammers lieten in de beginjaren van de oorlog foto’s maken voor een persoonsbewijs, valse papieren of gewoon voor elkaar. Als herinnering. 

                        *

Ik loop langs de foto’s van al die mensen die Annemie Wolff portretteerde: baby’s, jongens, oma’s, moeders, jonge vrouwen, opa’s, gezinnen, mannen, broers, zussen…Ik lees hun namen en geboortedata. Hun sterfdata vallen in 1942, 1943, 1944. Ze stierven in Sobibor, Theresienstadt of Auschwitz. 

Onder sommige foto’s staat Onbekend. Alleen een portret is er, geen naam, geen geboortedatum. Niemand om hen te herkennen. 
                           *

Ik loop langs een foto en stap weer terug. Ik zie een foto van een lachende jongeman. Hij draagt een mooi colbert, een wit overhemd eronder. Een grote das met schuine strepen valt over de revers van zijn jasje. Overmoedig en met een sigaret in zijn hand kijkt de 19-jarige in de camera. Zijn naam is Walter. Hij werd geboren in 1923. Hij werd in 1944 vermoord. 20 jaar werd hij, misschien 21. Walter is op de foto net zo oud als mijn zoon. Die ook wel eens een sigaretje rookt, het liefste als zijn ouders het niet zien. ‘Ik ben ermee gestopt mam’, zei hij laatst. ‘Ik rook nu alleen nog maar op feestjes, een party-roker dus.’ En hij lachte. Als Walter. 

                         *

Verslagen reis ik terug. Dikke wolken pakken zich samen. Kleddernat kom ik thuis.  

                      ***