Keet

Soms valt er even niet zo veel te vertellen. Het leven kabbelt voort, de kinderen gaan het huis uit en keren weer terug. Boemerangkinderen, je gooit ze weg en dan, opeens, zijn ze er weer. Gelaten vang je ze, suizend in de lucht, op.

‘Hoe gaat het?’, vraag ik onze dochter die om 9 uur ‘s ochtends woest tikkend op haar toetsenbord tekeer gaat met naast haar een uitgeprint document vol gele en roze markeringen. Aan de andere kant van de laptop ligt haar telefoon waarop continu berichten verschijnen, die mij zacht trillend afleiden van de ochtendkrant.

‘Goed’, zegt ze en ze tikt woedend verder, af en toe kijkend naar de prints en de telefoon.

Gisteren was onze zoon op bezoek met zijn vriendin. Hij woont sinds een paar weken in een kamer van een vriend die anderhalve maand weg is. Onlangs bezochten wij hem. Bij het bestijgen van de drie trappen – onze kinderen wonen altijd op bovenste etages als ze op kamers verblijven – werd de poezengeur doordringender. De vier jongens hebben een kat, een kitten is het nog. ‘Ze pist overal’, had onze zoon al somber gemeld. Het poesje heet Keet. Mijn man dacht Kate naar Kate Bush, ik dacht meer aan de hippe Amsterdams meisjesnaam, Keet. Zeker weten we het dus niet. Keet of Kate had ‘Gvd vanochtend op mijn bed gepist’ vertelde onze zoon. In het piepkleine keukentje ratelde de wasmachine met zijn beddengoed.

‘Op hoeveel graden was je het?’, informeerde mijn man.

‘40 graden’, antwoordde onze zoon. Mijn man adviseerde het beddengoed nogmaals te wassen maar dan op 90 graden.

We gingen zitten op de comfortabele bank die bijna de hele kamer in beslag nam.

‘Waar is Keet?’, vroeg ik.

‘Die zit onder de bank’, antwoordde onze zoon. We zagen haar niet.

‘Ze verdwijnt altijd als er wordt gezogen’, zei hij. Aha, hij had dus schoongemaakt.

‘Ja, ik heb ook achter de bank gezogen’, vertelde hij, ‘Daar was een soort van biotoop ontstaan.’ En hij lachte.

Onze zoon leidde ons rond. In zijn leen-slaapkamer paste precies een twijfelaar en een kast. ‘Zo, mooi hoor’, zeiden wij.

In een andere slaapkamer vloog een flinke zwerm vliegjes om de lamp, evenals in de huiskamer.

‘Ja ik weet niet hoe dat komt’, zei hij, ‘Ik deed het raam open en opeens waren er allemaal vliegjes in de kamer.’ Op het balkon stonden vier opgestapelde, lege kratjes. Voor de deur in het halletje stonden er ook vier. In de huiskamer, waar een grote televisie de ruimte domineerde, stond een vitrinekast te zoemen met blikjes bier erin. ‘Reuze handig’, vertelde ons kind, ‘Al maakt ie wel veel lawaai.’

Omdat hij bijna jarig was gaven we hem alvast cadeautjes. Hij was er erg bij mee. ‘Kom, zullen we wat gaan drinken?’, vroeg hij en we gingen wat drinken. Bij het steile trapje voor de deur vertelde hij dat een van zijn huisgenoten daar van afgevallen was. ‘Hij had een lichte hersenschudding’, lachte onze zoon. ‘De sukkel.’

Trots liep hij ons voor, de Amsterdamse straten door. Toen ik een aardig tentje aanwees zei hij dat dat een heel duur restaurantje was. ‘Verderop is een leuke’ zei hij, man van de wereld. Braaf liepen wij achter hem aan. Op een Amsterdamse stoep dronken wij café latte, spraken vader en zoon over voetbal en praatten wij over zijn laatste tentamens en de aanstaande reis naar Bolivia.

Op de terugweg liepen we langs een dierenwinkel. ‘O, wacht, ik moet even een kammetje halen voor Keet’, zei hij en we liepen het zaakje in. Een oudere dame was een stapel blikjes met kattenvoer aan het tellen. Wij wachtten tot zij klaar was. Het duurde even.

‘Heeft u een kam voor een kitten?’, vroeg onze zoon.

‘Nee’, zei de vrouw nors. ‘Wel voor een kat, daar zit namelijk geen verschil in.’

‘O’, zei onze zoon.

‘Heeft u misschien van die kleefrollen voor vliegjes?’, informeerde mijn man. Achteloos wees de vrouw naar achteren. ‘Als we die hebben liggen ze daar’ Voor de vorm keken we, ze lagen er niet.

Gelukkig was er nog een dierenwinkel in de buurt. Een aardige vrouw had een kleine poezenkam en kleefstrips voor vliegen.

‘Hoe kom je aan vliegen?’, vroeg ze. ‘Ligt er soms fruit in de kamer of iets anders zoets?’

‘Alleen een paar lege bierkratten op het balkon’, zei mijn zoon. De vrouw lachte en zei dat aan de hals van de flesjes zoet achterblijft waar vliegjes op af komen.

‘Dus misschien moet je de kratten wegbrengen’, adviseerde ze lief.

En nu was onze zoon weer even thuis. Over een dikke week vertrekt hij met zijn vriendin naar Bolivia.

Hoe is het met Keet?’, vroegen wij.

‘Ze pist nog steeds overal in huis’, vertelde hij. ‘Maar ik kan die kamer misschien huren vanaf 1 juli en daar blijven. Ik denk dat ik dat maar doe.’

‘Hoewel huur betaal je?’, informeerden wij.

‘550 euro inclusief’, zei hij.

‘Nou’, zeiden wij. ‘Doen!’ En we zeiden niets over een slaapkamer overvol met bed en kast, vliegjes rond de lamp, een beplast dekbed, een kitten onder de bank en een biotoop erachter.

‘Heb je Keet nog gekamd?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei hij. En zijn vriendin voegde eraan toe, ‘Het is een schatje.’

Net voor het acht uur journaal komt onze dochter thuis. Met in haar ene hand de tas met laptop, in de andere hand twee zakjes van de snackbar. Ze ziet er moe uit.

‘Hoe gaat het?’, vragen wij.

‘Goed’, zegt ze.

En zo kabbelt het leven voort.

Advertisements

Het pleidooi

Op de deur van het lokaal hangt een plakkaat. ‘Stilte a.u.b. i.v.m. pleitoefening’.

We staan in het halletje voor het lokaal. Een groepje studenten staat om het hoekje, ze wiebelen nerveus op de hakken van hun schoenen. Ze lachen en zeggen ‘Ik heb liever drie tentamens dan dit’ en ‘Ik had dit nooit verwacht’.

Onze dochter ziet ons en loopt op ons af.

‘Ik ben als laatste aan de beurt’, zegt ze. ‘Maar jullie kunnen luisteren naar het tweede groepje. Daarna kom ik.’

Er staat nog een ouderpaar in het halletje. Als we het lokaal in mogen valt het plakkaat van de deur. De vrouw van het andere paar pakt het op en drukt het tegen de deur. Nu hangt het plakkaat scheef. De plakbandjes zijn stoffig en kleven nauwelijks meer.

We luisteren naar een fictieve rechtszaak over hulp bij zelfdoding. Drie in toga gehulde rechters geven het woord aan een jongen met baardstoppels, onwennig staand voor het katheder in een geleende toga. Hij neemt de rol van officier van justitie op zich. Op het whiteboard achter de rechters hangt een A-4-tje met een afbeelding van de koning. De jongen start zijn betoog. En ik herken het verhaal.

De dag ervoor oefende onze dochter haar officier-van-justitierol met mij.

‘Mijn verhaal moet echt binnen tien minuten klaar zijn en klok het alsjeblieft met de stopwatch-functie’, instrueerde ze mij. Ik zat op bed. Zij stond achter de strijkplank. Rechts op de strijkplank lag een stapel ongestreken kleding. In het ijzeren mandje links hing de strijkbout. Na twee keer oefenen, schrappen en timen en een maal de slappe lach duurde het betoog acht minuten en tien seconden.

Willem-Alexander staart mij aan; de afbeelding is geplastificeerd dus de koning glimt een beetje. De middelste rechter interrumpeert twee maal het betoog van de jongen. Rustig beantwoordt hij de vragen. Zijn rechter-gymschoen wipt op en neer. Het randje van de toga beweegt licht mee. De zoom is afgezet met glanzend-zwart biaisband. Ik sterf intussen duizend doden.

‘Nu ben ik wel zenuwachtig’, vertelde mijn dochter mij in het halletje. ‘Je moet ook onverwacht vragen beantwoorden en elkaar van repliek dienen.’

Na het betoog van een meisje dat als advocaat een paar keer haar tekst kwijt raakt schuifelen we achter elkaar het lokaal uit. De deur gaat dicht. ‘Nu beraadslagen ze’, legt mijn kind mij uit. Ze trekt de leen-toga aan. De mouwen zijn zeker twintig centimeter te lang.

‘Wacht, ik vouw ze om’, zeg ik, ‘Anders kan je je notitie niet eens uitdelen.’

En daar staat ze. Achter het katheder. Ze deelt haar pleitnota uit aan de drie rechters en haar mede-student die de advocatenrol op zich neemt. Ze schenkt een bekertje water in. Haar hand trilt niet. En dan start het strijkplank-requisitoir. Twee keer krijgt ze een vraag. Ze beantwoordt deze gedecideerd. Ze haalt het Heringa-arrest aan. Ze eist negen maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk voor hulp bij zelfdoding. ‘Er is een maatschappelijke en politieke discussie gaande over euthanasie en voltooid leven, maar het is aan de wetgever om de wet aan te passen. Zo lang dat niet gebeurt hanteren wij de nu geldende wetgeving.’

En Willem zag dat het goed was.

One happy island

Portret van een meisje met strohoed, Paula Modersohn-Becker (1876-1907)

Op Goede Vrijdag staan er plotseling gekleurde tentjes op het strand. Kleine en grote tenten, partytenten, het is een grote tentenshow op dit ‘One happy island’; van Baby Beach tot en met Malmok Beach, van Rodgers Beach tot en met Arashi Beach, overal bivakkeren gezinnen op het strand.

De Duitse eigenaar van ons huisje vertelt in bijna-perfect Nederlands over het ene weekend per jaar waarin Arubanen op het strand mogen kamperen. En dat is met Pasen. ‘Zo krijgen Arubaanse kinderen feeling met hun gezin en het eiland’, vult zijn vrouw Denise aan, een zin waarover ik lang nadenk.

Denise en haar man wonen in het huis naast ons huisje. Hun huis lijkt op het Indische huis van mijn overgroot-oma: een marmeren, open voorgalerij waar de tropenwind doorheen waait met daarachter – een beetje verborgen – de keuken en slaapkamers.

‘U spreekt goed Nederlands’, zegt mijn man.

‘Tja, wij voeren jarenlang met onze onze boot door Nederland’, vertelt Denise. Haar door zon en zee geteisterde haar valt schuin over haar gebruinde gezicht. Haar ogen zijn felblauw als het zeewater aan de overkant van de weg. Denise wijst ons de kussens en strandstoeltjes ‘Pak deze gerust als je naar het strand gaat!’

Ze loopt voor ons uit om het stukje eigen strand te wijzen waar wij zomaar mogen gaan liggen. Kitesurfers scheren over de golven, de zon trekt een witte baan in het water. In de verte zien wij vissersboten en een paar grote zeeschepen. Ik knijp mijn ogen dicht tegen het felle licht.

Later op de middag loopt Denise weer langs ons huisje.

‘Sorry dat ik steeds langsloop maar het is zo warm…’ Zij zucht en wrijft haar hand door het haar. ‘En omlopen kost mij zoveel energie…’ Op het buitentafeltje ligt mijn boek. Denise doet een stap naar voren, ze leunt op de stoel die op ons terrasje staat.

‘Wat is dit voor een boek?’, vraagt ze nieuwsgierig. Het boek is van Ivo Weyel. Het gaat over zijn Joodse vader wiens dagboeken over de onderduik-periode hij vond. Ivo wist niets van het oorlogsverleden van zijn vader. Door de dagboeken leert hij zijn inmiddels overleden vader kennen. Ik vertel Duitse Denise kort waar het boek over gaat. Tot mijn ergernis trek ik een oneigenlijke parallel met een andere oorlog. ‘Twee generaties Syrische kinderen zullen last van hun oorlog houden’, zeg ik. Denise bekijkt het boek, bladert het wat door en zegt dat zij een dutje gaat doen. ‘Het is zo warm’, zucht ze en ze loopt haar marmeren huis in.

En opeens weet ik wat mij bevreemdt aan het strandkamperen en ‘de feeling die Arubaanse kinderen dit weekend daardoor krijgen met hun gezin en het eiland.’ De hele warme dag door zitten alle volwassenen op hun plastic stoeltjes te eten, te drinken en te kletsen. De kinderen scharrelen wat rond tussen de tenten. De zee ligt hier vol stenen, pootje baden of in het water spelen kan hier niet. Doelloos zwerven de kinderen rond, zij laten het hete zand door hun vingers lopen. Luide muziek komt uit de door hun ouders meegebrachte boxen. De volwassenen zitten. Geen ouder speelt met zijn kind.

De vader van Ivo Weyel was een lieve man. Hij speelde met zijn zoon, over de oorlog sprak hij niet om zijn kind daarmee niet te belasten. Wat weet Denise hier van? En ach, wat kan mij het schelen? Wij liggen op een bedje in de zon en knijpen onze ogen dicht. ‘One happy island’ it is.

Thx

De zon schijnt rechtstreeks op mijn vaste plek aan de eettafel. Na dagen met ijzige wind die door je sjaal heen op de huid neersloeg als de vinnige klap met de plak van een ouderwetse schoolmeester op het gevoelige, zachte vlees van je handpalm is dit een verademing. Zitten op een stoel in de zon.

Gisteravond ontving ik een mail van mijn zoon met de vraag of ik een ‘stuk’ wilde nakijken. Onderaan de mail stond vooruitlopend op mijn antwoord, thx.

Tegen het middaguur kwam hij tevoorschijn. Een verwarde haardos boven een pyjamabroek en capuchonvest.

‘Kan ik op je laptop dat stuk nakijken?’, vroeg ik. Ja, dat had hij zelf ook al bedacht.

‘Hier kan je lezen wat de criteria zijn’, legde hij uit, ‘En dit is het stuk.’ Daarna roosterde hij een broodje.

Ik begon te lezen. ‘Het stuk’ handelde over sociale ondernemingen die, zo betoogde mijn zoon, voortvloeien uit de participatie-samenleving en een belangrijke en verdergaande verschijningsvorm zijn van de ‘doe-democratie’. Geboeid lees ik verder. Zo nu en dan denk ik eraan een komma te wijzigen of een punt te zetten.

Met stijgende verbazing lees ik een goed onderbouwd betoog waar menig beleidsmedewerker een puntje aan kan zuigen. Het ‘stuk’ dat bij inlevering ineens een essay blijkt te zijn eindigt met een beschrijving van de Haagse sociale onderneming ‘Seepje’, vijf jaar geleden gestart door twee studenten die wasmiddelen maken van Nepalese boomschilletjes. De studiefinanciering vormde het startkapitaal. Een hilarisch gegeven.

Tegenover mij eet de schrijver van het ‘stuk’ zijn broodje. Met oortjes in leest hij een artikel waarin hij streepjes zet.

‘Dit is echt een heel goed stuk’, zeg ik en ik draai de laptop naar hem toe.

‘Dank je’, zegt hij, terwijl hij een oortje uitdoet.

‘Mail het alsjeblieft naar me’, zeg ik.

‘Naar je werkmail?’, vraagt hij.

‘Ja graag’, antwoord ik.

Later doezel ik verder in de zon boven de krant. Deze dag markeert de overgang van het ene naar het andere tijdperk. Het moment dat een kind inzicht verschaft aan de ouder en het opvoeden definitief tot de geschiedenis behoort.

‘Sociale ondernemers zijn mensen die (duurzaam) investeren in de maatschappij en in mijn ogen een positieve invloed uitoefenen op de samenleving. Ik geloof dan ook dat er een grote toekomst voor is en ik vind dat de overheid dit soort ondernemingen moet stimuleren en helpen.’

Thx, Mx.

Het bureau

Toen ik begon te schrijven

Woonde ik in een dorp

Met vuilwit zonlicht in mijn mond

Alom vrede

Ik trapte naar de zon

En wist niet hoe te leven

(…)

Uit: Slordig met geluk door Menno Wigman (1966-2018)

Weer is een dichter dood. Kind van de jaren tachtig, een gymnasiumleerling met liefde voor taal en een leraar Nederlands die dat zag. Het zijn bekende flarden herinnering. Alleen wist ik na enig trappen naar de zon wél hoe te leven. Zoals gisteren, toen we op zoek gingen naar een bureau.

*

Onze dochter huist sinds een week weer in de kamer die ooit haar kinderkamer was. Voordat zij kwam ruimde ik haar kamer op. Ik verplaatste dozen, stofte de bovenkant van de kledingkast die jarenlang niet beroerd was. Plukken grijs kleefden aan mijn doekje als plakkerige asresten van verbrande kinderjaren. Ik heette met iedere veeg over een plank mijn terugkerende kind welkom. De beer die ze van opa kreeg plaatste ik op het voeten-eind van het zorgvuldig opgemaakte meisjesbed. Met domme ogen keek hij mij aan.

*

‘Eigenlijk heb ik een bureau nodig’, zei ons kind een tijdje later, peinzend rondkijkend in haar schone kamer.

Omdat ze geen nieuw bureau wilde – ‘Dat kost mij weer €70,-‘ – stelde ik voor naar een tweedehands-winkel in de buurt te gaan.

*

‘Zo, het is druk hier’, constateerde mijn kind bij het binnenstappen van de magazijn-achtige ruimte. Pensionado’s snuffelden rond, vrijwilligers in blauwe fleece-truien liepen af en aan met dozen en sorteerden alle ingeleverde waar.

*

Achter de kasten met boeken en tafels vol prullen stuitten we op een houten bureautje met drie laden. Op iedere la zat een ronde knop.

‘Die wil ik’, zei mijn kind, ‘Kijk, mam, hij kost maar €12,50.’

*

‘Kunnen de poten eraf geschroefd worden?’, vroeg ik aan niemand in het bijzonder en ik dook onder het bureaublad. Vier ijzeren plaatjes met onwrikbare schroeven – onder iedere poot één, – lachten mij uit.

‘Nee, dat wordt niks’, zei ik. ‘Laten we vragen of ze het kunnen bezorgen.’

*

Een aardige jongen vertelde ons dat de dag-coördinator ‘Nog even in gesprek was.’ ‘Kijkt u rustig rond’, zei hij vriendelijk. Ook hij droeg een blauwe fleece-trui.

We keken rond. Een corpulente dame nam plaats op een rode bureaustoel. De stoel zakte met een diepe zucht tien centimeter naar beneden. Onverstoorbaar zat de vrouw daar, middenin de ruimte, op de rode bureaustoel. Toen ze uitgerust was kwam de stoel langzaam omhoog. Met het hydraulisch systeem was niks mis.

*

Ik vroeg mijn dochter die klaar was met rondkijken of zij geen bureaustoel nodig had. Ik wees haar op de flexibele rode.

‘Nee, dat is een afschuwelijk-lelijk ding’, zei ze. En toen zag ik het ook.

*

De jonge vrijwilliger kwam na tien minuten aanlopen met de dag-coördinator. Wij hoorden haar al van verre aankomen. Een zwaar-doorrookte stem snelde op de eigenaresse vooruit, over de rotan-stoelen, langs de boekenkasten, onder de tafels met prullaria door.

‘Om welk bureautje gaat het?’, hoorden wij haar aan de jongen vragen. De stem hoorde bij een tanige, zonnebank-bruine dame. Diepe rimpels verdeelden haar gezicht in kabbelende golfjes.

‘Is het mogelijk dit bureau te laten bezorgen?’, vroeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Ja, dat kan’, zei de vrouw. Ze keek mij aan. ‘Dat kost €15,-‘ Ik zag dat ze maar wat zei. De jongen keek haar verbaasd aan, maar richtte snel zijn blik op de betonnen vloer.

‘Kunnen we het bureau reserveren? We moeten opmeten of het past in de draai van de trap.’

‘O, u woont klein?’, vroeg de doorrookte stem.

‘Ja, de trap maakt een flinke draai’, antwoordde ik.

‘Aan reserveren beginnen we niet’, zei de vrouw op ferme toon. ‘Daar hebben we heel slechte ervaringen mee.’

Een beetje sip verlieten we het magazijn.

‘Ik vind het een leuk bureau’, zei mijn kind.

‘Vraag papa of hij het trapgat op wil meten’, adviseerde ik haar. En dat deed ze.

‘Het past!’, zei ze. En we keerden terug. We stuitten direct op de jonge vrijwilliger.

‘We willen het kopen’, zei ik en ik wees op het bureau.

‘Een moment alstublieft’, zei hij, ‘De dag-coördinator regelt de verkoop.’

*

Na het invullen van wat papierwerk en een afspraak voor de bezorging liep de doorrookte stem met ons mee naar de kassa.

‘Reken jij €22,50 af met deze klant?’, riep ze tegen een oudere dame bij de kassa.

‘Mam, ze vergist zich met de bezorgkosten’, zei mijn kind, toen we naar buiten liepen. ‘Nu betalen we maar €10,- bezorgkosten in plaats van €15,-.

Heel gelukkig reden wij naar huis.

Wetend hoe te leven.

***

Hommage

‘Enseigner, c’est ma vie’

Omdat ik ziek was las ik drie kranten op één dag. Eén krant las ik – onhandig in bed – op papier. De zachte, bijna vloeibare krantenflappen eindigden in ongelijke stukken met een scheve vouw in het midden. De andere kranten las ik, onderbroken door koortsdromen die afnamen en opkwamen als eb en vloed, op de iPad.

*

In de tweede krant viel mijn oog op een overlijdensadvertentie. Ik zag een bekende naam. Ik las door maar swipete terug. Boven de advertentie stond in schuine letters: ‘Enseigner, c’est ma vie’. Mijn grieperige hersens herinnerden zich dat woord – ‘enseigner’ – betekende dat niet ‘lesgeven’? Ik zocht het op. ‘Lesgeven’ was het. En toen wist ik het. Mevrouw de Buck was dood, mijn lerares Frans op de middelbare school.

*

Aan de advertentie kon ik zien dat deze met liefde was opgesteld. Ik las haar voornaam – die had ik nooit geweten – en haar bijnaam. Alsof zij een mens was, gewoon met familie, een huis, een leven. Voor mij was zij mijn juf. Mentor van klas 1 c, dat heette destijds klassenleraar. Ik herinner mijn teleurstelling dat wij haar kregen als klassenlerares. De andere leraren zagen er spannender uit. Jonger. Hipper. Baardjes, lang haar. Wijde jurken. Mevrouw de Buck droeg een rechte jurk tot boven de knie met een riempje om de taille. Zij had een smal, driehoekig gezicht. Ietsje vooruitstekende tanden, een kittige pas. 23 onzekere twaalfjarigen liepen in de zomer van 1974 achter haar aan naar lokaal 13.

*

Door de hoge ramen van lokaal 13 viel zonlicht als engelenglijbanen naar binnen. Wij stonden op de drempel van dat nieuwe leven zoals alleen twaalfjarigen dat kunnen. Onbevangen en leergierig. Mevrouw de Buck legde ons uit hoe wij onze agenda moesten gebruiken.

*

Ik had een Rijam-agenda met een onwillige kaft. We schreven het rooster in onze agenda’s op de pagina waarboven stond ‘Rooster’. Tijdens het schrijven drukte ik mijn rechterarm op de kaft om deze plat op tafel te krijgen. Met mijn linker-wijsvinger en duim hield ik de linkerkaft in bedwang. Geheimzinnige lokaalnummers, namen van leraren, het adres van de gymzaal in de stad, de uren gym in de zomer op een sportveld buiten de stad vulden de lijntjes op de witte, licht-gebogen pagina’s.

*

Daarna kregen wij een stencil met een plattegrond van de school. We vouwden het stencil netjes op, in een vierkantje, en schoven het in de agenda. ‘Goed bewaren’, adviseerde mevrouw de Buck ‘Hiermee kan je je weg vinden in de school.’

*

Mevrouw de Buck gaf Frans, in lokaal 13. Wij leerden heel veel woordjes. Op een dag klapte mevrouw de Buck het bord open met de Franse werkwoord-vervoeging. Thuis huilde ik. Ik snapte er niets van.

Een paar jaar later sprak ik voor mijn examen met mevrouw de Buck over ‘Les miserables’ en de schrijver Victor Hugo. Ik mocht er van alles over vertellen. Mevrouw de Bucks ogen glommen van plezier. Ik kreeg een 9.

*

‘Mevrouw de Buck, Ingrid, Itid, ook voor ons was u zorgzaam. Toen zag ik alleen dat riempje om uw ietwat uitdijende taille. Nu denk ik aan onze ontmoeting in de plaatselijke kroeg waar ik u tegenkwam met mijn eerste, echte vriendje. Het was nog geheim. U zat daar met mevrouw B., de juf Duits. In de kroeg…! Weet u nog wat u zei?

‘Ik wist dat jullie samen iets hadden, ik heb het gelezen in de Franse brief van Mark aan jou!’ Schalks keek u mijn geheime vriendje aan.

‘Mark vroeg in de brief die hij aan jou richtte ”Comment ca va avec Annelie?” En toen wist ik het!’ U en mevrouw B. lachten. Wij schoven bedeesd aan een ander tafeltje.

*

En nu bent u dood. ‘Na een liefdevolle verzorging in de Houttuinen.’ Ik had wel eens bij u langs kunnen gaan. Dan had ik het u gewoon kunnen zeggen.

*

Dank u wel mevrouw de Buck. Voor het mooie gesprek over Victor Hugo, de 9, uw milde lach in die kroeg.

En ik ken nog zoveel Franse woorden. Ook de werkwoorden kan ik vervoegen. Zonder tranen.

*

”Enseigner, c’etait votre vie”.

C’est vrai.’

***

Droomloos

‘Vannacht slapen we in een tent in de woonkamer

we hebben touw, brood en lakens

niemand zal ons vinden’

Hanneke van Eijken (1981-)

Laatst hadden we een cursus. Daarin werd geadviseerd onze dromen te onthouden.

‘Je kan je daarin bekwamen’, vertelde de cursusleider.

*

Meestal vergeet ik mijn dromen. Toch ging ik oefenen. De eerste droom die ik onthield was bizar en niet voor publicatie geschikt. In de tweede droom kwam mijn moeder voorbij.

‘Dat is de reden dat ik dromen graag vergeet,’ dacht ik toen ik beklemd wakker werd. In de droom schoot ik te kort, wilde ik weg, had ik graag een grote mond willen geven. In de droom-praktijk deed ik dat niet, bleef ik, ging ik door, luisterde ik. Zoals het was, vroeger.

*

De krant die ik lees heeft een wekelijkse rubriek over dromen. Meestal sla ik die over. Dromen van anderen zijn niet interessant. Ze zijn alleen leuk als je de mensen én de mensen die in de dromen voorkomen kent. Dat levert nog wel eens hilariteit op.

*

Nog leuker echter is de realiteit.

Gisteravond kwam onze zoon naar beneden met de laptop in zijn hand. Hij schoof naast mij op de bank.

‘Kijk eens’, zei hij, ‘De betaling van die tickets is niet gelukt.’

We boekten ‘s middags twee tickets naar Bolivia. Daar reist hij in de zomer met zijn vriendin naar toe.

‘Tja, dan moet je even bellen’, antwoordde ik een beetje kribbig. Ik was moe en uit een serie getrokken waar we net zo lekker inzaten.

‘Hier heb je mijn pasje’, zei ik en ik gaf hem mijn credit-card.

*

Stilletjes liep hij naar de eettafel en ging bellen.

‘Zet maar weer aan’, zei ik tegen mijn man en we verzonken in het verhaal van een familie die met elkaar zit opgescheept op een Zweeds eiland vanwege de voorwaarden die hun moeder aan de erfenis verbindt. De gezinsleden schieten te kort, willen weg en zouden graag een grote mond willen geven. Maar dat kan niet, vanwege die erfenis.

*

Door de dichte schuifdeuren heen hoorde ik de stem van onze zoon.

‘Yes, I booked this flight today, but something went wrong.’

‘Ik ga toch even kijken’, zei ik en we stopten met de Zweedse familie-perikelen.

*

Ik zat naast mijn zoon. Vaag hoorde ik de stem van de call-center-medewerkster via het microfoontje van zijn telefoon, dicht tegen zijn oor gedrukt. Zijn knokkels waren wit, op zijn wangen stonden blosjes.

*

Hij staarde naar mijn pasje.

‘The name is Jonquiere’, zei hij, ‘JONQUIERE’, herhaalde hij en hij begon met spellen. ‘J, O, N…’

‘Can you please use words?’, hoorde ik de medewerkster van het call-center vragen. En daar ging onze zoon.

‘J from Justin, O from Okay, N from Nico…’

‘Q from Queen?’, hoorde ik het meisje vragen.

‘Yes’, zei hij en hij ging verder,

‘U from…eh, Uterus’

*

En daar gingen we. Ik probeerde het tegen te houden maar er was geen houden aan. Hikkend en proestend zat ik naast hem en worstelend met een onbedwingbare lachkramp maakte hij de naam letter voor letter af.

‘Can you please repeat it?’, vroeg het meisje. Toen ben ik maar weggelopen.

‘Wat betekent uterus eigenlijk?’, vroeg mijn zoon.

‘Baarmoeder’, hikte ik.

*

Even later keken zijn vader en ik de serie af.

De nacht bleef droomloos.

***